Tag: inspiratie

Wie was Jacques?

smicob2

Ik keer nog even terug naar het stukje dat ik hier verleden donderdag plaatste en meer bepaald naar de tekening, die ik gebruikte om de tekst te verluchten en die ik hierboven in een ietwat vergrote versie herhaal. Er is namelijk een anekdote aan dat portret verbonden.

Het moet ondertussen meer dan twintig jaar geleden zijn dat ik in een drenkplaats, waar ik af en toe mijn neus liet zien en natuurlijk ook de rest van mijn lijf, een gesprek aanknoopte met mijn buurman aan de tapkast. De man zal een jaar of twintig geweest zijn, vermoed ik, en hij heette Jacques. De inhoud van ons gesprek herinner ik me niet, maar de koetjes en de kalfjes zullen wellicht aan bod gekomen zijn, net als het weer. We zaten zo’n uur of twee tegen elkaar aan te kakelen en op te proosten, maar toen scheidden onze wegen.

Toen ik enkele weken later opnieuw in die kroeg kwam, vernam ik van de kastelein dat er iets voor me afgegeven was. Hij overhandigde me een map, waarin ik de tekening in kwestie aantrof. Het met een papierklem eraan bevestigde kattebelletje luidde: “Nog bedankt voor de leuke babbel. Jacques.”

Het mag gezegd dat de gelijkenis treffend was. Je kon de afgebeelde kop meteen als de mijne herkennen. Men moet ongetwijfeld over een uitzonderlijk visueel geheugen en veel talent beschikken om iemand na nauwelijks twee uur helemaal uit het hoofd en zo raak af te beelden.

Ik vroeg de kastelein of hij me wat meer over die Jacques kon vertellen. Dat kon hij, maar hetgeen ik van hem vernam, vervulde me met verbijstering en was absoluut niet wat ik wilde horen. Jacques was een week eerder aan een overdosis gestorven.

Hij is dus al twintig jaar dood, maar ik heb zijn tekening ingelijst en die hangt nog steeds op een ereplaats in mijn bureau. Af en toe mag ik er graag naar kijken.

Waarom, zo vraag ik me af, heeft hij me eigenlijk als een slang afgebeeld? Ik zal het nooit weten.

Het roggeventje*

Ik kwam op een plek waar de wereld onbetreden leek. Er waren alleen maar nauwelijks door de mens verstoorde vertes en horizon te zien, maar toch trof ik daar een onbeheerde damesfiets aan. Het rijwiel stond in de berm en was voorzien van frivole fietstassen met een patroon dat tropische vegetatie moest suggereren. Het stuur torste een korfje van metalen vlechtwerk en een guirlande van weelderig rankende bloemen.

De wijde omgeving bood nergens gelegenheid tot verschuilen, maar toch viel er in heinde noch verre een levend wezen te bespeuren. Wel zag ik iets verderop een auto staan, dus veronderstelde mijn verdorven geest dat de eigenares van de fiets zich wellicht aan boord van dat voertuig bevond, waar ze zich samen met een geheime aanbidder aan niet nader te beschrijven dadelijkheden overgaf.

Toen ik echter bij die wagen kwam, bleek dat ding eveneens onbemand te zijn. Dat leek me stug. Ik kon als het ware uren in het rond kijken en naar onbelemmerde vertes turen, maar toch ontbrak iedere menselijke aanwezigheid in het gebied dat ik overschouwde. Waar waren de wielrijdster en de chauffeur gebleven? Was er misdaad in het spel?

Mijn toch al lenige, om niet te zeggen razende fantasie schoot vleugelen aan en in gedachten begon ik alvast aan een thriller à la Stephen King: Het roggeventje*. Het wordt ongetwijfeld een meesterwerk, dat men eerlang zal verfilmen. Het kan haast niet anders of er staat me obscene rijkdom te wachten. Misschien hangt er me zelfs een standbeeld boven het hoofd. En een Nobelprijs natuurlijk.

*Ik heb hier al eens eerder over roggeventjes geschreven ─ zie in dit verband Het roggeventje ─ en met die passage ben ik zelfs in het Vlaams woordenboek terechtgekomen, zoals jullie hier kunnen zien: http://www.vlaamswoordenboek.be/definities/term/roggeventje

Accident de parcours

Ze waren beiden heel erg oud, dat zag je er zo aan af. Hij zat in een rolstoel en zij duwde die voort met de moeite die eigen is aan de ouderdom. Het leven had veel leed in haar gelaat geëtst, maar desalniettemin bleef ze kranig glimlachen en glunderde ze haar leeftijd weg. Hij daarentegen had het smoel van een buldog die op een wesp kauwde.

Ze duwde hem het restaurant binnen, maar maakte een kleine stuurfout, zodat ze even tegen de deurstijl aanbotste.
“Kijk toch uit, stom kalf!” snauwde hij schompermuilend. “Jouw geklungel is nooit overtroffen.”

Een kelner schoot toe om te helpen en ik keek haar meewarig aan toen ze mij passeerde. Ze schokschouderde even, schudde het hoofd en glimlachte, maar het was een beetje een treurige glimlach. Hij sudderde nog na en mompelde binnensmonds allerhande verwijten aan haar adres.

Mijn verbeelding schoot vleugelen aan en ik verzon snel een scenario om haar van die bullebak te verlossen. Ik liet ze met voorbedachten rade een reis maken, meer bepaald naar Bretagne, aan de rand waarvan zich hoge kliffen verheffen. Terwijl ze daar zogezegd het natuurschoon bewonderde, gaf ze die rolstoel stiekem een zetje, zodat die gang kreeg, er dan op niet te stuiten wijze de sokken in zette, om vervolgens plompverloren van zo’n klif te kukelen, waardoor de inzittende schielijk het tijdelijke met het eeuwige verwisselde, waarop de dame in kwestie een triomfantelijke glimlach inslikte, een zucht van verlichting slaakte en – een geboren tragédienne – een klaagzang aanhief: “O, mijn teergeliefde echtgenoot is het hoekje omgegaan, vermoedelijk om zeep.” Neergedaald ter helle zal ze ongetwijfeld bedoelen.

Ja ik zie het allemaal zo voor me gebeuren. Ik denk dat ik er een verhaal aan zal wijden, of misschien zit er zelfs een film in.

Daar is ze!

Ik ben maar een arme sloeber, die zich geen vaatwasmachine kan veroorloven. Zo komt het dat ik me regelmatig aan de gootsteen in de keuken posteer, om handmatig de vaat te doen of om op West-Vlaamse wijze de schuttels te wass’n. Hoewel ik dat allerminst een aangename karwei vind, doe ik het toch niet echt met tegenzin, want terwijl ik me met kopjes, borden en bestekken onledig houd, gebeurt het niet zelden dat de muze opduikt. Ik krijg plots een lumineus idee, ze kust een fraaie zin in me wakker, of ze verrast me met vogelzang in mensentaal. Dan is het zaak om de inblazing zo snel mogelijk aan papier of computerscherm toe te vertrouwen, want anders ben ik het kwijt.

Het is me al overkomen dat ik meerdere keren mijn werkzaamheden moet onderbreken, om mijn handen af te drogen en naar mijn werkkamer te hollen, teneinde iets te administreren. Meestal blijf ik daar dan ook nog wat rondlummelen en dat is natuurlijk niet bevorderlijk voor de goede gang van het huishouden. Daarom heb ik verleden week een blocnote en een potlood op de keukentafel gelegd … en die liggen daar te liggen, want sindsdien blijft de muze weg. Het is alsof ze me enkel wil inspireren als ik er een inspanning voor doe, de eigengereide teef!

Vanmorgen heb ik de blocnote en het potlood verwijderd en ja hoor! Daar was ze! Ze fluisterde lenig proza en potige volzinnen in mijn oor, maar ik heb haar straal genegeerd. Ze moet voor mij niet mank gaan, ik heb lang genoeg in de kreupelstraat gewoond.

Een scheet in een netzak

Ik ben weer thuis. Mijn uitstap naar het ziekenhuis was een beetje voorbarig, denk ik, maar beter ten halve gekeerd, dan ten hele gedwaald. Het betreft een ontsteking in een pril stadium, die ik met een antibioticum kan bevechten. Pillen dus. Ik slik me ondertussen ongeveer lam aan pillen en mijn lijf is zowat doorzeefd met naaldenprikken. Vandaar allicht dat mijn muze, die me nochtans bijna nooit in de steek laat en steevast de fraaiste zinnen in me wakker kust, nu toch even de wijk genomen heeft naar rustiger oorden. Ik ben namelijk niet in staat om helder te denken en er spoken nogal wat muizenissen onder mijn schedeldak. Muzen houden niet van dergelijke toestanden.

Ik probeer van een mooi stukje te bevallen, maar dat gaat niet zo vlot als ik eigenlijk zou willen. De zinnen die ik schrijf zijn kreupel en kreunen onder de tikfouten. Het zal voor morgen zijn. Deze uil gaat nog even op de perenboom zitten. Of in een eik.

wiseowl

The wise old owl
sat in an oak.
The more he saw,
the less he spoke.
The less he spoke,
the more he heard.
Why can’t we be like
that wise old bird?

Met een baard

autopedDe leden van een fietsclub zaten op een door de zon beschenen terras van in hoofdzaak brave vloeistoffen te genieten, toen er plots een manspersoon verscheen die zich op een step voortbewoog, hetgeen me een nogal belachelijke manier van zich verplaatsen lijkt. Ik vind step trouwens een lelijke benaming voor het tuig in kwestie. Autoped eveneens. Ik verkies het in mijn Vlaamse dialect gangbare trottinette.

Het was allesbehalve kinderspeelgoed dat hij behoedzaam aan het fietsenrek toevertrouwde, maar een volwassen trottinette. Getooid met de ronduit ridicule uitmonstering die recreatieve fietsers en kennelijk ook trottinetters omgorden om zich op weg te begeven, betrad hij het terras. Ik zat met gespitste oren te wachten op wat komen moest, want het was opgelegd pandoer dat het zou gebeuren. Even leek het erop dat het zou uitblijven, maar nee hoor!

─”Ik zou toch maar oppassen als ik jou was”, sprak een van de fietsers. “Straks is je ene been langer dan je andere.”
─”Vandaag moet je de zesde zijn die me dat zegt,” antwoordde de trottinetter, “maar toch bedankt voor de waarschuwing.”

Het was zo voorspelbaar.

De hengstenbron

Schrijven is een poging om een leegte op te vullen.
Eugenio Montale

Als jullie dachten dat ik hier ter gelegenheid van gedichtendag 2013 met een van mijn poëtische ontboezemingen op de proppen zou komen, dan hebben jullie verkeerd gedacht. Ik wil me niet hopeloos belachelijk maken.

Lenig proza schrijven lukt me heel aardig. Ik heb een welversneden pen en smijt emoties op het blad in een flonkerende stijl, gelardeerd met zuidelijke kunstzin, noordelijke primitiviteit en een wollige, haast Chinese bloemigheid in mijn taal. Faire chanter les mots … De woorden die ik gebruik zijn soms heel verwonderd elkaar tegen te komen. Het leven kust immers de fraaiste zinnen in me wakker, maar ook ergernis blijkt vaak mijn creatieve brandstof te zijn. Hoewel mijn teksten vaak iets zweverigs hebben, schrik ik er ook niet voor terug om met vitriool te schrijven en machetescherp uit de hoek te komen.

De furor scribendi ofte de schrijfwoede mag dan misschien mijn deel zijn, de furor poeticus is dat niet. Ik beschik niet over feniksvleugelen en als ik me al eens aan een gedicht waag, resulteert dat meestal in een wangedrocht dat thuishoort bij de kleppermanspoëzie en de rijmelarij, die ik tijdens het surfen veel te vaak onder ogen krijg en waarbij telkens een licht onbehagen in me opsteekt. Dus niet. Deze schoenmaker blijft bij zijn leest. Ik ben een schrijver, maar geen dichter en daar leg ik me bij neer. Wie vaak met taal werkt, kent de leegte van woorden beter dan wie ook.

Mijn bijdrage aan gedichtendag is dan ook een pareltje van iemand die ik dus wel als een echte dichteres beschouw, met name de fijnbesnaarde en zeer door mijn bewonderde Frieda Groffy:

Hoe raak ik nog ooit weer
de koorts kwijt
die als een ziekte in mijn
bloed bijt

Hoe raak ik nog ooit weer
de pijn kwijt
van een hopeloos verlangen
naar de warmte van
je handen
Hoe raak ik nog ooit weer
je geur kwijt
die in mijn huid zit
vastgezogen

en hoe kom ik nog ooit los
van je tederheid
die me omvatte als een schelp
van je begeerte die me als
een hete zomer verschroeide

worden mijn hart en mijn geest
nog ooit weer rustig
raak ik nog ooit deze
liefde kwijt

Geboekstaafd

patrijspoortHoewel de televisie een voortdurende bron van vermaak heet te zijn, besteed ik er meestal net zoveel aandacht aan als aan de patrijspoort van de wasmachine waarachter een bonte was draait. Toen ik dit schreef, zat ik me af te vragen waarom zo’n rond glazen raampje eigenlijk een patrijspoort heet. Ik ging te rade bij die dikkerd van van Dale, waar men me doodgemoedereerd meedeelde dat het woord voor het eerst in 1863 opgetekend werd, maar dat de herkomst ervan onbekend is. Tja, daar schieten we ook niet mee op, dus keer ik maar terug naar het onderwerp dat ik net bij de kop had.

Ik kijk alleen televisie als het sneeuwt in de hel en de kalveren op het ijs dansen, maar als ik het doe, ligt er zoals steeds een notitieboekje binnen handbereik, waarin ik de aantekeningen onderbreng van wat ik misschien ooit tijdens mijn scheppende arbeid zal kunnen gebruiken. De oogst van de voorbije week is echter magertjes. Slechts twee personen hebben een eervolle vermelding gekregen.

In het quizprogramma Blokken vroeg men naar de naam van de vrouwelijke tegenhanger van Manneken Pis. Dat is Jeanneke Pis, maar dat wist de kandidaat in kwestie niet. Zijn antwoord luidde: “Vrouwke Zeik.”
Gelachen dat ik heb! Ik kwam haast niet meer bij.

In het reportageprogramma Iedereen Beroemd verscheen taartenbakster Sylvia uit Putte, die doodleuk verkondigde:
“Mijn bruidstaart was zo’n ingewikkeld concept dat ik meteen met een taartenwinkel begonnen ben.”
Gelachen dat ik heb! Ik heb de hele avond blauw gelegen.

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme