Categorie: Sprokkels

Van liefde verstoken

Ik kom bijna dagelijks voorbij een woning, waarin naar verluidt een vrijgezel huist. Hoewel ik de man niet persoonlijk ken, heb ik al veel over hem vernomen, want hij duikt regelmatig op in de gesprekken die men in de lokale neringen voert. Zo gaat dat immers in een dorpje dat nog net niet dood is en waar zelden wereldschokkende dingen gebeuren.

Op een keer, toen ik bij de groenteboer mijn beurt afwachtte, waren twee klapeksters onomwonden bezig zijn doodzonden van de bomen te schudden. Volgens hun zeggen leek zijn huis op een ommuurde vuilnisbelt en was hij dom, en achterbaks, en brutaal, en … Plots mengde de man die voor me stond zich in het onderhunsje. Hij zei op geërgerde toon:
─”Zijn jullie zeker dat jullie niets vergeten? Een alcoholprobleem of zo?”
Het was een nogal drieste en niet geheel ongevaarlijke aanpak, maar hij snoerde ze er wel de mond mee en oogstte mijn stille bewondering voor zijn dapperheid.

Aan het huis kan je eigenlijk niet zien dat een vrijgezel er hoofdkwartier houdt. Nu ja, de ruiten zijn nogal smoezelig en de berookte vitrage heeft niet de juiste afmetingen, maar daar kan men geen conclusies aan vergooien. Onlangs prijkte er zelfs een appetijtelijke fruitmand op de vensterbank.
─”Zie je wel dat het zo’n vaart niet loopt!”, dacht ik bij mezelf. “Een vrijgezel die gezonde vruchten in huis haalt, heeft besloten om te zwemmen en niet gewoon met het leven mee te drijven.”

Inmiddels zijn we drie weken later en de fruitmand staat nog steeds onaangeroerd op die vensterbank, al biedt de inhoud ervan niet meer zo’n fraaie aanblik. De bananen zijn vrijwel helemaal vergaan en ook bij de andere vruchten is de aftakeling duidelijk zichtbaar. Volgens mij kan het daarbinnen toch niet bijzonder fris ruiken, maar ieder zijn meug natuurlijk. Ik heb me daar niet mee te bemoeien.

Hij zal daar toch niet dood liggen, wel?

Averullen

We schrijven mei en als ik onderweg ben, en dat ben ik vaak, durf ik nogal eens over te gaan tot het schudden aan beukengroeisels, zoals daar zijn hagen en boomtakken, in de hoop dat ik er eindelijk nog eens een meikever zal aan ontfutselen, want dat is, geloof ik, honderdduizend jaar geleden. Ik ben er nog steeds niet in geslaagd. Zijn die beestjes uitgestorven misschien?

De averulle van mijn titel is trouwens een dialectwoord voor meikever, dat slechts in een heel klein gebied tussen Kortrijk en Roeselare gangbaar is. Het is een samenvoeging van het West-Vlaamse aven (avond) en rullen (ronken). Aangezien meikevers enkel ’s avonds vliegen en daarbij een brommend geluid produceren is averulle (avondronker) best wel een aardig bedenksel. Blijkbaar vond Guido Gezelle, onze legendarische dichter en talengenie, dat ook, in een zeer door mij gesmaakt gedicht dat hij aan de kever wijdde, niettegenstaande de lullige, ietwat betuttelende zedenles van het slot.

De Averulle en de Blomme

Daer zat ‘nen keer een Averulle
En lekte met ‘nen zom,
Zom, zom,
Den dauw van op de bla
Die klaer bedreupeld waren
Lyk met ‘nen dreupel Rhom,
Rom rom.

Wanneer zy fraei gedronken had,
Zoo vloog ze schreef en krom,
Rom, rom,
Al neuzlen en half dronken,
Tot waer de kleêrkes blonken
Van eene schoone blom,
Lom, lom.

De blomme die ze kommen zag
En viel niet al te dom,
Dom, dom,
Maer riep zoo, loos van zinnen,
Hei! Kobbe, kom my spinnen
Een kobbenet rondom,
Om, om.

En Kobbe, die was seffens g’reed,
En steld’ heur pootjes krom,
Rom, rom;
Zy spon heur looze netten
Om haer daer in te zetten,
En zat daer stille en stom,
Tom, tom.

En als de Rulle kwam naby
Geflodderd krom en slom,
Lom, lom,
Zoo is ze in ‘t net gevlogen,
En deerlyk uitgezogen,
Of schoon zy jankte: zom
Zom zom!

De looze blomme loech er meê
Die looze booze blom,
Lom, lom,
Eilaes! zoo menig jonkher
Wordt – uitgezogen pronker,
Om eene schoone blom:
Dom! dom!

Guido Gezelle

Een vogel voor de kat

Door de overschakeling naar de zomertijd valt er te mijnent helaas een slachtoffer te betreuren. Om jullie meteen gerust te stellen: nee, ik ben niet van een stoel of een laddertje gedonderd terwijl ik wijzers een zetje gaf.

Ik bezit een Schwarzwälder Kuckucksuhr.  Ik heb het hier niet over een met een zwart schaamwoud toegerust meisje van lichte zeden dat kiekeboe speelt, maar over een authentieke koekoeksklok uit het Zwarte Woud in Germanistan, die men jaren geleden aan mij vererfde.  Veel mensen vinden het een kitscherig geval en zelf ben ik er ook niet laaiend enthousiast over, maar een erfstuk van je grootmoeder kan je niet zomaar bij de kraak zetten. Een beetje respect alsjeblieft! Omdat ik allerminst van zulke dingsigheden houd, verborg ik het geval lange tijd op zolder, waar het op zekere dag ontdekt werd door een man die een verstandige bril op zijn neus had. Hij vermoedde dat ik weleens de eigenaar kon zijn van een heel oud, goed bewaard en daarom waardevol exemplaar, hetgeen deskundologen enkele weken later bevestigden. Sindsdien siert … nu ja … het antieke gevaarte mijn woning, al dien ik toe te geven dat ik de houtsnijkunstige nestkast niet meteen in het zicht opgehangen heb, want dat zou de genade overvragen zijn. Toen ik het gewrocht een plaatsje gegeven had, bleek het resultaat nogal mee te vallen, want het is best wel aan aardig meetinstrument, waar iemand — in casu een Zwarte Wouder — buitengewoon veel tijd aan besteed heeft. Kunstig houtsnijwerk, alles keurig gepolijst en strak in de lak … ga d’r maar aan staan. Ieder uur klapt er een luikje open, waarna een vogeltje — een koekoekje veronderstel ik — in de deuropening verschijnt, om me met fluwelen gezang de tijd mede te delen. Als het bijvoorbeeld elf uur is, weerklinkt er elf keer koekoek … maar dat hadden jullie voorzeker al begrepen, want jullie zijn niet dom. Bij elke roep roert het vogeltje ook werkelijk het snaveltje en het maakt zelfs een hoofs buiginkje: iets wat ik ten zeerste apprecieer, want ik hou van goede manieren, zowel bij mensen als dieren.

Vandaag doe ik jullie echter druilorend kond van het droevige lot dat mijn Schwarzwälder Kuckucksuhr beschoren was.

Onlangs  heb ik het ding immers de zomertijd opgelegd en zodoende heb ik waarschijnlijk het daarin gehuisveste vogelkijn wat opgeschrikt, want ‘s anderendaags was het een beetje van slag. Zijn stem klonk plots wat heser dan anders.
‘Ach, hij zal een koutje gevangen hebben’, vermoedde ik en ik besteedde er verder geen aandacht aan. Enkele dagen later begon hij zich echter te vergissen. Hij verkondigde stelselmatig het verkeerde uur en bracht me voortdurend in verwarring. Ik hoorde hem zeven keer kwelen en dacht: ik heb nog tijd zat om dit te doen en daarna dat … waarna het opeens donker werd en bleek dat hij niet zeven, maar negen keer had moeten roepen. Een dementerende koekoek … bestaat dat? De klok waarin hij woont is in alle geval minstens 50 jaar oud, dus zou het best weleens kunnen dat hij de tel wat kwijtraakt.

Ik bracht hem met zijn hele hebben en houden naar het ziekenhuis: te weten een bejaarde man in Brugge, die zich al heel zijn leven aan het herstellen van koekoeksklokken wijdt. Verleden week werd hij daar ontslagen en hing ik hem opnieuw op zijn vertrouwde plaats in mijn woonkamer. Hij was nog steeds wat hees, maar verkondigde opnieuw het juiste uur. Weliswaar meende ik een paar keer een gejank waar te nemen: een metalen geluid dat met het openklappen van het deurtje gepaard ging. Het was zo’n wangeluid dat men niet in letters vermag te vatten, maar vaak in tekenfilms te horen is als iemand een dreun op zijn kop krijgt, of als er een veer losspringt: poing!

Plots is het dan gebeurd.  Ik lag op de sofa een krant te lezen. Het werd tien uur. Het luikje klapte open, maar de koekoek verscheen niet rustig op de drempel. Hij flitse met een sneltreinvaart naar buiten, alsof men hem daarbinnen met een kanonnetje afgeschoten had, en stortte te pletter op de koffietafel. Een van mijn katten maakte een soort tijgersprong, greep hem in de muil en rende ermee de tuin in.

Ik heb al uren lopen zoeken, maar het vogeltje is nergens te bespeuren. Ik zou dat niet erg vinden, ware het niet dat mijn ongevogelde Schwarzwälder Kuckucksuhr nu plots veel minder waard is.

Omtrent Aline en Rogaciano

Aline viert een verjaardag
De Spaanstalige Rogaciano – ik wou dat ik zo heette – kwam als zestienjarige jongen uit een ver buitenland in onze contreien terecht. Ik genoot het voorrecht en ja,  het genoegen om hem in de geheimen van de Nederlandse taal in te wijden.

Nu was hij, laten we wel wezen, absoluut niet schadelijk voor de ogen en het duurde dan ook niet lang of hij had een vriendinnetje, Aline, dat hij binnen de kortste keren bezwangerde.
─”Lieve deugd!” riep ik toen ik dat vernam. “Gebruik je dan geen condoom?”
Hij bleef het antwoord schuldig, maar Aline verstrekte me gewillig tekst en uitleg.
─”Het was zijn verjaardag”, zei ze, “en als cadeau mocht hij een keertje zonder.”

 Het was meteen prijs.”

Terwijl ze dat openbaar maakte, wist Rogaciano even niet waar hij zich bergen moest. Hij kleurde tot achter zijn oren. Ik van mijn kant wist gewoon niet wat ik hoorde en zat te kijken alsof er zich een geest gemanifesteerd had.

Aline legde een markante oprechtheid, een volslagen gebrek aan kapsones en een niet klein te krijgen naturel aan de dag, maar ze had aan de bron der intelligentie slechts de lippen bevochtigd. Ze is een simpel zieltje, dat zelfs een gebruiksaanwijzing nodig heeft voor kauwgum … maar daarover later meer. Dat Rogaciano het een keertje zonder mocht doen en dat ook deed, was overigens ook niet bijster snugger van hem.

Aline krijgt een visioen
Ik had het hier net over de nogal ongebruikelijke manier waarop Aline en Rogaciano in het ouderschap verzeild raakten. Het kindje, een meisje, zag het levenslicht en kreeg al na luttele jaren het gezelschap van een zusje. Ik weet niet hoe en ter gelegenheid van welk feestgedruis het tweede kind dit keer verwekt werd en ik durf er ook niet naar te vragen, om niet opnieuw met de mond vol tanden te staan. Het zijn tenslotte ook mijn zaken niet.

Niet veel later sloeg het noodlot toe. Het meisje kreeg een levensbedreigende ziekte onder de leden. Aline riep alle goden aan, zocht heil bij talloze heiligen, consulteerde dokters en kwakzalvers, bad zich blauwe lippen en brandde massa’s kaarsen … tot ze op een nacht tijdens een visioen bezocht werd door een engel, of een andere hemelbewoner, die haar mededeelde dat haar dochtertje zou genezen als ze er zich toe verbond om gedurende de rest van haar leven voor een dier te zorgen, te weten een dolfijn of een paard.

Haar voorkeur ging uit naar een dolfijn, maar dat zag Rogaciano helemaal niet zitten natuurlijk, want je kunt zo’n dier bezwaarlijk in een huiskameraquarium onderbrengen. Het werd dus een paard.

Het kind genas en sindsdien is Aline eigenares van een paard, dat klauwen geld kost, nooit bereden wordt, nu al ettelijke zomers in een gehuurde weide rondkeutelt en evenveel winters in een dure stal staat te staan.

Ik kan niet anders dan mijn moeder zaliger gelijk geven: zot zijn doet geen zeer, maar het jeukt een beetje.

Aline bakt er niets van
Rogaciano, mijn protegé en de vriend van Aline – de Betsy Bolleboos die ik hier in mijn laatste twee schrijfsels liet opdraven – beschouw ik een beetje als de zoon die ik nooit zal hebben, terwijl hij me toevertrouwd heeft dat ik voor hem de vader ben die hij nooit zal hebben.

Hij is automonteur van beroep en hij werkt in een garage, een paar kilometer van de plek waar ik hoofdkwartier houd. Het gebeurt dan ook niet zelden dat ik hem over de vloer krijg.

Een paar dagen geleden stond hij plots bij me in de keuken, terwijl ik daar aan het kokkerellen was. Nu beschouw ik mezelf niet als een flonkerster wat eten betreft, maar als zoon van een gerenommeerde kokkin kan ik aardig over voedsel meepraten en heb ik het culinaire equivalent van groene vingers.
─”Hoh, het is hier neuzenvreugd”, snoof hij. “Wat ben je aan het klaarstomen?”
─”Provençaalse scampi. Het is nogal bewerkelijk, maar wel erg lekker.”
─”Jij kunt wat samengooien” kreeg hij hoorbaar het water in de mond.
─”Eet je mee?” stelde ik voor. “Er is meer dan genoeg.”
─”Ik hoopte er al niet meer op”, grijnsde hij.

Terwijl we het op een geweldig eten zetten, kreeg ik een toch wel merkwaardig verhaal te horen:
Rogaciano had op een keer zijn zinnen op om mosselen gezet en Aline had twee kilo van die schelpdieren aangeschaft, maar wist hoegenaamd niet wat ze ermee moest aanvangen. Ze telefoneerde met haar vader, die aan zee woont, kreeg tekst en uitleg en ging aan de slag. Ze ontdeed de weekdieren van baarden, pokken en vuil, hetgeen men in vaktermen knippen noemt, spoelde ze drie keer grondig en zette ze toen een tiental minuten in water.
─”… en toen kreeg ik opeens blijekoeienburgers voorgezet”, zei Rogaciano.
─”Wat kreeg je?!”
─”Vegetarische hamburgers”, verduidelijkte hij. “De mosselen waren volgens haar allemaal bedorven, want de schelpen waren niet opengegaan en daarom had ze het hele zootje weggegooid.”
─”Allemaal?” verbaasde ik me. “Dat kan toch bijna niet.”
─”Als je geen vuur onder de pot zet en de mosselen gewoon in koud water laat staan, zullen er zich maar heel weinig schelpen opengaan.”
─”Het is toch niet waar!”
─”Ze kan nog geen ei bakken”, schuddekopte hij. “Bij haar brandt zelfs water aan.”

Gelachen dat we die middag hebben, Rogaciano en ik, maar we hebben ook lekker gegeten, al waren de scampi niet opengegaan.

Op zijn Grieks

Als ik de tempel binnenaarzel, komt ze naar me toe. Achter de dunne stof van haar chiton ontwaar ik het luisterrijke klotsen van rosbiefjes.
—“Luchtig niemendalletje heb je aan”, zeg ik. “Swing es met je dinges!”
Ze glimlacht en schudt meewarig het hoofd, maar willigt niettemin mijn verzoek in en laat haar roomsoezen vrolijk hobbelen.
—“Tevreden?” peilt ze.
—“Zeer!” smak ik. “Volgens mij draag je daar niks onder. Draag je daar wat onder?”
—“Voor jou een vraag en voor mij een weet”, sart ze me ondeugend. “Als je me echter bevrijdt uit de klauwen van de roofgierige sfinx die mij hier gevangen houdt, door zijn aartsmoeilijke raadsel op te lossen, zal mijn dankbaarheid grenzeloos zijn en wil ik jouw antwoord dat je niet mag geven plezier verschaffen.”
—“Je slaat door als een blinde vink”, mompel ik. “Wat je raaskalt, is volstrekte, categorische kul. Zoiets mafs heb ik nog nooit gehoord. Maar goed … Waar vind ik dat enigmatische wezen? Toevallig is raadsels oplossen een hobby van me en ik ben er goed in, zoals in nog meer dingen. Dit onverschrokken heerschap zal dat schiemannen, lieve schat. Ik was dat varkentje wel voor je.”
—“Het is geen varkentje,” zegt ze, “maar een echte sfinx.”
—“Om het even! Dat zal mijn klomp niet roesten! Naast stieren bij de hoorns vatten, palingen bij de staart grijpen, wolven bij de oren houden en varkentjes wassen, ben ik ook gespecialiseerd in het ontraadselen van sfinxen.”

Ze gaat mee om nog een beetje te wijzen. Het gevleugelde monster zit op een rots boven een steile kloof de lippen te stiften.
—“Waarmede kan ik de weledelzeergeleerde bezoeker van dienst wezen?” klinkt het beleefd, hoewel enigszins bombastisch.
—“Ik kom uw kallipygische gevangene verlossen”, spreek ik kordaat.
—“Da’s een werk van barmhartigheid”, weet de sfinx. “Bent u er klaar voor?”
—“Vooruit, chagrijn!”
—“Niet brutaal worden!” dreigt het gedrocht. “Daar kunnen sfinxen niet tegen. Even pasoppen nu! Het begint met een l, het eindigt met een l en het is lang en stijf. Ra, ra, wat is het?”
—“Een lantaarnpaal”, zeg ik.
—“Wel godverdomme hier en gunter!” foetert de sfinx en hij valt van verbazing de afgrond in, waar hij te pletter stort.

—“Vele guirlandes, uit bloemen gevlochten, zal ik je om je slanke hals hangen”, jubelt het kennelijk welbespraakte huppelkutje dat ik bevrijd heb, of heeft ze zich ook met de nochtans lesbische dichteres Sappho ingelaten? “Met veel kostbare en koninklijke balsem zal ik je lichaam zalven, op een zacht bed je verlangen stillen en, zoals beloofd, jouw antwoord dat je niet mocht geven en ook niet gegeven hebt plezier verschaffen.”
—“Wat was dat antwoord dan?”
—“Lul natuurlijk!” grinnikt ze. “Begint en eindigt met de letter l, is lang en stijf … Gesnopen?”
—“Mijn verstand reikt niet zo laag”, verkondig ik. “Ik vind lul trouwens een lelijke benaming voor zo’n fraai en wonderbaarlijk instrument … Vertel me eens even, … Heb jij onder dat schabberige jurkje nog wat anders om het lijf?”
—“Nee!” bekent ze met behoud van glimlach. “Begenadigd als we hier zijn met licht en zon, hoeven wij ons lichaam niet in achterlijke klederdrachten te verdrinken.”
—“Je hebt dus vrij spel”, zeg ik met vrolijk aplomb.
—“Inderdaad”, gniffelt zij. “En jij natuurlijk ook.”
—“Zomaar? Zonder moeilijkdoenerij?”
—“Wij, klassieke Grieken, hebben een ruim geweten en een onbekrompen geest”, verklaart ze onbevangen.

Niets belemmert nog de weg naar handtastelijkheden, dus maak ik onbeheerst aanstalten om haar onder de chiton te graaien …

… en dan rukt een opdringerig zoemende wekker me zuur uit mijn slaap. Ik vermoord het ding en probeer nieuwsgierig voort te dromen, maar het lustige meisje in de schamele chiton is verdwenen. Een dragonder van een wijf heeft haar plaats ingenomen en die haalt me opnieuw uit mijn dommel, want ik voel me volstrekt niet geroepen om een kenau onder de gewaden te graaien. Opstaan dan maar …

De gruwelen der verliefdheid

Ze was vrijwel de hele middag in de keuken bezig, want daar frotte ze een melodieuze maaltijd in mekaar. Rond de klok van zessen, toen haar geliefde eraan zat te komen, ontstak ze tientallen kaarsen en theelichtjes in de woonvertrekken, waarna ze de lampen doofde en het gemoedelijk flakkerende schouwspel in ogenschouw nam. Ze twijfelde er niet aan dat haar vriend bij zijn intrede in een romantische bui zou ontsteken, waarna dartelheid hem allicht zou overmeesteren … en wie weet wat er dan allemaal kon gebeuren. Haar hersens maakten reeds aanstalten om ontuchtige gedachten en gulzige taferelen te ontvouwen, maar toen knarste zijn sleutel in het slot …

Hij trad binnen, keek om zich heen en sprak de weinig romantische, ja zelfs ontnuchterende woorden:
─”Oei! Zitten we zonder stroom?”

Haar ontuchtige gedachten zakten verschrompelend in elkaar, net als de gulzige taferelen … en de soufflés die ze even later uit de oven opdiepte.

Een baarse streek

Het is akelig als de telefoon ’s nachts overgaat, want meestal voorspelt dat niet veel goeds. Nu is het om vier uur ’s ochtends niet echt meer het holst van de nacht, laten we wel wezen, maar het blijft toch nog altijd een onchristelijk uur, om niet te zeggen een onwelvoeglijk tijdstip om iemand lastig te vallen. Ik schrok dan ook behoorlijk toen het toestel op mijn nachtkastje me brutaal uit de slaap rukte.

Hoewel ik nog niet helemaal bij mij positieven was, herkende ik meteen de stem van Reinhold, die sinds jaar en dag mijn vriend en tevens mijn spitsbroertje is. We hebben samen door vele watertjes gezwommen en we kennen elkaar van haver tot gort. Er blijven vandaag de dag niet veel mensen over die me dierbaar zijn en die ik om me heen kan velen, maar hij staat helemaal bovenaan op dat lijstje en dus mag hij bij mij een potje breken.
─”Heb je in je bed gepist?” vroeg ik.
─”Nee, maar ze hebben me opgesloten.”
─”Je meent het!” gaf ik lucht aan mijn verbazing. “Wat heb je uitgespookt?”

Sinds zijn echtgenote hem voor een beter exemplaar ingeruild heeft ─ al staat dat volgens mij nog zeer te bezien ─ woont hij zes hoog in een flatgebouw in Oostende en derhalve niet zo ver bij me vandaan. Omdat hij, net als ik, regelmatig buitengewoon verstrooid is, had hij de avond voordien zijn sleutels aan de buitenzijde van de deur laten zitten en iemand ─ wellicht een medebewoner die zichzelf als de leukste thuis en in de belendende percelen beschouwde ─ had er niets beters op gevonden dan doodleuk de sleutel om te draaien en zodoende Reinhold van zijn vrijheid te beroven.

─”Kun je misschien even tot hier komen, want ik heb vroege ochtenddienst?”
─”Ik ben er over een kwartiertje.”
─”Breng je voor alle zekerheid jouw sleutel mee? Het is heel goed mogelijk dat ze die van mij meegenomen hebben.”

Ik begaf me op weg om de gevangene te verlossen, hetgeen nog altijd een werk van barmhartigheid is. Stel je voor dat er brand uitbreekt en dat je niet kunt ontsnappen omdat een zultkop je nodig in de zeik wou nemen.

Mensen kinderen en christene zielen! Wat heb ik toch een interessant leven! Spannend!

Zweefkees

Ik heb hier al eerder mijn spitsbroeder Reinhold opgevoerd, meen ik me te herinneren. Toen hij me gisteravond een bezoek bracht, was hij opnieuw en nog maar eens in het gezelschap van onze malafide vrienden: Al Cohol en Marie Huana. Het duurde dan ook niet lang of we verkeerden in een milde staat van euforie, waardoor ik ras een drenkeling in mijn woordenstroom was:

─“Er was eens een eenzame traan,” mijmerde ik, “die uit een bedroefd oog vloeide en langs een doorgroefde wang naar beneden biggelde, maar opeens kwam de vinger die hem wegpinkte en hem aldus verpletterde, en toen huilde die traan een eenzame traan.”
─“Wat is dat nu weer voor nonsens bijsterbaarlicus?” vroeg Reinhold, naar me opkijkend.
─“Nonsens bijsterbaarlicus!? Het is een sprookje: het zeer wrede en enigszins lugubere sprookje van de traan. Wellicht rolt er vannacht pathos uit de duisternis van het bos dat ons omsingelt, waardoor ik van dichtvuur blaak.
─“Ik begin nu toch werkelijk het ergste te vrezen,” schuddekopte hij.
─“Merel Merlijn had gedoucht onder de gazonsproeier en schoof het geheime luikje open in de bodem van zijn nest. Uit de bergruimte daaronder diepte hij een harpje op, waarop hij verheugd begon te tokkelen en werkelijk, hij bestond het om bijzonder fraaie tonen aan dat piefje te ontfutselen. Zesentwintig bomen verder hoorde Rebecca, de eekhoorn, die welluidende melodie opklinken en terwijl haar gemoed volschoot, zette ze haar speldenwerkkussentje met de talrijke klosjes en het ingewikkelde patroontje van haar wat stramme dijen. Uit een laatje in de boomtak toverde ze een glinsterend triangeltje en een blinkend staafje te voorschijn. Ze luisterde even nauwgezet en tikte toen, precies in de maat, met de harp mee …”
─“Een speldenwerkkussentje?!” Vertwijfeling maakte zich meester van mijn huisgenoot. “Ik lig hier naar het grillige prentenboek van mijn fantasie te kijken en ondertussen kieskauw jij over een eekhoorn die Rebecca heet. Een triangeltje in godsnaam!”
─“En dan was er nog Sulejman, de veldmuis, die in een afgedankte molsgang zijn cimbaaltjes weggemoffeld had. Sulejman hoorde het harpje en daarna ook het triangeltje, en haastig verliet hij het akkertje, waar hij net zijn radijsjes besproeid had …”
─“Zo maf als een kruk!”
─“Zulma, de bidsprinkhaan …”
─“Zo dement als een deur! Wil je weleens ophouden met die onzin!”
─“Theofiel, het kalandertje …”
─“En de hele reutemeteut! Heb ik van mijn leven! Ben jij nu zat of zot?”
─“Dan vertel ik over de eenzame traan, die door een boosaardige vinger weggepinkt en verpletterd was, en een stille traan baarde in pijn van weeën. Die nieuwe, stille traan dreef op brede golven van tomeloos verdriet naar …”
─“Is ‘t nu gedaan, ja?! Jij vertelt niks meer!”
─“Ze had nochtans mooie blauwe ogen …”
─“Wie?”
─“Het meisje in Palermo, dat helemaal alleen op de kade stond toen ik op een milde zomeravond per schip naar Napels vertrok. De boot verliet zachtjes de schilderachtige baai met de vele lichtjes en hij toeterde trots — pwoooooot! — als een echte stoomboot, maar dat was hij niet. Nee. Hij was een hele moderne boot, met …”
─“Het zijn waarschijnlijk mijn zaken niet, maar wanneer ben jij eigenlijk zo ongelukkig op je achterhoofd terechtgekomen?” smoezelde hij.
─“Och … ik ben al van bij mijn geboorte total loss. Compleet kierewiet, gek in folio en in hoge mate ontoerekeningsvatbaar. Ze hebben me met de tang gehaald, moet je weten. De obstetricus, da’s de verlosser, die dat niet bepaald ingenieuze grijpijzer — een forceps heet zoiets, geloof ik — moest bedienen, was zwaar aan de drank. Hij zoop als een tempelier, met alle gevolgen van dien, want uitgerekend de morgen van mijn vreugdevolle aanschouwing van het levenslicht had hij nog geen spatje kunnen verschalken, omdat men hem van hogerhand met een stagiair opgescheept had: zo’n leergierige gozer met een ziekenfondsbrilletje, die hem volgde als een schoothondje en zijn doen en laten met haviksogen gadesloeg. Zijn lichaam smeekte bevend om een dosis alcohol en met moeilijk te besturen hand bracht hij die tang bij mijn moeder binnen, om daar mijn hoofdje te omvatten. Laat hem op dat moment een enorme tremor krijgen en met dat instrument rammelen als met een kloterspaan. Mijn jonge hersentjes klotsten heen en weer in mijn schedel en bleven in allemaal van die idiote kronkels liggen. Da’s nooit meer goed gekomen.”

Reinhold keek me aan alsof ik hem een oneerbaar voorstel had gedaan en ik genoot van de verbazing die ik oogstte.
─”Hoe haal je ’t in vredesnaam in je bolle kop?” prevelde hij en hij schudde meewarig het hoofd, maar desalniettemin bleef hij me gaarne zien.

Curiosum

Op school kregen we allemaal Nederlandse spraakkunst opgelepeld. Of we daar al dan niet belangstelling voor aan den dag legden en of we er iets van onthouden hebben, laten we hier in het midden. Indien dat niet het geval zou zijn, wil ik toch even jullie geheugen opfrissen, zodat jullie begrijpen wat ik hierna uit de doeken zal doen.

Ik wil het namelijk over de trappen van vergelijking hebben. Dat zijn er drie: de positief, de comparatief en de aperitief … eh … de superlatief. Neem het me niet kwalijk dat mijn gedachten, die nog in pyjama rondhuppelen, bij iets anders verwijlden. Men heeft voor die trappen ook Nederlandse benamingen bedacht: de stellende, de vergrotende en de overtreffende trap. Om het helemaal duidelijk te maken haal ik er fluks een bijvoeglijk naamwoord bij: mooi. Mooi is de stellende trap, mooier is de vergrotende trap en mooist is de overtreffende trap. Het zal jullie ongetwijfeld duidelijk zijn dat de door het bijvoeglijke naamwoord aangeduide eigenschap toeneemt naarmate we een trap hoger klimmen. Groot, groter, grootst. Zacht, zachter, zachtst. Lelijk, lelijker, lelijkst … en zo kunnen we nog uren doorgaan, maar het lijkt me niet raadzaam om dat te doen.
En toch stuitte ik vanmorgen op een uitzondering, die deze regel niet bevestigt. Een oudere heer is namelijk meestal minder oud dan een oude heer. Ik vermoed dat men nog geen naam bedacht heeft voor dit toch wel merkwaardige fenomeen en daarom wil ik graag patent nemen op ‘averechtse trap’.

Ja, met mij gaat het goed, al ben ik eigenlijk nog niet beter en best zal het wel nooit meer worden.

Bloemetjes en bijtjes; haantjes en hennetjes

Vandaag neem ik jullie mee naar een landelijk dorp in West-Vlaanderen. We duiken er een kleine supermarkt binnen, waar zich onlangs een Griekse tragedie heeft afgespeeld. Daar ontmoeten we Jefke, die zich zonder erg en dus op argeloze wijze tot een hoofdrolspeler van dat drama ontpopte.
Jefke heeft het helaas niet met zichzelf getroffen. Hij is bijzonder karig door de natuur bedeeld, om niet te zeggen lelijk door haar in de steek gelaten. Enkele aanlegstoornissen hebben hem lichamelijk benadeeld. Hij loopt niet enkel kwalijk, maar ook zijn hersens kunnen het allemaal niet bijsloffen en spreken komt bij hem neer op het uitstoten van een afgrondelijk gekreun, waarin sporadisch iets herkenbaars gevangen zit. Desalniettemin dabbert hij dagelijks door de supermarkt in kwestie, want hij mag er wat klusjes opknappen en zal er vermoedelijk ook wel wat voor vangen.

Toen hij laatst wat lege kratten naar het magazijn kruide, was hij bij aankomst aldaar getuige van een bloedstollend tafereel. Hij sukkeldraafde halje travalje naar het kantoortje, waar hij zijn bazin aantrof, tegen wie hij zich in een stroom van opgewonden klanken onverstaanbaar maakte. Toch meende zij in die kanonnade herhaaldelijk het woord vechten waar te nemen.
─”Zijn ze aan ’t vechten?” vroeg ze.
Het gekreun van Jefke kreeg de allure van een triomfantelijk gejubel en ze volgde hem naar de plaats waar de handtastelijkheden plaatsgrepen.

Haar echtgenoot was inderdaad bezig een vrouwelijke winkelbediende een geduchte schrobbering te geven. Hij was daar dusdanig door in beslag genomen, dat hij niet eens gemerkt had dat Jefke hem betrapte. Pas toen zijn vrouw in gillende kwaadheid ontstak, stond hij plots weer met beide benen op de grond. Het meisje eveneens.

Sindsdien zijn ze geen van beiden nog in de supermarkt opgemerkt. Ik denk dat ze herstellen van de verwondingen die ze tijdens de vechtpartij hebben opgelopen.