Tag: hebbelijkheden

Het kind moet een naam hebben

Loddertje, suikerkontje, keppekeuntje …

Ik heb de nogal kinderachtige gewoonte om bijnamen te geven. Dat zou op zich niet vermeldenswaard zijn als ik die troetels aan personen zou besteden, maar ik benoem er vooral dingen mee die me in het dagelijkse leven omringen.

Mijn frituurpan heet bijvoorbeeld Pruttelgatje, vanwege de pruttelende geluidjes die ze pleegt te produceren. Wentelteefje is de plafondventilator die boven mijn bureau hangt en mijn televisietoestel luistert naar de naam Fluppe, want dat is de Vlaamse verbastering van Filip en dus ook van het elektronicamerk Philips.

Ik kan nog wel even doorgaan, want de nieuwe  papierversnipperaar die ik pas enkele dagen geleden kocht, heb ik vanmorgen al Vreetzak gedoopt, maar zoals ik eerder al schreef: het moet niet nog gekker worden.

Wie het kleine niet eert …

Ik had het hier al vaker over mijn hebbelijkheden en aanwensels. Ik opperde zelfs enkele keren dat er misschien toch een steekje aan me los is, waardoor ik af en toe niet helemaal spoor. Het moet alleszins niet gekker worden dan gisterenmiddag.

Ik at scampi diabolique met basmatirijst. Toen ik na de maaltijd mijn eetgerei naar de gootsteen bracht, merkte ik dat er twee rijstkorreltjes op mijn bord achtergebleven waren. Ik staarde er enkele seconden naar en vond toen dat ik die niet in het sop kon kieperen, om ze rioolwaarts te sturen. Die onbeduidende graantjes waren niet in de Punjab, het grensgebied van Pakistan en India, in het pure smeltwater van de Himalayasneeuw opgegroeid om hier ongenuttigd en dus roemloos aan hun eind te komen. Ik takelde ze omhoog met een vingertop en gaf ze het applaus dat ze verdienden: ik at ze op.

Ik hoor het mijn moeder nog met enige bezorgdheid aan een vriendin toevertrouwen: “Zijn inlevingsvermogen is te groot. Dat zal hem nog een allemachtige hoop ongemak bezorgen.”

Ik heb daarnet een uiltje geknapt. Letterlijk dan. Het vlindertje was in mijn werkkamer beland en probeerde tevergeefs het geheim van vensterglas te doorgronden. Ik ving het behoedzaam en gaf het de vrijheid. Tjonge, wat was dat insectje blij. Ik denk zelfs dat het kwispelstaartte. Of kan een uiltje dat niet?

Ik heb de indruk dat mijn inlevingsvermogen nog toeneemt met het verstrijken der jaren. Dat kan nooit goed aflopen.

De maestro

batonIk mag graag gerenommeerde orkesten dirigeren en ik heb daar inmiddels grote bekendheid mee verworven. Zo stond ik bijvoorbeeld gisteren nog de wereldberoemde Wiener Philharmoniker in goede banen te leiden. Ook de vermaarde London Metropolitan en het niet te onderschatten National Symphony Orchestra doen geregeld een beroep op mijn vakkundige leiding. Klinkende namen, inderdaad. Met een op violen krassend strijkje uit Bommerskonten houdt deze jongen zich niet onledig.

Dirigeren is mijn lust en mijn leven, al verwacht men zoiets allerminst van iemand die geen noot muziek kan lezen en op een partituur enkel zwarte bolletjes met soms gevleugelde staartjes ontwaart. Als ik enigszins in form ben, vermag ik aan een blokfluit de eerste frase van ‘Te Lourdes op de bergen’ — do fafa la fafa — te ontlokken. Toen ik ooit een gitaar in handen kreeg, hielp ik binnen de vijf seconden twee snaren naar de kloten. Als ik echter in mijn bureau vertoef en me onbespied weet, durf ik me weleens aan minder gebruikelijke handelingen over te geven: tegen mezelf praten, luide scheten laten, in mijn neus pulken, navelpluizen verwijderen, me verlekkerd in het kruis krabben … en dirigentje spelen.

Omvangrijke symfonieorkesten lyrisch laten jubelen, is wat ik het liefst doe. Daar krijg ik een ongehoorde kick van. Als ik een cd onder het laseroog leg en mijn baton verhef — meestal is dat een ordinaire liniaal, al gebruik ik af en toe ook een elegantere chopstick — nemen mijn poezen de rol van aandachtige toeschouwers op zich. Ik besef ook wel dat ze die belangstelling veinzen, want het kan ze feitelijk geen ene moer verblotekonten dat ik daar als de malloot van het huis sta te gesticuleren, maar mijn katten zijn sluwe dieren en ze hebben ontdekt dat ik na een geslaagd optreden meestal in zo’n uitstekende bui ben, dat ik tijdens de receptie achteraf een blikje tonijn voor ze durf open te rukken. Helaas kunnen mijn katten niet applaudisseren, zodat ik genoodzaakt ben om de staande ovatie middels mijn fantasie te laten losbarsten, wat niet belet dat ik die toejuichingen dankbaar in ontvangst neem, terwijl ik elegant buigend de haarlokken à la Miss Piggy van The Muppets van mijn voorhoofd verwijder, want dat doen de echte dirigenten ook.

Op dit moment heb ik trouwens buitengewoon veel zin om piano te spelen. De cd met muziek van Chopin ligt al klaar. Ik hoef enkel nog mijn schrijftafel wat te ontruimen. Die zal straks mijn concertvleugel zijn. Een Steinway & Sons. Hoewel … een Bösendorfer of een Bechstein tokkelen ook lekker. Ja, soms ontpop ik me tot een echte klavierleeuw. Hadden jullie niet van me gedacht, hè?

Begeerlijk voor de lusten des mans

“Ah! Je ris de me voir si beau en ce miroir!” parafraseerde ik de beroemde juwelenaria uit de opera Faust van Charles Gounod. Ik stond in de badkamer, keek in de spiegel en becommentarieerde het beeld dat ik daar aanschouwde met de woorden: “Deze jongen ziet er lang niet slecht uit, hè? Hij lijkt me wel lekker op een toastje.”

Hoewel hetgeen ik zag ongetwijfeld voor verbetering vatbaar is, ben ik er toch tamelijk tevreden mee. Ik mag dan misschien niet door een genie bedacht of met een schaartje geknipt zijn, toch ben ik absoluut niet schadelijk voor de ogen van wie me aankijkt. Dat wil natuurlijk nog lang niet zeggen dat ik de gouden appel wegdraag.

Het leven confronteert me immers regelmatig met personen die werkelijk zo bloedschroeiend mooi zijn, dat hun schoonheid me treft als een mokerslag. Gisteren ontmoette ik zo’n mensenverrukkend wezen. Ik sloeg steil achterover, klapte toen in mekaar als een strandstoel en poepte bijna in mijn broek. Ik zat thuis nog van de schok te bekomen, toen ik tijdens mijn werkzaamheden in een tijdsruimte van nauwelijks een kwartier vier keer op een citaat stuitte dat over schoonheid handelde.

“Schoonheid is een tirannie van korte duur.”
Zeno van Citium

“Un beau visage est le plus beau de tous les spectacles …”
Jean de La Bruyère

“It is the pretty face which creates sympathy in the hearts of men, those wicked rogues. A woman may possess the wisdom and chastity of Minerva, and we give no heed to her, if she has a plain face. What folly will not a pair of bright eyes make pardonable? What dullness may not red lips and sweet accents render pleasant.”
William Makepeace Thackeray

“Ik heb een hekel aan mooie mensen, omdat ze denken het recht te hebben op een voorkeursbehandeling. Het is oneerlijk, ze hebben er niets voor gedaan, en toch hebben ze het gevoel dat ze meer zijn dan een ander.”
Frans Pointl

Dat kon geen toeval zijn. De merkwaardige samenloop noopte me tot wat freischwebende Intelligenz. Zag ik meer door de vingers als iemand over een aardig opstalletje beschikte? Was het werkelijk zo dat schoonheid me toegeeflijker maakte? Dientengevolge gaf ik me over aan hypothetisch denken: zou ik bijvoorbeeld tijdens een sollicitatiegesprek de voorkeur geven aan de bekwaamste persoon, of aan de mooiste?
Ik heb er zo’n donkerbruin vermoeden van dat ik de mooiste zou kiezen! Foei! Ik ben daar eigenlijk niet trots op. Frans Pointl heeft derhalve slechts ten dele gelijk: mooie mensen denken niet alleen dat ze recht hebben op een voorkeursbehandeling, maar ze krijgen die ook … van klotenbibbers zoals ik. Those wicked rogues … Thackeray slaat de spijker op de kop.

Moleskinemolest

MoleskineWaar ik ook ga of sta, heb ik steevast een notitieboekje binnen handbereik. In mijn geval is dat zo’n delicaat dingetje van Moleskine. Zodra ik wat hoor, zie, voel of denk dat me enigszins belangrijk of bruikbaar toeschijnt, administreer ik dat met verheugde vingers. Zij die af en toe in mijn gezelschap vertoeven, storen zich vaak aan deze volgens hen bijzonder irritante gewoonte, want ik schroom me bijvoorbeeld niet om een fietstocht te onderbreken, of mijn auto onverhoeds in een berm te parkeren, teneinde een gedachte die overeind springt in geschrifte te vangen.
─“Gatverdamme!” mopperen ze geërgerd als ik opnieuw en nog maar eens dat schriftje trek. “Ben je daar weer met je vervloekte boekje! Maniak!”

Ze kunnen mij echter de moord pruimen met hun verwijtende woorden, want ik ben een bijzonder eigengereid persoon en misschien zelfs een beetje ongezeglijk, dus blijf ik doodgemoedereerd mijn goddelijke driehoek gaan door te pas en te onpas mijn geheugensteuntje op te diepen om er blaadjes in vol te krabbelen.

Als ik in een hopelijk verre toekomst mijn moede hoofd neerleg en voor immer de ogen sluit, zal ik ongetwijfeld grote paniek zaaien als ik tijdens de rouwplechtigheid plots het deksel van mijn op een katafalk prijkende kist openklap — van mij mag dat trouwens gerust met een sinister knersend geluid gepaard gaan — om bij het flakkerende licht van de mij omringende kaarsen nog snel een laatste gedachte aan mijn Moleskine toe te vertrouwen, waarna ik op door Chopin bedachte en dus weemoedige pianoklanken achter een gordijn zal verdwijnen, of misschien zelfs door de grond zal zinken, en zachtjes doorschuif naar de onverbiddelijke vlammen waarin ik tot stof en as zal wederkeren. Het lijkt mij een passend besluit van mijn leven op aarde en het is eens wat anders dan het traditionele fluisteren van laatste woorden.