Een pantagrueleske maaltijd

kip1In het met uitermate krakkemikkige fietspaden toegeruste Jabbeke, aan de rand van de weg die Brugge met Gistel verbindt en op strompelafstand van het Permekemuseum, botste ik tijdens het fietsen op een kraam, waar er je geen gebraden duiven in de mond vlogen, maar waar je wel gebraden kippen kon kopen.

Ik hield halt, stapte af, wachtte mijn beurt af en bestelde toen zo’n vogel.
─”Klein, medium of groot?” vroeg het meisje dat daar de dienst uitmaakte.
─”Groot!” sprak ik met een gulzige, om niet te zeggen vraatzuchtige mond.
Ik hou nogal veel van de knap en als ik mes en vork in stelling breng, moet je serieus de ijskast openzetten.

Het slachtoffer werd gewogen en absoluut niet te licht bevonden, want toen ik thuis de kassabon raadpleegde, bleek die ministruisvogel schoon aan de haak zo maar eventjes 1,616 kg te wegen. Het viel dan ook niet te verbazen dat ik er € 15,27 diende voor te betalen, maar ik was desalniettemin in hoge mate verbaasd, want het was veel meer dan ik verwachtte. Ik kreeg er weliswaar een gratis slaatje bij, al was dat niet echt een pleister op de wonde.

Terwijl ik thuis de kip uitpakte, struikelde mijn oog over het plastic tasje dat er omheen zat en waarop een in precieuze schoonschriftletters gedrukte boodschap mijn aandacht trok. Ik las:

kip2

gevolgd door de firmanaam.

Het weze mij toegestaan om dit allerminst een geslaagde slogan te vinden. Het onschuldige beest is tenslotte op brutale wijze vermoord en het lijkt me ongepast om daar gewag van te maken, teneinde er munt uit te slaan. Het scheelde echt niet veel of het bericht ontnam me mijn appetijt, maar zoals ik hierboven al schreef: ik heb een gulzige, om niet te zeggen vraatzuchtige mond.

Laat je vooral niet haasten

Ik bestelde enkele boeken in een internetwinkel en kreeg twee dagen later ‘s morgens een e-mailbericht van bpost, met de mededeling dat ik de levering ervan nog dezelfde dag mocht verwachten, tussen 9.00 uur en 17.00 uur om precies te zijn. Nu ja, zo precies was dat nu ook weer niet.

Ik zegde derhalve de tientallen afspraken – ahum! – voor die dag af en bleef thuis, om vol ongeduld de komst van mijn pakje te verbeiden. Dat bleef duren.

Om 15.15 uur stuurde bpost me een e-mail:

“Onze verontschuldigingen, helaas lukt het ons niet om je pakje af te leveren zoals gepland. Zodra we meer details kennen omtrent het moment van levering houden we je hier op de hoogte.”

Door hun toedoen heb ik dus een hele dag verkwanseld en mag ik eerstdaags nog een dag verkwanselen. Ik heb daar maar twee … eh … vijf woorden voor: Wel godverdomme hier en gunter! En meer heb ik daar niet over te zeggen. Of toch? Bpost, jullie zijn een bende prutsers! Hèhè, dat lucht op.

Je zit er niet op te wachten

Gezapig fietsend langs en op een kruip-door-sluip-doorweggetje genoot ik uit volle borst van de milde kant van het leven, met een jarig gezicht en haast buiten kennis van verrukking. Ik had er mooi weer bij. De zon scheen met noeste vlijt en de mysterieus om zich heen woekerende natuur was een verzachtende omstandigheid.

Opeens, na een flauwe bocht, had iemand met grote, onbeholpen krijtletters zijn emotie op het asfalt gesmeten:

WIJ ZIJN ARM
HELP ONS

Een pijl daaronder wees naar een zanderig pad, dat zich door akkers en weiden perste en op het eerste gezicht niet van ophouden wist.

Ik stond even in dubio, maar besloot toen om van kromme haas te gebaren (Belgisch Nederlands volgens de betweters van van Dale)  en me niet om die hulpbehoevenden te bekommeren, ook al overtrad ik op die manier een wet:

“Schuldig verzuim houdt in dat men geen bijstand verleent op hulp verschaft aan een in nood verkerend persoon. Wie dat nalaat, riskeert een gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en een geldboete van €400 tot €4000.”

Nou moe, dat is niet gering en het bleef maar door mijn kop malen terwijl ik mijn weg vervolgde, tot er plots voor de zoveelste keer ─ ik ben inmiddels de tel kwijtgeraakt ─ een hond in mijn kielzog opdook, die me tientallen meters grommend achtervolgde en voortdurend naar mijn kuiten hapte. Ik begin dat nu toch langzamerhand beu te raken. Het zal nog eens zo gaan dat ik zo’n losgeslagen mormel, niettegenstaande mijn grote dierenliefde, een regelrechte doodschop geef.

Zou dat ook strafbaar zijn? Misschien kan ik voortaan beter thuisblijven en met mijn tenen spelen.

Kwakwerk

De menukaart van het restaurant waar ik voor het eerst aanschikte, prees onder meer een op het vel gebakken kabeljauwhaasje aan dat gelardeerd zou zijn met een blanke botersaus en bieslook. Het lekkerbeetje kostte vijfentwintig euro, maar het leek me wel wat en ik pleeg niet op voedsel te beknibbelen, dus bestelde ik het.

–”Vandaag is het wel geen kabeljauw”, deelde de commis de rang me mee. “Het is skrei.”
–”‘Skrei?” fronste ik, want niettegenstaande mijn vrij grote onderlegdheid op culinair gebied had ik daar nog nooit van gehoord.
–”Jonge kabeljauw”, verduidelijkte hij.
–”Dus toch kabeljauw”, stelde ik. “Doe mij maar zo’n jong ding.”

Skrei, zo las ik achteraf op internet, is een soort kabeljauw, afkomstig van de Lofoten, die enkel in de winter verkrijgbaar is.

Wat ik even later voorgezet kreeg, was kwakwerk: een smerig hapje als het ware en absoluut niet wat ik van kabeljauw verwachtte, ook al heette die skrei en was die jong en onervaren. De vis was vergezeld van ik weet niet welke sufgekookte groentes, waarvan de smaak mijn tong verontrustte, die ik dus met lange tanden proefde en links liet liggen. Ook de skrei was niet bepaald mijn kostje, laat staan een onvergetelijke hap.

Lang verhaal kort: het gerecht was een onverhoedse aanval op de smaakpapillen en nauwelijks te vreten. Als ik een skrei was, zou ik halsstarrig weigeren om daar in de keuken geslachtofferd te worden om er in deerniswekkende toestand op tafel te komen.

Toen ik een paar uur later thuis van mijn maaltijd zat te bekomen, of dat althans probeerde, heb ik in een uiterst onaangename opwelling de skrei aan het riool toevertrouwd door het boven de toiletpot op een klaterend braken te zetten.

Ik ben over het algemeen een welvoeglijk mens, dus zal ik de naam van het etablissement in kwestie hier niet vermelden, maar mij zien ze daar alleszins niet meer. Nooit meer.

Ga voor andermans hol keffen!

Ik baad in weelde, althans wat telefonie betreft. Ik beschik niet enkel over twee mobiele nummers, maar ook over een vast toestel dat meestal werkloos op mijn schrijftafel staat. Als het ding al eens een zoemend geluid produceert, wordt dat over het algemeen veroorzaakt door Engelstalige personen van beiderlei kunne, die voorwenden dat ze me contacteren in opdracht van Microsoft, om… Ik snoer ze de mond door af te bellen nog voor ze me dat kunnen vertellen.

Gisteren kreeg ik evenwel een vrouw aan de lijn, die mijn ‘hallo’ in het Nederlands beantwoordde.
–”Ik ben Suzanne Vanzwiereltruis”, begon ze. Ze gebruikte natuurlijk een andere naam, maar ik wil haar hier niet aan de schandpaal nagelen. Ze vervolgde: “U kent me niet persoonlijk, maar ik ben zeer begaan met het lot van de mensen. Mag ik u vragen hoe het met u gaat?”
–”Met mij gaat het prima. Wie zei u ook weer dat u bent?”
–”Suzanne Vanzwiereltruis”, herhaalde ze. “Ik ben een getuige van Jehova …”
–”Wees gegroet!” snoof ik en ik verbrak de verbinding.

Er is een tijd geweest dat die lastige lieden op zondagmorgen bij je aanbelden en zich zodoende aan je opdrongen om je te bekeren. Als ze zich nu ook nog via de telefoon aan zieltjeswinnerij overgeven zijn we daar mooi klaar mee. Dan is het einde niet in zicht.

Flodders

De supermarkt waar ik kind aan huis (en van de rekening) ben, vertoont steeds meer lege, of bijna lege schappen en ik mag dus geredelijk aannemen dat men opnieuw aan het hamsteren is geslagen. Als het geen virus is, dan is het een oorlogsdreiging. Ik doe daar niet aan mee en ik begrijp ook niet waarom iemand bijvoorbeeld karrenvrachten toiletpapier inslaat. Schijthuizen kun je ermee dekken. In geval van nood zal ik niet aarzelen om mijn toevlucht te nemen tot de methode van mijn voorouders. Die versneden kranten tot rechthoekige stroken en hingen die op in het kleinste kamertje, dat toentertijd meestal niet meer was dan een houten plank met een gat boven een aalput. Dat waren nog eens tijden. Een betere bestemming voor de kranten van tegenwoordig kan ik overigens niet bedenken.

Ik verneem lezend dat aardappelpuree met een spiegelei het armoedigste kostje is dat iemand kan samengooien. Laat ik dat nu net vanmiddag gegeten hebben … en ik vond het nog verdraaid lekker ook. Nu ja, ik had me niet beperkt tot één spiegelei, maar zomaar eventjes drie paardenogen gebakken, en ik had er ook nog een versnipperde witloofstronk aan toegevoegd. Witloof uit de volle grond bovendien. Zo armoedig is dat nu ook weer niet. Ik hoef mijn verhemelte niet elke dag met pauwentongetjes te verwennen en het kan niet altijd kaviaar zijn.

Ouder worden is in stijgende lijn bergafwaarts gaan. Als je van je jeugd bekomen bent en je meer verleden dan toekomst hebt, is nostalgie meestal de eerste ouderdomskwaal die zich aandient. Aan vroeger denken, is staren in een put vol weemoed. Wat toen gebeurde, valt op geen enkele wijze meer te beïnvloeden; destijds gemiste kansen zijn voorgoed verleden tijd. Een van de nadelen van het ouder worden: de acht films die de televisie vanavond vertoont, heb ik allemaal al gezien. Ouder worden is het bewust ruimte maken voor dingen die van belang zijn in je leven en laten we wel wezen: er bestaan vervullender bezigheden dan televisiekijken.

Aanwinst

Hij is nieuw en hij is dik.

De nieuwste Dikke van Dale is zopas te mijnent neergestreken, al kan je bij die drie turven van komsa nauwelijks van neerstrijken gewagen. Ik zoek even een geschikter werkwoord op in mijn nieuwe Dikke van Dale … neerstorten, neerploffen, neerbonken … 

O, wat ben ik opgetuigd … eh … opgetogen! Het kost misschien iets, maar dan heb je ook wat.

Massaproductie ↔ ambachtskunst

Wat heb ik me vanmiddag toch weer op een voortreffelijke cocktail getrakteerd, die ik bovendien eigenhandig heb samengeflanst: een mojto. Het is en blijft mijn favoriet. Als ik die opdrink, verwijl ik meteen in Havanna, Cuba, maar niet in de in mijn ogen zeer ten onrechte opgehemelde Bodeguita del Medio, waar men het brouwsel in 1942 uitvond en waar het sindsdien velen tot lafenis diende, waaronder talloze beroemdheden, zoals ikzelf natuurlijk en de schrijver Nobelprijswinnaar Ernest Hemingway, die het tot zijn lijfdrank promoveerde.

Hoewel ik het authentieke recept gebruik, dat jullie hieronder terugvinden, kunnen jullie ─ als jullie ooit het geluk beschoren is om naar Havanna te reizen, hetgeen ik jullie van harte toewens ─ beter geen mojito in dat etablissement bestellen, want daar gaan er naar verluidt dagelijks ongeveer duizend over de tapkast en dus maken ze er tegenwoordig een aanfluiting van, die je bovendien veel te duur betaalt. Ook het voedsel dat men je daar voorzet, is bijna niet te vreten. Jullie kunnen het drankje dus beter in een andere bar drinken, of het zelf maken. Dat doen jullie zo:

1
Schep twee koffielepels kristalsuiker in een longdrinkglas. Er bestaan ook ‘mojitoglazen’, vervaardigd van dik en sterk glas, maar die zijn geen conditio sine qua non. In de plaats van kristalsuiker kan men ook rietsuiker gebruiken, zoals sommigen voorschrijven, maar die lost minder snel op en geeft de mojito het aspect van slootwater, wat minder appetijtelijk is.

2
Vul aan met het sap van een halve limoen, twee flinke takken munt en honderd milliliter spuitwater.

3
Bewerk alles op niet al te onstuimige wijze met een ‘muddler’. Bij ontstentenis van zo’n cocktailstamper gebruike men een ander stomp voorwerp.

4
Vul aan met vijftig milliliter rum. Het originele recept beveelt de ‘Havanna Club anejo 3 años’ aan, maar met een ander merk zal het ook wel lukken.

5
Voeg vier tot zes hele ijsblokjes toe. Sommigen verkiezen gemalen ijs, maar het resultaat is dan geen echte mojito, maar een mojito criollo.

6
Meng alles goed dooreen met een cocktaillepel of een roerstaafje en laat de cocktail vervolgens een paar minuten rusten. Santé en salud!

mojito2