Schijndood

herfstboom

… begint de natuur noodgedwongen, zij het treuzelig aan de herfst.

Binnenkort zullen bomen en struiken slordig met hun blaren omspringen;
het zal wieroken in de bossen, die zich vermommen als gobelins vol bestorven kleuren en goud;
foulards van nevel zullen op weiden, akkers en velden spelevaren;
de wind zal jolige buitelingen maken en in zwierige rokken rond de huizen dansen;
uit de grond zal verderf walmen;
we zullen rozevingerige dageraden en schilderkunstige avondluchten te zien krijgen …

… maar zoals Karel van de Woestijne al schreef: Het is (en blijft) triestig dat het regent in den herfst.

Rood geklauwd

─”Ik val nooit in slaap bij de televisie!” protesteerde de man, nadat zijn echtgenote hem daar op nogal spottende wijze van beschuldigd had.
─”Je hebt overschot van gelijk”, antwoordde de vrouw. “Je valt niet in slaap, maar je gaat knock-out; je snurkt als een varken en je bent met geen kanon wakker te krijgen.”

Deze woordenwisseling greep een paar maanden geleden plaats en ik was daar zowel oor- als ooggetuige van, maar besloot wijselijk om me niet in het gesprek te mengen. Partij kiezen, beperk ik tot het stemhokje, waar ik ─ ik vertel jullie geen nieuws ─ steevast de voorkeur geef aan N-VA, wat volgens mij iedere weldenkende Vlaming zou moeten doen, maar ieder zijn meug, zei de boer, en hij at paardenvijgen.

Ondertussen heeft de echtgenote in kwestie haar man een onomstotelijk bewijs geleverd van hetgeen zij beweerde en hij ontkende. Terwijl hij zich bij de televisie in de betovering van een lethargische slaap bevond, bestond ze het om zijn teennagels te lakken in een hartstochtelijk rode kleur die de ogen teisterde.
─”Wel godverdomme hier en gunter!” riep de man toen hij ontwaakte. “Wat is dit nu voor ongein?”
─”Dat moet nochtans gebeurd zijn terwijl je niet lag te slapen bij de televisie”, schamperde zijn wederhelft.

Ze verzweeg dat hij de lak kon verwijderen met dissolvant, met haarlak of desnoods met deodorant, zodat hij zich tijdens de hete hondsdagen van augustus nergens blootsvoets durfde te vertonen.

Bemoeial

De bel gaf lament; het rode licht begon te knipogen en de slagboom zeeg neerwaarts. Het kon haast niet anders of er zat een trein aan te komen, dus vond ik het raadzaam om de remmen dicht te knijpen en halt te houden. Een nogal luidruchtige groep wielertoeristen, die luidkeels naar massageolie stonken, volgde mijn voorbeeld.

De trein raasde voorbij, maar het rode licht knipoogde lustig verder en ook de slagboom week geen voetbreed, wellicht omdat er een tweede exemplaar in aantocht was.
─”Ja, zo gaat ons gemiddelde natuurlijk steil de dieperik in”, gaf een van de recreatieve fietsers lucht aan zijn misnoegen daaromtrent en hij staarde naar een op zijn stuur bevestigd instrumentje, waarop zijn prestaties in cijfers omgezet werden.
─”Als ik jou was,” meesmuilde ik, “zou ik die bel en die slagboom straal negeren en doorrijden. Veel kans dat je gemiddelde dan steil de hoogte inschiet.”

Hij kon daar niet mee lachen, maar slaagde er niet in om een gepast weerwoord te verzinnen. In plaats daarvan keek hij me aan alsof ik een giftig reptiel was. Zijn gezicht verried dat ik een kopstoot van hem kon krijgen. Zelfs meer dan een.

Ik zal nu toch eindelijk eens moeten leren om mijn klep te houden. We beleven immers wrede tijden en de mensen hebben tegenwoordig steeds langere tenen. Het zal nog eens zo gaan dat ik de krantenkoppen haal, wegens een confrontatie met dodelijke afloop.

Asperges me! ─ 2

De morgenstond had geen goud in de mond, maar was gehuld in regenflarden. Tussen twee vlagen door spurtte ik met de fiets naar de supermarkt, omdat hetgeen ik ‘s middags wilde klaarmaken om te eten een essentieel ingrediënt behoefde, dat ik niet in mijn voorraadkasten aantrof.

Niettegenstaande er zich boven me wolkenpakken in hevig gedrang bleven ophouden, zag het ernaar uit dat ik het ook op de terugweg droog zou houden …

… maar toen reed ik voorbij zo’n vervaarlijk wegkasteel: een betonmixer die langs de kant van de weg geparkeerd stond. Terwijl ik dat deed, kreeg ik onverhoeds een niet te onderschatten gulp water over me heen, die met zo’n kracht op me neergutste dat ik bijna van mijn fiets kukelde.

De chauffeur van het vehikel had namelijk plots last van schoonmaakwoede gekregen. Gewapend met een sproeilans was hij op zijn voertuig geklommen om vanaf die verheven positie uitbundig aan het spuiten te gaan, evenwel zonder rekening te houden met toevallige passanten, zoals ik. Hij kon kennelijk ook niet goed mikken.

Hoewel de regen het nog geruime tijd liet afweten, hield ik het toch niet droog. Ik kwam zo nat als een dweil thuis en zag eruit als een verzopen kat. Bovendien bleken een aantal kledingstukken van me onherroepelijk beschadigd te zijn door dat agressieve betonwater.

Zal ik een klacht indienen? Of is het (beton)sop de kool niet waard?

We stegen met een zucht …

Op Twitter verscheen een bericht van ene Vincent Peone: hij zou de enige passagier geweest zijn in een vliegtuig van Delta Air Lines, dat van Aspen naar Salt Lake City vloog. De tweet ging vergezeld van een filmpje, waarmee hij zijn bewering staafde en dat meer dan drie miljoen keer bekeken werd, voor bleek dat het hele verhaal verzonnen was. Het vliegtuig in kwestie was zelfs niet van de grond geweest en het boordpersoneel had het spelletje meegespeeld. ‘t Was maar om te lachen …

… maar nu ben ik aan de beurt en ik zweer op mijn eerstecommuniezieltje dat hetgeen ik verkondig de gehele waarheid is en niets dan de waarheid.

Op 1 april 1991 ─ nee, het is geen grap ─ zat ik als enige passagier in een Boeing 737 van Sabena, die om 20u25 opsteeg van het vliegveld Kloten  ─ hoe verzinnen ze het? ─ In het Zwitserse Zürich en omstreeks 21u40 in Zaventem landde.

Gelachen dat ik heb! En over de kop dat Sabena tien jaar later ging!

vliegbiljet

Krasse knarren

Door Jut en Jul verlaten zat ik in een restaurant, waardoor ik ten prooi viel aan grote eenzaamheid. Aangezien ik geen conversatie hoefde gaande te houden, had ik ruimschoots de tijd om allen daar aanwezig te observeren.

In een hoek van de gelagkamer hadden een man en een vrouw tegenover elkaar aan een tafel plaatsgenomen. Ze waren beiden oud en der dagen zat en aten niet zozeer met lange, dan wel met trage tanden. Ze wisselden geen woord en slaagden er niet in hun bord leeg te eten, dus verzochten ze de serveerster, tevens eigenares van het etablissement, om de overschotten dusdanig te verpakken dat ze die mee konden nemen, verzoek waar de bazin in alle vriendelijkheid gevolg aan gaf.

De man dronk nog een biertje en de vrouw verlustigde zich aan een kop koffie. Terwijl ze die vloeistoffen stilzwijgend tot zich namen, leken ze bijwijlen zelfs in te dommelen. Toen ze ontwaakten, maakten ze gelijk aanstalten om te vertrekken. Met de moeite die eigen is aan de ouderdom en met deprimerend gesjok naast een wandelstok verlieten ze het pand.

─”Hoe oud zijn die mensen eigenlijk?” vroeg ik aan de waardin.
─”Hij is vierennegentig en zij achtentachtig,” vernam ik, “maar ze verzetten zich wel hardnekkig tegen het oud worden.”
─”Hoezo?” fronste ik.
─”Kijk maar!” zei ze en ze wees naar een raam, waar op dat moment een dakloze, maar niettemin zeer dure sportwagen in mijn vizier verscheen.
Aan het stuur zat de oude dame. Naast haar werd haar nog bejaardere echtgenoot ietwat schabouwelijk overeind gehouden door een veiligheidsgordel.

De chauffeuse gaf een flinke dot gas en weg waren ze!

Het zoet genot van tranen

Ergens in ons tochtgat aan de Noordzee, waar er nog veel horizon is en vertes zich aaneenrijgen, stapte ik van mijn fiets om te bermstengelen. Jullie weten ongetwijfeld wat ik bedoel, ook al zul je deze bezigheid niet in een woordenboek aantreffen, zelfs niet in dat dikke geval van Van Dale, want die lopen wel vaker achter.

Als jullie het woord even door Google mangelen, zullen jullie nochtans ontdekken dat ik er al meer dan acht jaar geleden mee op de proppen kwam. Ik ben er me van bewust dat ik me in mijn schrijfsels vaak aan ouderwets en plechtstatig taalgebruik bezondigd, maar dat doe ik expres, omdat ik het archaïsche Nederlands prachtig vind. Ik aarzel evenwel ook niet om nieuwe woorden te verzinnen en te gebruiken, zoals bijvoorbeeld bermstengelen, maar daar heeft Van Dale kennelijk geen oren naar. Als ze het ‘ochtendgrijs’ van weerman Frank Deboosere de moeite van het vermelden waard vinden, dan heeft bermstengelen volgens mij ook een plaatsje verdiend, net als de andere vondsten waarmee ik het Nederlands lardeer en opsmuk … maar ik zit hier af te lopen. Even terug naar het onderwerp dat ik net bij de kop had.

sjaaltjeIk had dus de geit verzet en stond wat na te genieten van deze verlossende daad, toen er naast me een blitse en dus zeer dure cabriolet stopte. Aan het stuur van die jet met nummerborden zat een uitvoerig opgemaakte dame. Haar haardos leek omgescharreld door opgewonden vogeltjes en ze had de hals omgord met het soort sjaaltje, dat diva’s in oude films plegen te dragen als ze aan boord van een dakloze auto klimmen.

─”Kunt u me op weg helpen naar ‘Het Tranendal?” vroeg ze.
Als ik tot handgemeen overging en haar een teringloeier van een oorvijg gaf, zou dat wellicht een tranendal veroorzaken, maar ik had niet de indruk dat dit haar bedoeling was.
─”Is dat de naam van een straat of een gehucht?” informeerde ik, want er ging niet meteen een lampje bij me branden.
Ze raadpleegde een document dat naast haar op de passagiersstoel lag.
─”Oei!” schrok ze. “Ik heb me getrompeerd. Het is ‘De Waterlander’.”
─”Men heeft inderdaad waterlanders nodig om in een tranendal terecht te komen”, grapte ik, maar die spitsvondigheid ging bij haar compleet de mist in.

Ik had tijdens mijn zwerftochten al een paar keer die Waterlander ontmoet, dus kon ik haar op het goede spoor zitten. Ze speerde van me weg. Haar sjaaltje wapperde vrolijk in de wind.

waterlander

Stoorzenders

Telefoneren … ik ben er absoluut niet bruin op. Ik doe het dan ook zo zelden mogelijk en vrijwel altijd met tegenzin.

Hoewel ik die schaarse gesprekken bijna uitsluitend met mijn mobiel toestel uitvoer, beschik ik ook over een zogeheten landlijn, ook vaste lijn genoemd. De hemel weet waarom! Het apparaat dat daarmee verbonden is, staat hier dus meestal te staan, ten prooi aan werkloosheid, al is daar een aantal weken geleden plots verandering in gekomen.

Het ding begon namelijk zo onverhoeds te bellen – nu ja, lawaai te maken – dat ik ervan schrok. Toen ik de verbinding tot stand bracht en hallo zei, kreeg ik een vrouw te horen, die kennelijk met een vlotte babbel gesierd was en begon af te lopen als een Tibetaanse gebedsmolen. In geradbraakt Engels beweerde ze dat ze me ‘from Microsoft’ belde en …
– “Do you speak Dutch?” onderbrak ik haar, want ik had via via opgevangen, gelezen en gehoord dat dergelijke telefoontjes uitsluitend bedoeld zijn om je geld afhandig te maken.
–”No sir”, bekende ze ootmoedig en zodoende trapte ze in mijn val.
–”Wel dan,” zette ik mijn beste Engelse beentje voor, “als je geen Nederlands spreekt, hoef je me niet te telefoneren.”
Waarna ik de verbinding verbrak.

Ik dacht dat de kous daarmee af zou zijn, maar ik dacht verkeerd. Sindsdien krijg ik dagelijks dames, juffrouwen en heren van Microsoft aan de lijn, soms wel tien keer per dag. Ik kreeg het daar dusdanig van op mijn teringtietjes dat ik inmiddels alle fatsoensnormen overboord heb gegooid. Als zo’n vrouwmens zich aanmeldt, zeg ik: “You are a lying bitch! Drop dead!” Als het een kerel is, zeg ik: “You are a lying motherfucker! Go to hell!”
En dan snoer ik ze de mond.

Het zet echter geen zoden aan de dijk. Ze volharden in de boosheid. Ik zal iets moeten verzinnen dat nog doortastender is. “Grow feathers and shit in a tree!” misschien. Of anders gewoon: “Fuck your shit!”

Ze moeten het mij vooral niet tegen maken. In welke hoek willen ze liggen?!

Goedkoop, jawel, maar niet perfect

Sinds jaar en dag ben ik een geregelde en vrij tevreden klant bij Colruyt. Ik laat er iedere maand zo’n drie- à vierhonderd euro, al krijg ik daar natuurlijk leeftocht voor in de plaats.

Als ik hierboven mijn waardering als ‘vrij tevreden’ omschrijf, maak ik inderdaad enig voorbehoud. Dat komt door enkele minpunten, die enigszins mijn winkelvreugde temperen.

Het gebeurt namelijk steeds vaker dat favoriete producten van me onaangekondigd uit het aanbod verdwijnen, om nooit meer terug te keren. Zo kocht ik al ettelijke jaren en iedere maand miniworstjes van Cabanossi, maar die zijn al maanden nergens meer te bespeuren, net als de boter Les Prés uit de Camargue en de profiteroles met room van Boni … om van de rest nog te zwijgen.

Bovendien heeft Colruyt de toch wel ergerlijke neiging om de indeling van hun winkels te wijzigen en artikelen op een andere plaats onder te brengen, waardoor ik soms een heuse speurtocht moet ondernemen om te vinden wat ik wens. Daar heb ik, en veel anderen met mij, een gloeiende siroophekel aan en laten we wel wezen: ik heb wel wat nuttigers te doen.

Ook weigeren ze halsstarrig om soms gerenommeerde streekproducten in hun gamma op te nemen. Ik heb ze bijvoorbeeld al herhaaldelijk gevraagd om de weergaloze mosterd van Wostyn – die men op nauwelijks een paar kilometer van de supermarkt vervaardigt – aan te bieden, maar daar hebben ze blijkbaar geen oren naar. Ik zie me derhalve genoodzaakt om voor die mosterd een andere supermarkt op te zoeken, waar ik dan vanzelfsprekend ook honderden euro’s aan andere producten spendeer. Het zal ze leren!

Een paar maanden geleden viel hun tweewekelijkse folder opeens niet meer in mijn brievenbus. Ik liet ze dat per e-mail weten en kreeg per kerende antwoord van hun klantendienst, zij het in nogal krakkemikkig Nederlands:

… Bedankt voor u (sic) mail. Ik heb naar aanleiding hiervan u (sic) profiel bekeken in onze database. Het kan wel degelijk kloppen dat u de folders niet ontvangen hebt …
En tralala en reldeldel en we zullen dat in orde brengen.

Ze vermelden echter niet hoe en waarom ik plots uit die database gedonderd ben en dat is net wat ik graag wil weten.

Spannend!