De leegte van woorden

Een man van de wetenschap verscheen met zijn kop op het ruitje van de televisie. Hij opende de mond en sprak:
“Het ijs van de poolkappen smelt ijzingwekkend snel weg.”
Als het inderdaad aan een ijzingwekkend tempo gebeurt, hoeven we ons vooralsnog niet al te veel zorgen te maken, lijkt het me.

De gedachte zinderde nog wat na in mijn hersens, die opeens een lijntje legden naar een woord van gelijke strekking: weerzinwekkend. Het zal voor iedereen duidelijk zijn dat de betekenis ervan, afschuw veroorzaken, in flagrante tegenspraak is met wat er eigenlijk staat: weer zin wekken.

Vervolgens kreeg ik uit vriendenmond nog deze instinker voorgeschoteld …
Beantwoord de volgende vraag naar waarheid met ja of neen:
Zal het volgende woord dat je zegt ‘neen’ zijn?

Hebben jullie het ook geprobeerd? Daar krijgt een mens toch een kunstkop van!

Dat waren nog eens tijden!

Ik was in het ziekenhuis voor een controle van mijn destijds danig toegetakelde onderdaan. Men stelde vast dat ik weer helemaal de oude was en ik mocht beschikken.

Het liep tegen de middag en ik begaf me naar het restaurant, waar ik me te goed deed aan een gezond slaatje, met als toetje een aanzienlijk minder gezond, want mierzoet gebakje. Het was er bijzonder druk. Vrijwel alle tafels waren bezet en het meisje dat daar rondkeutelde om ze te boenen had niets omhanden, dus knoopte ze een gesprek aan met het belendende tafeltje, of beter gezegd met de mensen die daaraan hadden plaatsgenomen.

Ze had het over een paar compleet onopgevoede kinderen die bezig waren de boel op stelten te zetten en bij velen grote ergernis wekten.
“In onze tijd zou dat niet waar geweest zijn”, zei ze hoofdschuddend. “Mijn vader hoefde maar een keer naar ons te kijken, zo met zijn ogen …”
Ik zat me af te vragen waarover een vader toentertijd nog meer beschikte om naar zijn geliefde dochter kon kijken, maar ik bleef mezelf het antwoord schuldig.

’s Avonds verscheen een man op mijn televisiescherm. Hij opende de mond en sprak: “In onze tijd was er niks. Wij zaten met onze oren naar de radio te luisteren.”
Daar keek ik raar van op. Ik luister heel weinig naar de radio, maar als het een zeldzame keer gebeurt, pleeg ik dat met mijn neus te doen.

In onze tijd … dat moeten toch merkwaardige tijden geweest zijn. Het kan haast niet anders of men beschikte toen over meer zintuigen dan nu.

De terreurbestrijdster

Het pad was gereserveerd voor fietsers en voetgangers. Ik fietste. Zij voetgangerde … eh … wandelde aan de linkerkant van de weg en ze hield een hond aan de lijn: een Mechelse herder van het mannelijke geslacht. Ik haalde haar in. Op het moment dat ik haar voorbijreed, sprong dat beest grommend en met blikkerende tanden naar me toe. Ik kon hem net ontwijken, maar voelde toch zijn muil tegen mijn broekspijp schuren. Uit veiligheidsoverwegingen reed ik nog een tiental meter verder en hield toen halt.

─ “U moet die hond korter aangelijnd houden”, zei ik.

─ “’t Is gie die moe bell’n oj me verbiestikt”, antwoordde ze hautain. (Jij bent het die moet bellen als je me inhaalt).

─ “Ik moet helemaal niks”, schuddekopte ik.

─ “Het staat in de wet”, verkondigde ze.

─ “Dan is dat toch zeker een wet die u zelf bedacht heeft”, veronderstelde ik.

─ “Ik ken de wet,” beweerde ze, “want ik ben bij de politie.”

─ “Is dat zo?” was ik niet bepaald onder de indruk. “Dan weet u vast ook dat uw hond geen mensen mag aanvallen.”

─ “Ik ben hem aan het opleiden om terroristen te bestrijden”, fantaseerde ze er lustig op los. “Dat gaat altijd met enige agressiviteit gepaard.”

─ “U bent alleszins van uw eerste leugen niet gebarsten en voor uw tweede niet opgehangen”, snoof ik.

─ “Dat is smaad aan de politie!” riep ze. “Je zult volgende week wel een brief krijgen om op het bureau te verschijnen.”

─ “Zal ik u dan maar mijn naam en adres geven?” vroeg ik.

─ “Ik weet wel wie je bent”, gaf ze blijk van helderziendheid, want ik was dertig kilometer van huis.

Het moest niet nog gekker worden. Ik besloot geen woorden meer aan dat compleet geschuffelde vrouwmens te verspillen en fietste verder, maar ik was nauwelijks vijftig meter bij haar vandaan, of ik hoorde een luide alarmkreet. De hond had immers een andere fietser aangevallen en dit keer had hij wel toegehapt: een mevrouw van een jaar of vijftig lag op het pad en bloedde hevig uit een gapende beenwonde. Ik heb de hulpdiensten gebeld: een ambulance en … de echte politie.

Alarm

Het zal zaterdagavond rond een uur of vijf geweest zijn dat mijn snotkoker plots een brandlucht opsnoof. Ik zat op het terras en koesterde niet meteen argwaan, omdat ik veronderstelde dat mijn buren zich met een barbecue onledig hielden, maar toen bedacht ik dat ze toch bijna een halve kilometer bij me vandaan woonden. Kon een geur zich over die afstand verplaatsen? Ik likte aan mijn wijsvinger en stak die omhoog, om de windrichting te bepalen, maar op dat moment begon mijn mobieltje te jengelen.
─”Ben jij soms een vuurtje aan ’t stoken?” sloeg mijn buurman een onrustbarende toon aan.

Het antwoord dat ik hem gaf, benauwde ons allebei. De televisie maakt regelmatig een van mijn nachtmerries aanschouwelijk voor een breed publiek. Onthutsende beelden van woeste vlammenzeeën, die zich nietsontziend aan uitgestrekte bossen vergrepen en op hun weg talloze mensen van have en goed beroofden, stonden op mijn netvlies gegrift. Aangezien ik eveneens in een bos weggedoken ben en ik hier de laatste tijd nauwelijks regen gezien heb, is de mij omringende natuur zo droog als kurk …

Door vage vrees bevangen begaf ik me op weg. Luttele minuten later vond ik de aanstichters al. Vier snaken hadden zich broederlijk rond een vuur geschaard, waarop je een os kon braden, en zaten op stoere wijze aan joints te lurken. Ik heb ze vriendelijk de mantel uitgeveegd en daarna hebben we samen de vlammen gedoofd.

Ik heb ze niet verteld dat ik, toen ik nog klein en boosaardig was, ook graag een fikkie stookte. Ik heb ze niet verteld dat ik zodoende ooit een uitgestrekt korenveld in de as heb gelegd. Ik heb ze evenmin verteld dat ik nu nog steeds graag letterlijk met vuur speel en me daarom graag bij een haardvuur verschans. Wat hebben jongens en mannen toch met dat element?

Akkefietje

In een Brugse winkelstraat aanschouw ik hoe een hondsbrutale auto een nietsvermoedende voetganger van de sokken rijdt. Die bonkt uitbundig op de motorkap, zeilt vervolgens als een voddenpop door de lucht en belandt met een doodsmak op het onverbiddelijke asfalt, twee meter bij me vandaan. Ik beef van ontzetting. Tot mijn opluchting zie ik de jongen overeind krabbelen.
—“Ben je gewond?” vraag ik bezorgd.
Hij schudt het hoofd, huivert even en plast vervolgens zo voortvarend in zijn broek, dat het geloosde water dwars door de stof heen op zijn schoen sijpelt.
—“Da’s van ontsteltenis”, beweert een van de toeschouwers die ons bloeddorstig omringen.
—“Kun jij godverdomme niet beter uit je doppen kijken?!” roept een ander naar de verbouwereerde chauffeur. “Ga elders rondraggen met dat snobvehikel van je! De straat is geen bowlingbaan!”
—“Haal er voor alle zekerheid maar politie bij!” waarschuwt iemand het slachtoffer. “Krijg je achteraf geen narigheid.”

Het arme joch kruipt haast in de grond van schaamte. Hij staart radeloos om zich heen met donkere tragédienne-ogen, draait zich dan met een ruk om en gaat pleite. Hinkend verdwijnt hij in een achterafsteegje.

Daar staan we met zijn allen toch wel even van te kijken. De omstanders druipen ietwat teleurgesteld af … Ik eveneens. Ik hoop dat het goed met die jongen gaat.

Bewaar me, zeg!

Er zijn van die dingen die men niet kan blijven uitstellen, hoe graag men dat ook zou willen.

Ik zal jullie allicht verbazen, maar in lang vervlogen tijden heb ik eens iemand een groot plezier gedaan. Het lijkt me evenwel niet opportuun om daarover uit te weiden, want dat zou me te ver leiden en bovendien is er geen enkel verband tussen de inhoud van mijn goede daad en hetgeen ik van plan ben te vertellen.

De persoon die ik met mijn goedertierenheid begunstigde, was daar zo van onder de indruk dat hij in nietsontziende dankbaarheid ontstak en mij op een etentje wilde trakteren. Hij nodigde mij uit en ik verzon een excuus om die nochtans vriendelijke invitatie af te slaan, want ik ben een bijzonder eigengereid schepsel en meende dat er tussen ons weinig of geen raakpunten bestonden, hetgeen allerminst bevorderlijk is voor de goede gang van zaken tijdens een gemeenschappelijke maaltijd. Er volgde een tweede uitnodiging en ook die omzeilde ik op tamelijk elegante wijze. Omdat driemaal scheepsrecht is en vooral omdat het me inmiddels duidelijk was dat hij niet van opgeven wilde weten, heb ik zijn derde poging met succes bekroond. Gisteravond zat ik met hem aan een tafel in een uitstekend restaurant.

Je zult het nooit anders zien: als je ergens met hooggestemde verwachtingen heengaat, kan het vies tegenvallen; als je echter met tegenzin een afspraak nakomt, durft het weleens een avond met een gouden randje te worden. We raakten in een conversatie verwikkeld, want zo gaat dat als men met iemand aan een tafel vertoeft, en het wonder geschiedde: ik vond het leuk. We bleken zelfs een gemeenschappelijke kennis te hebben: een knaap met wie ik in mijn vlegeljaren bevriend was en zelfs dolle avonturen beleefde, waarvan ik er een met grote blijmoedigheid opdiste.
─ “Die zou ik nog eens willen terugzien”, zei ik, nahijgend van het lachen.
Hij keek me een beetje ongemakkelijk aan.
─ “Weet je het dan niet?” vroeg hij. “Drie weken geleden heeft hij zijn vriendin vermoord. Op nogal beestachtige wijze”, plaatste hij vervolgens een nogal dramatische commentaar.

Mijn moeder wist niets af van het bestaan van wat men een lombrosotype noemt: een persoon aan wiens uiterlijke kenmerken men zou kunnen zien dat zij of hij een misdadige inborst had. Toch heeft ze me vaak op het hart gedrukt dat ik me beter niet met hem kon inlaten.
─”Die jongen deugt niet”, zei ze. “Hij heeft het absolute kwaad in zijn blik, dus kun je maar beter uit zijn kielwater blijven, voor je in zijn zog raakt.”

Tja …

Raamhoer

Huishoudelijke taken — de menage doen — worden licht onderschat, vooral door mannen die er zich zo min mogelijk mee bemoeien.

Neem nu het bereiden van de maaltijden. ‘Wat zullen we vandaag eens eten?’ is ook te mijnent een van de meest voorkomende vragen, want het is op zich al geen sinecure om elke dag opnieuw een smakelijk gerecht uit te kiezen, laat staan om het dan ook nog klaar te maken volgens de regelen der kookkunst en met alles erop en eraan. De soep is te heet, de aardappelen zijn te zout, het vlees is te taai … Ga d’r maar aan staan!

Gelukkig hebben uitvinders aller landen tal van ingenieuze toestellen bedacht, die het leven van de veelal rusteloze huissloven aangenamer horen te maken: stofzuigers, koffiezetapparaten, microgolfovens, wasmachines … Ja, die wasmachines. Ze nemen je alleszins een boel werk uit handen, maar ze kunnen je ook lelijk parten spelen als je even niet oplet. Ooit is er bij mij een helrood tafelkleedje tussen het witgoed gesukkeld. Dat heeft me een vrachtje bigroze ondergoed opgeleverd en laat roze nu net een kleur zijn waar ik echt niet van houd. Een maand of zes geleden heb ik voor mijn gordijnen iets te heet water gebruikt, waardoor ik ze nu na iedere wasbeurt dien te strijken. Sommige van die voorhangsels zijn twaalf meter breed en meer dan twee meter hoog. Krijg zo’n vaandel op je strijkplankje!

Dat is de reden waarom ik onlangs besloten heb nieuwe gordijnen aan te schaffen. Er is een meisje langsgekomen om de maat te nemen en vanmorgen zou ze mijn vensters met de vrucht van haar noeste arbeid aankleden. Behulpzaam als ik ben, had ik nog voor ze arriveerde de oude exemplaren weggenomen en gelijk naar het milieupark gebracht. Dat had ik beter kunnen laten, want spoedig bleek dat het naaistertje zich vergist had. Het gordijn dat me tegen indringende blikken vanaf de straat moet beschermen, was pakweg een halve meter te kort. Het zal minstens twee dagen duren voor ze orde op zaken gesteld heeft. Al die tijd zal ik te kijk zitten als een raamhoer.

Er was die man die bij een raamhoer op de ruit tikt en vraagt:
─”Hoeveel?”
─”Honderd euro!” antwoordt het meisje van lichte zeden.
─”Dat valt nog mee voor dubbel glas”, zegt de man en hij vervolgt doodgemoedereerd zijn weg.

Bijna juist

De strandwachter schreeuwde de baders toe dat ze zich in een gevaarlijke zone bevonden, maar hij sprak voor dobermannsoren.

Ze lag met een infectie in bed, maar na een spuitje met penisilline herstelde ze spoedig.

De jarige actrice kreeg een staande ovulatie.

Het meisje keek gevaccineerd toe hoe haar vriendje een pretsigaret rolde.

Ik spreek Nederlands en vloeibaar Engels.

Na de begrafenis van zijn vrouw, zat hij enkele weken in de put.

Zijn optreden was een oorverdonderend succes.

Het overlijden leek verdacht, dus hebben ze een adoptie uitgevoerd.

De asse van de overledene zal uitgestrooid worden op het urineveld.

Bollo smito

Het dorp, aan de rand waarvan ik hoofdkwartier houd, is al jaren geen oase van rust meer. De hoofdstraat is immers verworden tot een drukke verkeersgleuf, waar auto’s en vrachtwagens zich gestaag doorheen persen, met aan weerszijden een stoep, of wat daarvoor moet doorgaan. Ja, aan de stappers hebben ze gedacht, de dames en heren ingenieurs, maar de fietsers lieten ze in de kou staan. Je moet over ware doodsverachting beschikken om je op twee wielen in die heksenketel te wagen. Men rijdt je van de sokken voor je er erg in hebt.

Wat doet een zwakke weggebruiker in zo’n geval, gesteld dat zij of hij nog wat langer als kostganger op deze aardkloot wil rondlummelen? Inderdaad! Die hijst zowel het vege lijf als het tweewielige transportmiddel het trottoir op en vervolgt daar zijn weg, tot grote ergernis van de nog zwakkere verkeersdeelnemer: de voetganger. Men kan op zijn vingers natellen dat daar ongelukken zullen van komen en gisteren was ik zowaar ooggetuige van zo’n confrontatie.

Een dame stapte buiten bij de bakker, in de overtuiging dat ze op een veilige stoep belandde. Uitgerekend op dat moment kwam er echter een nogal drieste fietser aangepeesd. Ze konden net een botsing vermijden, maar het stuur van het rijwiel graaide en passant wel de papieren zak mee die de vrouw in haar hand droeg. Het ding pletste op de grond, barstte open en onthulde aldus een tompoes en twee berlinerbollen, waarvan er een gezapig, maar op een wel zeer verleidelijke wijze naar me toe rolde.

Er ontstond vanzelfsprekend een heftige discussie over wie voor de schade moest opdraaien, maar ik wilde me daar niet mee bemoeien. Ik glipte de bakkerswinkel binnen, hoewel ik dat eigenlijk niet van plan was, en daar kocht ik … twee tompoezen en een berlinerbol. Ik had opeens rare trek gekregen.

Ik zal toch niet zwanger zijn, wel?

Cententeller

Ik heb hier, op mijn bureau en binnen handbereik, drie bokalen staan. Het zijn niet de ordinaire bokalen, waarin men bijvoorbeeld mayonaise, zilveruitjes, pekelharingen of rolmopsen — de mogelijkheden zijn legio — aantreft. Het zijn esthetische bokalen. Ze hebben wat men fraaie vormen noemt en dus ogen ze leuk.

In lang vervlogen dagen omsloten ze, zo meen ik me te herinneren, naar vanille geurende kaarsen. Die heb ik echter opgestookt, in de eerste plaats omdat ik vanille lekker vond ruiken en in de tweede plaats omdat ik die geur aanwendde om stank te verdrijven. Ja, stank! Nee, ik laat niet meer scheten dan een ander en ik ben zindelijk op mezelf en op mijn stulp, maar ik rookte. En niet te min! Ik ben daar hoegenaamd niet trots op, want het is een verderfelijke bezigheid, edoch het is nu eenmaal zo. En sigaretten stinken.

Tegenwoordig rook ik niet meer en zodoende zit ik nu met drie elegante bokalen opgescheept , die er overigens met de dag aantrekkelijker uitzien, omdat ik er mijn kleingeld in oppot.

De muntstukken van één en twee euro en die van vijftig cent komen sinds jaar en dag in zo’n bokaal terecht. Wat bieden die een oogstrelende aanblik. Ik mag er graag naar kijken. Vanmorgen kon ik niet langer aan de verleiding weerstaan en heb ik voor het eerst, verlekkerd als de vrek van Molière, de inhoud van mijn spaarbokalen nageteld. Nou moe! Ik kwam tot een slotsom waar ik toch even van schrok, maar het was een aangename schrik, of eigenlijk meer een gelukzalige duizeling.

Ooit had ik een vriendin die er een toch wel zeer merkwaardig aanwensel op nahield. Zonder enige aanleiding of aanwijsbare oorzaak slaakte ze soms een putdiepe zucht en dan zei ze:
─”Hoh, ik heb ongelofelijk veel zin om iets te kopen, maar ik zou niet weten wat.”

Wel, dat is precies hoe ik me nu voel. De lust bekruipt me om iets te kopen, maar wat?