Tag: gedrag

Een sanitaire stop

Ik zou een vriendin naar een opslagruimte voor bejaarden brengen, niet omdat ze er wenste te verblijven, want daar is ze veel te jong voor, maar omdat ze haar moeder wilde verblijden met een bezoek.

We waren nog niet helemaal vertrokken, of ze moest al hoog naar de wc, hetgeen bij haar vaste prik is, want ze heeft naar verluidt last van een overactieve blaas. Wie ben ik dat ik haar dit euvel zou ontzeggen?

We hielden halt en betraden een theesalon waar iedereen bejaard was. Terwijl mijn vriendin zich ergens van overtollig vocht ontdeed, zat ik wat om me heen te kijken en was zodoende getuige van een toch wel vreemd tafereel. Niet ver bij me vandaan zaten een man en een vrouw oud en der dagen zat te zijn en thee te drinken. Opeens, toen de vrouw zich onbespied waande, diepte ze twee theebuiltjes en een kleine thermos uit haar handtas op, om er stiekem haar man en zichzelf mee te bedienen.

Kom daar nu eens om! Ik weet niet of dit gebeurde uit geldnood of uit gierigheid en eigenlijk hoef ik het ook niet te weten, maar zoiets heb ik nog nooit gezien en ik heb nochtans al heel veel gezien.

Nu ja, zoals ik al zei: ik bemoei me met m’n eigen zaken.

Voor wat, hoort wat

Het kunnen niet iedere dag pauwentongetjes zijn, om van kaviaar nog te zwijgen. Ik zat en at een sobere maaltijd in een Brugs restaurant, waar een kameraad van me de scepter zwaait en de baas speelt.

De tafel aan mijn linkerzijde werd ingenomen door twee heren, die vrijwel onafgebroken met mobieltjes bezig waren. Iets verderop zat een dame op een tablet te tokkelen alsof haar leven er van afhing. Het zijn me de tijden wel, deze moderne exemplaren. Ik doe er niet aan mee. Als ik een restaurant betreed, laat ik zowel mijn telefoon als mijn tablet achter. Laat me alsjeblieft ongestoord eten!

Het bejaarde echtpaar dat zich rechts van me ophield, liet zich ook door geen snufjes afleiden. Ik zag hoe de man mes en vork in stelling bracht, om op niet al te sierlijke wijze een kip te bevechten. Hij beroofde de vogel van een poot, die hij vervolgens bij zijn in haar bord peurende disgenote deponeerde. Die stortte er zich op als een roofdier op een prooi en begon er verwoed op te kluiven, drassig smakkend, slobberig kauwend en klokkend zwelgend.
“Je hoeft het bot niet op te eten, hoor!” zei de man goedig en hij glimlachte meewarig naar me, waardoor ik begreep dat de vrouw wellicht verdwaald was in het Alzheimer Wald.

Mijn de scepter zwaaiende kameraad bevestigde dat even later en maakte van de gelegenheid gebruik om me nog enkele anekdotes op te dissen. Zo had hij een trouwe klant, die altijd twee dagschotels bestelde en die nog opvrat ook. En dan was er dat echtpaar op leeftijd, dat steevast twee keer de plat du jour liet aanrukken. De man verorberde de zijne, maar de vrouw bracht die van haar over in een brooddoos en nam die mee.

Ik had restaurateur moeten worden. Het uitbaten van zo’n etablissement lijkt me een inspirerende en onuitputtelijke bron van vermaak, af en toe doorspekt met een zielig tafereel.

“Nu je toch hier bent”, sprak mijn kameraad zo boterlijk dat ik meteen op mijn qui-vive was. “Ik ben met een nieuwe menukaart bezig. Zou jij die kunnen vertalen in het Frans, het Engels, het Duits … en misschien ook in het Spaans? Kwestie van de toeristen wat in de watten te leggen.”
Hij liet eigenlijk die watten links liggen en zei ‘kwestie van de toeristen in hun gat te wonen’, maar dat vind ik zo’n vulgaire uitdrukking dat ik ze hier liever niet gebruik. Ik heb het druk zat en sta midden in de matses, maar denken jullie dat ik nee zei? Om de dooie dood niet!

Toen ik de rekening vroeg, wuifde hij die vraag met een gul handgebaar weg.
“For old times’ sake”, zei hij, want hij roert graag wat Engels door zijn Nederlands.
Nu verwacht hij natuurlijk dat ik zijn meertalige menukaart gratis en voor niks op poten zal zetten. Waarschijnlijk zal ik dat nog doen ook. Ik ben nu eenmaal zo’n malloot.

Achteraf beschouwd had ik toch beter pauwentongetjes kunnen bestellen. Of kaviaar.

Een gemiste kans

Marcel is dood. Dat verneem ik uit de krant. Ik heb Marcel gekend toen hij nog leefde, al is het heel lang geleden dat onze levenspaden elkaar kruisten. Daar is een toch wel merkwaardige anekdote uit voortgesproten.

Marcel was een geheel uit voortreffelijkheid opgetrokken kunstschilder, met evenwel een nogal kantige persoonlijkheid. Creatieve begaafdheid gaat bijna onvermijdelijk samen met kapsones en een aaneenschakeling van incidenten, waardoor men weinig vrienden overhoudt.

Toen Marcel zijn gewrochten in een Brugse galerij exposeerde, ging ik die bekijken en wat ik zag beviel me wel. Bovendien voelde ik de mecenas in mij ontwaken. Ik knoopte derhalve een gesprek aan met de kunstenaar en bestelde een marine en een landschapschilderij, om er mijn zitkamer mee op te luisteren. Marcel kwam zich te mijnent van de entourage en de lichtinval vergewissen, zodat zijn penseelvruchten er ten volle tot hun recht konden komen.

Een paar maanden later ging ik eens poolshoogte nemen en Marcel liep me voor naar zijn atelier, waar zowel mijn schuimbekkende zeegezicht als mijn sensueel landschap op stapel en op ezels stonden. We dronken koffie en toen Marcel zijn koekje – een evenveeltje, in de wandeling vaak madeleine genoemd – in de hete drank sopte, brak het doormidden en duikelde de helft ervan kopje-onder. Marcel loosde een putdiepe zucht, waardoor ik het danig op de lachspieren kreeg.

Ik hoorde een paar maanden niets meer van hem en toen ik telefonisch naar de vorderingen informeerde, kreeg ik van zijn vrouw te horen dat Marcel het me zeer kwalijk nam dat ik met hem gelachen had en dat hij dientengevolge mijn schilderijen niet wenste af te werken. Van lange tenen gesproken!

Marcel is nu dood en de werken van zijn hand zullen eerlang ongetwijfeld hoge toppen scheren. Helaas heb ik geen werken van zijn hand.

Een ronkedoor?! Ik?!

“Je bent en je blijft een ronkedoor”, zei mijn logeergast, Reinhold, vanmorgen tegen me.

Ik vermoed dat velen van jullie niet weten wat een ronkedoor is. Nog even geduld: ik zal jullie straks van dat gat in jullie kennis verlossen door jullie de correcte definitie van het woord op te dissen.

Ronkedoor is echter ook de bijnaam die me in lang vervlogen tijden ─ hoe lang is dat wel niet geleden? ─ toebedeeld werd door mijn overigens zeer gewaardeerde vriend, Reinhold, die wellicht geen onbekende is voor mijn trouwe lezers, want hij is hier al vaker opgedoken en vernoemd.

Het gebeurde in de aldoor aan de wolken krabbende stad, New York, waar wij samen een kamer betrokken in het Sheraton hotel, in het nette vanzelfsprekend. Toen we ons na een nachtje doorzakken ‘s morgens enigszins probeerden te fatsoeneren om wat te gaan bezienswaardigen, zei Reinhold:
─”Ja man, jij kunt me daar ook een stukje luidop slapen zeg!”
─”Luidop slapen?” lummelden mijn hersens nog in pyjama rond.
─”Snurken!” verduidelijkte hij. “Zowel een kettingzaag als een os moeten het tegen je afleggen. Jij bent een ronkedoor.”

De bijnaam beklijfde, want Reinhold en ik bleven kamers delen, in belendende en verre buitenlanden, en ik bleef snurken natuurlijk. Ooit hebben ze me tijdens een bioscoopbezoek aangemaand om met bekwame spoed de zaal te verlaten. De film die men vertoonde was zo spannend dat ik indutte en met het geronk dat aan mijn mond ontsteeg het plezier van allen daar aanwezig vergalde.

Ronkedoor vind ik trouwens geen vlag die de lading dekt. Oordelen jullie zelf aan de hand van de definitie hieronder:

Ronkedoor
zelfstandig naamwoord, mannelijk
Ontleend aan het Portugese roncador en hetzelfde woord als ronkadoor, in Engelse reisbeschrijvingen van de 18e eeuw voorkomend als ronkedor en runkedor.
Benaming (oorspronkelijk door de Europeanen op Ceylon) gegeven aan een van zijn kudde afgescheiden, alleen levende olifant (meestal, zo niet altijd een mannetje); hetzij (in de meeste gevallen) daaruit gestoten als overwonneling door zijn medeminnaar, hetzij bij een jachtgelegenheid afgedwaald, hetzij ook als getemde vluchteling.
Deze verstotelingen zijn zeer boosaardig van karakter en gevaarlijk voor de mens; vandaar de Portugese benaming roncador, dit is snorker, snoever, grootspreker en vervolgens: twistzoeker, of in ‘t algemeen: schadelijk individu.
De Franse en de Engelse benaming is rogue.

Zeg nu zelf: ben ik een ronkedoor? Enkel de benaming snorker is op mij van toepassing … en ja, misschien ben ik een heel klein beetje van de kudde afgedwaald.

Zoet is mijn wraak

Een aantal maanden geleden kreeg ik een e-mail van Royco. Als ik mijn coördinaten aan ze mededeelde, zou er binnen de twee weken een gratis zakje oplossoep bij me in de brievenbus vallen. Nu ben ik een groot liefhebber van zowel soep als van gratis aanbiedingen, dus liet ik deze gelegenheid niet aan me voorbijgaan.

Het soepje, of althans het zakje poeder waarmee ik soep kon bereiden, is tot op heden niet in mijn brievenbus terechtgekomen. Was het een truc van het bedrijf in kwestie om mijn adresgegevens te achterhalen? Heeft iemand in een postsorteercentrum mijn soepje achterovergedrukt? Of heeft mijn postbode zich op onrechtmatige wijze het voor mij bestemde zakje toegeëigend? Wie zal het zeggen? Vermoedelijk niemand.

Er liggen koude dagen in het verschiet en dan mag ik rond de klok van elven graag even de werkzaamheden onderbreken, om een niet met omslachtige arbeid gepaard gaand soepje tot me te nemen. Ik heb in de supermarkt derhalve een voorraadje kant-en-klaarsoep ingeslagen, maar niet het product van Royco. Ha nee! Ik ben weliswaar niet echt een haatdragend persoon, maar als men me iets belooft en het dan niet doet …

Ik heb Cup-a-Soup van Knorr gekocht. Daar hebben ze bij Royco niet van terug.

Belgische bagger

Als de jaarwisseling in het verschiet ligt, mogen bekende Vlamingen en andere kloothommels die zichzelf zo geweldig vinden dat ze hun eigendunk nauwelijks kunnen tillen, in het weekblad Humo kond doen van hun antwoord op enkele vragen, die op toepasselijke wijze eindejaarsvragen heten. Zoals jullie merken, ken ik nog steeds heel goed de weg in samengestelde zinnen, maar dat is vandaag de zaak niet.

Ene Stijn Meuris, Vlaamse zanger van het zevende knoopsgat, behoort tot de gegadigden die hun mening mochten spuien. Hij kreeg onder meer deze vraag voorgeschoteld:
Wie wenst u wat toe voor 2018 (ten goede of ten kwade)?
Zijn antwoord luidde:
De toekomstige lone shooter die Donald Trump te grazen zal nemen (ik schat tijdens het triomfantelijk afdalen van een vliegtuigtrap): een vaste hand. Met een beetje geluk komt-ie vrij wegens ‘begrijpelijke redenen’.

Dat staat er, zwart op wit, in Humo! Ik had al niet zo’n vreselijk hoge pet op van het heerschap Meuris, maar nu trek ik hem helemaal niet meer. Ik ben ook geen fan van Trump, maar deze eindejaarswens overschrijdt absoluut de grenzen der welvoeglijkheid. Meuris, je moest je schamen!

Wie zich ook moeten schamen zijn de televisiezender RTBF, het weekblad Paris Match en de krant La Libre Belgique.

Enkele maanden geleden heeft de jongerenafdeling van Ecolo (de Franstalige groenen) een pamflet verspreid met een gefotoshopte afbeelding van een gewapende Theo Francken, de Belgische staatssecretaris voor Asiel en Migratie, die ze voor de gelegenheid ook nog in een nazi-uniform gehuld hadden. Alsof dit op zich al geen aanfluiting van het fatsoen is, hebben bovenvermelde media deze foto nu bovendien de prijs van de Waalse media toegekend, als zijnde het communicatiemoment van 2017. Daar valt me toch de bek van open!

We zullen het nog ver schoppen met die onbeschofte Walen. En Theo Francken heeft een wit voetje bij me. Hij doet dat hoegenaamd niet slecht in deze nochtans moeilijke omstandigheden.

Hoe men een azijnpisser wordt

Enige tijd geleden haalde ik de kous onder mijn matras vandaan, raadpleegde de inhoud ervan en constateerde dat ik me eigenlijk wel een nieuwe keuken kon veroorloven. Ik ondernam de nodige stappen …

… en verleden week kreeg ik bericht dat men die zou komen plaatsen. Het is verbazingwekkend wat er zich allemaal in een keuken ophoudt en verschuilt. Een hele middag beroofde ik kasten van hetgeen ze herbergden en ontruimde ik het vertrek waar het nieuwe meubilair onderdak zou krijgen. Toen ik daarmee klaar was, had ik in een belendende kamer een grote chaos aangericht, liep ik ongeveer op mijn tandvlees en verging ik van de dorst.

Vertwijfeld greep ik naar de fles, te weten de eerste de beste petfles die daar binnen handbereik stond te staan, in de veronderstelling dat die water bevatte. Ik zette die aan de mond en nam een gulzige slok. God van de hoge hemel en santé mijn ratje! Ik proestte, ik hoestte, ik walgde en ik spuwde. De fles waaraan ik me laafde, bevatte namelijk geen water, maar azijn! Er bestaan aangenamere vloeistoffen als je het mij vraagt, maar wie vraagt mij wat.

Ja, mensen zijn misselijk … eh … missen is menselijk.

Copyright Uilenvlucht 2018 Frontier Theme