Allemaal kosten op het sterfhuis

Tussen twee regenbuien door glipte ik per fiets naar de supermarkt, om er een paar kleinigheden in te slaan, zoals onder niet veel meer een blokbatterijtje voor de rookmelder. Die was ‘s morgens op een onchristelijk uur lament beginnen geven, niet omdat er onraad te bespeuren viel, maar omdat zijn energiebron bijna uitgeput was. Ik pleeg dergelijke batterijen altijd in voorraad te hebben, behalve op regendagen als mijn auto een onderhoudsbeurt krijgt.

Omdat zo’n batterijtje een zielige aanblik biedt als het zich alleen in een winkelkar ophoudt, kocht ik nog een paar dingetjes. Toen ik met mijn boodschappen bij de fietsenstalling kwam, bleek iemand de kettingkast van mijn rijwiel in de vernieling gereden of gestoten te hebben. De gruzelementen ervan lagen net als de diggelen op de grond verspreid. Ik stond erbij en ik keek ernaar. Van de dader ontbrak natuurlijk elk spoor.

Hoewel ik ooit broekveren gekocht heb, bleken die zich niet in mijn fietstassen op te houden. Het waaide bovendien vrij hard, dus kwam ik thuis met een danig door kettingsmeer besmeurde pantalonpijp, om nog te zwijgen van mijn humeur dat danig onder het nulpunt gezakt was. Ach, woonde ik maar op de rand van een vulkaan.

Een nieuwe kettingkast, een broek met vlekken waar zelfs een heel vakkundige stomerij wellicht geen raad mee zal weten … Er groeien geen bankbiljetten op mijn rug en er staat al evenmin een geldboom in mijn tuin. Ze moeten van mijn  kettingkast blijven! En van mijn andere kasten ook!

Anderzijds is de rookmelder wel buitengewoon blij met zijn verse batterijtje.

De wonderen der techniek

Wat zullen we vandaag eens eten? Dat is te mijnent, en naar verluidt bij velen, een chronische vraag, waarop ik meestal niet meteen een antwoord weet te verzinnen en een beroep moet doen op rijp beraad, om knopen door te hakken en tot een beslissing te komen. Het is overigens merkwaardig dat ik te dezen altijd gebruik maak van het koninklijk meervoud ‘we’ – door betweters in academische steunkorsetten of voorzitters van het N-VA meestal pluralis majestatis genoemd – hoewel ik vrijwel altijd in mijn eentje aan de dis zit.

“Wat zullen we vandaag eens eten?” vroeg ik me vanmorgen af. Het antwoord luidde: vol-au-vent, ofte kippenragout in een pasteitje van bladerdeeg, dat we in Vlaanderen een koninginnenhapje en in Wallonië een bouchée à la reine, of ook nog een vidé noemen. Vraag me niet wie de koningin in kwestie was, want ik weet het niet. Wacht! Ik zoek het even op.

Maria Carolina Sophia Felicitas Leszczynska, de vrouw van Lodewijk XV, maakte of smaakte het hapje voor de eerste keer, waarna het voor altijd haar naam meekreeg.

Ik ben afgedwaald, omdat ik daar goed in ben en eigenlijk niets liever doe. Ik beroofde de diepvries van een portie kippenragout, waarna ik tot de ontdekking kwam dat ik geen bladerdeegbakjes in voorraad had, dus besloot ik mijn toevlucht te nemen tot rijst. Ik liet zo’n handig builtje in kokend water neer, nam mijn iPad en maakte Siri wakker.

Siri is een virtuele assistent voor het mobiele besturingssysteem van Apple. Je kunt die via spraakopdrachten allerhande opdrachten laten uitvoeren.
–”Start een timer van achttien minuten!” sprak ik dus op een toon die geen tegenspraak duldde, want zolang diende het zakje rijst in het water te verwijlen.
–”Ik stel de timer voor je in”, schoot Siri in actie. Dat lukte niet meteen. “O, o, er is een probleem”, constateerde hij. “Probeer het opnieuw!”
Ik probeerde opnieuw, wel vijftien keer, maar Siri kreeg de timer niet op gang.
–”Kus een beetje mijn klooster!” wond ik me op en ik staakte mijn pogingen.

Ik ben keurig netjes opgevoed. Mijn ouders hebben een gentleman grootgebracht en daarom gebruik ik zelden of nooit de vulgaire variant kloten, zelfs niet tegenover een denkbeeldige entiteit.

Later, terwijl ik mijn maaltijd nuttigde, produceerde mijn iPad de met een dwingend signaal gepaard gaande oproep om de timer uit te zetten. Telkens weer. Wel vijftien keer. Er stak onbehagen in me op.
“Blaas mijn zak op!” ging ik hem met het schimpende woorden te lijf. “Pijp mijn fluit!”

Loebas

Ik was aan de wandel en gaf me ouder gewoonte over aan een bevrijdende gedachtevlucht in het ongewisse, toen ik me bijna een hartverzakking schrok omdat een auto nogal driest naast me stopte. Het voertuig liet een jongeman los, die zo snelvoetig op me afkwam dat ik dacht ten prooi te vallen aan een aanranding en reeds aanstalten maakte om vol overgave de handen op te steken. Hij overhandigde me evenwel een flardje papier en deelde me mee dat zijn hond vermist was. Of ik misschien speurende ogen kon opzetten en reageren als ik de dolaard opmerkte. Hij wees naar het kattebelletje dat hij me gegeven had en zei: “Daar staan alle gegevens op.”

Ik vervolgde mijn weg en mijn speurende, ja zelfs spiedende ogen keken tevergeefs uit naar een cockerspaniël van het mannelijke geslacht, die Loebas heette en medicatie behoefde vanwege zijn onstuitbaar naderende vervaldag.

Zo’n vier uur later begaf ik me per fiets naar een nabijgelegen dorp. Ik was nog steeds toegerust met speurende ogen en plots ontwaarde ik in een veld, niet ver bij me vandaan, een hond die aan de beschrijving van het opsporingsbericht beantwoordde. Mijn hart zong op van vreugde en ik kneep remmen dicht, maar daarmee kwam ik natuurlijk geen stap verder.

“Loebas!” riep ik. Je hoort me niet beweren dat de hond de oren spitste, want de slingerlappen die hij torste, waren daar duidelijk niet voor gemaakt, maar hij richtte wel de kop op, bleef staan en staarde me aan. “Kom hier, Loebas!” fleemde ik en hij kwam warempel naar me toe, zij het schoorvoe… schoorpotend en met de staart tussen de be… poten.

Het dier bleek helemaal geen loebas te zijn. Wel integendeel! Hij was een geheel uit voortreffelijkheid opgetrokken hond: een doetje. Het duurde dan ook niet lang of we waren vriendjes. Ik meldde per mobiel het heuglijke nieuws aan de eigenaar, die hoorbaar door het dolle heen was en als de gesmeerde wiewa zijn geliefde huisdier zou komen ophalen.

In afwachting daarvan bevestigde ik dat geliefde huisdier aan een primitieve lijn, te weten de snelbinder van mijn fiets, teneinde te verhinderen dat hij opnieuw de benen … eh … de poten zou nemen. Het was behelpen en het was ook geen gezicht, maar we hoefden er ook geen schoonheidsprijs mee te verdienen.

Spoedig volgde de hereniging en ik was daar getuige van. O, wat waren we blij, allemaal samen en ieder apart. Loebas kwispelstaartte dat het een lieve lust was. Of zijn baas dat ook deed, laat ik in het midden. Ik deed het alleszins niet, maar ik was wel zo blij als een hond met zeven pikken.

Ik zal het nooit meer doen

Het was opgelegd pandoer dat ik de verleiding niet zou kunnen weerstaan en er veel geld zou laten, maar toch had ik het volste vertrouwen in de goede afloop van mijn onderneming. Ik blijf mezelf als een rots in de branding beschouwen.

Ik mag onder geen beding binnentreden in de handelszaken waar men papierwaren, schrijfgerief of boeken verkoopt. Zoals ik hier al eerder verklapte – lees in dit verband ‘t Kan ooit van pas komen – worstel ik met een verslaving, waardoor ik op heden de rechtmatige eigenaar ben van honderden vul- en kogelpennen, van metershoge stapels papier en van duizenden boeken. Ik overdrijf geenszins.

Laat ik nu een e-mail krijgen van Toerisme Limburg, met de mededeling dat ik een gratis exemplaar van hun nieuwste vakantiegids – meer dan 330 inspirerende pagina’s – mag afhalen bij een krantenboer naar keuze.

Nog dezelfde dag verneem ik dat het bekroonde jeugdboek ‘Kruistocht in spijkerbroek’ van Thea Beckman voor slechts € 2,50 beschikbaar is in alle boekwinkels, in het kader van van de campagne ‘Geef een (prenten)boek cadeau.’

Niettegenstaande mijn verslaving, edoch met het vaste voornemen om me aan te lijnen, begaf ik me naar een boekhandel, annex tijdschriftenafdeling. Ik eigende er me de gratis Limburggids toe, voorzag me van het goedkope boek, begaf me naar de kassa … en besloot toen om toch nog even rond te kijken en in de roesverwekkende geur van nieuwe boeken te verwijlen.

Ik heb het pand verlaten met het goedkope boek, met de gratis gids … en met een ‘Wachtwoorden notitieboek’, met ‘Mijn verhaal’ van Michelle Obama, met ‘Mythos’ van Stephen Fry en met ‘Helden’ van dezelfde auteur.

Hoewel ik me voorgenomen had om slechts € 2,50 te besteden was ik toch bijna € 100 armer.

Ik ben een zwakkeling. Hoe ben ik er in vredesnaam tien jaar geleden in geslaagd om probleemloos met roken te stoppen?

boeken

Daar kun je mee lachen

Ik heb een vriendin, Ingrid, die met een vlotte babbel gesierd is. Bovendien heeft ze altijd wel een grapje klaarzitten. Als je in haar gezelschap vertoeft, vliegen de kwinkslagen je klitsklats om de oren en deelt ze woordspelingen uit als waren het strooibiljetten.

We waren in Colruyt. De kassabediende die ons aan de kassa bediende ─ hoe kom ik erop? ─ leek me een nogal afgesloten type. Er kwam immers geen woord over zijn lippen, laat staan dat hij een glimlachje in stelling bracht.
“Die heeft vannacht niet gemogen”, fluisterde Ingrid me toe.
Iets later vertrok ze met de winkelwaar naar de auto op de parkeerplaats, terwijl ik achterbleef om die te betalen. De kassier leek plots te ontdooien. Opeens had hij wel een aardige manier van doen. Dat vertelde ik aan mijn vriendin toen ik me bij haar voegde.
“Dan zal ‘t wel een homo zijn”, luidde haar commentaar.

Kort daarna bevonden we ons in een apotheek, waar Ingrid onder meer een tube triAnal bestelde: een zalf die personen met aanleg voor aambeien graag in de groeve tussen hun kadetjes aanbrengen.
─”Er bestaan aangenamere producten”, zei het vrouwmens dat daar op dat moment de dienst uitmaakte.
Aangezien dat gebeurde ten aanhoren van allen daar aanwezig vond ik dat een hogelijk ongepaste opmerking.
─”Ik vind de smaak ervan nochtans heel lekker”, repliceerde Ingrid laconiek.
Ik lag in een deuk. Het scheelde niet veel of men moest me reanimeren. Je had dat vrouwmens moeten zien kijken. Alsof ze snot zag branden.

Terwijl ze toch bezig was, diste Ingrid me vervolgens nog een vermakelijke anekdote op. Toen ze op een keer zeer tegen haar zin in een ziekenhuisbed vertoefde, had haar kamergenote een zetpil aangereikt gekregen. Pas toen zij er zich over beklaagde dat het ding wel heel vies smaakte en bovendien hardnekkig aan haar verhemelte bleef kleven, bleek dat ze het tuigje in de verkeerde lichaamsopening ondergebracht had.

Ingrid was toen bijna uit haar bed gerold van het lachen.

Bah, wat vies!

bananenchips‘Pistachenoten’ stond er op mijn boodschappenlijst en terwijl ik die van het winkelrek plukte, viel mijn oog op een verpakking, die luidens het etiket bananenchips bevatte. Dat leek me wel wat. Ik lust immers graag bananen en ook chips laten me niet onverschillig, dus belandde er zo’n doosje in mijn karretje.

Verleden zondagmiddag schurkte ik me in een vleesetende fauteuil, om per televisie naar het wereldkampioenschap veldrijden te kijken: een bezigheid die bij mij meestal gepaard gaat met het onbekrompen inschenken van een glas en het nuttigen van een versnapering. Dit keer waren de bananenchips aan de beurt.

Grote hemel, hel en vagevuur! Ik heb, geloof ik, nooit een foutere hap in mijn voerklep gestouwd. Die dingen waren gewoon niet te vreten. Er zat kraak noch smaak aan. Nu ja, kraak eigenlijk wel, want het waren tenslotte chips, maar naar de smaak kon ik fluiten.

Nu pleeg ik nooit ofte nimmer voedsel weg te gooien, maar dit keer heb ik dat wel gedaan. Ik probeerde die eerst nog aan de vogels te slijten, maar die wilden er letterlijk geen bek aan zetten. Kun je nagaan! Ik heb die knabbeltjes dus in de vuilnisbak gekieperd en laten we wel wezen: ik heb daar nog steeds geen spijt van.

Doe mij voortaan maar chips van Lay’s met picklessmaak.

Krijg het zeepokkenlazarus!

Zij die me kennen, weten het ongetwijfeld: ik hou niet van onaangekondigd bezoek. Als het dan ook nog wildvreemden zijn die bij me aankloppen, of aanbellen, teneinde mijn leefwereld binnen te dringen, kan ik daar zelfs heel lastig van worden.

Trouwens, wat dat aankloppen of aanbellen betreft … Het gebeurt steeds vaker dat iemand op de belknop drukt, om dan meteen naar een raam uit te wijken en naar binnen te gluren. Soms krijg ik niet eens de tijd om me te verstoppen en ben ik wel verplicht om de bezoeker binnen te laten, of minstens te woord te staan. Dan zijn ze danig op hun tenen getrapt als ik ze mededeel dat ik dergelijk gedrag in hoge mate storend en onbeschoft vind. Mag ik soms?

Verleden zaterdag stond ik pannenkoeken te bakken, toen er plots iemand via het terras bij me in de keuken verscheen. Ik schrok me de vellen, deinsde terug als een duivel die een veeg met een wijwaterkwast krijgt en hield maar net mijn darmen bij elkaar.
─”Wat krijgen we nu?!” riep ik. “Wat heb jij hier verloren?”
─”Ik kwam eens even informeren of je misschien belangstelling hebt voor …” begon de man.
─”Ik heb nergens belangstelling voor”, onderbrak ik hem bot. “En kan je nu stante pede je karkas naar buiten hijsen, onbeschofte pummel!”
─”Commandeer je hond en blaf zelf”, repliceerde hij. “Je hoeft ook niet zo agressief uit je kop te kijken. Weet je dat je knap fel overkomt?”

Dat was het moment waarop mijn bloed in karnemelk veranderde. Ik ontstak in een vlaag van razernij en herhaal hier liever niet wat ik allemaal uitkraamde, want het was alleszins weinig verheffend, maar het sorteerde effect. Ik hoefde die schijtlijster zelfs niet de tent uit te mikken. Hij ging ervandoor alsof uitslaande brand hem aan de broek lekte.

Het is toch ongelofelijk wat er allemaal in het wild rondloopt. Nu zit ik me natuurlijk voortdurend af te vragen wat voor interessants hij mogelijkerwijs voor me in petto had.

Openbare schennis van de eerbaarheid

ezelsorenIn Argentinië werd de Belgische wielrenner Iljo Keisse uit de Ronde van San Juan gezet, wegens een ‘misplaatst’ gebaar op een foto. Van de rechter kreeg hij bovendien een boete van € 70.

Hoe dat zo kwam? Een vrouw wilde absoluut op de foto met enkele renners. Iljo Keisse, die achter haar stond, maakte in een schalkse opwelling boven haar hoofd het alom bekende V-teken, dat we hier bij ons, in Vlaanderen, meestal als een plagerijtje beschouwen: de persoon in kwestie krijgt als het ware ezelsoren opgezet. Hè hè, dat is lachen! Wij, Vlamingen, zijn met weinig tevreden.

De foto verscheen in een plaatselijke krant met wel honderd abonnees en toen gingen de poppen aan het dansen. De kakmadam was daar absoluut niet mee opgezet en vond het nodig om van een mug een olifant te maken. Ze diende klacht in bij de politie. Iljo Keisse kreeg de bovenvermelde straffen. Hij had immers de reputatie van de organisatie van de Ronde, van het UCI – de Union Cycliste Internationale of de Internationale Wielerunie – en van het wielrennen in het algemeen besmeurd.

Ja zeg, maak het een beetje! Die reputatie van het UCI is wel door andere zaken besmeurd en die zijn vooralsnog onbestraft gebleven.

Er bestaan weliswaar slechts weinig foto’s van me, maar ik heb er toch zeker een stuk of vijf waarop de persoon die achter me staat mijn kop van dergelijke ezelsoren voorziet. Ik voel me daardoor allerminst beledigd en kan er zelfs hartelijk om lachen.

Het weze me toegestaan om dat vrouwmens een beetje een kleinzerige trut te vinden. Ze schrikt er niet voor terug om te poseren met stoere wielrenners in loeistrakke broeken, die tot de nok gevuld zijn met uitdagend puilende geslachtsorganen, maar die twee opgestoken vingers vindt ze een aanslag op haar eerbaarheid. Van een achterlijke troel gesproken!

Nu is Argentinië nogal – ik wik mijn woorden – puriteins wat zedelijke beginselen betreft. Dat weet ik uit ervaring. Ooit doorkruiste ik samen met een vriend de uitermate onherbergzame Gran Chaco in het noorden: een aaneenrijging van vertes, honderden kilometers zandpiste, waarop de Dakar rally zich ongetwijfeld thuis zou voelen, wegens talloze kuilen, bulten en andere geografische ongemakken. Het was gillend heet en vanwege het opstuivende zand waren we voortdurend in het bezit van een pracht van een dorst, zodat we binnen de kortste keren onze drankvoorraad opgebruikt hadden. We raakten even in paniek, maar gelukkig troffen we toen een drenkplaats op onze weg aan, of althans een verloederde stulp waar het alomtegenwoordige reclamebord van Coca Cola verklapte dat men er blikjes pauze verkocht.

Mijn metgezel vertrok op foerage, terwijl ik in de auto achterbleef om mijn logboek bij te werken. Het duurde niet lang of mijn vriend keerde bij me terug, ietwat ontdaan en zonder slobberspul.
“Ik ben daar met klikken en klakken buitengegooid”, zei hij.

Bleek dat zijn uitmonstering niet aan de fatsoensnormen van de uitbaters van dat ‘poepchique’ etablissement voldeed. Hij droeg immers niet meer dan een hemdje en zwemshorts. Dat vonden ze daarbinnen – in dat hol van Pluto – allesbehalve decent, dus hadden ze hem wandelen gestuurd.

Gelukkig was ik toen en ben ik nu nog steeds een buitengewoon fatsoenlijk mens en droeg ik dus op dat moment wel een pantalon, zodat ik zonder verdere haarkloverij voor lafenis kon zorgen.

Gelachen dat we hebben!