Tag: reizen

Schijthuizen kun je ermee dekken

Mijn onvermoeibaar globetrottende televisie nam me mee naar de Belgische Ardennen, meer bepaald naar het aan de voet van een indrukwekkende burcht hurkende en daardoor in hoge mate schilderachtige Bouillon. Daar bezochten we een Nederlands echtpaar. Zij hadden in een tamelijk recent verleden een optrekje gekocht en dat, na het opkalefateren ervan, als Bed & Breakfast voor het publiek opengesteld. Een mens zou zich afvragen wat er eigenlijk verkeerd is aan de benaming Kamers met ontbijt, al mag dat van mij in ons binnenlandse buitenland vanzelfsprekend ook Chambres d’hôtes, of zelfs Zimmer frei zijn.

De nogal hautaine drijvers van de nering misbruikten vanzelfsprekend hun televisieoptreden om de eigenbelangen te behartigen. Je kunt het ze niet kwalijk nemen.
─”En wat kun je hier allemaal doen?” vroeg de verslaggeefster, die in afwachting van het vermoedelijke niets kennelijk plezier wilde beleven aan het voorlopige iets.
─”Er zijn hier enorm veel wandelpaden”, zei de man.

Enorm veel? Ik denk niet dat er zich in de buurt van Bouillon miljoenen wandelpaden door het landschap slingeren, dus zal dat bijwoord van graad, enorm, zonder twijfel enorm overdreven zijn. Dezelfde reportage lardeerde men ook nog met:
– het was er enorm druk
– een enorm groot kasteel
– ik heb enorm afgezien
– je kunt er van enorme gastvrijheid genieten

Ik had al een ‘enorme’ hekel aan het buitensporige gebruik van ‘uiteraard’ en van ‘voor een stuk’. Ik ben geneigd om daar ‘enorm’ aan toe te voegen. De vlag dekt immers zelden de lading. Mag het misschien ietsje minder zijn?

Sodom, Gomorra en Pompeji

Samen met een Argentijnse vriend en reisgezel heb ik ooit met ware doodsverachting de Vesuvius beklommen … eh … bedwongen. Men bedwingt een berg. Als dat dan ook nog een vuurspuwende berg is, moet een mens niet alleen de berg, maar ook zijn angst bedwingen, want dat zijn lang geen ongevaarlijke toestanden waarin men zich begeeft. In ons geval liep het waagstuk goed af: we daalden zonder kleerscheuren of brandwonden en in heelhuidse gesteldheid van dat ventiel van Moeder Aarde neer. We hadden de begane grond nog niet helemaal bereikt of er lag reeds een andere bezienswaardigheid op ons te wachten: de overblijfselen van het eens zo florissante en o zo decadente Pompeji.

In het begin van onze jaartelling was dit stadje de zomerverblijfplaats en het lustoord van de rijke Romeinen … een Italiaans Knokke-Zoute met andere woorden. Er heerste daar een zeer ongedwongen, ja zelfs ronduit losbandig sfeertje. Onkuisheid en ontucht dat er daar bedreven werd! Hohoho! Daar hebben jullie werkelijk geen idee van en ik evenmin, maar we proberen het ons toch een beetje voor te stellen, nietwaar?

Op 24 augustus 0079, om elf uur in de morgen, weerklonk er opeens een buitengewoon luide knal. De top van de Vesuvius vloog gezwind de lucht in en de aarde spuwde haar ingewanden uit. Gedurende twee dagen regende het stenen en allerhande troep op Pompeji, dat allengs bedolven raakte, en wie probeerde te vluchten werd door giftige dampen ingehaald en geveld. Van de naar schatting vijfentwintigduizend inwoners heeft wellicht niemand de woede-uitbarsting van de vulkaan overleefd en de stad verdween van de aardbodem, want plots zat die eronder. Pompeji voegde zich bij de Bijbelse steden Sodom en Gomorra, die vanwege hun verdorvenheid met zwavel en vuur verwoest werden.

Zestienhonderd jaar later kwam er tijdens grondwerken plots een beeld aan de oppervlakte. Opgravingen begonnen en als men dat doet, legt men meestal iets bloot. Soms leg ik iets bloot wat ik helemaal niet opgegraven heb, waarschijnlijk omdat ik kan toveren, maar dat doet hier verder niets ter zake. Aldus verrees Pompeji als het ware uit zijn graf en vandaag de dag gaan we er in groten getale naar kijken.

Nu zal ik nooit in laaiend enthousiasme ontsteken bij het aanschouwen van ietwat mistroostige ruïnes en dat deed ik in Pompeji dus ook niet. Ik ben meer een natuurmens. Met een fraai landschapje of een bekijkenswaardig fenomeen kun je me altijd plezieren. Samen met mijn vriend dwaalde ik derhalve nogal apathisch door de straatjes van Pompeji, bezocht ik Romeinse villa’s of wat er van overbleef en verlustigde ik me enigszins aan de soms schunnige muurschilderingen en mozaïeken, die verrieden welke perversiteiten daar allemaal moeten plaatsgevonden hebben naast de gewonere dadelijkheden van de seksuele bedrijvigheid.

PompejiToen kwam er opeens een bewaker of iets dergelijks naar ons toe. Hij droeg in alle geval een kepie en een indrukwekkende sleutelbos. In ruil voor een fooi kon hij ons het ‘verboden Pompeji’ laten zien, deelde hij ons in moeizaam Engels mee, maar wij begrepen het en grote nieuwsgierigheid maakte zich van ons meester. We hadden en we hebben beiden een zwak voor iets dat verboden is. Enkele bankbiljetten wisselden van eigenaar en hij bracht ons tot bij een gifgroene deur, die hij met een kanjer van een sleutel ontsloot.

Het was alsof wij een seksboetiek betraden. We werden omringd door tientallen beelden van vrouwen in wel zeer uitdagende poses, afbeeldingen van ongeveer alle copulatiestandjes die het menselijk brein, inclusief de Kamasoetra, ooit verzon en mannen die toegerust waren met enorme falussen. Mensen kinderen, het was me het museumpje wel. Gelachen dat we hebben … al was dat best wel een beetje zuur, want we voelden ons door de natuur danig misDEELd en TEKORTgedaan.

Ja, als ik tweeduizend jaar geleden geleefd had, zou ik wat graag in Pompeji gewoond hebben. Natuurlijk zou ik net op reis geweest zijn toen de Vesuvius ontplofte.


Pompeji2

Een ronkedoor?! Ik?!

“Je bent en je blijft een ronkedoor”, zei mijn logeergast, Reinhold, vanmorgen tegen me.

Ik vermoed dat velen van jullie niet weten wat een ronkedoor is. Nog even geduld: ik zal jullie straks van dat gat in jullie kennis verlossen door jullie de correcte definitie van het woord op te dissen.

Ronkedoor is echter ook de bijnaam die me in lang vervlogen tijden ─ hoe lang is dat wel niet geleden? ─ toebedeeld werd door mijn nochtans zeer gewaardeerde vriend, Reinhold, die wellicht geen onbekende is voor mijn trouwe lezers, want hij is hier al vaker opgedoken en vernoemd.

Het gebeurde in de aldoor aan de wolken krabbende stad, New York, waar wij samen, vanzelfsprekend in het nette, een kamer betrokken en een bed deelden in het dure Sheraton hotel. Toen we ons na een nachtje doorzakken ’s morgens enigszins probeerden te fatsoeneren om wat te gaan bezienswaardigen, zei Reinhold:
─”Ja man, jij kunt me daar ook een stukje luidop slapen zeg!”
─”Luidop slapen?” lummelden mijn hersens nog in pyjama rond.
─”Snurken!” verduidelijkte hij. “Zowel een kettingzaag als een os moeten het tegen je afleggen. Jij bent een echte ronkedoor.”

De bijnaam beklijfde, want Reinhold en ik bleven kamers delen, in belendende en verre buitenlanden, en ik bleef snurken natuurlijk. Ooit hebben ze me tijdens een bioscoopbezoek aangemaand om met bekwame spoed de zaal te verlaten. De film die men vertoonde was zo spannend dat ik indutte en met het geronk dat aan mijn mond ontsteeg het plezier van allen daar aanwezig vergalde.

Ronkedoor vind ik trouwens geen vlag die de lading dekt. Oordelen jullie zelf aan de hand van de definitie hieronder:

Ronkedoor
zelfstandig naamwoord, mannelijk
Ontleend aan het Portugese roncador en hetzelfde woord als ronkadoor, in Engelse reisbeschrijvingen van de 18e eeuw voorkomend als ronkedor en runkedor.
Benaming (oorspronkelijk door de Europeanen op Ceylon) gegeven aan een van zijn kudde afgescheiden, alleen levende olifant (meestal, zo niet altijd een mannetje); hetzij (in de meeste gevallen) daaruit gestoten als overwonneling door zijn medeminnaar, hetzij bij een jachtgelegenheid afgedwaald, hetzij ook als getemde vluchteling.
Deze verstotelingen zijn zeer boosaardig van karakter en gevaarlijk voor de mens; vandaar de Portugese benaming roncador, dit is snorker, snoever, grootspreker en vervolgens: twistzoeker, of in ’t algemeen: schadelijk individu.
De Franse en de Engelse benaming is rogue.

Zeg nu zelf: ben ik een ronkedoor? Enkel de benaming snorker is op mij van toepassing … en ja, misschien ben ik een heel klein beetje van de kudde afgedwaald.

Goeie babbel!

Tijdens het opbergen van de sedimenten van vervlogen jaren kreeg ik onder veel meer een prentbriefkaart in handen. Kennissen hadden die aan me laten bezorgen, om me mede te delen dat ze zich in de Italiaanse Dolomieten ophielden, dat de zon daar haar beste straaltje voorzette en dat het eten er heel lekker was.

Omdat ik een hevige fan van deze wondermooie bergen en de daarmee gepaard gaande dalen ben, en vooral ook omdat ik bijzonder aangename herinneringen bewaar aan hetgeen ik in die verrukkelijke contreien mocht beleven, besteedde ik enige aandacht aan de afbeelding. Ik keek naar de niet te onderschatten Pordoipas: een weg die kronkelend als een aal in doodsnood door een intimiderend landschap meanderde en zodoende in niet geringe mate aan het toeristische verwachtingspatroon voldeed. Een inzet in de bovenhoek toonde de herberg die aldaar op de pashoogte gastvrijheid biedt. In de buurt van dat etablissement speelde zich jaren geleden het tafereel af, dat ik hieronder in woorden voor jullie probeer te vatten.

Ik zwierf door Europa in het gezelschap van mijn goeie vriend, de niet uit te wissen Reinhold, die mijn leven regelmatig van koddige kanttekeningen voorzag. Dat was ook het geval op de Pordoipas, waar wij het voornoemde café verlieten en naar mijn iets verderop geparkeerde auto kuierden. Ik zal ongetwijfeld verstrooid geweest zijn, want dat overkomt me wel vaker. Feit is dat ik zonder mijn spiegels te raadplegen een plaatsje op de weg veroverde en daardoor bijna in aanvaring kwam met een ander voertuig, dat luidkeels remmend rakelings aan ons voorbijschoot.

Het nummerbord verried dat er zich Duitsers aan boord bevonden en die zijn, zoals men weet, volkomen humorloos en gauw aangebrand. Zij dus ook. Het portier zwaaide open en een heerschap kwam naar ons toe: de blik vol blinde haat, laaiende woede en levensgrote afschuw voor alles wat leeft. Hij nam een pugilistische pose aan en begon me genadeloos af te zeiken … waarop Reinhold, die nauwelijks, of zelfs geen verstaanbaar Duits spreekt, zich vooroverboog tot hij de Germaan in het vizier kreeg en de gevleugelde woorden uitte:
─“Ach mensch, sie kunnen ein bisschen meine klossen küssen und meine sack aufblazen.”
De man staarde mijn gezel aan alsof die plots een vagina tentoonspreidde, maar was dusdanig onder de indruk van van diens polyglottische vaardigheid dat hij ons verder ongemoeid liet en afdroop.
─“Daar heeft hij niet van terug”, grijnsde Reinhold tevreden.
─“Allerminst”, monkelde ik en ik gaf hem een schouderklopje: “Du hast ihm düchtig die lesse gelesen, mein freund.”

En fier dat Reinhold was. Als een gieter! En ik gunde het hem van harte.

Er zijn grenzen

Toen ik op de schoolbanken met de klassieke oudheid kennismaakte, overviel mij een vreemd soort melancholie, die ik nauwelijks in woorden vermag te vatten, maar die van geen wijken wilde weten. Ik verlangde hevig naar Hellas en toen ik er eindelijk heen kon reizen, met mijn eigen auto en in het verkwikkende gezelschap van Reinhold ─ mijn makker, mijn maat en mijn spitsbroeder die ik hier al eerder opgevoerd heb ─ beantwoordde Griekenland volledig aan mijn verwachtingen. Er hangt daar iets in de lucht dat ik niet kan omschrijven, omdat het zo veelomvattend en alomtegenwoordig is, maar dat iets was precies wat ik er hoopte te vinden: ik voelde me thuis.

We bezochten het noordelijke landsgedeelte en staken toen eerst door naar Istanbul in Turkije. Wat ons enkele dagen later op de terugweg naar Griekenland overkwam, kunnen jullie hieronder lezen.
─“Dit is veel te gevaarlijk”, zei ik tegen Reinhold, die naast me in de auto zat te dommelen. “We riskeren hier voortdurend ons leven.”

We waren veel te laat uit Istanbul vertrokken en de duisternis overviel ons lang voor we de grens met Griekenland bereikten. Nu hadden ze in Turkije waarschijnlijk nog nooit van periodieke autokeuring gehoord, want voortdurend doemden er onverlichte auto’s en vrachtwagens voor ons op: schimmen die ik soms pas op het laatste nippertje opmerkte. Niet te doen! Bovendien kwamen we herhaaldelijk in zwermen insecten terecht, die zich in groten getale tegen de voorruit te pletter vlogen en daar een bijzonder wansmakelijke smurrie achterlieten, zodat we af en toe noodgedwongen halt dienden te houden, wanneer de sproeiers en de wissers het niet meer konden bolwerken en er manuele bijstand nodig was.

Het zal rond een uur of elf geweest zijn dat we de grens bereikten. We reden over een lange brug, waarop zich een groot aantal tot de tanden gewapende militairen bevonden — Turkije en Griekenland waren nooit goede maatjes — en kwamen vervolgens in de douanezone. De Turken lieten ons ongemoeid, maar bij de Grieken moesten we stoppen. Twee jeugdige manspersonen in een nerveus gesneden BMW ─ reinrassige Hengste auf vier Rädern ─ vonden ze verdacht. Of we iets aan te geven hadden?
─“Zeven kilogrammetjes marihuana”, zei Reinhold in het Engels en met behoud van glimlach.
Hij was niet enkel thuis de leukste, maar ook ver daarbuiten.
─“Hou je stroopwafel!” siste ik, maar het was al te laat.

Men wenkte ons opzij en verzocht ons uit te stappen. Daarna begonnen ze mijn scheurijzer leeg te maken en te slopen. Ik heb sindsdien nooit meer zoiets meegemaakt. Ze kleedden mijn auto helemaal uit. Zelfs de deurbekledingen en het dashboard moesten eraan geloven. De ravage! Aangezien er niks was, vonden ze ook niks … en hoewel ik het ergste vreesde, moet het gezegd dat ze alles keurig in de oorspronkelijke staat terugbrachten, al waren ze daar wel een paar uur zoet mee.

Het was na tweeën toen we mochten beschikken. We gingen nog even op zoek naar een hotelkamer, maar vingen overal bot, zodat we de rest van de nacht in de auto dienden door te brengen. Eigen schuld, dikke bult. Ik kon Reinhold wel het zwart uit zijn haar meppen, maar hij was blond.

Nauwelijks een week later … maar dat vernemen jullie morgen wel.

Krambamboeli

Er waren eens drie meneren
heel deftig en heel oud,
die wilden gaan kamperen,
kamperen in een woud …

Wat is de mens toch een vreemd schepsel. Ik weet niet meer precies wanneer ik het gedicht, dat met de bovenvermelde versregels begint en door Annie M.G. Schmidt geschreven is, mijn leven binnendrong, maar ik kan het hele geval nu nog steeds zonder haperen uit het hoofd declameren, want mijn reet articuleert niet zo lekker. Het zal jullie niet verbazen dat ik dat soms inderdaad ook doe.

Wij waren slechts met zijn tweeën, allesbehalve deftig en ook niet oud — achttien of daaromtrent — en we wilden eveneens gaan kamperen, zij het dan niet in een woud, maar in de Oostenrijkse Alpen, in de Italiaanse Dolomieten en in de buurt van Venetië, want het was zomer en we hadden toch niets beters te doen. We vertrokken om middernacht en in de late middag bereikten we het Salzburger Land, twaalfhonderd kilometer verderop, waar we halt hielden in het stadje Sankt Johann im Pongau, om er de Liechtensteinklamm te bezienswaardigen: een magnifieke kloof die een waterval herbergde. We vergaapten ons aan dat natuurverschijnsel, hetgeen ons zo vermoeide dat we geen zin meer hadden om ons peutertentje op te zetten.

We namen derhalve onze intrek in een hotel en in dat hotel — hoe bestaat het? — was er een bar en in die bar — jullie kunnen het ongetwijfeld al raden — hesen wij ons die avond op krukken aan de tapkast, teneinde onze dorst te lessen. Vivre, ça donne soif! Als er iets was waar we verstand van hadden, dan was dat van aan de tapkast zitten. En lessen dat we deden! Je leven zo niet! Er stond daar immers een omvangrijke pot die gevuld was met een soort punch of bowl. In Spanje heet zoiets sangria en dat is al met al een brave vloeistof en een inferieur drankje, maar in Oostenrijk hebben ze daar de naam krambamboeli voor bedacht en krambamboeli — na een paar glazen kan je het al niet meer uitspreken — dat is menens! Eén slok en je springt van een rots en na nog een slok ben je helemaal herbouwd. Je krijgt er borsthaar van.

We klokten het naar binnen als betrof het appelsap en telkens vroegen we aan elkaar: ‘Zullen we er nog eentje verschalken?’ En dat deden we. Alcohol mag dan misschien je leven halveren, maar je ziet dubbel zoveel. Toen de bar wegens het vergevorderde uur dichtging, waren we behoorlijk aan de vracht. Apelazarus! Met improviserende tred wankelden we als aangeslagen boksers naar onze kamer. Daar ging ik onderuit op de plee. Het bed was bedolven onder iets wat op een witte walvis leek: zo’n enorme, met veren opgevulde zak, waarmee men in Duitssprekende landen dekens vervangt en die men daarginds een Federbett of een Tuchent noemt. Mijn zatte vriend vond dat geweldig amusant beddengoed en begon er dusdanig zijn lusten op bot te vieren — ik bespaar jullie de beschrijving van zijn perverse gedrag — dat het ding plots scheurde, waardoor een niet gering aantal veren het luchtruim kozen. Sneeuw in de zomer: dat was leuk. Het was zelfs zo leuk dat we — lachen, gieren, brullen — het Federbett aan regelrechte martelpraktijken onderwierpen, om toch maar in een heuse sneeuwstorm terecht te komen. Toen die luwde, vielen we uitgeput in een zware alcoholslaap.

De daaropvolgende morgen konden we onze ogen niet geloven. De ravage! De kamer was een puinhoop en alles lag bedolven onder gevederte. Het vergoeden van de schade en het opruimen ervan, nam een flinke hap uit ons vakantiebudget. We zijn weliswaar nog tot in Venetië geraakt, maar we konden ons daar geen gondel meer veroorloven, wegens te duur, zodat we ons al zwemmend een weg door de stadskanalen dienden te banen … maar dat is weer een ander verhaal.

Krambamboeli … ik kan het woord niet meer horen! Het klinkt trouwens ook als een vloek.

Gisteren moest ik plots aan deze ‘histoire cochonne’ denken. Ik heb namelijk een nieuw dekbed gekocht. De nachten kunnen nog helder en koud zijn, ik heb het graag warm en het ding was dusdanig in de aanbieding, dat ik het niet kon laten lopen. Mijn nieuwe bedgenoot is gevuld met het zeer exclusieve eiderdons: het nec plus ultra onder de donssoorten, afkomstig van de vrij zeldzame pooleenden.
─”Ze hebben die beesten toch niet geslacht om hun dons te oogsten?” vroeg ik de verkoper.
Hij stelde me gerust. Na de broedtijd gaat men de verlaten nesten langs, om het daarin achtergebleven dons te verzamelen. Vandaar allicht dat het zo duur is.
─”Is het een beetje stevig?” wilde ik ook nog weten. “Scheurt het makkelijk?”
─”Nee hoor!” zei de man. “Je moet er natuurlijk geen gekke toeren mee uithalen …”
─”Gekke toeren?” hield ik me van de domme. “Welke gekke toeren kan men in vredesnaam met een dekbed uithalen?”
─”Tja …” grinnikte hij en hij vervolgde gekscherend: “Een bed gebruikt men niet enkel om slapen …”

D’iengeltjes schudd’n uldre bedje uut. Dat zeggen we in West-Vlaanderen als het sneeuwt. De engeltjes schudden hun bedje uit. Nu weten jullie ook hoe we aan die uitdrukking komen.

Soep met ballen

Een aantal jaren geleden diende ik me naar een Canarisch eiland te begeven, met name naar het met opwindende landschappen getooide en met lachende bloemen pronkende Tenerife, waar velen van ons graag toeven en goede sier maken als het vakantie is. Het prentkaartfähige oord behoort evenwel niet tot mijn favoriete reisdoelen. Er groeit daar namelijk een kanjer van een vulkaan, de Teide, en als het enigszins kan, houd ik me liever ver uit de buurt van vuurspuwende bergen. Je hoort me niet beweren dat ik er echt bang van ben, maar ik heb weinig vertrouwen in zulke hogelijk onvoorspelbare natuurfenomenen. Het spreekwoord zegt dat men geen slapende honden wakker moet maken en hetzelfde geldt allicht voor slapende vulkanen. Als ik ergens kom waar een hond ligt te slapen, schrikt dat beest meestal direct wakker, dus vermoed ik dat ik bij vulkanen wel hetzelfde effect zal sorteren … en dan ben ik nog niet jarig! Desalniettemin ging ik voor anker in het zachtklotsende haventje Puerto de la Cruz en nam er mijn intrek in een praalziek hotel met een vrachtje sterren, dat aan de rand van de schuimende zee hurkte en uitzicht bood op dat huiveringwekkende ventiel van Moeder Aarde.

Die eerste avond zat ik in het restaurant en lepelde met zelden vertoonde vlijt soep naar binnen. Ik was daar zo intens mee bezig dat ik niet eens opmerkte dat een kelner zich achter me opstelde. Toen die vooroverboog om me vriendelijk te vragen of ik nog wat soep wenste, schrok ik dermate van het onverwachte stemgeluid bij mijn oor, dat ik met een ruk rechtop veerde. Normaliter heeft zoiets geen nare gevolgen, want elke tafeldienaar is op zijn hoede voor dergelijke reacties. Die van mij dus niet. Ik stootte met mijn schedel tegen het dienblad dat op zijn hand balanceerde. Ook niet erg natuurlijk. Op dat blad prijkte evenwel een fraaigevormde, doch nogal labiele terrine van authentiek Beiers porselein, die onverwijld kapseisde en een vrij sierlijke, maar nogal hete soepval veroorzaakte, die zich met veel panache in mijn nek stortte. Wat doet men in zo’n geval? Vanzelfsprekend! Ik schoot omhoog als een raket en gaf zodoende het dienblad een tweede kopstoot, van het soort dat Zinedine Zidane me ten zeerste zou benijden. Het ding was er echt niet goed van… maar je had die kom moeten zien! Die suisde omhoog, beschreef een elegante bocht in het luchtruim en kwam toen met een rotgang op mijn tafel terecht, krek tussen het onthutste serviesgoed. De ravage! Mensen lieve deugd, daar brak zo het een en ander … en een kabaal … je leven zo niet! Consternatie alom, alsof er een vliegende schotel geland was. Het hele restaurant stond in rep en roer. Via rug en borst verliet de soep mijn tweedjasje en lekte gemoedelijk op mijn pantalon. Mijn nek gloeide pijnlijk en was dus verbrand, maar toch was ik begaan met de jongen die samen met mij dat sensationele onheil gesticht had. Hij stond daar als een wassen beeld en staarde wezenloos naar de vernieling op de plek waar de bolbliksem ingeslagen was. Zijn mond beefde wat en viel toen open. Ik pakte een servet en begon ostentatief mijn nek te dweilen. Daardoor afgeleid kwam de jongen weer bij zijn positieven.
─“Pido perdón, señor”, prevelde hij en het huilen stond hem nader dan het lachen.
─“No tanto como eso”, zei ik goedig, want ik spreek Spaans en ik voelde me even schuldig als die knaap.

Zoiets schept een band. We raakten met elkaar bevriend en dat zijn we nog steeds. Vicente, zo heet hij, is onlangs getrouwd en vanmiddag strijkt hij, door mij uitgenodigd zijnde, met zijn echtgenote in Belgenland neer, waarna ik ze vreugdevol in mijn stulpje zal onderbrengen. Ik broed immers al enige tijd op een plannetje. Ik zal ze meenemen naar een restaurant waar ik kind aan huis ben en daar zal hij de inhoud van een soepterrine ─ water vanzelfsprekend ─ in zijn nek en over hem heen krijgen. Dat wordt lachen.

Ik houd jullie op de hoogte.