Carmiggelt achterna

In navolging van de nochtans onnavolgbare Simon Carmiggelt, die op superieure wijze de gesproken werkelijkheid vermocht te betrappen, heb ik de ietwat bedenkelijke gewoonte om mijn aanwezigheid in horecabedrijven op te leuken met het stiekem beluisteren van de conversaties die zich rondom mij voltrekken.

Het is een verrijkende bezigheid, want zo hoor je nog eens wat en de interessantheden die ik hoor, pleeg ik toe te vertrouwen aan het beruchte ‘calepingske’, dat ik hier al meerdere keren opvoerde.

Hieronder trakteer ik jullie op een bloemlezing van wat ik in de voorbije maanden tijdens het luistervinken bijeen sprokkelde en oogstte:

─”Doe je dat thuis ook?” foeterde de vrouw toen haar disgenoot een niet bepaald delicaat scheetje liet.
─”Vanavond ga ik uit!” poneerde het meisje met grote stelligheid. “Dan steken we je morgen weer aan”, antwoordde de man die vermoedelijk haar vader was.
─”Wil je het licht uitdoen als je bovenkomt?” mopperde de vrouw tegen haar gezel die verwoed in zijn neus zat te peuteren.
─”Nu moet ik toch even mijn hersens interviewen”, zei de man die een lastige vraag voorgeschoteld kreeg.
─”Men zou geld voor je moeten inzamelen,” vond ze, “want je bent gehandicapt.”
─”Wie het lang heeft, laat het lang hangen en wie het nog langer heeft, laat het slepen.”
─”Oud worden vind ik niet erg. Het is dat lelijk worden.”
─”Ik hou van hem, maar ik hoef geen nieuwe als hij stuk is.”
─”Ik kook niet vaak en als ik het wel doe, dan is het van woede.”
─”Ik zal mijn mond maar houden”, zei de man. “Doe dat!” zei de vrouw. “Ik wil hem toch niet.”

Week van het Nederlands 2021

De week van het Nederlands – van 2 tot 9 oktober – loopt op zijn laatste benen en aangezien ik een grote affiniteit heb met de taal van mijn moeder wil ik daar op de valreep toch even aandacht aan besteden.

Ik zit al mijn hele leven ondergedompeld in talen en dat niet alleen beroepshalve. Niet zonder trots mag ik verkondigen dat ik er elf beheers en dan laat ik beTALEN nog buiten beschouwing. Het Nederlands, en vooral de West-Vlaamse variant ervan, draagt samen met het Spaans mijn absolute voorkeur weg en ik heb heus geen ‘week van het Nederlands’ nodig om met taal bezig te zijn. Er gaat geen dag voorbij of ik noteer enkele eigenaardigheden die ik tijdens mijn werkzaamheden in het Nederlands aantref.

Ter illustratie geef ik jullie hieronder hetgeen ik gisteren aan mijn schriftje toevertrouwde:
– Ik vind geharrewar een mooi woord
– Als ik een taart of een pizza in acht punten verdeel, ben ik die dan aan het achtendelen (naar analogie van vierendelen)?
– “Moet u er een zakje omheen?” vroeg het winkelmeisje van de bakker. Ik vond dat een originele en prettige uitdrukking.
– In het woord ‘angstschreeuw’ volgen maar eventjes acht medeklinkers elkaar op. In ‘slechtstschrijvende’ van bijvoorbeeld ‘slechtstschrijvende journalist’ zijn dat er zelfs negen.
– Ik vind uitwerpselen een raar woord.
– Tenslotte volgt hier de opsomming van de contradictiones in terminis die ik in de loop der jaren heb verzameld:
boosaardig, droefgeestig, basalt, kwaadaardig, leedvermaak, meermin, rampzalig, tuinhuis, zeeland, volledig, bergdal, vuurwater, klapzoen, monopolie, morgenavond, terugweg, zoutzuur, ijswater, ontvangstvertrek, buitenhuis, vreugdetranen, manwijf, waterstof, zandsteen, plusminus, zwartwit

In stijgende lijn bergafwaarts

Ik krijg bijna nooit cadeautjes, zelfs niet met nieuwjaar of als ik jarig ben. Het is te treurig voor woorden en soms raak ik in grote droefenis. Daarom bestel ik zo nu en dan iets op internet, zodat ik me op de komst van een pakjesdrager kan verheugen en blij, ja zelfs geveinsd verrast reageer als hij of zij het presentje aanbiedt. Ochgottegot! Hoe zielig is dat?! Ja, een mens doet wat in zijn wanhoop.

De levering van zo’n pakje wordt steevast voorafgegaan door een aankondiging van de koeriersdienst in kwestie. Ze delen je per e-mail mee wanneer je hun bezorger mag verwachten: meestal is dat tussen 8 en 18.45 uur. Christene zielen! Je zal erop zit te wachten!

Meestal vermag ik dat popelen uit te zitten tot een uur of tien, maar dan komt er een eind aan mijn uit ijzig gletsjerwater opgerezen ascese. Dan moet ik opeens nodig naar de wc, of voel ik me plots geroepen om mijn tanden te poetsen, vaat te wassen, pannen met etenswaren op het fornuis te poten, of om wat letters op papier te gooien. Je zult het nooit anders zien: net als ik neergestreken ben op mijn porseleinen pony om de geit te verzetten of een bout uit te draaien, of als ik me schuimbekkend bij de wastafel in de badkamer ophoud, de handen vol heb met vuil keukengerei, of potten bewaak die op het vuur staan klaar te komen, of bezig ben mijn vulpen met inkt vol te zuigen … uitgerekend op zo’n moment weerklinkt de deurbel die de komst van mijn pakje aankondigt.

Dan slaak ik een putdiepe zucht van gespeelde verontwaardiging, omdat ik schijnbaar ten zeerste verongelijkt ben dat men bij me aanbelt op een ongelegen moment, terwijl ik wel wat anders te doen heb dan prutsdingen in ontvangst te nemen. Ik kom immers handen te kort en heb gewoon een natte rug.

Volgens mij doen ze het expres. Ik denk dat ze mij bespioneren.

Leedvermaak?

Hoewel ik sociale media als de latrine van de publieke opinie beschouw, verkwist ik af en toe wat tijd aan Twitter. Wat me daarbij opvalt, is dat veel van die twitteraars lang niet alles scherp te krijgen wat de Nederlandse taal betreft. Nauwelijks gehinderd door enige kennis van zaken schrijven ze als een keukenmeid en bezondigen ze zich ongegeneerd aan taal- en stijlfouten, waarbij vooral de dt-regels het moeten ontgelden.

Nu ik toch Twitter bij de kop heb, wil ik daar nog wat meer over kwijt. Sommigen gebruiken dat medium immers om de wereld kond te doen van treurige, of zelfs tragische gebeurtenissen, zoals bijvoorbeeld het verscheiden van een geliefd wezen ─ mens of dier ─ of het toeslaan van onheil, zoals daar zijn lichamelijke of materiële rampspoed. Het leven is nu eenmaal een potpourri van tegenslagen. Hun lezers kunnen omtrent deze berichten hun deelneming betuigen, wat bij Twitter evenwel enkel mogelijk is via de knop ‘ik vind dat leuk’. Bewaar me, zeg!

─ “Er is bij mij borstkanker vastgesteld.”
─ “Mijn hond is onder een auto terechtgekomen en heeft dat niet overleefd.”
─ “Mijn vader heeft het tijdelijke met het eeuwige verwisseld.”
Het zijn allemaal berichten die anderen ‘leuk vinden’.

Ik vind dat eigenlijk niet zo’n succes, laat staan leuk.

Ludivine Dedonder: een trut van Troje

O, wat erger ik me aan de in zeer hoge mate door mij misprezen Belgische minister van Defensie: de zurkeltrut Ludivine Dedonder. Als jullie willen weten waarom ik zo’n godsgruwelijke schurfthekel aan dat mens heb, moeten jullie vooral doorgaan met lezen.

Naar aanleiding van de onverkwikkelijke gebeurtenissen in Afghanistan en de daarmee gepaard gaande tussenkomsten van het Belgisch leger verscheen deze danig over het paard getilde kakmadam op mijn televisiescherm, terwijl ze geïnterviewd werd door een journalist van de VRT, zijnde de Vlaamse televisie. Desalniettemin kwam er geen enkel Nederlands woord over de lippen van dat wijf. Ze overtrad alle regels van het fatsoen door de taal van de hoofdmoot der Belgen doodgemoedereerd te negeren, waarschijnlijk omdat ze te dom of te lui is om die aan te leren. Of zou ze het Nederlands beneden haar Waalse en socialistische waardigheid vinden?

Het in meer of desnoods mindere mate beheersen van beide landstalen zou een conditio sine qua non moeten zijn voor de leden van de Belgische regering. En dus ook voor het onbeschofte schepsel en de in hoge mate door mij misprezen kakmadam: Ludivine Dedonder.

Ze komt daar niet mee weg, althans niet wat mij betreft. Als het aan mij ligt, zal ze roemloos tenondergaan.

Zou Sandra een manwijf zijn?

Een van mijn telefoons gaf te kennen dat iemand me probeerde te bereiken.
─”Met Benjamín!” maakte ik me kenbaar met een Spaans accent ─ BenchaaMIEN ─ en de diepe basstem ─ timbre contrabassaxofoon ─ waarmee ik toegerust ben.
─”Is ‘t met Sandra?” vroeg een vrouw in mijn oor.

Sandra?! Met zo’n nobele bas van een spreekorgaan? Sommige mensen hebben toch echt een bord voor hun kop. Of zou die Sandra toevallig over de viriele stem van een oudtestamentische god beschikken?

Een afdankertje

Ik heb me laten vertellen dat de omtrek van onze aardkloot 40.047 kilometer bedraagt. Als dat zo is ─ en ik zou niet weten waarom dat niet zo zou zijn ─ dan hebben mijn fiets en ik een gedenkwaardige prestatie verricht: we zijn namelijk samen als het ware rond onze bol gereden, zoals jullie op onderstaande foto kunnen zien.

aardomtrek

We hebben dit bravourestukje al met al zonder veel kleerscheuren bewerkstelligd. Het tuig heeft me slechts twee keer met een lekke band opgezadeld, hetgeen telkens door de niet zo bekwame, want uitermate lang op zich laten wachtende pechdienst van de VAB werd verholpen. Ik ben er ook maar twee keer mee gevallen en heb dus alle redenen om tevreden en dankbaar te zijn …

… maar ik ben nu eenmaal een ondankbaar stuk potvreten, dus heb ik me verleden week een spiksplinternieuw rijwiel aangeschaft: een niet zo goedkope tweetrapsraket van Gazelle, die toegerust is met talloze toeters en bellen.

Zodoende staat mijn trouwe metgezel van meer dan veertigduizend kilometer nu in de garage te verkommeren, hetgeen natuurlijk bijzonder treurig is, maar wie ben ik dat ik me daaromtrent zou bekreunen? Ik klim gezwind in het zadel van mijn sierlijke gazelle en galoppeer lustig het Vlaamse land in.

Stoorzender

Ik gebruik zelden mijn vaste telefoon en als die al eens rinkelt, of beter gezegd een nogal naargeestig gezoem produceert, krijg ik meestal een Engelstalige correspondent(e) te horen, die me zogezegd belt in opdracht van Microsoft, om … ik weet niet wat aan me op te solferen, zoals we dat in Vlaanderen zeggen, want nog voor ze dat kunnen uitleggen, heb ik al de verbinding verbroken. Ik heb me daaromtrent al eens omstandig opgewonden in het schrijfsel Stoorzenders.

Gisteren rinkelde … eh … zoemde dat toestel opdringerig en ik kreeg een aangename vrouwenstem aan de lijn, die bovendien Nederlands sprak.
–”Dag meneer!” zei ze. “Ik ben Liselotte Vanzwiereltruus.” Zo heette ze natuurlijk niet, maar ik ben haar naam vergeten. “Ik ben in hoge mate begaan met het welzijn van de mensen. Mag ik u vragen hoe het met u gaat?”
–”Wie zei u dat u bent?” koesterde ik argwaan.
–”We kennen elkaar niet, maar …”
–”Waarom belt u me dan?” kapte ik haar af.
–”Wel,” zei ze, “ik ben getuige van Jehova en …”
–”Niet geïnteresseerd!” riep ik. “Dag mevrouw!”
En ik drukte haar brutaal mijn oor uit.

Wel, heb je van je leven! Die luiden plachten op zondagmorgen bij je aan te bellen, om je leven binnen te dringen. Door het virus moeten ze het nu waarschijnlijk over een andere boeg gooien en proberen ze je telefonisch te bekeren en zieltjes te winnen, maar …

… niet met deze jongen!