Tag: pech

Net gemist

broedgebied

Toen ik op deze plek halt hield, stonden er minstens ─ ik overdrijf geenszins ─ een dozijn blauwe reigers in dat veld. Zodra ze mij opmerkten, kozen ze met zijn allen het hazenpad … eh … het luchtruim. Daar stond ik dan met mijn kodakske. Zie ik er werkelijk zo afschrikwekkend uit?

gekraai

Toen ik op deze plek halt hield, was er in geen velden of wegen een haan te bespeuren … maar ook geen zwerfvuil. Vandaar allicht.

Naar de filistijnen en naar Pearle

Ouder worden is een ramp die steeds weer toeslaat en in stijgende lijn bergafwaarts gaan. Ik dien noodgedwongen gebruik te maken van een leesbril. Het moet gezegd dat ik nogal slordig omspring met dat hulpstuk. Het gebeurt niet zelden dat ik het optisch instrument verstrooid naast me neerleg op de bank, om iets te verrichten dat geen bril vereist. Het stond in de sterren geschreven dat deze nonchalance op een dag slecht zou aflopen en dat is dus gebeurd.

Ik zat wat ontspannende lectuur tot me te nemen ─ Heroes van Stephen Fry ─ en diende die aangename bezigheid te onderbreken, om wat overtollig en hoogst opdringerig vocht uit mijn lichaam te verwijderen. Toen ik verrichter zake terugkeerde en op de bank neerdaalde, lette ik niet op de bril die ik daar achteloos had achtergelaten. Daardoor ontstond er – hoe zal ik het zeggen? – een enigszins protesterend, want krakend geluidje onder mijn zitvlak.

Ik mat de schade op. Een van de glazen was ontsnapt uit de montuur, die trouwens deerniswekkend verbogen was. Ik probeerde de averij nog zelf te herstellen, maar ik heb daar absoluut geen handje van en maakte er dus een potje van, zodat ik me noodgedwongen naar een winkel van Pearle begaf.

Daar wachtte me een warm welkom. De dame die me te woord stond, liep bijna over van hartelijkheid. Ik kreeg een stoel aangeboden; ze trakteerde me op een voortreffelijke beker koffie (Java) en ze zorgde ervoor dat mijn bril binnen de kortste keren hersteld was, zonder dat de ingreep me een cent kostte.

Dat Pearle klantvriendelijkheid hoog in het vaandel voert, is een ding dat zeker is. Alle punten! Als het goed is, zeg ik het ook.

Pearle

Struikrovers anno nu

Op de Groene 62 ─ de voormalige treinbedding tussen Torhout en Oostende, die nu gereserveerd is voor wandelaars en fietsers ─ reed een vrouw zo’n vijftig meter voor me uit. Ze was in het gezelschap van een zeer minderjarig meisje, vermoedelijk haar dochter, dat slow motion en op de rand van evenwichtsverlies een klein, frivool versierd fietsje bestuurde.

Ik werd ingehaald en voorbijgereden door een bromfietser, vermoedelijk van mannelijke kunne, die een integraalhelm droeg en derhalve onherkenbaar was. Even later bereikte hij mijn voorgangster en daar vertraagde hij om vervolgens, en passant, een portemonnee op te vissen uit haar fietstas, waarvan de klep openstond. Daarna ging hij er als de wiedeweerga vandoor.

─”Heb je dat gezien!?” riep de vrouw onthutst, terwijl ik naast haar halt hield.
Haar dochter maakte aanstalten om het op een huilen te zetten, maar ze hield zich kranig en beperkte zich tot een pruilmondje.
─”‘t Is godgeklaagd!” schuddekopte ik. “We beleven een rare tijden. Bent u veel kwijt?”
─”Wat geld, mijn identiteitskaart en mijn bankkaart”, zei ze.
─”Die moet je meteen laten blokkeren bij Card Stop”, had ik goede raad in de aanbieding. “Met een beetje geluk gooit hij je portemonnee weg als hij zich het geld toegeëigend heeft, maar als ik jou was zou ik toch naar de politie gaan.”
─”Geluk is me niet bepaald goedgezind”, murmureerde ze en ze bekeek de fietstassen met een vernietigende blik. “Die velcrosluitingen zijn eigenlijk geen knop waard. Bij het minste zuchtje gapen die kleppen als ovendeuren.”
─”Er gaat inderdaad niets boven ouderwetse gespen”, was ik het met haar eens en ik wees naar mijn exemplaren die ermee toegerust waren.

Ik heb haar mijn kaartje gegeven. Als ze ooit een ooggetuige nodig heeft, ben ik haar man. Het is een schamele troost. Ik weet het. Ze moesten zulke schurftluizen zo’n pandoering geven dat hun kleren uit de mode zijn als ze bijkomen. Als men ze bij de kladden kan grijpen natuurlijk.

Asperges me! ─ 2

De morgenstond had geen goud in de mond, maar was gehuld in regenflarden. Tussen twee vlagen door spurtte ik met de fiets naar de supermarkt, omdat hetgeen ik ‘s middags wilde klaarmaken om te eten een essentieel ingrediënt behoefde, dat ik niet in mijn voorraadkasten aantrof.

Niettegenstaande er zich boven me wolkenpakken in hevig gedrang bleven ophouden, zag het ernaar uit dat ik het ook op de terugweg droog zou houden …

… maar toen reed ik voorbij zo’n vervaarlijk wegkasteel: een betonmixer die langs de kant van de weg geparkeerd stond. Terwijl ik dat deed, kreeg ik onverhoeds een niet te onderschatten gulp water over me heen, die met zo’n kracht op me neergutste dat ik bijna van mijn fiets kukelde.

De chauffeur van het vehikel had namelijk plots last van schoonmaakwoede gekregen. Gewapend met een sproeilans was hij op zijn voertuig geklommen om vanaf die verheven positie uitbundig aan het spuiten te gaan, evenwel zonder rekening te houden met toevallige passanten, zoals ik. Hij kon kennelijk ook niet goed mikken.

Hoewel de regen het nog geruime tijd liet afweten, hield ik het toch niet droog. Ik kwam zo nat als een dweil thuis en zag eruit als een verzopen kat. Bovendien bleken een aantal kledingstukken van me onherroepelijk beschadigd te zijn door dat agressieve betonwater.

Zal ik een klacht indienen? Of is het (beton)sop de kool niet waard?

Een wonderlijke groente

rabarber2Mijn mond lust graag rabarber. Er is een tijd geweest dat ik me deze zuurstokken probleemloos kon aanschaffen. Schijthuizen kon je ermee dekken. Vandaag de dag moet men zich echter ongans zoeken om die stengels te vinden. Ze zijn zowel letterlijk als figuurlijk dun gezaaid.

Verleden week kwam ik nogal onverhoeds op een boerenmarkt terecht. In een groentekraam aldaar ontwaarde ik zowaar twee ‘bussels’ van mijn favoriete vegetatie, dus vervoegde ik me bij de lange wachtrij. Het duurde toch bijna tien minuten voor ik aan de beurt was en wijzend met een verlekkerde vinger zei:
–”Ik wil graag die twee bussels rabarber.”
–”Die zijn gereserveerd”, deelde die boerin van de korte keten me nogal kortaangebonden mee.
–”Waarom stelt u die dan nog tentoon?” vroeg ik me af en ik deelde die vraag aan haar mee.
–”Ik stel hier tentoon wat ik wil”, verkondigde ze bazig, “en daar hoeft niemand zich mee te bemoeien.”

Ik kon haar geen ongelijk gegeven natuurlijk, maar die onbeschofte zurkelktrut mag van mij schaamluizen krijgen en korte armpjes, zodat ze zich niet kan krabben. Haar kraam mag van mij met een luide knal de lucht invliegen.

Ik zal alleszins nooit meer wat bij die pekelteef kopen. Zelfs geen rabarber.

Aline viert een verjaardag

De Spaanstalige Rogaciano – ik wou dat ik zo heette – kwam als zestienjarige uit een ver buitenland in onze contreien terecht. Ik genoot het voorrecht en het genoegen om hem in de geheimen van de Nederlandse taal in te wijden.

Nu was hij absoluut niet schadelijk voor de ogen en het duurde dan ook niet lang of hij had een vriendinnetje, Aline, dat hij binnen de kortste keren bezwangerde.
─”Lieve deugd!” riep ik toen ik dat vernam. “Gebruik je geen condoom dan?”
Hij bleef het antwoord schuldig, maar Aline verstrekte me gewillig tekst en uitleg.
─”Het was zijn verjaardag”, zei ze, “en als cadeau mocht hij een keertje zonder. Het was meteen prijs.”

Rogaciano wist even niet waar hij zich bergen moest en kleurde tot achter zijn oren. Ik van mijn kant wist gewoon niet wat ik hoorde en zat te kijken alsof er zich een geest gemanifesteerd had.

Aline legt een markante oprechtheid, een volslagen gebrek aan kapsones en een niet klein te krijgen naturel aan de dag, maar ze heeft aan de bron der intelligentie slechts de lippen bevochtigd. Ze is een simpel zieltje, dat zelfs een gebruiksaanwijzing nodig heeft voor kauwgum … maar daarover later meer. Dat Rogaciano het een keertje zonder jasje mocht doen en dat ook deed, was overigens ook niet bijster snugger van hem.

Wordt eerlang vervolgd.

Sul die ik ben!

Ik gaf mijn fiets opdracht halt te houden bij een aardbeienautomaat en hij gaf gewillig gehoor aan dat verzoek.

“De aangeboden aardbeien komen rechtstreeks van bij een Vlaamse teler”, verkondigde een bord in grote, onbeholpen letters.

Dat was alleszins mooi meegenomen. Ik ben zeer begaan met het welzijn van Vlaanderen en besloot derhalve over te gaan tot het kopen van zo’n bakje Vlaamse aardbeien.

Nu heb ik de ballen verstand van automaten, dus stond ik even op dat gevaarte te kijken als een uil op een kluit, want niet gehinderd door enige kennis van zaken, waarna ik de gebruiksaanwijzing van de machine raadpleegde.

“Koop geen lege vakjes!” luidde de eerste regel.
“Wie koopt er nu een leeg vakje?” mompelde ik hoofdschuddend. “Daar moet je toch een achterlijk ezelsveulen voor zijn.”

Ik las verder:
– gooi je munten in de gleuf;
– gebruik de pijltjestoetsen om het vakje met het door jou gewenste product voor het venster te brengen;
– open het venster en voorzie je van je aankoop.

Mijn munten, ten bedrage van € 4, gleden in de gleuf. Ik begon op de pijltjestoetsen te drukken, maar die bezigheid werd verstoord door een automobilist, die achter me stopte en naar de weg vroeg. Ik gaf hem tekst en uitleg, aarzelde niet om zelfs een beetje te wijzen, draaide me om en … verstrooid als ik was, sloeg ik de eerste regel van de handleiding in de wind, schoof het venstertje open en behoorde gelijk tot het ras van de achterlijke ezelsveulens, want ik kocht toch wel een leeg vakje zeker!

Ze moeten me met rust laten als ik me met een automaat bezighoud.

Alsof de duivel, of wellicht mijn engelbewaarder, ermee speelde, dwarrelde er iets verderop een biljet van € 5 over het asfalt. Zo werd het toch nog een aangename en zowaar winstgevende lentedag.

Allemaal kosten op het sterfhuis

Tussen twee regenbuien door glipte ik per fiets naar de supermarkt, om er een paar kleinigheden in te slaan, zoals onder niet veel meer een blokbatterijtje voor de rookmelder. Die was ‘s morgens op een onchristelijk uur lament beginnen geven, niet omdat er onraad te bespeuren viel, maar omdat zijn energiebron bijna uitgeput was. Ik pleeg dergelijke batterijen altijd in voorraad te hebben, behalve op regendagen als mijn auto een onderhoudsbeurt krijgt.

Omdat zo’n batterijtje een zielige aanblik biedt als het zich alleen in een winkelkar ophoudt, kocht ik nog een paar dingetjes. Toen ik met mijn boodschappen bij de fietsenstalling kwam, bleek iemand de kettingkast van mijn rijwiel in de vernieling gereden of gestoten te hebben. De gruzelementen ervan lagen net als de diggelen op de grond verspreid. Ik stond erbij en ik keek ernaar. Van de dader ontbrak natuurlijk elk spoor.

Hoewel ik ooit broekveren gekocht heb, bleken die zich niet in mijn fietstassen op te houden. Het waaide bovendien vrij hard, dus kwam ik thuis met een danig door kettingsmeer besmeurde pantalonpijp, om nog te zwijgen van mijn humeur dat danig onder het nulpunt gezakt was. Ach, woonde ik maar op de rand van een vulkaan.

Een nieuwe kettingkast, een broek met vlekken waar zelfs een heel vakkundige stomerij wellicht geen raad mee zal weten … Er groeien geen bankbiljetten op mijn rug en er staat al evenmin een geldboom in mijn tuin. Ze moeten van mijn  kettingkast blijven! En van mijn andere kasten ook!

Anderzijds is de rookmelder wel buitengewoon blij met zijn verse batterijtje.

Nog even murmureren in 2018

Toen ik me met mijn fiets in Nergenshuizen bevond, ontstond er plots een verontrustend gedokker onder mijn kont. Hetgeen ik vreesde, werd bewaarheid: ik had een lekke achterband. Ik maakte luidkeels mijn ongenoegen kenbaar ─ ik reed immers op zogeheten lekbestendige banden ─ maar aangezien er zich geen levende ziel in de wijde omgeving ophield, was er niemand die dat hoorde.

Ik trok mijn mobieltje en telefoneerde naar de fietsbijstand van de VAB, want ik betaal die luiden ieder jaar € 45, teneinde vakkundige hulp te krijgen als mijn rijwiel het onverhoeds laat afweten. Ze zouden een mannetje sturen, maar het kon wel een uur tot vijf kwartier duren voor ik die zag opdagen, want het was heel erg druk in de wegenwachterij.

Vijf kwartier duurt lang, vooral als je blootgesteld bent aan weer en wind en nergens kunt gaan zitten, maar anderzijds kan en mag ik natuurlijk niet verwachten dat zo’n monteur me op stel en sprong uit de brand komt helpen. Net toen het vijfde kwartier op het punt stond te verstrijken kreeg ik een sms-bericht dat me mededeelde dat ik nog een halfuurtje langer geduld zou moeten oefenen. Ik loosde een putdiepe zucht en er ontsnapte een vloek aan mijn mond, maar nog steeds was er niemand die dat hoorde.

Vijfentwintig minuten later verscheen de wegenwachter en hij verstond zijn vak, want binnen de kortste keren barrebokste hij de klus en dat deed hij met verbluffende handigheid en bijna achteloze zwier.

Een dag of wat later verzocht VAB me per e-mail om een beoordeling van de tussenkomst. Ik gaf een acht op tien. Als ik louter de monteur had moeten evalueren, zou ik die zeker met een tien bedacht hebben, maar het lange wachten zette een domper op mijn cijfer.

Het weer was me gelukkig goedgezind geweest, want in anderhalf uur kan er veel gebeuren en regende het de hele tijd op zeer doeltreffende wijze, weerklonk de loeiende spotlach van stormwind, graaiden er gretige bliksems door de lucht, veranderde sneeuw het mij omringende landschap in een kerstkaart, vroor het stenen uit de grond, deed een aardbeving de wereld rondom mij stuiptrekken, kreeg een vulkaan het danig op zijn heupen, donderde er een tsunami of een lawine op me af, raakte ik ondergedompeld in een schuimbekkende overstroming, zakte ik weg in een reusachtig zinkgat …

De rampen zijn de wereld niet uit. Het zijn allemaal dingen die kunnen gebeuren. Ook in West-Vlaanderen. Zeker in West-Vlaanderen. Vooral in West-Vlaanderen.