Alarm

Het zal zaterdagavond rond een uur of vijf geweest zijn dat mijn snotkoker plots een brandlucht opsnoof. Ik zat op het terras en koesterde niet meteen argwaan, omdat ik veronderstelde dat mijn buren zich met een barbecue onledig hielden, maar toen bedacht ik dat ze toch bijna een halve kilometer bij me vandaan woonden. Kon een geur zich over die afstand verplaatsen? Ik likte aan mijn wijsvinger en stak die omhoog, om de windrichting te bepalen, maar op dat moment begon mijn mobieltje te jengelen.
─”Ben jij soms een vuurtje aan ’t stoken?” sloeg mijn buurman een onrustbarende toon aan.

Het antwoord dat ik hem gaf, benauwde ons allebei. De televisie maakt regelmatig een van mijn nachtmerries aanschouwelijk voor een breed publiek. Onthutsende beelden van woeste vlammenzeeën, die zich nietsontziend aan uitgestrekte bossen vergrepen en op hun weg talloze mensen van have en goed beroofden, stonden op mijn netvlies gegrift. Aangezien ik eveneens in een bos weggedoken ben en ik hier de laatste tijd nauwelijks regen gezien heb, is de mij omringende natuur zo droog als kurk …

Door vage vrees bevangen begaf ik me op weg. Luttele minuten later vond ik de aanstichters al. Vier snaken hadden zich broederlijk rond een vuur geschaard, waarop je een os kon braden, en zaten op stoere wijze aan joints te lurken. Ik heb ze vriendelijk de mantel uitgeveegd en daarna hebben we samen de vlammen gedoofd.

Ik heb ze niet verteld dat ik, toen ik nog klein en boosaardig was, ook graag een fikkie stookte. Ik heb ze niet verteld dat ik zodoende ooit een uitgestrekt korenveld in de as heb gelegd. Ik heb ze evenmin verteld dat ik nu nog steeds graag letterlijk met vuur speel en me daarom graag bij een haardvuur verschans. Wat hebben jongens en mannen toch met dat element?

Akkefietje

In een Brugse winkelstraat aanschouw ik hoe een hondsbrutale auto een nietsvermoedende voetganger van de sokken rijdt. Die bonkt uitbundig op de motorkap, zeilt vervolgens als een voddenpop door de lucht en belandt met een doodsmak op het onverbiddelijke asfalt, twee meter bij me vandaan. Ik beef van ontzetting. Tot mijn opluchting zie ik de jongen overeind krabbelen.
—“Ben je gewond?” vraag ik bezorgd.
Hij schudt het hoofd, huivert even en plast vervolgens zo voortvarend in zijn broek, dat het geloosde water dwars door de stof heen op zijn schoen sijpelt.
—“Da’s van ontsteltenis”, beweert een van de toeschouwers die ons bloeddorstig omringen.
—“Kun jij godverdomme niet beter uit je doppen kijken?!” roept een ander naar de verbouwereerde chauffeur. “Ga elders rondraggen met dat snobvehikel van je! De straat is geen bowlingbaan!”
—“Haal er voor alle zekerheid maar politie bij!” waarschuwt iemand het slachtoffer. “Krijg je achteraf geen narigheid.”

Het arme joch kruipt haast in de grond van schaamte. Hij staart radeloos om zich heen met donkere tragédienne-ogen, draait zich dan met een ruk om en gaat pleite. Hinkend verdwijnt hij in een achterafsteegje.

Daar staan we met zijn allen toch wel even van te kijken. De omstanders druipen ietwat teleurgesteld af … Ik eveneens. Ik hoop dat het goed met die jongen gaat.

Bewaar me, zeg!

Er zijn van die dingen die men niet kan blijven uitstellen, hoe graag men dat ook zou willen.

Ik zal jullie allicht verbazen, maar in lang vervlogen tijden heb ik eens iemand een groot plezier gedaan. Het lijkt me evenwel niet opportuun om daarover uit te weiden, want dat zou me te ver leiden en bovendien is er geen enkel verband tussen de inhoud van mijn goede daad en hetgeen ik van plan ben te vertellen.

De persoon die ik met mijn goedertierenheid begunstigde, was daar zo van onder de indruk dat hij in nietsontziende dankbaarheid ontstak en mij op een etentje wilde trakteren. Hij nodigde mij uit en ik verzon een excuus om die nochtans vriendelijke invitatie af te slaan, want ik ben een bijzonder eigengereid schepsel en meende dat er tussen ons weinig of geen raakpunten bestonden, hetgeen allerminst bevorderlijk is voor de goede gang van zaken tijdens een gemeenschappelijke maaltijd. Er volgde een tweede uitnodiging en ook die omzeilde ik op tamelijk elegante wijze. Omdat driemaal scheepsrecht is en vooral omdat het me inmiddels duidelijk was dat hij niet van opgeven wilde weten, heb ik zijn derde poging met succes bekroond. Gisteravond zat ik met hem aan een tafel in een uitstekend restaurant.

Je zult het nooit anders zien: als je ergens met hooggestemde verwachtingen heengaat, kan het vies tegenvallen; als je echter met tegenzin een afspraak nakomt, durft het weleens een avond met een gouden randje te worden. We raakten in een conversatie verwikkeld, want zo gaat dat als men met iemand aan een tafel vertoeft, en het wonder geschiedde: ik vond het leuk. We bleken zelfs een gemeenschappelijke kennis te hebben: een knaap met wie ik in mijn vlegeljaren bevriend was en zelfs dolle avonturen beleefde, waarvan ik er een met grote blijmoedigheid opdiste.
─ “Die zou ik nog eens willen terugzien”, zei ik, nahijgend van het lachen.
Hij keek me een beetje ongemakkelijk aan.
─ “Weet je het dan niet?” vroeg hij. “Drie weken geleden heeft hij zijn vriendin vermoord. Op nogal beestachtige wijze”, plaatste hij vervolgens een nogal dramatische commentaar.

Mijn moeder wist niets af van het bestaan van wat men een lombrosotype noemt: een persoon aan wiens uiterlijke kenmerken men zou kunnen zien dat zij of hij een misdadige inborst had. Toch heeft ze me vaak op het hart gedrukt dat ik me beter niet met hem kon inlaten.
─”Die jongen deugt niet”, zei ze. “Hij heeft het absolute kwaad in zijn blik, dus kun je maar beter uit zijn kielwater blijven, voor je in zijn zog raakt.”

Tja …

Raamhoer

Huishoudelijke taken — de menage doen — worden licht onderschat, vooral door mannen die er zich zo min mogelijk mee bemoeien.

Neem nu het bereiden van de maaltijden. ‘Wat zullen we vandaag eens eten?’ is ook te mijnent een van de meest voorkomende vragen, want het is op zich al geen sinecure om elke dag opnieuw een smakelijk gerecht uit te kiezen, laat staan om het dan ook nog klaar te maken volgens de regelen der kookkunst en met alles erop en eraan. De soep is te heet, de aardappelen zijn te zout, het vlees is te taai … Ga d’r maar aan staan!

Gelukkig hebben uitvinders aller landen tal van ingenieuze toestellen bedacht, die het leven van de veelal rusteloze huissloven aangenamer horen te maken: stofzuigers, koffiezetapparaten, microgolfovens, wasmachines … Ja, die wasmachines. Ze nemen je alleszins een boel werk uit handen, maar ze kunnen je ook lelijk parten spelen als je even niet oplet. Ooit is er bij mij een helrood tafelkleedje tussen het witgoed gesukkeld. Dat heeft me een vrachtje bigroze ondergoed opgeleverd en laat roze nu net een kleur zijn waar ik echt niet van houd. Een maand of zes geleden heb ik voor mijn gordijnen iets te heet water gebruikt, waardoor ik ze nu na iedere wasbeurt dien te strijken. Sommige van die voorhangsels zijn twaalf meter breed en meer dan twee meter hoog. Krijg zo’n vaandel op je strijkplankje!

Dat is de reden waarom ik onlangs besloten heb nieuwe gordijnen aan te schaffen. Er is een meisje langsgekomen om de maat te nemen en vanmorgen zou ze mijn vensters met de vrucht van haar noeste arbeid aankleden. Behulpzaam als ik ben, had ik nog voor ze arriveerde de oude exemplaren weggenomen en gelijk naar het milieupark gebracht. Dat had ik beter kunnen laten, want spoedig bleek dat het naaistertje zich vergist had. Het gordijn dat me tegen indringende blikken vanaf de straat moet beschermen, was pakweg een halve meter te kort. Het zal minstens twee dagen duren voor ze orde op zaken gesteld heeft. Al die tijd zal ik te kijk zitten als een raamhoer.

Er was die man die bij een raamhoer op de ruit tikt en vraagt:
─”Hoeveel?”
─”Honderd euro!” antwoordt het meisje van lichte zeden.
─”Dat valt nog mee voor dubbel glas”, zegt de man en hij vervolgt doodgemoedereerd zijn weg.

Bijna juist

De strandwachter schreeuwde de baders toe dat ze zich in een gevaarlijke zone bevonden, maar hij sprak voor dobermannsoren.

Ze lag met een infectie in bed, maar na een spuitje met penisilline herstelde ze spoedig.

De jarige actrice kreeg een staande ovulatie.

Het meisje keek gevaccineerd toe hoe haar vriendje een pretsigaret rolde.

Ik spreek Nederlands en vloeibaar Engels.

Na de begrafenis van zijn vrouw, zat hij enkele weken in de put.

Zijn optreden was een oorverdonderend succes.

Het overlijden leek verdacht, dus hebben ze een adoptie uitgevoerd.

De asse van de overledene zal uitgestrooid worden op het urineveld.

Bollo smito

Het dorp, aan de rand waarvan ik hoofdkwartier houd, is al jaren geen oase van rust meer. De hoofdstraat is immers verworden tot een drukke verkeersgleuf, waar auto’s en vrachtwagens zich gestaag doorheen persen, met aan weerszijden een stoep, of wat daarvoor moet doorgaan. Ja, aan de stappers hebben ze gedacht, de dames en heren ingenieurs, maar de fietsers lieten ze in de kou staan. Je moet over ware doodsverachting beschikken om je op twee wielen in die heksenketel te wagen. Men rijdt je van de sokken voor je er erg in hebt.

Wat doet een zwakke weggebruiker in zo’n geval, gesteld dat zij of hij nog wat langer als kostganger op deze aardkloot wil rondlummelen? Inderdaad! Die hijst zowel het vege lijf als het tweewielige transportmiddel het trottoir op en vervolgt daar zijn weg, tot grote ergernis van de nog zwakkere verkeersdeelnemer: de voetganger. Men kan op zijn vingers natellen dat daar ongelukken zullen van komen en gisteren was ik zowaar ooggetuige van zo’n confrontatie.

Een dame stapte buiten bij de bakker, in de overtuiging dat ze op een veilige stoep belandde. Uitgerekend op dat moment kwam er echter een nogal drieste fietser aangepeesd. Ze konden net een botsing vermijden, maar het stuur van het rijwiel graaide en passant wel de papieren zak mee die de vrouw in haar hand droeg. Het ding pletste op de grond, barstte open en onthulde aldus een tompoes en twee berlinerbollen, waarvan er een gezapig, maar op een wel zeer verleidelijke wijze naar me toe rolde.

Er ontstond vanzelfsprekend een heftige discussie over wie voor de schade moest opdraaien, maar ik wilde me daar niet mee bemoeien. Ik glipte de bakkerswinkel binnen, hoewel ik dat eigenlijk niet van plan was, en daar kocht ik … twee tompoezen en een berlinerbol. Ik had opeens rare trek gekregen.

Ik zal toch niet zwanger zijn, wel?

Cententeller

Ik heb hier, op mijn bureau en binnen handbereik, drie bokalen staan. Het zijn niet de ordinaire bokalen, waarin men bijvoorbeeld mayonaise, zilveruitjes, pekelharingen of rolmopsen — de mogelijkheden zijn legio — aantreft. Het zijn esthetische bokalen. Ze hebben wat men fraaie vormen noemt en dus ogen ze leuk.

In lang vervlogen dagen omsloten ze, zo meen ik me te herinneren, naar vanille geurende kaarsen. Die heb ik echter opgestookt, in de eerste plaats omdat ik vanille lekker vond ruiken en in de tweede plaats omdat ik die geur aanwendde om stank te verdrijven. Ja, stank! Nee, ik laat niet meer scheten dan een ander en ik ben zindelijk op mezelf en op mijn stulp, maar ik rookte. En niet te min! Ik ben daar hoegenaamd niet trots op, want het is een verderfelijke bezigheid, edoch het is nu eenmaal zo. En sigaretten stinken.

Tegenwoordig rook ik niet meer en zodoende zit ik nu met drie elegante bokalen opgescheept , die er overigens met de dag aantrekkelijker uitzien, omdat ik er mijn kleingeld in oppot.

De muntstukken van één en twee euro en die van vijftig cent komen sinds jaar en dag in zo’n bokaal terecht. Wat bieden die een oogstrelende aanblik. Ik mag er graag naar kijken. Vanmorgen kon ik niet langer aan de verleiding weerstaan en heb ik voor het eerst, verlekkerd als de vrek van Molière, de inhoud van mijn spaarbokalen nageteld. Nou moe! Ik kwam tot een slotsom waar ik toch even van schrok, maar het was een aangename schrik, of eigenlijk meer een gelukzalige duizeling.

Ooit had ik een vriendin die er een toch wel zeer merkwaardig aanwensel op nahield. Zonder enige aanleiding of aanwijsbare oorzaak slaakte ze soms een putdiepe zucht en dan zei ze:
─”Hoh, ik heb ongelofelijk veel zin om iets te kopen, maar ik zou niet weten wat.”

Wel, dat is precies hoe ik me nu voel. De lust bekruipt me om iets te kopen, maar wat?

Spannend!

Ik bevond me in het krekengebied ten zuidoosten van Oostende en ging er voor anker op de bank, die men daar ten behoeve van natuurvrienden op een terp neergepoot had en waarvandaan men de wijde omgeving kon overschouwen.

Eenden spelevaarden op het water en gaven zich, beschut door rietkragen, over aan met luidruchtig gesnater gepaard gaande stoeipartijen en vermoedelijk ook aan seksuele omgang. Een reiger streek zwierig neer, een klucht ganzen zocht heil in de vlucht en een karekiet gaf ‘m van jetje. Het kan ook een andere vogel geweest zijn, want ik ben geen ornitholoog en een zanger in het riet is voor mij automatisch een karekiet, vanwege het lied waar ik als kind mee doodgegooid ben: karekiet, kiet, kiet, in het riet, riet, riet.

Toen zag ik opeens … ja, wat zag ik eigenlijk? Ik dook in mijn fietstassen, diepte ras een verrekijker op, waarmee ik het rozekleurige object dat in de verte tussen lisdodden dobberde naderbij haalde en … Ik versteende. Mijn adem stokte. Mijn hart miste een paar slagen en repte zich toen om de achterstand in te halen. Wat daar dreef, was een poedelnaakt mensenlichaam. Terwijl ik bedacht wat me te doen stond, kon men mijn reet wellicht als doppenwipper gebruiken. Ik trok mijn mobieltje, zette voor alle zekerheid nog eens de verrekijker aan mijn ogen en zag hoe het hoofd van de drenkeling tussen de plantenstengels opdook, met de wijd opengesperde mond en de hartstochtelijk rode lippen van … een opblaaspop.

Ik heb toen maar mijn mobieltje opgeborgen, blij dat ik het niet gebruikt had. Je zult de hulpdiensten maar mobiliseren voor een door een flauwe, op seksueel gebied gefrustreerde grappenmaker achtergelaten opblaaspop.

Alle zegen komt van boven

Een zakenrelatie van me ─ het klinkt heel wat, maar het betreft gewoon een overgewaardeerde politicus, die ook in drukwerk doet en voor wie ik zo nu en dan wat tekst mag redigeren ─ hield een zogeheten informele bijeenkomst naar aanleiding van een gedenkwaardige aangelegenheid. Ik had een uitnodiging gekregen met de zeer door mij verafschuwde formule dat er me ‘een hapje en een drankje’ te wachten stond, maar dit keer zou men de aanwezigen zowaar ook op ‘een muziekje’ vergasten. Tja, het was niet meteen een aanvulling waardoor ik in laaiend enthousiasme ontstak.

Ik begaf me op weg en ik zag er lang niet verkeerd uit. Nu ja, van een schopsteentje maak je geen diamant natuurlijk, maar in feestverpakking vermag ik op elegante wijze de charmes van mijn leeftijd rond te dragen. Gekooid in m’n goeie goed en een gekleed pak liep ik door de hoofdstraat van een vertierloos dorp. Plots hoorde ik een mannenstem roepen:
─”Pas op, hoor!”

Ik keek omhoog naar de plek waar de waarschuwing vandaan kwam en kreeg op hetzelfde moment een niet te onderschatten lading natte bladeren en modder over me heen. Het leek alsof ik onder een steen vandaan kwam en vervolgens door een haag gesleurd was.

─”Ben jij nu helemaal van de ratten besnuffeld?!” foeterde ik tegen de man die blijkbaar bezig was een dakgoot van overtolligheden te ontoen.
─”Ik heb toch geroepen dat je op moest passen”, verdedigde hij zich.
─”En op hetzelfde moment gooi je die bagger naar beneden. Ik ben het niet die moet oppassen. Jij moet uitkijken of de stoep onder je vrij is.”

Er volgde nog een heftige woordenwisseling over wie er voor de kosten van stomerij moest opdraaien, maar toen dat geregeld was, ben ik naar huis teruggekeerd. Door overmacht is het hapje en het drankje me bespaard gebleven. Het muziekje eveneens.

Rood geklauwd

─”Ik val nooit in slaap bij de televisie!” protesteerde de man, nadat zijn echtgenote hem daar op nogal spottende wijze van beschuldigd had.
─”Je hebt overschot van gelijk”, antwoordde de vrouw. “Je valt niet in slaap, maar je gaat knock-out; je snurkt als een varken,  je bent met geen kanon wakker te krijgen en je laat scheten dat het een lieve lust is.  Nu ja, een lieve lust?”

Deze woordenwisseling greep een paar maanden geleden plaats en ik was daar zowel oor- als ooggetuige van, maar besloot wijselijk om me niet in het gesprek te mengen. Partij kiezen, beperk ik tot het stemhokje, waar ik ─ ik vertel jullie geen nieuws ─ steevast de voorkeur geef aan een uitgesproken Vlaamsgezinde partij, hetzij N-VA en tegenwoordig zelfs het Vlaams Belang, wat volgens mij iedere weldenkende Vlaming zou moeten doen, maar ieder zijn meug, zei de boer, en hij at paardenvijgen.

Ondertussen heeft de echtgenote in kwestie haar man een onomstotelijk bewijs geleverd van hetgeen zij beweerde en hij ontkende. Terwijl hij zich bij de televisie in de betovering van een lethargische slaap bevond, bestond ze het om zijn teennagels te lakken in een hartstochtelijk rode kleur die de ogen teisterde.
─”Wel godverdomme hier en gunter!” riep de man toen hij ontwaakte. “Wat is dit nu voor ongein?”
─”Dat moet nochtans gebeurd zijn terwijl je niet lag te slapen bij de televisie”, schamperde zijn wederhelft.

Ze verzweeg dat hij de lak kon verwijderen met een dissolvant, met haarlak of desnoods met deodorant, zodat hij zich tijdens de hete hondsdagen van augustus nergens blootsvoets durfde te vertonen.