Tag: Nederlands

Ludivine Dedonder: een trut van Troje

O, wat erger ik me aan de in zeer hoge mate door mij misprezen Belgische minister van Defensie: de zurkeltrut Ludivine Dedonder. Als jullie willen weten waarom ik zo’n godsgruwelijke schurfthekel aan dat mens heb, moeten jullie vooral doorgaan met lezen.

Naar aanleiding van de onverkwikkelijke gebeurtenissen in Afghanistan en de daarmee gepaard gaande tussenkomsten van het Belgisch leger verscheen deze danig over het paard getilde kakmadam op mijn televisiescherm, terwijl ze geïnterviewd werd door een journalist van de VRT, zijnde de Vlaamse televisie. Desalniettemin kwam er geen enkel Nederlands woord over de lippen van dat wijf. Ze overtrad alle regels van het fatsoen door de taal van de hoofdmoot der Belgen doodgemoedereerd te negeren, waarschijnlijk omdat ze te dom of te lui is om die aan te leren. Of zou ze het Nederlands beneden haar Waalse en socialistische waardigheid vinden?

Het in meer of desnoods mindere mate beheersen van beide landstalen zou een conditio sine qua non moeten zijn voor de leden van de Belgische regering. En dus ook voor het onbeschofte schepsel en de in hoge mate door mij misprezen kakmadam: Ludivine Dedonder.

Ze komt daar niet mee weg, althans niet wat mij betreft. Als het aan mij ligt, zal ze roemloos tenondergaan.

Wat te zeggen als je kwaad bent

  • Blaas mijn zak op!
  • Pijp mijn fluit!
  • Commandeer je hond en blaf zelf!
  • Dat zou je wel laten!
  • Dat mag je de koekoek!
  • Doe niet zo bezopen!
  • Donderstraal op!
  • Drink stront door een rietje!
  • Eet een kakkerlak!
  • Ga bananen plukken met je moeder!
  • Ga een stilleven schilderen!
  • Ga eens voor een ander hol keffen!
  • Ga jij eens wieberen!
  • Ga op een landmijn zitten!
  • Ga rondjes vliegen rond een vliegenvanger!
  • Ga toch belletje trekken!
  • Ga toch cactussen scheren!
  • Ga toch gewoon dood!
  • Hou even je klep, wil je!
  • Hou even je stroopwafel!
  • Hou je kakel!
  • Hou je kakement!
  • Hou je kanis!
  • Hou nu eens op met dat gezeik!
  • Hou toch je harses!
  • Hou toch op met je zwakke verhaaltjes!
  • Jo, ga fietsen!
  • Krijg de donkerbruine touwtering!
  • Krijg de kanker!
  • Krijg de kledderkramp!
  • Krijg de kouwe koorts!
  • Krijg de pip!
  • Krijg de pleuris!
  • Krijg de vellen!
  • Krijg de vliegende tering!
  • Krijg de wratten!
  • Krijg een bult!
  • Krijg een staart!
  • Krijg het aan je lip!
  • Krijg het bloedspeen!
  • Krijg het falderappes!
  • Krijg de klere!
  • Krijg het slingerschijt!
  • Kruip in je graf!
  • Kun je je karkas ergens anders heen hijsen?!
  • Laat je rug maar zien!
  • Laat me nooit meer zoveel tanden zien!
  • Lazer toch een end op!
  • Lik mijn reet!
  • Lik mijn roze reet!
  • Lik tussen de benen van een dooie griet en stop met zagen!
  • Loop naar de Fransen!
  • Loop sterren plukken!
  • Opgeduveld!
  • Opzouten!
  • Pleur toch op, man!
  • Schei toch uit met dat gezanik!
  • Slik je tong in, dan kun je buikspreken!
  • Sodemieter naar je moer!
  • Sodemieter toch een eind op!
  • Steek de moord!
  • Stop er een kurk in, mannie!
  • Stop maar in je toges!
  • Krijg het zeepokkenlazarus!
  • Val dood, mens!
  • Verhang je met een eind water, dan voel je niks!
  • Wie heeft jou gescheten?!
  • Ik wou dat je de moord stak!
  • Zak in de stront!
  • Zak in een moeras!
  • Krijg de vinkentering!

Van de pot gerukte vergelijkingen

In de war zijn als een hongerige baby in een topless bar.

Ergens even welkom zijn als een scheet in een lift.

Zo afgemat zijn als een komkommer in een nonnenklooster.

Even nutteloos zijn als een asbak op een motorfiets.

Even nutteloos zijn als een opblaasbare vogelpikschijf.

Even nutteloos zijn als het kammen van een bronzen paard.

Ik wil haar geen slet noemen, maar als pikken vleugels hadden, zou haar mond een luchthaven zijn.

Ip de latste stekke

Het is vandaag, 21 februari, de Internationale Dag van de Moedertaal. Mijn moeder was een West-Vlaamse en de taal die zij zong en aan mij doorgaf, blijf ik de mooiste van de aardkloot vinden, hoewel slechts weinigen dit dialect begrijpen en er wellicht daarom de spot mee drijven.

Edoch daarom niet gezeurd of getreurd. Hieronder geef ik enkele zinsneden die mijn moeder bezigde. Waar nodig geef ik er wat tekst en uitleg bij.

– Me zien ip d’hoogte van de leègte.
We zijn op de hoogte van de laagte = daaromtrent weten we wat we moeten weten.

– ‘t Is stille woar dat nooit woait.
Het is stil waar het nooit waait = er is overal wel eens wat.

– ‘t Is proopre woar dat nie vuul is.
Het is proper waar het niet vuil is = dat spreekt vanzelf, is logisch.

– Me goan de vos goan vloan.
We gaan de vos villen = we zullen er maar aan beginnen.

– Affeseren lik nen ooibussle teeg’n wiend.
Opschieten als een hooibussel tegen wind = heel traag opschieten.

– Beist damme da doen, peelme gin eiers.
Terwijl we dat doen, pellen we geen eieren = houden we ons niet met een onnozel klusje bezig.

– Gif moar kardjasse (busse, slunse, vanieke, sjette).
Begin er maar aan en een beetje tempo graag.

– Moagre en toai en gèren ip den droai.
Mager en taai en graag op stap (als antwoord op: hoe gaat het?).

– Ne klunten zoetekoeke.
Een uitermate dom manspersoon.

– Kust gie e bitje fiene mien beiers.
Kus jij maar fijntjes mijn kloten. Ik denk niet dat ik mijn moeder dat ooit hoorde zeggen.

– Me goan ip tjok.
We gaan op stap.

– Me goan noar ‘t concert.
We gaan naar het optreden, de vertoning.

– Mè hiel miene tammesoor.
Met mijn hele hebben en houden.

– Scheur je puuste!
Maak dat je wegkomt!

– ‘t Is gank toe Bussches.
Het spel zit op de wagen.

– Ipzitten en broen, lik of dat ol de klokhennen doen.
Op (het nest) zitten en broeden, zoals alle klokhennen doen. Als antwoord op: Wat ga je doen?

– Jis goan zanten.
Hij is weg, verdwenen.

– Wukne parlé!
Wat een taaltje!

En tot slot de titel van dit schrijfsel:
Ip de latste stekke.
Laat, bijna te laat (want de moedertaaldag is al halfweg).

Gedichtendag 2021

gedichtendag21

De regenworm en zijn moeder

Er was een regenworm in Sneek
die altijd naar de sterren keek,
en fluisterde: hoe schoon, hoe schoon!
Zijn moeder zei: Doe toch gewoon,
kijk naar beneden naar de grond,
dat is normaal, dat is gezond,
kijk naar beneden, zoals ik.
En toen? Toen kwam de leeuwerik!
Het wormpje, dat naar boven staarde,
zag hem op tijd en kroop in d’aarde,
maar moe die naar beneden keek,
werd opgegeten (daar in Sneek).

Dus doe nooit wat je moeder zegt,
dan komt het allemaal terecht.

Annie M.G. Schmidt

Haast en spoed …

Een paar maanden geleden deelde ik hier met enige bombarie mee dat ik mijn abonnement op het weekblad Humo stopzette. Lees in dit verband: Laat nu jullie rug maar zien.

Een van de redenen voor die nogal impulsieve beslissing was de aftocht van de schrijver van mijn favoriete rubriek: Rudy Vandendaele, die met een virtuoze pen en in weergaloos Nederlands als Dwarskijker televisieprogramma’s becommentarieerde.

De man bleek de pensioengerechtigde leeftijd bereikt te hebben en meende dat hij in zijn krimpende toekomst nog leuker kon bezig zijn dan met het spuien van commentaren. Geef hem eens ongelijk!

Zonder hem vond ik Humo zoveel van zijn pluimen verliezen ─ om het met een Vlaamse uitdrukking te zeggen ─ dat ik het blad nog nauwelijks de moeite van het lezen waard vond, dus maakte ik prompt een einde aan onze veeljarige relatie.

Ik had beter in mijn broek gescheten, want het bloed van de heer Vandendaele kroop waar het niet gaan kon. Hij maakte onlangs en plots zijn rentree in Humo, weliswaar niet als Dwarskijker, maar als de auteur van een wekelijkse column: Bataclan.

Zie mij hier staan met mijn pis in de wind. Nu moet ik iedere week de wispelturigheid van het Belgische weer en tegenwoordig ook de dreiging van een meedogenloos virus trotseren, om bij de krantenboer een Humo op te halen, want ik vertik het om me opnieuw te abonneren. Ik ben namelijk eigenzinnig en ongezeglijk van nature … zo koppig als een ezel. Nu ja, ezels zijn eigenlijk helemaal niet koppig. Die denken gewoon langer na.

Goed dan … Ik ben zo koppig als kauwgum op een schoen. Zo goed?

De langste dag … eh … vloek

Jullie zullen het ongetwijfeld al gemerkt hebben: ik durf nogal eens in de bres te springen voor het Nederlands, het Vlaams en zeer zeker ook voor het weergaloze West-Vlaams.

Het leven kust soms de fraaiste zinnen in me wakker en ik bedien me graag van lenig proza om die te openbaren. Ik schuw geen wollig taalgebruik en meng vaak een haast Chinese bloemigheid in mijn woordkeus, maar ik aarzel ook niet om mijn pen over de slijpsteen te halen, of in vitriool te dopen, om potige volzinnen en machetescherpe teksten op papier te gooien.

Ik schrik er trouwens niet voor terug om iets nieuws te verzinnen als het Nederlands woorden tekortschiet, al hebben mijn nochtans briljante vondsten ─ wie lacht daar?! ─ tot op heden nooit het woordenboek gehaald. Ben ik te min? Wat heeft weerman Frank Deboosere meer te bieden dan ik? Zijn ‘ochtendgrijs’ is toch ook niet echt een woord waar men steil van achterovervalt.

Ik blijk vooral goed te zijn in het bedenken van vloeken, krachttermen en scheldwoorden. Hoe zou dat komen? Mijn laatste hersenspinsel is een joekel van een platitude, waarmee ik lucht geef aan verbaasde ergernis. Hou jullie vast, want hier komt ie!

Godverhemelstepeirdepreuten!

Je zult het in boterletters krijgen!

Ik ben er me van bewust dat het enigszins vulgair klinkt, maar daar heb ik maling aan, want het bekt zo lekker weg.

Jullie mogen van mij gerust de dikste hebben, maar voor de langste zullen we meten. Wie doet beter?

woede

De ezelstamp … eh … ezelsstamp

Naar aanleiding van hetgeen minister Koen Geens verleden zondag zei, in het actualiteitenprogramma De zevende dag van de VRT, heb ik mijn licht opgestoken bij de dikke van Dale, want ik kende het woord ezelsstamp niet … en warempel: het bestaat! Shame on me!

Het is weliswaar een begicisme met een ietwat ongunstige bijklank. De betekenis ervan vinden jullie hieronder.

ezelsstamp

Ik stel vast dat minister Geens het woord niet helemaal correct gebruikte, want als ik goed ben ingelicht, werd hij eigenlijk niet ontslagen of weggestuurd, maar heeft hij er zelf de brui aan gegeven.

Als jullie van plan zijn om het woord te bezigen, dienen jullie het wel met een dubbele s te schrijven. Daarzonder krijgt het immers een beetje een seksuele connotatie en dat kan volgens mij slechts zelden de bedoeling zijn.

Het zoet genot van tranen

Ergens in ons tochtgat aan de Noordzee, waar er nog veel horizon is en vertes zich aaneenrijgen, stapte ik van mijn fiets om te bermstengelen. Jullie weten ongetwijfeld wat ik bedoel, ook al zul je deze bezigheid niet in een woordenboek aantreffen, zelfs niet in dat dikke geval van Van Dale, want die lopen wel vaker achter.

Als jullie het woord even door Google mangelen, zullen jullie nochtans ontdekken dat ik er al meer dan acht jaar geleden mee op de proppen kwam. Ik ben er me van bewust dat ik me in mijn schrijfsels vaak aan ouderwets en plechtstatig taalgebruik bezondigd, maar dat doe ik expres, omdat ik het archaïsche Nederlands prachtig vind. Ik aarzel evenwel ook niet om nieuwe woorden te verzinnen en te gebruiken, zoals bijvoorbeeld bermstengelen, maar daar heeft Van Dale kennelijk geen oren naar. Als ze het ‘ochtendgrijs’ van weerman Frank Deboosere de moeite van het vermelden waard vinden, dan heeft bermstengelen volgens mij ook een plaatsje verdiend, net als de andere vondsten waarmee ik het Nederlands lardeer en opsmuk … maar ik zit hier af te lopen. Even terug naar het onderwerp dat ik net bij de kop had.

sjaaltjeIk had dus de geit verzet en stond wat na te genieten van deze verlossende daad, toen er naast me een blitse en dus zeer dure cabriolet stopte. Aan het stuur van die jet met nummerborden zat een uitvoerig opgemaakte dame. Haar haardos leek omgescharreld door opgewonden vogeltjes en ze had de hals omgord met het soort sjaaltje, dat diva’s in oude films plegen te dragen als ze aan boord van een dakloze auto klimmen.

─”Kunt u me op weg helpen naar ‘Het Tranendal?” vroeg ze.
Als ik tot handgemeen overging en haar een teringloeier van een oorvijg gaf, zou dat wellicht een tranendal veroorzaken, maar ik had niet de indruk dat dit haar bedoeling was.
─”Is dat de naam van een straat of een gehucht?” informeerde ik, want er ging niet meteen een lampje bij me branden.
Ze raadpleegde een document dat naast haar op de passagiersstoel lag.
─”Oei!” schrok ze. “Ik heb me getrompeerd. Het is ‘De Waterlander’.”
─”Men heeft inderdaad waterlanders nodig om in een tranendal terecht te komen”, grapte ik, maar die spitsvondigheid ging bij haar compleet de mist in.

Ik had tijdens mijn zwerftochten al een paar keer die Waterlander ontmoet, dus kon ik haar op het goede spoor zitten. Ze speerde van me weg. Haar sjaaltje wapperde vrolijk in de wind.

waterlander