Tag: gedrag

Met pak en zak

Ik mag graag door supermarkten en warenhuizen struinen. Dat is naar verluidt uitzonderlijk gedrag voor een persoon van mannelijke kunne, maar ik ben nu eenmaal een uitzondering op velerlei gebied. Vraag me niet hoe dat zo komt.

Er valt evenwel steeds minder lol te beleven aan dat winkelen. Wie bijvoorbeeld een bezoek aan Colruyt plant, dient zich als het ware ten strijde toe te rusten met een betaalmiddel, een klantenkaart, herbruikbare zakjes voor groenten en fruit, een mondkapje, eventueel ook handschoenen en … nu hebben ze me ook nog een paar losse handvatten bezorgd, die ik telkens moet meezeulen om die op mijn winkelkar te bevestigen, zodat zij die niet meer hoeven te ontsmetten.

Het zal nog eens zo gaan dat ik niet alleen een boodschappenlijst nodig heb, maar ook een lijst moet afvinken van de artikelen die ik naar de supermarkt moet meenemen.

Ik heb het al gezegd en ik herhaal het: we beleven merkwaardige tijden.

handvatten

Niet normaal meer!

Ik zie door de bank genomen al heel weinig mensen, omdat ik moedwillig een kluizenaarsleven nastreef. Door de coronarestricties echter ben ik tegenwoordig vrijwel helemaal uit de roulatie, hetgeen ik eigenlijk niet betreur.

Het zal dan ook niemand verbazen dat ik veel met mezelf bezig ben. Begrijp me niet verkeerd. Wat ik bedoel, is dat ik monologen voer, die zich niet enkel inwendig voltrekken, maar die ik ook vaak met luider stemme afsteek. Meestal zijn dat commentaren bij mijn zowel huishoudelijke als zakelijke bezigheden, maar recentelijk bespeur ik wat verandering in mijn gedrag.

Ik begin namelijk zonder enige aanleiding compleet onzinnige dingen uit te stoten.
“Goeree-Overflakkee!” riep ik daarnet nog.
Vraag me niet waarom.
En vanmorgen in alle vroegte bazuinde ik: “Truus, de nachtmerrie!”, even later gevolgd door een krachtig “Krambamboelie!”

Bovendien betrap ik er mezelf op dat ik met mijn televisiescherm converseer. Nu ja, converseer … Gisteren was er bijvoorbeeld sprake van de vorming van een Belgische regering, waarbij men een klassieke tripartite beoogde.
“Drie paar tieten!” riep ik. “Daar zullen jullie Maggie De Block, Meyrem Almaci en Angela Merkel voor nodig hebben. Dat zijn drie paar ferme tieten.”

En Kristof Calvo mag niet op het ruitje verschijnen of ik slinger hem Kunststof Calvo naar het hoofd.

Ik kan zo het gesticht in. Waar is mijn dwangbuis?

Jatmozen

“Alle beetjes helpen”, zei de mug en ze piste in de zee.

Ik was in de groenteafdeling van Colruyt en begaf me naar de plek waar aardbeien naar me lagen te lonken. Het zijn en blijven mijn favoriete fruitjes, vooral als ze uit de volle grond geboren zijn.

In nog niet zo lang vervlogen tijden kocht ik mijn aardbeien altijd op strompelafstand van mijn woning, meer bepaald in de hofstede van de abdij van Zevenkerken in Sint Andries bij Brugge, maar daar kwam een brutaal einde aan toen de teler ervan door een tragisch ongeval schielijk naar de Elysese velden afreisde. Naar verluidt wilden de vrome paters ─ benedictijnen ─ daarna hun akkers niet meer ter beschikking stellen van leken en zelf waren ze kennelijk te lui om te boeren, dus bleven die braak liggen en stierf ook de aardbeienverkoop aldaar na meer dan zestig jaar een schielijke dood, hetgeen ik en velen met mij ten zeerste betreur.

Ik dwaal echter af en keer nu gezwind terug naar de groenteafdeling van Colruyt, waar zich voor mijn ogen een merkwaardig tafereel ontvouwde. Een morsig vrouwmens, die zich zo te zien aan de verkeerde kant van de middelbare leeftijd bevond, eigende zich een bakje aardbeien toe en vulde de inhoud ervan aan met een viertal vruchten die ze doodgemoedereerd uit andere bakjes ontvreemdde.
“Krijg nu tieten!” mompelde ik binnensmonds en ik was nog niet helemaal van mijn verbazing bekomen, toen een andere vrouw op het toneel verscheen.

Die tilde de bovenste twee kratten op, koos een bakje uit het derde exemplaar, plaatste dat ter controle in de weegschaal die daar hing te hangen en vervolgens in haar winkelkar. Toen ze zag dat ik haar gadesloeg, haalde ze de schouders op en zei:
“Als je ‘t niet zo doet, krijg je geen waar voor je geld. Ze roven die bovenste krat leeg als waren ze merels en spreeuwen.”

Het spreekt vanzelf dat ik, gierig pietje-precies dat ik ben, haar voorbeeld volgde. De weegschaal verklapte dat ik iets meer dan vijfhonderd gram meenam naar de kassa, dus kreeg ik waar ik recht op had en waar voor mijn in het zweet mijns aanschijns en derhalve zuurverdiende centen.

Sorry als ik dit even niet snap

Tegen de verwachting in en tot mijn niet geringe ergernis was het buitengewoon druk in de supermarkt. Het duurde dan ook onaangenaam lang voor ik de kassa bereikte.

Al die tijd werd ik geconfronteerd met de enigszins meewarige blikken van andere klanten, die tot de nok volgestouwde karren voor zich uit duwden en zich zichtbaar verbaasden over het beperkte aantal artikelen dat ik met me meevoerde en die men bezwaarlijk als primaire levensbehoeften kon beschouwen: een fles Bacardí rum, een kam bananen, een pakje boter, een meloen, twee citroenen, twee limoenen, een doosje cuberdons, een dozijn potjes yoghurt en een verpakking zwarte olijven.

Was ik niet op de hoogte van de noodtoestand die vrijwel iedereen tot hamsteren aanzette en tot het inslaan van massa’s rollen closetpapier dreef?

Waarom mensen vooral wc-papier willen bunkeren is voor mij even onbegrijpelijk als de maagdelijkheid van Maria.

Als de nood echt aan de man (of de vrouw) zou komen, kan ik nog altijd teruggrijpen naar de ouderwetse methode. Toen versneed men kranten tot fraaie rechthoekjes en die hing men op in het kleinste kamertje. Kon je tijdens je bezigheden nog wat lezen ook.

Maar goed, enkel de dwazen spotten met wat ze niet begrijpen; de anderen zwijgen.

Zal ik dus maar zwijgen?

Steunen of kreunen

chocoladetruffelDe feestdagen komen eraan en ze lopen weer de deur plat. Ze, dat zijn de dames, de meisjes, de heren en de jongens die lid zijn van verenigingen of bewegingen en de clubkas proberen te spekken middels het slijten van meestal eetbare producten.

Ik verkwansel ieder jaar klauwen geld aan die onnozelheden en stouw me vol met wafeltjes, truffels, pannenkoeken, carrés confitures, frangipanes, kokosmakronen en wat dies meer zij, tot groot ongenoegen van mijn medicijnman, die me tegen de nefaste gevolgen van suiker probeert te behoeden, want ik ben een zwakkeling die geen neen durft te zeggen.

Nu heb ik een kloek besluit genomen. Eerst dacht ik eraan om de deur niet meer te openen als men aanbelde, maar bij nader inzien leek dat me niet zo’n goed idee. Je weet immers nooit wie je met een bezoek vereert en wat de bedoelingen van die persoon zijn. Ik kon me dus beter beperken tot het vriendelijk, maar kordaat weigeren van hetgeen men me wilde opsolferen.

Gisteren verschenen er te mijnent twee charmante meisjes. Ze waren beiden dansmariekes in het plaatselijke, in geldnood verkerende majorettenkorps en liepen met chocoladetruffels te leuren, zodat men nieuwe uniformen kon aanschaffen.

Toen ik neen zei en dat ook nog hoofdschuddend bevestigde, keken ze me aan met grote tragédienne-ogen, alsof ik ze een oneerbaar voorstel had gedaan, waardoor ik bijna in de grond zonk van schaamte.

Zouden jullie geloven dat ik me de hele avond schuldig gevoeld heb? En vanmorgen voel ik me nog steeds zo. Bovendien heb ik ontzettende zin in chocoladetruffels.

Foute hap

De meeste supermarkten plegen hun klanten proevertjes aan te bieden: koffie, wijn, charcuterie, borrelhapjes, snoep, kaas, fruit … en wat weet ik al niet meer.

Ik maak daar bijna nooit gebruik van, omdat ik aan een heel lichte graad aan smetvrees onderhevig ben. Mijn mysofobie beperkt zich tot het niet nuttigen van voedsel dat door Jan en alleman aangeraakt kan worden. Een kok in een restaurant valt wat mij betreft buiten deze categorie – gelukkig maar! – maar Jut en Jul die zich in winkels ophouden, boezemen me geen vertrouwen in.

Verleden zaterdag dobberde ik tijdens het winkelen in het kielzog van een met een khimar getooide vrouw. De drie kinderen die haar vergezelden, waren in hoge mate ongemanierd en ze ratsten bovendien doodgemoedereerd alle schotels en borden met proevertjes leeg, zonder dat men ze terechtwees.

In de groenteafdeling stortten de huftertjes in wording zich als aasgieren op de schijfjes kiwi die daar voor het grijpen lagen. Ze propten die in hun gulzige bekjes, maar vonden ze kennelijk niet lekker, want ze spuwden die gelijk weer uit en legden ze terug op de plek waar ze vandaan kwamen.

Bewaar me, zeg! Ik had zin om even te kotsen, maar besloot toch om er zelf niks van te zeggen. Ik weet uit ondervinding dat gesluierde vrouwen veelal geen kritiek verdragen en niet zelden in luidkeelse scheldpartijen uitbarsten als men het waagt ze te vermanen. In plaats daarvan bracht ik een winkelbediende op de hoogte van hetgeen ik aanschouwd had. Die kerel was van geen kleintje vervaard. Hij haalde de bezoedelde kiwi’s weg en waarschuwde zowel de kinderen als de moeder.

Die moeder was dus zo’n vrouw met een hoofddoek, die luidkeels lucht gaf aan haar protest. Ze voelde zich in haar eer gekrenkt en zette de hele supermarkt in rep en roer. Christene zielen!

Van mij mogen ze dat aanbieden van proevertjes meteen afschaffen. Er komt niets heuglijks van.

Krasse knarren

Door Jut en Jul verlaten zat ik in een restaurant, waardoor ik ten prooi viel aan grote eenzaamheid. Aangezien ik geen conversatie hoefde gaande te houden, had ik ruimschoots de tijd om allen daar aanwezig te observeren.

In een hoek van de gelagkamer hadden een man en een vrouw tegenover elkaar aan een tafel plaatsgenomen. Ze waren beiden oud en der dagen zat en aten niet zozeer met lange, dan wel met trage tanden. Ze wisselden geen woord en slaagden er niet in hun bord leeg te eten, dus verzochten ze de serveerster, tevens eigenares van het etablissement, om de overschotten dusdanig te verpakken dat ze die mee konden nemen, verzoek waar de bazin in alle vriendelijkheid gevolg aan gaf.

De man dronk nog een biertje en de vrouw verlustigde zich aan een kop koffie. Terwijl ze die vloeistoffen stilzwijgend tot zich namen, leken ze bijwijlen zelfs in te dommelen. Toen ze ontwaakten, maakten ze gelijk aanstalten om te vertrekken. Met de moeite die eigen is aan de ouderdom en met deprimerend gesjok naast een wandelstok verlieten ze het pand.

─”Hoe oud zijn die mensen eigenlijk?” vroeg ik aan de waardin.
─”Hij is vierennegentig en zij achtentachtig,” vernam ik, “maar ze verzetten zich wel hardnekkig tegen het oud worden.”
─”Hoezo?” fronste ik.
─”Kijk maar!” zei ze en ze wees naar een raam, waar op dat moment een dakloze, maar niettemin zeer dure sportwagen in mijn vizier verscheen.
Aan het stuur zat de oude dame. Naast haar werd haar nog bejaardere echtgenoot ietwat schabouwelijk overeind gehouden door een veiligheidsgordel.

De chauffeuse gaf een flinke dot gas en weg waren ze!

Kluizen

Ik ben al niet bijzonder happig op bezoek en als men het dan ook nog waagt om onaangekondigd te mijnent te verschijnen – ze zijn slechts met weinigen die zich dat mogen veroorloven – steekt er onvermijdelijk onbehagen in me op. Als die visite dan ook nog op groen koren te velde heeft, heb ik helemaal de kanker en ontzettend de tering in. Mag ik?

Er bestaat zo iets als een ongeschreven wet, die stelt dat men willens nillens van kinderen moeten houden. Wel, ik houd hoegenaamd niet van kinderen. Het zijn immers heel vaak lawaaierige lastpakken, die zich niet laten africhten. Ouders van tegenwoordig vinden dergelijk gedrag blijkbaar best, maar ik niet. Ik heb liever geen koters om me heen.

Ik kreeg gisteren totaal onverwacht een koppel op bezoek. Ze waren toevallig in de streek verzeild geraakt en wipten even binnen. Hun oponthoud op onze planeet was niet zonder gevolg gebleven en ze brachten dat resultaat mee: een meisje van zes en een jongen van vier.

Het heeft echt niet veel gescheeld of ze braken mijn kot af, zoals we dat in West-Vlaanderen zeggen. Telefoons, tablet, toetsenborden, afstandsbedieningen, boeken, schrijfgerief … alles moest eraan geloven. De schade is niet te overzien dat het totale gebrek aan discipline en manieren vonden ma en pa kennelijk de normaalste zaak van de wereld. Geen enkele keer wezen ze hun kroost terecht. Dat deed ik dus wel ─ ja zeg, maak het een beetje! ─ en het werd me niet bepaald in dank afgenomen.

Mijn ouders hebben een gentleman grootgebracht. Ik ben keurig en netjes opgevoed en dat kun je nog steeds aan me zien, al zijn mensen natuurlijk nooit zo goed als ze van zichzelf denken. Ik dus ook niet.

De trage afgang

Oud worden vind ik niet erg. Dat lelijk worden daarentegen …

Hoewel ik mijn lijf behoorlijk aan de praat houd, ben ik toch even naar het ziekenhuis geweest, om daar mijn ogen te laten nakijken door een in de oftalmologie onderlegd vrouwspersoon. Mag ik ook eens intelligent doen? Het resultaat van dat onderzoek viel zo goed mee dat ik er bijna optimistisch van werd. Een leesbril en een computerbril zullen uitkomst bieden.

Onlangs heb ik mijn voet bezeerd door onverhoeds in een konijnenhol te trappen, dus besloot ik om per lift naar de uitgang van die opslagruimte voor zieken neer te dalen. Dat had ik beter kunnen laten, want het hijstoestel liet het plots afweten. We bleven hangen. Ik schrijf we, omdat ik me in het gezelschap bevond van een zeer minderjarig schoolmeisje, dat van de weeromstuit aangegrepen werd door en verstrikt raakte in levensgrote angst. Ik probeerde haar op alle mogelijke en onmogelijke manieren tot bedaren te brengen, maar slaagde daar niet in. Ze kaatste door het vertrekje als een hyperkinetische neuroot, stuiterde rond als een pingpongbal en huilde snot en slinger en tranen met tuiten. Toen men ons bijna een kwartier later eindelijk uit onze benarde positie bevrijdde, stond mijn liftgenootje ongeveer op instorten en was ik zelf zo gespannen als het elastiek in mijn onderbroek.

En toen … was er koffie, om te bekomen van de doorstane emoties. Het scheelde niet veel of ik diende me in het ziekenhuis te laten opnemen wegens vergiftiging. Van mij hadden ze die flut best mogen vervangen door iets pittigs in een tumbler.

Krijg het zeepokkenlazarus!

Zij die me kennen, weten het ongetwijfeld: ik hou niet van onaangekondigd bezoek. Als het dan ook nog wildvreemden zijn die bij me aankloppen, of aanbellen, teneinde mijn leefwereld binnen te dringen, kan ik daar zelfs heel lastig van worden.

Trouwens, wat dat aankloppen of aanbellen betreft … Het gebeurt steeds vaker dat iemand op de belknop drukt, om dan meteen naar een raam uit te wijken en naar binnen te gluren. Soms krijg ik niet eens de tijd om me te verstoppen en ben ik wel verplicht om de bezoeker binnen te laten, of minstens te woord te staan. Dan zijn ze danig op hun tenen getrapt als ik ze mededeel dat ik dergelijk gedrag in hoge mate storend en onbeschoft vind. Mag ik soms?

Verleden zaterdag stond ik pannenkoeken te bakken, toen er plots iemand via het terras bij me in de keuken verscheen. Ik schrok me de vellen, deinsde terug als een duivel die een veeg met een wijwaterkwast krijgt en hield maar net mijn darmen bij elkaar.
─”Wat krijgen we nu?!” riep ik. “Wat heb jij hier verloren?”
─”Ik kwam eens even informeren of je misschien belangstelling hebt voor …” begon de man.
─”Ik heb nergens belangstelling voor”, onderbrak ik hem bot. “En kan je nu stante pede je karkas naar buiten hijsen, onbeschofte pummel!”
─”Commandeer je hond en blaf zelf”, repliceerde hij. “Je hoeft ook niet zo agressief uit je kop te kijken. Weet je dat je knap fel overkomt?”

Dat was het moment waarop mijn bloed in karnemelk veranderde. Ik ontstak in een vlaag van razernij en herhaal hier liever niet wat ik allemaal uitkraamde, want het was alleszins weinig verheffend, maar het sorteerde effect. Ik hoefde die schijtlijster zelfs niet de tent uit te mikken. Hij ging ervandoor alsof uitslaande brand hem aan de broek lekte.

Het is toch ongelofelijk wat er allemaal in het wild rondloopt. Nu zit ik me natuurlijk voortdurend af te vragen wat voor interessants hij mogelijkerwijs voor me in petto had.