Met pak en zak

Ik mag graag door supermarkten en warenhuizen struinen. Dat is naar verluidt uitzonderlijk gedrag voor een persoon van mannelijke kunne, maar ik ben nu eenmaal een uitzondering op velerlei gebied. Vraag me niet hoe dat zo komt.

Er valt evenwel steeds minder lol te beleven aan dat winkelen. Wie bijvoorbeeld een bezoek aan Colruyt plant, dient zich als het ware ten strijde toe te rusten met een betaalmiddel, een klantenkaart, herbruikbare zakjes voor groenten en fruit, een mondkapje, eventueel ook handschoenen en … nu hebben ze me ook nog een paar losse handvatten bezorgd, die ik telkens moet meezeulen om die op mijn winkelkar te bevestigen, zodat zij die niet meer hoeven te ontsmetten.

Het zal nog eens zo gaan dat ik niet alleen een boodschappenlijst nodig heb, maar ook een lijst moet afvinken van de artikelen die ik naar de supermarkt moet meenemen.

Ik heb het al gezegd en ik herhaal het: we beleven merkwaardige tijden.

handvatten

Een kwaad omen?

Het is me wat met dat eigengereide virus, dat ons leven en zowel de lente als de zomer van 2020 vergalt.

Mijn mailboxen ─ ik heb er een hele sjees, al is dat eigenlijk nergens voor nodig, want overdaad schaadt, maar op sommige gebieden ken ik slechts één adagium: meer van dat! ─ lopen al geruime tijd vol met onheilspellende berichten van bedrijven, neringen en instanties, die me bestoken met waarschuwingen omtrent de gevaren waarmee het coronavirus mij, en vele anderen met mij, bedreigt.

Dat weet ik onderdehand allemaal wel en die boodschappen klik ik derhalve meestal gelijk de prullenbak in, maar vanmorgen kreeg ik een mail van een schijnbaar officiële instantie en toen ik die opende, schotelde men me een link voor naar … een uitvaartverzekeraar. Ja zeg, maak het een beetje!

Zou dat een slecht voorteken kunnen zijn? Ik heb nochtans de kraanvogels van Ibycus niet gezien, noch de ijselijke gil van een banshee gehoord. Geen roepende uilen, jankende honden, of schetterende eksters hebben me verontrust door een nakende dood aan te kondigen.

Ik wil vooralsnog niet denken aan mijn eindbestemming en de enge ziektes die erheen leiden. Ik heb trouwens al heel lang zo’n uitvaartverzekering, maar die heb ik gelukkig nog nooit nodig gehad.

Maar goed, door die mail ben ik op mijn hoede. Een gewaarschuwd man geldt voor twee. Ik zal dus zoveel mogelijk in mijn kot blijven, mijn sociale contacten beperken, afstand van mijn medemens bewaren, mondmaskers dragen …

Christene zielen! Wat beleven we onzalige tijden!

Het welriekende land van Hermes

Ik diende mijn ogen voor nazicht naar een in een ziekenhuis gevestigde oculiste te brengen. Heremijntijd! Zo’n bezoek aan een opslagruimte voor lichamelijk minderbedeelden heeft vandaag de dag nogal wat voeten in de aarde. Het is een heel gedoe, om niet te zeggen een zenuwslopende onderneming. Ik overdrijf enigszins omdat ik ─ het is jullie inmiddels genoegzaam bekend ─ daar goed in ben en eigenlijk niets liever doe.

Mondmasker opzetten, handen ontsmetten, je temperatuur laten opmeten, je identiteitskaart aan een vervaarlijk ogende automaat toevertrouwen en wachten tot die kleefbriefjes braakt, nauwgezet de pijlen volgen, je aanmelden bij de dienst oogheelkunde, plaatsnemen in de wachtzaal op voldoende afstand van je buur …

… en toen was ik vrij snel aan de beurt. Mijn oftalmologe ─ hoe verzinnen ze het in vredesnaam? ─ haalde haar neus voor me op en zei:
“Ha, meneer gebruikt Terre d’Hermès. Het maakt mijn dag, want het is en blijft een wonderbaarlijke geur.”
Ik nam het complimentje dankbaar in ontvangst en zij wendde zich tot mijn ogen, geholpen door allemaal indrukwekkende toestellen.

Toen ik het ziekenhuis verliet, snelde de geur van Terre d’Hermès me vooruit, want ik gebruik zowel het toiletwater als de aftershave van dat merk. Het zijn weliswaar geen goedkope odeurtjes, maar je krijgt waar voor je geld, want ze bevatten noten van grapefruit, sinaasappel, peper, patchoeli, ceder, vetiver en benzoïne. Meer moet dat van mij niet zijn.

Bovendien zijn en blijven het verrukkelijke luchtjes.

O ja, mijn ogen zijn in prima conditie.

terredhermes

Meeslepende geuren

Kennen jullie de aangename geur die opstijgt tijdens en na het maaien van een gazon? Vergissen jullie zich niet: het is namelijk een chemische noodkreet, waarmee het gras de naburige planten waarschuwt dat er een verwoestende aanval ophanden is.
Het is de geur van angst.

Kennen jullie de verkwikkende geur die kortstondig opstijgt tijdens een regenbui na hitte of lange droogte?
Die geur heeft een naam: petrichor.

Kennen jullie de wonderlijke geur die een bloem verspreidt als men haar vermorzelt?
Dat is vergevingsgezindheid.

Weten jullie wat Erasmus schreef in zijn Adagia? Hij deed dat op wijsneuzige wijze in het Latijn:
Suus cuique crepitus bene olet.
Ik vermoed dat sommigen van jullie geen Latijn begrijpen, dus vertaal ik het even:
Iedereen vindt zijn eigen winden prima ruiken.
Nu ja, iedereen? Ik in alle geval.

Niet normaal meer!

Ik zie door de bank genomen al heel weinig mensen, omdat ik moedwillig een kluizenaarsleven nastreef. Door de coronarestricties echter ben ik tegenwoordig vrijwel helemaal uit de roulatie, hetgeen ik eigenlijk niet betreur.

Het zal dan ook niemand verbazen dat ik veel met mezelf bezig ben. Begrijp me niet verkeerd. Wat ik bedoel, is dat ik monologen voer, die zich niet enkel inwendig voltrekken, maar die ik ook vaak met luider stemme afsteek. Meestal zijn dat commentaren bij mijn zowel huishoudelijke als zakelijke bezigheden, maar recentelijk bespeur ik wat verandering in mijn gedrag.

Ik begin namelijk zonder enige aanleiding compleet onzinnige dingen uit te stoten.
“Goeree-Overflakkee!” riep ik daarnet nog.
Vraag me niet waarom.
En vanmorgen in alle vroegte bazuinde ik: “Truus, de nachtmerrie!”, even later gevolgd door een krachtig “Krambamboelie!”

Bovendien betrap ik er mezelf op dat ik met mijn televisiescherm converseer. Nu ja, converseer … Gisteren was er bijvoorbeeld sprake van de vorming van een Belgische regering, waarbij men een klassieke tripartite beoogde.
“Drie paar tieten!” riep ik. “Daar zullen jullie Maggie De Block, Meyrem Almaci en Angela Merkel voor nodig hebben. Dat zijn drie paar ferme tieten.”

En Kristof Calvo mag niet op het ruitje verschijnen of ik slinger hem Kunststof Calvo naar het hoofd.

Ik kan zo het gesticht in. Waar is mijn dwangbuis?

Mijn gedacht!

Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat de Belgische aanpak van de hele Coronasoesa buitengewoon stuntelig in elkaar gehikt was en is: een amateuristische improvisatie van een stel dilettanten, met in een hoofdrol een soortement pseudospecialist ─ Van Ranst genaamd ─ die veel garen op zijn klos heeft en van zichzelf denkt dat hij de Zaligmaker is, of toch zeker een godsgeschenk.

In mijn ogen is hij niet meer dan een betweter in een academisch steunkorset: een opgeblazen kikker, die ons met zijn inzichten en analyses probeert te overtroeven, niet gehinderd door veelgelaagde onverstaanbaarheid, die je voor geleerdheid kunt houden als je snel onder de indruk bent van blaaskakerij. Hij heeft een buitensporig ego, verkoopt kool en zit er heel vaak naast.

Het zal jullie duidelijk zijn dat ik die ijdelzuchtige kwek niet lust. Als zijn pafferige smoel mijn televisiescherm teistert, hetgeen helaas niet zelden gebeurt, zap ik ijlings naar belendende percelen. Nee, ik lust die gozer niet. En van virussen heb ik ook mijn bekomst.

Hoe sterk is een eenzame fietser?

Het is een paar maanden genieten geblazen geweest, maar nu is het hek opnieuw van de dam … en zodra het hek van de dam is, lopen de varkens in ‘t koren.

In dit geval zijn de varkens de hordes recreatieve fietsers, die we in de wandeling wielertoeristen noemen, maar die meestal de benaming wielerterroristen verdienen. Ze mogen opnieuw in jolig groepsverband de baan op en dat zullen we geweten hebben.

Ze hebben toestemming om de wegen onveilig te maken, op voorwaarde dat ze dat maximaal met zijn twintigen doen, dat ze afstand van elkaar houden en dat ze zich bij voorkeur op minder drukke wegen begeven. Laten dat nu uitgerekend de wegen zijn die ik, eenzaat en solitaire fietser, graag gebruik.

Zien jullie me rijden, met volle teugen genietend van de om me heen jubelende lente en de wonderlijke landschappen die ik doorkruis … tot er plots zo’n losgeslagen meute opdoemt, bloeddorstig op me afstormt, me rakelings passeert en ondertussen snotterend, spuwend, snuivend, proestend, hoestend en rochelend een lading bacteriën over me uitstort, om van de meedogenloze virussen nog te zwijgen?

Ja kijk, zo is er voor mij geen lol meer aan. Ik denk dat ik voortaan maar thuis zal blijven. In mijn kot.