Tag: pech

Asperges me! ─ 2

De morgenstond had geen goud in de mond, maar was gehuld in regenflarden. Tussen twee vlagen door spurtte ik met de fiets naar de supermarkt, omdat hetgeen ik ‘s middags wilde klaarmaken om te eten een essentieel ingrediënt behoefde, dat ik niet in mijn voorraadkasten aantrof.

Niettegenstaande er zich boven me wolkenpakken in hevig gedrang bleven ophouden, zag het ernaar uit dat ik het ook op de terugweg droog zou houden …

… maar toen reed ik voorbij zo’n vervaarlijk wegkasteel: een betonmixer die langs de kant van de weg geparkeerd stond. Terwijl ik dat deed, kreeg ik onverhoeds een niet te onderschatten gulp water over me heen, die met zo’n kracht op me neergutste dat ik bijna van mijn fiets kukelde.

De chauffeur van het vehikel had namelijk plots last van schoonmaakwoede gekregen. Gewapend met een sproeilans was hij op zijn voertuig geklommen om vanaf die verheven positie uitbundig aan het spuiten te gaan, evenwel zonder rekening te houden met toevallige passanten, zoals ik. Hij kon kennelijk ook niet goed mikken.

Hoewel de regen het nog geruime tijd liet afweten, hield ik het toch niet droog. Ik kwam zo nat als een dweil thuis en zag eruit als een verzopen kat. Bovendien bleken een aantal kledingstukken van me onherroepelijk beschadigd te zijn door dat agressieve betonwater.

Zal ik een klacht indienen? Of is het (beton)sop de kool niet waard?

Een wonderlijke groente

rabarber2Mijn mond lust graag rabarber. Er is een tijd geweest dat ik me deze zuurstokken probleemloos kon aanschaffen. Schijthuizen kon je ermee dekken. Vandaag de dag moet men zich echter ongans zoeken om die stengels te vinden. Ze zijn zowel letterlijk als figuurlijk dun gezaaid.

Verleden week kwam ik nogal onverhoeds op een boerenmarkt terecht. In een groentekraam aldaar ontwaarde ik zowaar twee ‘bussels’ van mijn favoriete vegetatie, dus vervoegde ik me bij de lange wachtrij. Het duurde toch bijna tien minuten voor ik aan de beurt was en wijzend met een verlekkerde vinger zei:
–”Ik wil graag die twee bussels rabarber.”
–”Die zijn gereserveerd”, deelde die boerin van de korte keten me nogal kortaangebonden mee.
–”Waarom stelt u die dan nog tentoon?” vroeg ik me af en ik deelde die vraag aan haar mee.
–”Ik stel hier tentoon wat ik wil”, verkondigde ze bazig, “en daar hoeft niemand zich mee te bemoeien.”

Ik kon haar geen ongelijk gegeven natuurlijk, maar die onbeschofte zurkelktrut mag van mij schaamluizen krijgen en korte armpjes, zodat ze zich niet kan krabben. Haar kraam mag van mij met een luide knal de lucht invliegen.

Ik zal alleszins nooit meer wat bij die pekelteef kopen. Zelfs geen rabarber.

Aline viert een verjaardag

De Spaanstalige Rogaciano – ik wou dat ik zo heette – kwam als zestienjarige uit een ver buitenland in onze contreien terecht. Ik genoot het voorrecht en het genoegen om hem in de geheimen van de Nederlandse taal in te wijden.

Nu was hij absoluut niet schadelijk voor de ogen en het duurde dan ook niet lang of hij had een vriendinnetje, Aline, dat hij binnen de kortste keren bezwangerde.
─”Lieve deugd!” riep ik toen ik dat vernam. “Gebruik je geen condoom dan?”
Hij bleef het antwoord schuldig, maar Aline verstrekte me gewillig tekst en uitleg.
─”Het was zijn verjaardag”, zei ze, “en als cadeau mocht hij een keertje zonder. Het was meteen prijs.”

Rogaciano wist even niet waar hij zich bergen moest en kleurde tot achter zijn oren. Ik van mijn kant wist gewoon niet wat ik hoorde en zat te kijken alsof er zich een geest gemanifesteerd had.

Aline legt een markante oprechtheid, een volslagen gebrek aan kapsones en een niet klein te krijgen naturel aan de dag, maar ze heeft aan de bron der intelligentie slechts de lippen bevochtigd. Ze is een simpel zieltje, dat zelfs een gebruiksaanwijzing nodig heeft voor kauwgum … maar daarover later meer. Dat Rogaciano het een keertje zonder jasje mocht doen en dat ook deed, was overigens ook niet bijster snugger van hem.

Wordt eerlang vervolgd.

Sul die ik ben!

Ik gaf mijn fiets opdracht halt te houden bij een aardbeienautomaat en hij gaf gewillig gehoor aan dat verzoek.

“De aangeboden aardbeien komen rechtstreeks van bij een Vlaamse teler”, verkondigde een bord in grote, onbeholpen letters.

Dat was alleszins mooi meegenomen. Ik ben zeer begaan met het welzijn van Vlaanderen en besloot derhalve over te gaan tot het kopen van zo’n bakje Vlaamse aardbeien.

Nu heb ik de ballen verstand van automaten, dus stond ik even op dat gevaarte te kijken als een uil op een kluit, want niet gehinderd door enige kennis van zaken, waarna ik de gebruiksaanwijzing van de machine raadpleegde.

“Koop geen lege vakjes!” luidde de eerste regel.
“Wie koopt er nu een leeg vakje?” mompelde ik hoofdschuddend. “Daar moet je toch een achterlijk ezelsveulen voor zijn.”

Ik las verder:
– gooi je munten in de gleuf;
– gebruik de pijltjestoetsen om het vakje met het door jou gewenste product voor het venster te brengen;
– open het venster en voorzie je van je aankoop.

Mijn munten, ten bedrage van € 4, gleden in de gleuf. Ik begon op de pijltjestoetsen te drukken, maar die bezigheid werd verstoord door een automobilist, die achter me stopte en naar de weg vroeg. Ik gaf hem tekst en uitleg, aarzelde niet om zelfs een beetje te wijzen, draaide me om en … verstrooid als ik was, sloeg ik de eerste regel van de handleiding in de wind, schoof het venstertje open en behoorde gelijk tot het ras van de achterlijke ezelsveulens, want ik kocht toch wel een leeg vakje zeker!

Ze moeten me met rust laten als ik me met een automaat bezighoud.

Alsof de duivel, of wellicht mijn engelbewaarder, ermee speelde, dwarrelde er iets verderop een biljet van € 5 over het asfalt. Zo werd het toch nog een aangename en zowaar winstgevende lentedag.

Allemaal kosten op het sterfhuis

Tussen twee regenbuien door glipte ik per fiets naar de supermarkt, om er een paar kleinigheden in te slaan, zoals onder niet veel meer een blokbatterijtje voor de rookmelder. Die was ‘s morgens op een onchristelijk uur lament beginnen geven, niet omdat er onraad te bespeuren viel, maar omdat zijn energiebron bijna uitgeput was. Ik pleeg dergelijke batterijen altijd in voorraad te hebben, behalve op regendagen als mijn auto een onderhoudsbeurt krijgt.

Omdat zo’n batterijtje een zielige aanblik biedt als het zich alleen in een winkelkar ophoudt, kocht ik nog een paar dingetjes. Toen ik met mijn boodschappen bij de fietsenstalling kwam, bleek iemand de kettingkast van mijn rijwiel in de vernieling gereden of gestoten te hebben. De gruzelementen ervan lagen net als de diggelen op de grond verspreid. Ik stond erbij en ik keek ernaar. Van de dader ontbrak natuurlijk elk spoor.

Hoewel ik ooit broekveren gekocht heb, bleken die zich niet in mijn fietstassen op te houden. Het waaide bovendien vrij hard, dus kwam ik thuis met een danig door kettingsmeer besmeurde pantalonpijp, om nog te zwijgen van mijn humeur dat danig onder het nulpunt gezakt was. Ach, woonde ik maar op de rand van een vulkaan.

Een nieuwe kettingkast, een broek met vlekken waar zelfs een heel vakkundige stomerij wellicht geen raad mee zal weten … Er groeien geen bankbiljetten op mijn rug en er staat al evenmin een geldboom in mijn tuin. Ze moeten van mijn  kettingkast blijven! En van mijn andere kasten ook!

Anderzijds is de rookmelder wel buitengewoon blij met zijn verse batterijtje.

Nog even murmureren in 2018

Toen ik me met mijn fiets in Nergenshuizen bevond, ontstond er plots een verontrustend gedokker onder mijn kont. Hetgeen ik vreesde, werd bewaarheid: ik had een lekke achterband. Ik maakte luidkeels mijn ongenoegen kenbaar ─ ik reed immers op zogeheten lekbestendige banden ─ maar aangezien er zich geen levende ziel in de wijde omgeving ophield, was er niemand die dat hoorde.

Ik trok mijn mobieltje en telefoneerde naar de fietsbijstand van de VAB, want ik betaal die luiden ieder jaar € 45, teneinde vakkundige hulp te krijgen als mijn rijwiel het onverhoeds laat afweten. Ze zouden een mannetje sturen, maar het kon wel een uur tot vijf kwartier duren voor ik die zag opdagen, want het was heel erg druk in de wegenwachterij.

Vijf kwartier duurt lang, vooral als je blootgesteld bent aan weer en wind en nergens kunt gaan zitten, maar anderzijds kan en mag ik natuurlijk niet verwachten dat zo’n monteur me op stel en sprong uit de brand komt helpen. Net toen het vijfde kwartier op het punt stond te verstrijken kreeg ik een sms-bericht dat me mededeelde dat ik nog een halfuurtje langer geduld zou moeten oefenen. Ik loosde een putdiepe zucht en er ontsnapte een vloek aan mijn mond, maar nog steeds was er niemand die dat hoorde.

Vijfentwintig minuten later verscheen de wegenwachter en hij verstond zijn vak, want binnen de kortste keren barrebokste hij de klus en dat deed hij met verbluffende handigheid en bijna achteloze zwier.

Een dag of wat later verzocht VAB me per e-mail om een beoordeling van de tussenkomst. Ik gaf een acht op tien. Als ik louter de monteur had moeten evalueren, zou ik die zeker met een tien bedacht hebben, maar het lange wachten zette een domper op mijn cijfer.

Het weer was me gelukkig goedgezind geweest, want in anderhalf uur kan er veel gebeuren en regende het de hele tijd op zeer doeltreffende wijze, weerklonk de loeiende spotlach van stormwind, graaiden er gretige bliksems door de lucht, veranderde sneeuw het mij omringende landschap in een kerstkaart, vroor het stenen uit de grond, deed een aardbeving de wereld rondom mij stuiptrekken, kreeg een vulkaan het danig op zijn heupen, donderde er een tsunami of een lawine op me af, raakte ik ondergedompeld in een schuimbekkende overstroming, zakte ik weg in een reusachtig zinkgat …

De rampen zijn de wereld niet uit. Het zijn allemaal dingen die kunnen gebeuren. Ook in West-Vlaanderen. Zeker in West-Vlaanderen. Vooral in West-Vlaanderen.

Nog één keer en het is scheepsrecht

Met een tussenafstand van vijftig meter bogen ranke lantaarnpalen zich attent over het door mij gebruikte fietspad en de belendende autoweg, om met licht te strooien als dat nodig was.

Bovenaan, op de mastarmen, waren op ieder exemplaar een aantal meeuwen neergestreken. Die zaten doelloos in de verte te staren en te converseren. Nu ja, converseren … ze slaakten af en toe een nogal ijzingwekkende kreet. Ik meen te weten dat kliauwen de correcte benaming is voor het gekrijs dat meeuwen produceren. Als jullie dat niet geloven, zullen jullie me na het raadplegen van bijvoorbeeld het dikke woordenboek van Van Dale gelijk moeten geven.

Zo nu en dan zag ik hoe zo’n vogel een schokkend beweginkje maakte en zich ontlastte. Het zat er derhalve aan te komen en het viel haast niet te vermijden dat ik door zo’n uitwerpsel getroffen zou worden. Dat gebeurde dan ook. Het smerige excrement pletste op mijn dij en verspreidde zich daar tot een zwartwit poeltje. Ik vloekte duivels uit de hel en struiken uit de grond.

Ik had het nochtans kunnen weten en voorspellen, want ik ben al eens eerder in aanvaring gekomen met de overtolligheid van een meeuw. Lees in dit verband: Waar de meeuwen schreeuwen.

Het was me bekend dat er kokmeeuwen bestonden, maar dat er ook kakmeeuwen rondvlogen … tja, daar had ik geen flauw benul van.

Nu dus wel.

Wassen en smeren

Ik heb me ooit door de televisie laten vertellen, of wijsmaken, dat het dagelijks innemen van een lepel olijfolie zeer bevorderlijk zou zijn voor het algemeen welbevinden van de persoon die zich eraan overgeeft, wat ik nu dus iedere ochtend doe. Jullie horen me niet beweren dat het mijn kostje is, maar iets wat de gezondheid begunstigt, hoeft niet per se lekker te zijn. Bitter in de mond, maakt het hart gezond. Je kunt in het leven niet alles hebben.

Toen ik vanmorgen aanstalten maakte om me van dit ritueel te kwijten ging plots de telefoon: niet het mobieltje dat ik bij de hand had, maar het vaste toestel dat zich in mijn werkkamer bevindt. Ik ontdeed me snel van de fles olijfolie door die op het aanrecht achter te laten, waarna ik me naar mijn bureau begaf, teneinde daar mijn oor te luisteren te leggen.

Luttele minuten later stond ik opnieuw in de keuken. In gedachten verzonken door de ietwat onheuglijke tijding die ik net te horen had gekregen, liet ik een lepel vollopen, ledigde die in mijn mond … proestte het uit en riep: godgloeiende godverdomme!

Ik had me namelijk van fles vergist en mezelf afwasmiddel toegediend. Ik vermoed dat dit niet zo gezond is als olijfolie, zelfs al was het Dreft, dat een uitstekend product is.

Ik ben blijkbaar nog verstrooider dan ik dacht.

olijf-dreft

Pootjebaden

Ik fietste fluitend door het bos, al mag je dat fluiten gerust met een korrel zout nemen, want ik breng er niet veel van terecht. Ik was, het zal jullie duidelijk zijn, godsgruwelijk gelukkig, om niet te zeggen zo blij als een varken in de stront. Ik heb zo van die dagen.

Bezijden het pad, enigszins beschut door een hoge heg, verrees een drenkplaats, die ook te eten schafte en voorzien was van een ruim terras, waarop zich enkel een poetsende vrouw bevond.

Dat mens ontdeed zich van een volle emmer sop, door die met driest geweld in de haag te kwakken, uitgerekend op het moment dat er aan de andere kant van dat gewas iemand voorbijfietste. Jullie mogen drie keer raden wie dat was. Knap hoor! Jullie hebben het meteen juist.

Ik was nat tot onder mijn oksels, of toch zeker van mijn voeten tot aan mijn knieën en hield halt om een beetje te mopperen. De bazin van het etablissement hoorde dat wellicht en kwam poolshoogte nemen, maar wist niet waar ze heen moesten rennen van het lachen. Ik was daardoor danig op mijn tenen getrapt, want ik verwachtte eigenlijk dat ze mij een koffie zou aanbieden, of zelfs iets sterkers, maar dat deed ze niet, de gierige pin.

Ik vervolgde in morsige toestand mijn weg, luidkeels naar Dettol ruikend. Ik moest zowaar met mijn armen de schoolslag maken, anders kwam ik niet door die walm heen.