De kwelbuis

Het ruitje ─ tegenwoordig is dat al een flink uit de kluiten gewassen ruit ─ toonde een zaal vol applaudisserende mensen. Hoewel het beeld voor zichzelf sprak, meende de commentator daaraan te moeten toevoegen: “Ze klappen enthousiast in hun handen.”
Kan men ook in iets anders klappen dan? Ik dacht het niet. Met de voorzetsels ‘uit’ en ‘met’ lukt het dan weer wel. In Vlaanderen klapt men immers uit de biecht en in Nederland uit de school. En in beide regio’s kan men met de tong klappen, al vind ik klakken een geschikter werkwoord voor deze bedrijvigheid.

De televisie toonde een documentaire van Stacey Dooley, getiteld “Face to face with the IS brides” en ik keek ernaar. Tja, van dat ‘face to face’ was er evenwel nauwelijks of zelfs geen sprake, want die bruiden verstopten hun gezichten achter grote lappen textiel. De vlag dekte bijgevolg de lading niet, of eigenlijk juist wel.

drelinOp het scherm speelde zich een aflevering van een soap af, maar ik besteedde er niet de minste aandacht aan, want ik had wel wat anders te doen.  Plots weerklonk de bel, dingdong, en ik spoedde me naar de hal, om daar de deur te openen en er tot mijn verbazing niemand aan te treffen.
“Is ‘t weer van dat?” mopperde ik en ik keerde terug naar mijn zitkamer, waar ik per afstandsbediening het televisieprogramma terugspoelde. En ja hoor! In de soap drukte iemand op een bel, die precies hetzelfde geluid produceerde als die van mij. Het was lang niet de eerste keer dat ik me liet vangen, want de bellen in films en feuilletons zijn vrijwel altijd dingdongs. Misschien kan ik mijn deur beter van een nieuw exemplaar voorzien. Eentje met een heel apart geluid. Drelin drelin bijvoorbeeld. Ik herinner me dat ik, toen ik heel lang geleden mijn broek versleet op collegebanken, Franse teksten voorgeschoteld kreeg, waarin bellen steevast het onomatopoëtische ─ eh … laten we het niet ingewikkelder maken dan het al is ─ het klanknabootsende tussenwerpsel ‘drelin drelin’ meekregen. Dat leek nergens op, vond ik toen en dat vind ik nu nog steeds. Ik heb nog nooit een bel gehoord die zich van drelin drelin bediende. Als die al zouden bestaan, wil ik er mijn voordeur mee toerusten teneinde voorgoed die verwarring zaaiende dingdong uit mijn leven bannen. Een vriend van me heeft een deurbel die het geluid van een scheetkussen voortbrengt. Origineel, dat wel, maar ik vrees dat ik die niet zou horen.

Valentijn(tje)

Ik heb kind noch kraai en er is ook niemand die mij in die mate gaarne ziet, dat ze me ter gelegenheid van Valentijn gezelschap houden, of me met een liefdevolle attentie bedenken. Het zal jullie duidelijk zijn dat ik daardoor ten prooi val aan grote eenzaamheid, hetgeen me evenwel geen ene moer kan verblotekonten.

Om het mes nog wat dieper in de wond te steken, sturen de restaurants, waar ik af en toe niet alleen mijn neus maar ook de rest van mijn lichaam laat zien, me folders toe, waarmee ze me tot het nuttigen van de liefdemalen die ze met Valentijn aanbieden proberen te verleiden.

Wat me daarbij opvalt en zelfs enige irritatie bij me opwekt, is het nogal kinderachtige en alleszins overdreven gebruik van verkleinwoorden, waarmee die voedselverstrekkende etablissementen hun menu’s larderen. Ze hebben het over kikkerbilletjes, visschelpjes, eitjes, varkenshaasjes, gerechtjes, frietjes, kroketjes, groentjes, worteltjes, erwtjes, aardappeltjes, boontjes, hapjes, dessertjes, mosseltjes, sausjes … en nog veel meer van die pietluttigheden. Om het met de woorden van Greta Thunberg te zeggen: Hoe durven ze?!

Als ik zo’n menu onder ogen krijg, denk ik altijd dat er slechts heel weinig voedsel op mijn bord zal belanden. Gelukkig heeft niemand me met Valentijn voor een romantisch eten uitgenodigd, zodat ik me daaromtrent geen zorgen hoeft te maken.

Ik zal me thuis, helemaal in mijn eentje, aan het verorberen van een biefstuk wijden, een lap vlees die zo groot is dat men er een pak kan van maken, of me anders verlustigen aan een pizza met het formaat van een vrachtwagenwiel.

Te mijnent is schraalhans geen keukenmeester.

‘t Was niet oké in de Okay

Ter gelegenheid van mijn verjaardag ─ hiep, hiep, hoera! ─ kreeg ik van vrienden een cadeaubon, waarmee ik in alle supermarkten van Okay goederen kon verwerven ten bedrage van zo maar eventjes honderd euro.

O, wat was ik blij!

Tijdens een van mijn omzwervingen kreeg ik zo’n etablissement van Okay in het vizier, dus begaf ik me daar naar binnen en vulde mijn karretje met allemaal dingen die ik eigenlijk nauwelijks en soms zelfs volstrekt niet nodig had, maar als het gratis is …

Gewapend met mijn bon meldde ik me bij de kassa aan.
─”Oei!” schrok de dame die daar de dienst uitmaakte. “Dat zal vandaag niet lukken. Het systeem werkt niet.”
Daar stond ik dan. Mijn andere betaalmiddelen bevonden zich immers in mijn auto op de parkeerplaats.

O, wat was ik boos.

Ik kan me dusdanig opwinden over systemen die niet werken, dat ik buiten iedere verhouding in woede ontsteek en compleet onredelijk reageer. Ik zei evenwel geen woord, haalde enkel de schouders op, schudde het hoofd, liet mijn winkelkar achter en peesde met opgestreken kuif naar buiten. Mijn systeem werkte ook niet, of toch niet naar behoren, want ik vertikte het om me te voorzien van bankbiljetten, bank- of kredietkaarten en terug te keren. In plaats daarvan begaf ik me met bekwame spoed naar een andere supermarkt.

Mijn reactie was ongetwijfeld overdreven … maar anders leren ze ‘t nooit.

Ik vraag maar raak

Ik houd me al bijna mijn hele leven onledig met het uitzoeken van prangende kwesties: vragen waarop ik pas na flink wat vijven en zessen en dan nog mondjesmaat een enigszins afdoend antwoord vermag te verzinnen.

Zo heb ik me bijvoorbeeld het ongans gezocht naar de verschillen tussen een gans en een eend, tussen een boot en een schip, of tussen een rivier en een stroom. Tegenwoordig probeer ik uit te vogelen wanneer ik tijdens het koken in een gerecht uien dan wel sjalotten dien te gebruiken. Ik raak er maar niet wijs uit.

Naar verluidt zou een sjalot over een delicatere smaak beschikken, maar eerlijk gezegd merk ik daar weinig van en dat veroorzaakt een flinke deuk in het imago van fijnproever dat ik mezelf graag aanmeet. Het verschil voel ik vooral in mijn portemonnee, want sjalotten zijn aanzienlijk duurder dan uien.

Ik had mijn moeder tekst en uitleg moeten vragen toen ze nog leefde. Zij was dusdanig bedreven in de kunst van het koken, dat ze er haar beroep van maakte en met fraai gecomponeerde gerechten duizenden mensen tot het aanheffen van jubelzangen dreef. Ze zou het me ongetwijfeld haarfijn uitgelegd hebben, want ze wist haar weetje wel.

Ik tast dus vooralsnog in het duister en blijf sjalot een koddige naam vinden voor een groente. Nu ja, dat is artisjok ook. En komkommer. En pompoen. En rammenas. En … basta!

Aangezien ik nog nooit van sjalottensoep gehoord heb, begeef ik me nu naar de keuken om daar uiensoep klaar te stomen, met alle gevolgen van dien. Zoals Erasmus al schreef in zijn Adagia: Suus cuique crepitus bene olet. Iedereen vindt zijn eigen winden prima ruiken.

Mosterd na de maaltijd

Op 29 december laatstleden maakte ik hier ─ Laat nu jullie rug maar zien ─ mijn voornemen kenbaar om mijn abonnement op het weekblad Humo te beëindigen.

Bij Humo kan men dit enkel telefonisch bewerkstelligen, wat me vandaag de dag een nogal voorbijgestreefde manier van werken lijkt, al zullen ze daar ongetwijfeld hun redenen voor hebben. Ik vatte dus zowel de koe als de telefoon bij de hoorns, vormde het nummer en ─ wat hadden jullie gedacht!? ─ kreeg een uitgebreid keuzemenu voorgeschoteld, dat ik met grote tegenzin en veel geduld aanhoorde, want het stopzetten van een abonnement was natuurlijk de laatste mogelijkheid die men me aanbood.

Gedurende bijna een kwartier weerklonk er vervolgens een ‘muziekje’ of wat daarvoor moest doorgaan ─ moet je die pokkenherrie horen! ─ dat af en toe onderbroken werd door een vrouwenstem, die zich een zalvende toon aanmat om me mee te delen dat ik ‘dadelijk’ geholpen zou worden. Dadelijk lijkt bij Humo een zeer rekbaar begrip te zijn.

Opeens dook er dan toch een vrouw of een meisje op in mijn oor. Ze vroeg naar mijn abonneenummer en wilde toen weten waarom ik afhaakte, als ik dat al wilde openbaren. Dat wilde ik, dus maakte ik haar deelgenote van mijn misnoegdheden, zijnde hun allesbehalve accurate televisiegids, hun ondoordachte reclamestunts waar ik zelden van kon profiteren, hun voorliefde voor personen waar ik niet van hou en de afwezigheid van mijn favoriete stukjesschrijver in de rubriek Dwarskijker.

Ze aanhoorde me geduldig, bracht begrip op voor mijn beslissing, of veinsde dat althans, en kwam toen met een voorstel op de proppen: als ik op mijn voornemen terugkwam en dus abonnee bleef, kon ze mij ter compensatie van mijn ongenoegens een korting van dertig procent geven op de abonnementsprijs.

In Vlaanderen noemt men dat vijgen na Pasen en in Nederland mosterd na de maaltijd. Nu ben ik een mens van principes en ik laat me door niets of niemand omkopen, dus ben ik niet op dat aanbod ingegaan. Humo kan me voortaan aan de reet roesten.

Het moet gezegd dat de vrouw die of het meisje dat me te woord stond weliswaar veel te lang op zich liet wachten, maar dat werd ruimschoots gecompenseerd door haar vriendelijkheid. Er kwam geen enkele keer een onvertogen woord over haar lippen. Compliment!

En meer heb ik daar niet over te zeggen.

Kan het misschien wat stiller?

monumentHet West-Vlaamse dorp kan al bijna een eeuw bogen op en uitpakken met een oorlogsmonument: een standbeeld vervaardigd door een lokale kunstenaar, voorstellend een soldaat, die met een hand aan de mond ik weet niet wat roept naar ik weet niet wie.

Het ‘meesterwerk’ stond oorspronkelijk prominent op de oever van de hoofdstraat, maar enige tijd geleden heeft men het gevaarte verplaatst naar een uithoek van het marktplein, waar vrijwel niemand er nog aandacht aan besteedt.

─”Waarom hebben ze dat gedenkteken eigenlijk verplaatst?” vroeg ik aan de kastelein van een daar in de buurt gelegen café, dat ook wel te eten schaft.
─”Hij riep te luid”, zei de man zonder een spier te vertrekken, “en hij bleef maar roepen. Hij hield ons ‘s nachts wakker.”

Er zijn van die mensen die nooit om een antwoord verlegen zitten en bovendien bij de pinken zijn. Ze verstaan de kunst om buitengewoon gevat uit de hoek te komen. Daar hoor ik helaas niet bij. Ik ben niet gesierd met een vlotte babbel en beschik evenmin over verbaal lef of dodelijke welsprekendheid. Het ontbreekt me vooral aan de vaardigheid die sommige mensen tentoonspreiden, om op stel en sprong te riposteren. Mijn geestige invallen duiken meestal te laat op, als ik die niet meer kan gebruiken. Ik zal vermoedelijk niet de enige zijn die met dit euvel behept is, want in vrijwel alle talen bestaat er een naam voor het verschijnsel. In het Engels is dat ‘staircase wit’; de Fransen noemen het ‘l’esprit de l’escalier’; bij de Germanen is het ‘Treppenwitz’ en Nederlandstaligen hebben er ‘trappenlol’ voor bedacht: zijnde de spitsvondige, perfecte, briljante of grappige repliek die je pas te binnen schiet als je al vertrekkensklaar op de trap staat en het dus te laat is om die uit te spreken.

Ik moet ooit eens, in lang vervlogen dagen, op mijn mondje gevallen zijn. Gelukkig vermag ik met enige panache de schrijfstok te hanteren. Dat compenseert.

Laat nu jullie rug maar zien

Hoewel ik het liever vermijd, zie ik me nu toch genoodzaakt om in herhaling te vallen.

Ik heb hier al een paar keer mijn ongenoegen geuit over de ondoordachte, ja zelfs onnozele reclamestunts van het weekblad Humo. Ze bieden hun lezers een gratis drankje aan, maar als abonnee dien je dat traktaat wel zelf af te halen, hetgeen in mijn geval een verplaatsing van tientallen kilometers vereist. Ja, ik ben daar gekke Gerrit op een houtvlot! Lees in dit verband mijn schrijfsels Nu doen ze het weer en Als het niet goed is, zeg ik het ook.

Begin december trof ik bij Humo een afhaalbon voor een gratis flesje bier van Cornet aan. Om dat ‘cadeautje’ te verwerven, diende ik me te wenden tot een Press shop, waarvan de meest dichtbije winkel zich op vijftien kilometer van mijn hoofdkwartier bevond. Normaliter zou ik dus die Cornet aan me laten voorbijgaan, maar nu moest ik toch in de buurt van dat afhaalpunt zijn, dus meldde ik me er aan om te vernemen dat de voorraad flesjes uitgeput was en ik derhalve op mijn Vlaamse kin mocht kloppen.

Twee weken later omvatte Humo opnieuw een afhaalbon, dit keer voor een minuscuul flesje gin van Filliers Tribute, dat men als abonnee in een Standaard boekhandel kon bemachtigen. Nu zijn boekhandels plekken die ik zoveel mogelijk tracht te vermijden, omdat ik nooit aan de verleiding kan weerstaan en er altijd buitentreed met een stapel lectuur. Dit keer verliet ik het pand met drie boeken, maar zonder flesje gin, want naar verluidt waren die al uitgeput en dat nauwelijks één dag na het verschijnen van de Humo in kwestie. Ja zeg, maak het een beetje!

Humo, ik had jullie gewaarschuwd en nu voeg ik de daad bij die waarschuwing. Ik ben al enige tijd mistevreden over de inhoud van jullie ‘boekje’. De tv-gids is allesbehalve volledig en nog minder accuraat. Er gaat vrijwel geen dag voorbij zonder dat ik me blauw zit te ergeren aan de foutieve informatie die jullie me verstrekken. Ook mijn favoriete rubriek, Dwarskijker, is hoegenaamd niet meer wat die was toen een taalvirtuoos die verzorgde, met name Rudy Vandendaele, aan wie ik destijds het schrijfsel Afscheid van een virtuoos heb gewijd. Bovendien vind ik dat jullie veel te vaak regelrechte onbenullen opvoeren, zoals bijvoorbeeld de danig over het paard getilde huppelkutjes Anuna De Wever en Greta ─ How dare you?! ─ Thunberg, die denken dat ze de wijsheid in pacht hebben en iedereen op hun nummer mogen zetten. Ik heb echt geen boodschap aan wat die truttebollen verkondigen en ze ergeren me mateloos.

De druppel die de emmer doet overlopen zijn evenwel jullie knullige reclamestunts. Ik zeg derhalve mijn abonnement op. Dat is jaarlijks weer bijna € 200 bespaard. Het zal nog eens zo gaan dat ik rijk word.

Ajuus!