Kleingeestige bemoeiallen

Ik heb me ooit als Sinterklaas vermomd en mijn Zwarte Piet heette weliswaar Geert, maar hij was zwart.

Sint21

Een paar uur later zag de kindervriend er al heel wat minder florissant uit, om niet te zeggen compleet verfomfaaid. Over de daken hossen gaat ook een goedheilig man niet in de koude kleren zitten.

Sint221

Vanavond speel ik opnieuw Sinterklaas en mijn Zwarte Piet zal David heten, maar nog steeds helemaal zwart zijn, zo zwart als roet.
En daar blijven ze met hun tengels af! Begrepen?!

Wat ben ik toch een kneusje

Ik pleeg heel nauwgezet en behoedzaam met het voedsel dat ik tot me neem om te springen, maar ik ben ook een beetje een komijnsplitser, dus liet ik me verleiden om broodjes te beleggen met gekookte ham, waarvan de houdbaarheidsdatum nog net niet verstreken was.

Ik had beter in mijn broek gescheten, zoals we dat in West-Vlaanderen zeggen. Tja, dat schijten liet niet op zich wachten, al gebeurde dat gelukkig niet in mijn broek. Vanwege spuitpoep was ik gigantisch aan de dunne en bracht ik bijna een hele nacht op de porseleinen pony door.

Telkens als ik, gedane zaken, het ledikant opzocht, diende ik me vrijwel onmiddellijk opnieuw naar het kleinste kamertje te reppen voor het uitermate onaangename vervolg van die racerij. Wel tien keer! Minstens! Mag het ook wat minder zijn?!

Voortaan beleg ik mijn broodjes met … eh … kaas. Jonge kaas. Naar mijn moeder beweerde, zou dat ‘stopachtig’ zijn.

In de wachtkamer van de dood

Ik kan mezelf niet langer voorliegen dat ik jong ben, maar ik heb alle redenen om optimistisch te zijn, want ik heb nog steeds polsslag.

Laten we wel wezen: mijn toekomst is geen lokkende verte meer en ouder worden is een ramp die steeds weer toeslaat: het wereldleed etst zich in je gelaat; je ligt vaker in de lappenmand; er sluipt jicht onder je leden; je ogen en oren laten het wat afweten; op je hoofd komen de kerkhofbloempjes tevoorschijn en begint de binnenband er goed door te komen …

Ik kan er allemaal mee leven, maar wat ik niet klakkeloos accepteer, is dat ouder worden nodig gepaard moet gaan met het verwerven van borstelige, om niet te zeggen krankzinnige wenkbrauwen en de onstuitbare aangroei van stugge haren in zowel neus als oren. Ik krijg er wat van!

Maar goed, we mogen van geluk spreken dat we in ons leven meestal niet weten hoeveel tijd we nog te verliezen hebben. Moge ik, in het slechtste geval, nog de moeite van het reanimeren waard zijn.

‘t Is huilen met de pet op

Woordvoerders ─ tegenwoordig vaak woordvoersters ─ zijn ook niet meer wat ze geweest zijn.

Men mag geredelijk van ze verwachten dat ze over enige communicatieve vaardigheden beschikken, maar dat is lang niet altijd, ja, zelfs zelden het geval.

Ze stoten teksten uit in het onverstaanbaars; ze zoeken veelvuldig hun toevlucht tot eh en euh; ze bezigen woorden die normale mensen nooit gebruiken, tenzij een kruiswoordraadsel hen daartoe verplicht; ze beschouwen voorzetsels als loslopend wild; ze morsen met superlatieven; ze zijn verslaafd aan staande uitdrukkingen en clichés en ze roeren graag wat Engels door hun Nederlands.

Ik duld geen anderstalige woekeringen in Nederlandse zinnen. Spreek je moers taal! Of hou je klep!

Brol van de onderste plank

In een vlaag van verstandsverbijstering en tegen beter weten in heb ik me laten verleiden om mijn slimme telefoon te voorzien van de app van Itsme en me vervolgens te registreren als gebruiker van het programma.

Wat is Itsme en wat zou ik er allemaal mee kunnen doen? Ik laat die luiden zelf even aan het woord:

Itsme is een superhandige en op-en-top veilige manier om digitaal je identiteit te verifiëren.
Log in op al je accounts met je unieke itsme-code? Registreer je snel online zonder fouten in je gegevens? Een transactie bij je bank bevestigen? Documenten aanvragen bij de gemeente via een e-loket? Download itsme en regel alles voortaan met je digitale ID.

Krijg nou tieten! Dat zou allemaal buitengewoon handig zijn, ware het niet dat het ding voor geen meter werkt. Ik overdrijf lichtjes. Het ding werkt één keer op honderd pogingen en in de negenennegentig andere gevallen krijg ik het volgende te zien:

itsme

Ik dacht aanvankelijk dat er wat aan mijn telefoon of de instellingen ervan haperde, maar dat bleek niet het geval, want twee vrienden en drie kennissen van me kregen precies hetzelfde te zien: nul, prot, nogabal.

Ik stuurde derhalve een e-mail naar Itsme en kreeg een nietszeggend antwoord, met instructies van wat ik zou moeten doen en nazien. Ik deed dat en zag alles na, maar het zette geen zoden aan de dijk, of wat hadden jullie gedacht? Per e-mail bracht ik ze daarvan op de hoogte en ze lieten me weten dat de schuld niet bij hen lag ─ ocharme! ─ maar bij de overheidsinstellingen, die kennelijk problemen hebben met het accepteren van digitale identiteiten. Tja, daar zijn we dan mooi klaar mee. Het verbaast me eigenlijk niet. Ik heb het al gezegd en ik wil het graag herhalen: Vivaldi is een regering van de onderste plank. Prutsers!

En Itsme is brol van de onderste plank. Brol!

Van den frisse!

Onlangs had ik geen zin om voedsel in mekaar te frotten, laat staan om koninklijk te koken. Nu heb ik een godsgruwelijke schurfthekel aan het coronapaspoort en het verplicht gebruik ervan. De opgewekte muziek van Vivaldi staat in schril contrast met de treurmarsen die de regering met dezelfde naam ─ hoe durven ze!? ─ ons blijft opsolferen. Van mij mogen de dames en heren gezagdragers allemaal korte armpjes krijgen, zodat ze zich niet kunnen krabben als er mieren in hun edele delen bijten. Maar goed, laat me nu vooral in galop ter zake komen.

Gewapend met een van dat vermaledijde paspoort voorziene aaifoon begaf ik me naar een in een bospark gelegen en door de horeca geëxploiteerd kasteeltje, waarin ik af en toe mes en vork in stelling breng en pleeg te gedijen. Daar vestigde ik me aan een raam en terwijl ik me aan iets pittigs in een tumbler verlustigde, volgde ik het doen en laten van de schaarse passanten.

Hoewel de zon haar beste straaltje voorzette en thermometers twaalf celsiusgraden besnuffelden, viel het me op dat de meeste wandelaars ingeduffeld waren alsof er een nieuwe ijstijd naakte. Ik vraag me af hoe ze zich zullen aantodderen als het eerlang, misschien zelfs binnenkort, een steen dik zal verliezen.

Het viel me eveneens op dat velen van hen veel meer belangstelling voor hun mobieltjes aan den dag legden, dan voor de mysterieus om hen heen woekerende natuur. De bomen zijn dit jaar weliswaar treuzelig aan de herfst begonnen, maar nu zijn ze volop slordig met hun blaren, om zich binnenkort in de feesttooi van de dood te hullen.

Ach, in de herfst val ik nogal licht ten prooi aan melancholie, een soort verdrietigheid waarover men niet klaagt, en dan is het eventjes weer vroeger: een vroeger dat inmiddels een zee van tijd is, waarin ik met steeds meer overgave verdrink. Naar verluidt, is nostalgie de eerste ouderdomskwaal die zich in je nadagen aandient.

Twee forse koebeesten van vrouwen ─ hun uiterlijk verried dat ze wel vaker lekker gegeten hadden, want ze waren woedend opgesloten in hun vet ─ rukten me uit mijn gemijmer toen ze hun niet geringe hoeveelheid kilogrammen aan een belendende tafel neerlieten. Ze hadden geen van beiden nog olie in de lamp en zaten na te hijgen als postpaarden. Het duurde dan ook even voor ze in staat waren om het woord tot de kelner te richten.
─”Voor mij een cola zorro!” zei de ene.
─”Je zult een zero bedoelen”, verbeterde de andere haar.
─”Een zero!” was haar gezellin het met haar eens. “Ik heb een kat gehad die Zorro heette en ik blijf die opvoeren.”

Iets verderop waren zes krasse knarren van beiderlei kunne neergestreken en ze glunderden in jolig groepsverband hun ouderdom weg. O, wat hadden die een gein met elkaar. Toen een Knokse wielerclub, De Kletse Kieten ─ de kale kuiten ─ onverhoeds ter sprake kwam, beleefden ze daar met zijn allen monumentaal veel plezier aan en ze kwamen er haast niet meer overheen. Het werkte zo aanstekelijk dat ik onverwacht in een goed humeur sukkelde en nogal verheerlijkt zat te kijken, hetgeen door de voorbijkomende eigenares van het etablissement opgemerkt werd.
─”Heb je binnenpretjes?” vroeg ze.
Ik maakte een hoofdbeweging in de richting van het vrolijke gezelschap.
─”Die zijn duidelijk van de ketting”, gnuifde ik. “Het scheelt niet veel of we zullen ze moeten reanimeren.”
─”Het zijn mijn ouders”, biechtte ze op, met behoud van een weliswaar niet echt gemeende glimlach.

En zo werd het toch nog een heel aardige en gedenkwaardige middag, al had ik misschien toch beter mijn klep kunnen houden.

KletseKieten

Hallmark gebruiken is kladdeboteren

Hoewel ik het hardnekkig blijf proberen, kan ik mezelf niet langer voorliegen dat ik jong ben. Ik heb immers de Dode Zee nog gekend toen die nog leefde.

Nee, ik ben inmiddels helemaal van mijn jeugd bekomen en men beweert zelfs dat ik me een beetje ouderwets durf te gedragen. Misschien is dat wel zo, want ik klamp me nogal gewillig vast aan enigszins voorbijgestreefde gewoontes. Zo heb ik bijvoorbeeld een haat-liefdeverhouding met de moderne communicatiemiddelen, zoals aaifoons, smoelenboeken, e-mails, sms-berichten en wat dies meer zij.

Als iemand uit mijn kennissenkring ten prooi valt aan een feestelijke of gedenkwaardige gebeurtenis ─ zoals daar zijn: verjaardagen, jubilea, geboortes, communies, jaarwisselingen, allerhande vieringen, ziektes en zeertes, sterfgevallen ─ pleeg ik daar nog steeds een met kalligrafische hand beschreven kaartje aan te besteden, dat ik vervolgens aan Tante Pos toevertrouw.

Ik laat mijn vaak bevlogen, ja, soms zelfs ronduit poëtische boodschappen bij voorkeur uit een ouderwetse vulpen vloeien en daar zijn de meeste wenskaarten ─ en zeker die van Hallmark ─ absoluut niet blij mee. Het duurt uren voor ze de inkt laten opdrogen en als je ondertussen even niet oplet, veroorzaak je een kliederboel van je welste.

Heremijntijd! Ik heb zodoende al een klein fortuin aan kaarten verkwanseld, maar ik weiger halsstarrig afstand te doen van mijn geliefde vulpennen. Hallmark daarentegen … komt bij mij het huis niet meer in.