Het zal zaterdagavond rond een uur of vijf geweest zijn dat mijn snotkoker plots een brandlucht opsnoof. Ik zat op het terras en koesterde niet meteen argwaan, omdat ik veronderstelde dat mijn buren zich met een barbecue onledig hielden, maar toen bedacht ik dat ze toch bijna een halve kilometer bij me vandaan woonden. Kon een geur zich over die afstand verplaatsen? Ik likte aan mijn wijsvinger en stak die omhoog, om de windrichting te bepalen, maar op dat moment begon mijn mobieltje te jengelen.
─”Ben jij soms een vuurtje aan ’t stoken?” sloeg mijn buurman een onrustbarende toon aan.
Het antwoord dat ik hem gaf, benauwde ons allebei. De televisie maakt regelmatig een van mijn nachtmerries aanschouwelijk voor een breed publiek. Onthutsende beelden van woeste vlammenzeeën, die zich nietsontziend aan uitgestrekte bossen vergrepen en op hun weg talloze mensen van have en goed beroofden, stonden op mijn netvlies gegrift. Aangezien ik eveneens in een bos weggedoken ben en ik hier de laatste tijd nauwelijks regen gezien heb, is de mij omringende natuur zo droog als kurk …
Door vage vrees bevangen begaf ik me op weg. Luttele minuten later vond ik de aanstichters al. Vier snaken hadden zich broederlijk rond een vuur geschaard, waarop je een os kon braden, en zaten op stoere wijze aan joints te lurken. Ik heb ze vriendelijk de mantel uitgeveegd en daarna hebben we samen de vlammen gedoofd.
Ik heb ze niet verteld dat ik, toen ik nog klein en boosaardig was, ook graag een fikkie stookte. Ik heb ze niet verteld dat ik zodoende ooit een uitgestrekt korenveld in de as heb gelegd. Ik heb ze evenmin verteld dat ik nu nog steeds graag letterlijk met vuur speel en me daarom graag bij een haardvuur verschans. Wat hebben jongens en mannen toch met dat element?

De muntstukken van één en twee euro en die van vijftig cent komen sinds jaar en dag in zo’n bokaal terecht. Wat bieden die een oogstrelende aanblik. Ik mag er graag naar kijken. Vanmorgen kon ik niet langer aan de verleiding weerstaan en heb ik voor het eerst, verlekkerd als de vrek van Molière, de inhoud van mijn spaarbokalen nageteld. Nou moe! Ik kwam tot een slotsom waar ik toch even van schrok, maar het was een aangename schrik, of eigenlijk meer een gelukzalige duizeling.