Het kind moet een naam hebben

Loddertje, suikerkontje, keppekeuntje …

Ik heb de nogal kinderachtige gewoonte om bijnamen te geven. Dat zou op zich niet vermeldenswaard zijn als ik die troetels aan personen zou besteden, maar ik benoem er vooral dingen mee die me in het dagelijkse leven omringen.

Mijn frituurpan heet bijvoorbeeld Pruttelgatje, vanwege de pruttelende geluidjes die ze pleegt te produceren. Wentelteefje is de plafondventilator die boven mijn bureau hangt en mijn televisietoestel luistert naar de naam Fluppe, want dat is de Vlaamse verbastering van Filip en dus ook van het elektronicamerk Philips.

Ik kan nog wel even doorgaan, want de nieuwe  papierversnipperaar die ik pas enkele dagen geleden kocht, heb ik vanmorgen al Vreetzak gedoopt, maar zoals ik eerder al schreef: het moet niet nog gekker worden.

Het had erger gekund

Reinhold, mijn vriend, mijn spitsbroeder en alles wel beschouwd de enige mens die ik langere tijd om me heen kan velen, maar die helaas in een nogal ver buitenland hoofdkwartier houdt, heeft besloten om gedurende enkele weken te mijnent te verblijven en mij gezelschap te houden.

We hadden het plan opgevat om ons vandaag aan een uitstap per fiets te wagen, maar men kondigde aan dat het gillend heet zou worden, zodat we besloten thuis te blijven, met alles erop en eraan.

We keken naar het middagjournaal en aanschouwden dramatische beelden van bosbranden in het zuiden van Europa. Mensen sloegen op de vlucht, terwijl hun hele hebben en houden aan vlammen ten prooi viel.
“Nog een geluk dat ze er mooi weer bij hebben”, stelde Reinhold flegmatiek vast.

Niettegenstaande de omstandigheden beleefde ik monumentaal veel plezier aan zijn ongepaste opmerking. Het scheelde zelfs niet veel of men moest me reanimeren.

Lief schroothoopje van me

Ze waren beiden heel erg oud, dat zag je er zo aan af. Hun niet samen te vatten leven had opnieuw en nog maar eens een heuglijke datum bereikt, waarvan men vond dat daar een feest bij hoorde. Ietwat verwezen zaten ze in vleesetende fauteuils, op toezichthoudende wijze terzijde gestaan door nakomelingen.

Er deinde een dienblad met champagnefluiten voorbij en dat had hij gezien. Met een niet bij zijn leeftijd horende trefzekerheid graaiden zijn handen en maakten twee glazen buit. Het ene hield hij voor zichzelf. Het andere gaf hij aan de vrouw die naast hem zat en met wie hij ongetwijfeld talloze gedenkwaardige momenten bij mekaar gesprokkeld had.
─”Me goan e kè tikk’n”, zei hij in goddelijk West-Vlaams. We gaan eens tikken.

En ze klonken. Terwijl het kristal een zilveren geluidje uitstootte, keek hij haar aan alsof hij haar uitgevonden had. Liefde op het zoveelste gezicht. Zij was het cadeau van zijn leven en hij nog steeds het zonnetje van haar kindertekeningen.

Afknijptijdjes

Vrijwel alle kinderen zijn gek op reclamespots. De meeste volwassenen hebben er een hekel aan. Bejaarden genieten er dan weer van, vooral als er zich wat nevelslierten over hun hersens draperen en de herfst in hun hoofd een aanvang neemt.

Over het hoe en waarom van deze merkwaardige overgangen van leuk naar saai en vice versa moet ik jullie het antwoord schuldig blijven. Er bestaan ongetwijfeld mensen die zich in deze materie verdiept hebben en dit verschijnsel van pasklare tekst en uitleg kunnen voorzien. Voor mij niet gelaten.

Zelf houd ik niet van reclameboodschappen. Akkoord, af en toe zit er wel een leuk filmpje bij, waarmee men een glimlach op mijn gelaat vermag te toveren, maar meestal is het huilen met de pet op.

Veel van die spots zijn op schabouwelijke wijze nagesynchroniseerd. Je ziet monden praten en lippen bewegen, maar wat je hoort, stemt geenszins overeen met wat ze zeggen. Aanvankelijk vond ik dat koddig. Daarna begon het me te ontstemmen. Tegenwoordig vervult het mij met een tegen razernij aanleunende wrevel. Dan veer ik als door een wesp gestoken uit mijn fauteuil omhoog en roep dat ik nooit ofte nimmer een product of een artikel zal kopen, dat men op zo’n schutterige manier aanprijst.

Het onderbreken van films en andere programma’s voor reclamespots is meestal een bron van ergernis, al is het eigenlijk best wel handig als ze niet overdrijven. Zo krijg je immers de kans om wat mondvoorraad of lafenis bij te slepen, zonder dat je bij je terugkeer voor het scherm moet constateren dat je een belangrijke passage gemist hebt, waardoor je de draad bent kwijtgeraakt. Bovendien biedt het uitkomst voor vrouwen die met een kleine blaas bedacht zijn, of voor mannen die met de prostaat sukkelen, of voor mensen die last van buikgriep hebben, al kunnen zij die over een digicorder beschikken dergelijke hiaten tegenwoordig ook met behulp van dat toestel opvullen.

Laten jullie zich in jullie aankopen door reclameboodschappen beïnvloeden? Ik niet hoor! Als ik voor de afwas Dreft gebruik, als mijn porseleinen pony zich door een hygiënische steen van Harpic laat opfleuren, als de bananen in mijn fruitschaal het keurmerk Chiquita voeren, als mijn wasmachine wasgel van Dixan verkiest …

… dan is dat allemaal louter toevallig.

Dit gezegd zijnde, beleef ik tegenwoordig buitengewoon veel plezier aan een reclamespot van de Zwitserse keelpastilles: Ricola.

We zien een man die op lustige wijze doorheen een landschap vol geografische ongemakken ─ te weten een magnifieke bergwereld ─ banjert en ondertussen lucht geeft aan zijn met weidse gebaren gepaard gaand enthousiasme via een verbale musette: blablablabla. In zijn kielzog dobbert een vrouw ─ waarschijnlijk zijn echtgenote ─ die zich, afgaand op haar gelaatsuitdrukking, hoegenaamd niet in haar sas voelt. Ze probeert zich enigszins op te monteren door het innemen van een Ricola-pastille, hetgeen opgemerkt wordt door de bazige man die haar voorafgaat.
“Bonbon?” vraagt hij schokschouderend, waarna hij gesticulerend zijn weg vervolgt, maar zijn blablabla door bonbonbon vervangt.

Prachtig in al zijn eenvoud. Ik kan er niets aan doen, maar telkens als ik dit tafereel aanschouw, lig ik in een deuk. Ricola krijgt derhalve een tien met een griffel van me.

Op jacht

Toen ik vanmorgen mijn keuken betrad, ontdekte ik daar een vreemdsoortig insect met lange voelsprieten, twee paar diafane vlerkjes en talloze poten, dat in een tumbler neergestreken was en vertwijfeld door een bodempje whisky crawlde.
─“Hoe heet je, gedrocht?” vroeg ik.
Het monstertje schakelde over op een lusteloze vlinderslag.
─“Onbeleefd scharminkel! Je moet antwoorden als men je wat vraagt!”

Ik huiverde bij de gedachte dat dergelijk ongedierte mijn woning vermocht binnen te dringen, zich overal kon schuilhouden en dus mogelijkerwijs zelfs tussen mijn beddengoed vertoefde. Omzichtig bracht ik het glas naar het terras en schudde daar het verguisde griezeltje de vrijheid in. Het dwarrelde eerst tollend neerwaarts, verhief zich dan en fladderde rakelings aan me voorbij.
─“Keep my memory green!” murmelde ik.

Het dwaze mormel deinde langs me heen en floepte gezwind terug naar binnen, via de openstaande deur. Een lichte verbijstering maakte zich van me meester en ik keek als een snoek op zolder.
─“Krijg nu wat!” had ik de schurft in. “Je mag het me niet tegen maken of ik zou weleens heel slecht nieuws voor je kunnen hebben.”

Het kennelijk honkvaste schepsel dartelde blijhartig door de keuken. Met een handdoek probeerde ik het de wijde wereld in te wapperen en dat lukte nog vrij aardig ook: in scheervlucht verliet het mijn woning, drukte ten afscheid nog wat flukse zoenen op de ruit en verdween. Ik begon puin te ruimen. Tijdens het vendelzwaaien had een lus van de handdoek zich vastgehaakt aan een uitsteeksel van de dure fruitschaal ─ Venetiaans glas ─ die op tafel stond en …

Ik rotzooi wat aan als ik in vorm ben.

Dubbelgangers

Ik moest bij ze in de buurt wezen, dus wipte ik even binnen bij een stel met wie ik niet echt nauw gelieerd ben, maar toch contact houd.

Ik daalde neer in een van hun vleesetende fauteuils en raakte in een gesprek verwikkeld over de dingen des levens. Opeens begon de vrouw des huizes driftig door een tijdschrift te bladeren en gooide dat toen geopend voor me neer.
─“Dat heb je wel mooi voor ons verzwegen”, ginnegapte ze.
─“Wat dan?” vroeg ik.
─“Kijk!” gebood ze en ze wees me de plek aan. “Je hebt ons niet eens een kaartje gestuurd.”

Een van de foto’s die een artikel over Boedapest verluchtten, vertoonde het fraaie interieur van de aldaar gevestigde Hongaarse Staatsopera. Er greep kennelijk een voorstelling plaats, want de bonbonnière was tot de nok gevuld met allemaal keurig uitgedoste dames en heren. En wie zat daar op de eerste rij, gehuld in een smetteloze smoking en voorzien van een speels vlinderdasje? Ik!

Nu is er echter een probleem. Ik ben nog nooit van m’n leven in Hongarije geweest, laat staan in Boedapest en laat nog meer staan in de Opera van die stad. Er moet daar dus iemand anders zitten, maar dan wel iemand die zo frappant op me lijkt, dat ik me zelf zou kunnen vergissen. Ik geloofde werkelijk niet wat ik zag.

Ik ben vroeger ook al eens door kennissen in Wenen opgemerkt, terwijl ik helemaal aan de andere kant van de wereld vertoefde. Die waren me zelfs vrolijk tegemoet gesneld om me te begroeten, waarna bleek dat ik geen woord verstond van wat ze zegden. En niet veel later werd ik herkend op het Franse getijdeneiland Mont Saint-Michel, terwijl ik me op dat moment honderden kilometer zuidwaartser aan boord van een muildier heupwiegend naar het Cirque de Gavarnie in de Pyreneeën begaf. Volgens mij moet dat een soortement fata morgana geweest zijn.

Ik heb nooit veel geloof gehecht aan de bewering dat er van ons allemaal een of meerdere dubbelgangers over de aardkloot hossen, maar een mens zou toch beginnen twijfelen. Als jullie me dus ooit ontmoeten, dan ben ik het waarschijnlijk niet. Het is maar dat jullie het weten.

Nul, ik houd een bokje


Sinds jaar en dag hangt er een plafondventilator boven mijn schrijftafel. Ik heb het ding wentelteefje gedoopt, waarschijnlijk in een vlaag van zinsverbijstering, of anders tijdens een poëtische opwelling. Tja, je bent normaal of je bent het niet. Bij het hittegolfje van vandaag de dag biedt dit toestel evenwel weinig soelaas. Het teefje wentelde te traag om effect te sorteren en als ik de snelheid ervan verhoogde, fladderden al mijn paperassen in de rondte als waren het van een haas gepoepte vlinders.

Ik zou mijn woning van klimaatregeling kunnen voorzien – airconditioning in keurig Nederlands – maar dat kan mijn Bruintje niet trekken en als ik al over de nodige middelen beschikte, ben ik eigenlijk veel te gierig om die aan airco te spenderen. Nu ben ik weliswaar geen verlicht genie en zelfs geen wonder van intelligentie, maar evenmin een achterlijk ezelsveulen. Ik heb me dus even aan het denken gezet. Toen ik daarmee klaar was, voorzag ik de diepvries van een aantal petflessen met water. Toen die bevroren waren, haalde ik een vloerventilator uit de kast, zette die op een strategische plek in mijn bureau en plaatste een paar van die ijsflessen in de luchtstroming. Het wonder geschiedde. Het duurde niet lang of de temperatuur in het vertrek daalde met zo maar eventjes drie graden Celsius.

Het spreekt vanzelf dat ik buitengewoon fier was op mijn uitvinding, maar toen ik die aan internet wilde toevertrouwen, kwam ik tot de ontdekking dat tientallen anderen me voor geweest waren. Rijk zal ik er dus niet van worden. Beroemd evenmin. We blijven proberen.

Wie het kleine niet eert …

Ik had het hier al vaker over mijn hebbelijkheden en aanwensels. Ik opperde zelfs enkele keren dat er misschien toch een steekje aan me los is, waardoor ik af en toe niet helemaal spoor. Het moet alleszins niet gekker worden dan gisterenmiddag.

Ik at scampi diabolique met basmatirijst. Toen ik na de maaltijd mijn eetgerei naar de gootsteen bracht, merkte ik dat er twee rijstkorreltjes op mijn bord achtergebleven waren. Ik staarde er enkele seconden naar en vond toen dat ik die niet in het sop kon kieperen, om ze rioolwaarts te sturen. Die onbeduidende graantjes waren niet in de Punjab, het grensgebied van Pakistan en India, in het pure smeltwater van de Himalayasneeuw opgegroeid om hier ongenuttigd en dus roemloos aan hun eind te komen. Ik takelde ze omhoog met een vingertop en gaf ze het applaus dat ze verdienden: ik at ze op.

Ik hoor het mijn moeder nog met enige bezorgdheid aan een vriendin toevertrouwen: “Zijn inlevingsvermogen is te groot. Dat zal hem nog een allemachtige hoop ongemak bezorgen.”

Ik heb daarnet een uiltje geknapt. Letterlijk dan. Het vlindertje was in mijn werkkamer beland en probeerde tevergeefs het geheim van vensterglas te doorgronden. Ik ving het behoedzaam en gaf het de vrijheid. Tjonge, wat was dat insectje blij. Ik denk zelfs dat het kwispelstaartte. Of kan een uiltje dat niet?

Ik heb de indruk dat mijn inlevingsvermogen nog toeneemt met het verstrijken der jaren. Dat kan nooit goed aflopen.

Vernissage

De voortekens waren ongunstig. Uit alles bleek dat ik een slechte afloop mocht verwachten van mijn bezoek aan die vernissage …

Op de uitnodiging die ik ontving, had men mijn personalia vermassacreerd. Hoewel ik het slechts matig apprecieer, heb ik ermee leren leven. Als je een niet inheemse naam voert, die bovendien voorzien is van accenttekens op ongebruikelijke letters, kan je er donder op zeggen dat men daar op vindingrijke wijze mee zal omspringen. Ook in de tekst waarmee men me vriendelijk inviteerde, trof ik aan aantal kapitale taalfouten aan. Ik spande me in om die te negeren, maar toch struikelde mijn blik telkens over die onvolkomenheden en ze bezorgden me een onbehaaglijk gevoel.

Ik besloot om mijn lichaam niet in een ernstig pak te kooien, maar me enigszins artistiek aan te todderen. Nee, niet met een boelewaaihemd of een vlinderdas en alleszins niet met een kunstenaarsflebbel rond mijn nek: zo’n onnozel zijden halsdoekje. Het scheren verliep stroef, door het tandenpoetsen moest ik bijna kotsen, ik kreeg wat aftershave in mijn oog … en nee, ik stond niet echt te springen.

Ik vertrok dan ook met tegenzin uit mijn woning en bereikte twintig minuten later het bankgebouw waar de vernissage plaatsgreep. Vernissage … ik blijf het een vreemd woord vinden. Het heeft eigenlijk geen feestelijke klank en men zou het makkelijk als een term uit het bouwbedrijf kunnen beschouwen. Iets met vernis of zo.

Ik betrad de tentoonstelling van een jongeman. Hij heeft het charisma van een zak kippenvoer met gebroken mais en onderneemt al jaren verwoede pogingen om per camera uitdrukking te geven aan zijn gevoelens. Helaas beschikt hij over geen greintje talent, maar wel over veel geld, waardoor de hongerdood hem allicht bespaard zal blijven. De expositie beantwoordde geheel aan mijn geringe verwachtingen. Ik heb zelden lelijkere foto’s gezien, maar gelukkig passeerden er volop dienbladen met frivole lafenis en kokette culibeetjes. Ik dwaalde daar wat rond, legde hier en daar mijn oor te luisteren en toen ik later naar huis terugkeerde, maakte ik de balans op:

─ het glimplebs dat het over bubbels heeft als het champagne of zelfs ordinaire schuimwijn bedoelt, mag van mij in eersteklas naar de hel gaan.
─ personen die zich aan het tenenkrommende rochelen van ciaokes, mercikes en baaikes overgeven, mag men van mij met een taakstraf bedenken.
─ het versterkende prefix kei- klinkt potsierlijk als het aan 11-plussers ontsnapt.
─ ik koester achterdocht omtrent koppels die in het openbaar met het woord schatje pingpongen.

“¡Hola!” zei mijn Argentijnse logeergast toen ik thuiskwam.
“Miauw!” zeiden mijn katten.

Daar had ik vrede mee.