Een half dozijn (zure) oprispingen

Ik heb me tegen beter weten in toch maar een agenda voor 2020 aangeschaft. Je bent een optimist, of je bent het niet … en ik ben het.

Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat scooters heel vaak bereden worden door zowel vrouwelijke als mannelijke kamerolifanten met enorme ruiven.

Ik bezocht onlangs een van de talloze rommelmarkten en het viel me op dat men de meeste bezoekers van zo’n evenement ook beter bij de kraak zou zetten.

Ik ben er steeds stelliger van overtuigd dat we beter af zouden zijn zonder de Europese Unie.

Er zijn van die mensen die je beginnen te volgen op Twitter, om je dan meteen te ontvolgen zodra jij ze volgt.

Belgische politiek: de kiezer heeft gesproken en de kiezer heeft altijd gelijk, maar we zullen er niet naar luisteren.

Niet vergeten

poppyfield

Duizend soldaten

als ge van ze leven in de westhoek passeert
deur regen en noorderwinden
keert omme den tied als g’ alhier passeert
den oorlog ga j’ hier were vinden

ja ‘t is den oorlog da ‘j hier were vindt
en ‘t graf van duizend soldoaten
altied iemands voader altied iemands kind
nu doodstille en godverlaten

laat de bom’n nu maar zwieg’n
en dat ‘t gras niets verteld
en de wind moet ‘t ook maar nie zing’n
dat julder’n dood tot niets hè geteld
dat woaren al te schrik’lijke dingen

zeg ‘t goat al goed der is welvaart in ‘t land
en de vrede ligt vast in de wetten
we maken wel woapens maar met veel meer verstand
maar just om den oorlog te beletten

en grote raketten atoom in den top
we meugen toch experimenteren
we mikken wel ne keer naar mekaar zijne kop
maar just om ons ‘t amuseren

als ge van ze leven in de westhoek passeert
deur regen en noorderwinden
keert omme den tied als g’ alhier passeert
den oorlog ga j’ hier were vinden

ja ‘t is den oorlog da ‘j hier were vindt
en ‘t graf van duizend soldoaten
altijd iemands voader altijd iemands kind
duizend en duizend soldoaten
duizend en duizend soldoaten
duizend en duizend soldoaten

Willem Vermandere

Mag ik even de kuif opsteken?

Dit bericht is bestemd voor de aanstellerige troela, aan boord van een protserige, waarschijnlijk nog lang niet betaalde SUV, die vanmorgen, toen ik met de fiets volledig reglementair voorsorteerde, achter mijn rug op waanzinnige wijze op haar claxon ramde, zodat horen en zien me verging en ik me de tering schrok, waarna ze me dusdanig in het nauw dreef dat ik mijn evenwicht verloor, ten val kwam en me flink bezeerde, terwijl madame van kromme haas gebaarde en doodgemoedereerd haar weg vervolgde.

Klipgeit! Appelteef! Zurkeltrut! Klapkut! Pekelteef! Afgebefte del! Truttebol! Stomme gleuf! Boerentrien! Kankerslet! Kakmadam!

Ga op een landmijn zitten!
Drink stront door een rietje!
Eet een kakkerlak!
Lik mijn roze reet!
Krijg de donkerbruine touwtering!
Ga rondjes vliegen rond een vliegenvanger!

Hèhè, dat lucht op.

Struikrovers anno nu

Op de Groene 62 ─ de voormalige treinbedding tussen Torhout en Oostende, die nu gereserveerd is voor wandelaars en fietsers ─ reed een vrouw zo’n vijftig meter voor me uit. Ze was in het gezelschap van een zeer minderjarig meisje, vermoedelijk haar dochter, dat slow motion en op de rand van evenwichtsverlies een klein, frivool versierd fietsje bestuurde.

Ik werd ingehaald en voorbijgereden door een bromfietser, vermoedelijk van mannelijke kunne, die een integraalhelm droeg en derhalve onherkenbaar was. Even later bereikte hij mijn voorgangster en daar vertraagde hij om vervolgens, en passant, een portemonnee op te vissen uit haar fietstas, waarvan de klep openstond. Daarna ging hij er als de wiedeweerga vandoor.

─”Heb je dat gezien!?” riep de vrouw onthutst, terwijl ik naast haar halt hield.
Haar dochter maakte aanstalten om het op een huilen te zetten, maar ze hield zich kranig en beperkte zich tot een pruilmondje.
─”‘t Is godgeklaagd!” schuddekopte ik. “We beleven een rare tijden. Bent u veel kwijt?”
─”Wat geld, mijn identiteitskaart en mijn bankkaart”, zei ze.
─”Die moet je meteen laten blokkeren bij Card Stop”, had ik goede raad in de aanbieding. “Met een beetje geluk gooit hij je portemonnee weg als hij zich het geld toegeëigend heeft, maar als ik jou was zou ik toch naar de politie gaan.”
─”Geluk is me niet bepaald goedgezind”, murmureerde ze en ze bekeek de fietstassen met een vernietigende blik. “Die velcrosluitingen zijn eigenlijk geen knop waard. Bij het minste zuchtje gapen die kleppen als ovendeuren.”
─”Er gaat inderdaad niets boven ouderwetse gespen”, was ik het met haar eens en ik wees naar mijn exemplaren die ermee toegerust waren.

Ik heb haar mijn kaartje gegeven. Als ze ooit een ooggetuige nodig heeft, ben ik haar man. Het is een schamele troost. Ik weet het. Ze moesten zulke schurftluizen zo’n pandoering geven dat hun kleren uit de mode zijn als ze bijkomen. Als men ze bij de kladden kan grijpen natuurlijk.

Waarin ik een hoofdzonde bedrijf

De televisie vergastte me op een promotiefilmpje voor ─ blijkbaar is Engels bij ons tegenwoordig de voertaal ─ Bake Off Vlaanderen. Dat is een programma van VIER, waarin amateurbakkers het tegen elkaar opnemen, teneinde de titel van meest getalenteerde thuisbakker van Vlaanderen te verwerven.

De vrouwelijke commentaarstem bij deze trailer ─ ik herhaal dat Engels vandaag de dag hier de voertaal is ─ stuurde meteen de hiernavolgende kwakkel de wereld in:

“Bakken is altijd een feest, want niemand bakt alleen voor zichzelf.”

kersentaartIk kan met de hand op het hart verklaren dat dit een uitermate stomme bewering is, die kant noch wal raakt. Ik heb gisteren namelijk een nochtans zeer bewerkelijke Schwarzwälder Kirschtorte gebakken en ik ben bezig om die helemaal in mijn eentje op te vreten, hetgeen me vandaag of morgen ongetwijfeld zal lukken. Dat is smikkelen en smullen, hoor!

Ja, ik weet dat gulzigheid een hoofdzonde is, maar als ik moet branden in de hel, dan liefst met een volle maag en van lekkers verzadigd.

Als de rozen bloeien …

Hoewel ik me niet in de stille Kempen bevond, en al helemaal niet op de purp’ren hei, trof ik toch een eenzaam huisje op mijn weg aan, zij het zonder berk erbij.

Geen berk dus, maar wel een boerenblommentuintje dat uitbundig met Flora’s kinderen pronkte en een terras, dat volgeladen was met allerhande snuisterijen en prullaria, waaronder een gietijzeren uil, die zoals het een uil betaamt wijsneuzig op een soortement pilaar prijkte.

Nu heb ik al mijn hele leven een raadselachtige affiniteit met uilen, zoals de titel van mijn blog al laten uitschijnen. Ik hield dus halt, om de vogel wat nader te bestuderen en eventueel te informeren of ik die voor een zachte prijs kon verwerven, teneinde die aan mijn verzameling toe te voegen, want ik heb inmiddels al tientallen uilen in mijn bezit.

Er moet zich daar ergens een luidspreker opgehouden hebben, want ik hoorde muziek, meer bepaald de omfloerste stem van Adamo. “Quand les roses fleurissaient, sortaient les filles”, zong hij en alsof de duvel ermee speelde, of een ander wezen dat over bovennatuurlijke krachten beschikt, verscheen op dat moment een stokoud vrouwtje ─ ze bediende zich inderdaad van een stok ─ in de met rozenguirlandes omkranste deuropening. Ze hing deerniswekkend aan de arm van een man, die haar op een bankje in de zon neerpootte en zich vervolgens tot mij wendde.

Ik deelde hem mee dat ik in hoge mate geïnteresseerd was in zijn uil en hoopte dat hij die enigszins goedkoop aan me wilde verkopen. Ik ben en blijf immers een zeer spaarzaam persoon. Sommigen overdrijven en noemen mij gierig, ja, zelfs vrekkig en ik ben daar eigenlijk niet van gediend, maar ze kunnen me de moord pruimen.

Terwijl we in ons zakelijk gesprek verwikkeld waren, voerde het oude vrouwtje dat zijn moeder bleek te zijn, zowel doof als blind was en dus niks hoorde en niks zag, een mompelende en onverstaanbare conversatie met iemand die wij niet konden zien, maar zij blijkbaar wel. Mens toch!

De hemel verhoede dat ik in zo’n toestand terechtkom als ik oud ben en der dagen zat.

Ik heb de uil van haar zoon cadeau gekregen. Jawel, gratis en voor niks. Ik zal hem één dezer dagen een ballotin pralines brengen, want ik ben helemaal niet vrekkig. Misschien vindt zijn oude moeder die ook lekker.

Da gaade gij ni bepale, hè!

“Da gaade gij ni bepale, hè!” snauwde Jan Jambon, de knisperverse Vlaamse minister-president tegen een lid van de oppositie, waarna hij die waarschuwing nog eens herhaalde, zwaaiend met een spinnige vinger: “Da gaade gij ni bepale!”
Het gebeurde tijdens een door televisiecamera’s begluurde zitting van het Vlaamse parlement en die woorden schoten mij gisteren plots te binnen.

Ik kreeg namelijk bezoek van een man, die een nogal vooraanstaande positie bekleedt en van wie men dus geredelijk zou mogen verwachten dat hij het klappen van de zweep kent, toch zeker op het gebied van omgangsvormen. Over de rest kunnen we beter zwijgen, want hij heeft weliswaar veel goeie raad te koop, maar vooralsnog zelf nooit iets verwezenlijkt.

─”Mag ik u wat aanbieden?” vroeg ik, want ik ben dus wel keurig netjes grootgebracht.
─”Alleen als je met me meedrinkt”, sprak hij en op dat moment doken de woorden van Jan Jambon mijn hersens binnen: Da gaade gij nie bepale, hè!

Wat verbeeldde dat heerschap zich wel? Hij zal me daar een beetje commanderen in mijn eigen huis! Ammenooitniet! Waarom dacht hij trouwens dat hij me mocht tutoyeren? Hadden we vroeger soms met elkaar geknikkerd? Niet zo familiair voor zo weinig kennis, dacht ik, maar ik slikte mijn ergernis in.

─”Dan niet,” haalde ik de schouders op, “want ik heb op dit moment geen dorst.”
Hij bleef zodoende op zijn honger … eh … dorst en daar had hij niet van terug. Ik evenmin, want ik had de avond voordien zwaar getafeld en verging zowat van de dorst, maar een kermis is een geseling waard.

Foute hap

De meeste supermarkten plegen hun klanten proevertjes aan te bieden: koffie, wijn, charcuterie, borrelhapjes, snoep, kaas, fruit … en wat weet ik al niet meer.

Ik maak daar bijna nooit gebruik van, omdat ik aan een heel lichte graad aan smetvrees onderhevig ben. Mijn mysofobie beperkt zich tot het niet nuttigen van voedsel dat door Jan en alleman aangeraakt kan worden. Een kok in een restaurant valt wat mij betreft buiten deze categorie – gelukkig maar! – maar Jut en Jul die zich in winkels ophouden, boezemen me geen vertrouwen in.

Verleden zaterdag dobberde ik tijdens het winkelen in het kielzog van een met een khimar getooide vrouw. De drie kinderen die haar vergezelden, waren in hoge mate ongemanierd en ze ratsten bovendien doodgemoedereerd alle schotels en borden met proevertjes leeg, zonder dat men ze terechtwees.

In de groenteafdeling stortten de huftertjes in wording zich als aasgieren op de schijfjes kiwi die daar voor het grijpen lagen. Ze propten die in hun gulzige bekjes, maar vonden ze kennelijk niet lekker, want ze spuwden die gelijk weer uit en legden ze terug op de plek waar ze vandaan kwamen.

Bewaar me, zeg! Ik had zin om even te kotsen, maar besloot toch om er zelf niks van te zeggen. Ik weet uit ondervinding dat gesluierde vrouwen veelal geen kritiek verdragen en niet zelden in luidkeelse scheldpartijen uitbarsten als men het waagt ze te vermanen. In plaats daarvan bracht ik een winkelbediende op de hoogte van hetgeen ik aanschouwd had. Die kerel was van geen kleintje vervaard. Hij haalde de bezoedelde kiwi’s weg en waarschuwde zowel de kinderen als de moeder.

Die moeder was dus zo’n vrouw met een hoofddoek, die luidkeels lucht gaf aan haar protest. Ze voelde zich in haar eer gekrenkt en zette de hele supermarkt in rep en roer. Christene zielen!

Van mij mogen ze dat aanbieden van proevertjes meteen afschaffen. Er komt niets heuglijks van.

Een spion?

Toen ik mijn woning verliet, stond ik plots oog in oog met een wildvreemde man die doodgemoedereerd, de handen diep in de broekzakken, langs mijn terras drentelde.
─ “Hebt u hier wat verloren?” vroeg ik dus, niet bepaald op vriendelijke toon.
─ “Ik ben even naar het huis aan het kijken”, kreeg ik te horen.
─ “Je pleegt wel inbreuk op mijn privacy”, laadde ik mijn woorden met protest.
─ “Ben je soms dingen aan het doen die niet mogen?” opperde hij laconiek en hij kuierde sereen als gebotteld water van me weg.

Ik stond even met mijn mond vol tanden, schudde ongelovig het hoofd … en liep toen snel naar mijn clandestiene jeneverstokerij annex cannabisplantage, om die nog beter te camoufleren.

Schijndood

herfstboom

… begint de natuur noodgedwongen, zij het treuzelig aan de herfst.

Binnenkort zullen bomen en struiken slordig met hun blaren omspringen;
het zal wieroken in de bossen, die zich vermommen als gobelins vol bestorven kleuren en goud;
foulards van nevel zullen op weiden, akkers en velden spelevaren;
de wind zal jolige buitelingen maken en in zwierige rokken rond de huizen dansen;
uit de grond zal verderf walmen;
we zullen rozevingerige dageraden en schilderkunstige avondluchten te zien krijgen …

… maar zoals Karel van de Woestijne al schreef: Het is (en blijft) triestig dat het regent in den herfst.