Tag: vaardigheden

Een gemeen hapje

Mijn mond lust graag verse ananas. Helaas is dat niet zo’n fortuinlijke voorkeur, want deze exoot laat zich niet bepaald gemakkelijk soldaat maken.

In de allereerste plaats valt het moeilijk te bepalen wanneer de vrucht in staat van rijpheid verkeert. Internet biedt daaromtrent diverse hulpmiddeltjes aan, maar ik heb ondervonden dat die lang niet altijd betrouwbaar zijn. Bovendien is het ontkleden, of beter gezegd het ontbolsteren van dit tropisch fruit allerminst een sinecure. De koks en kokessen van de televisie, zoals bijvoorbeeld Jeroen Meus, hebben daar kennelijk weinig moeite mee, maar ik beschik hoegenaamd niet over de handigheid die zij tentoonspreiden.

Om deze reden heb ik me onlangs een apparaat aangeschaft, dat naar de naam ananassnijder luistert en over ingenieuze eigenschappen zou beschikken. Het is een soortement boor, waarmee je in één min of meer vloeiende draaibeweging zowel het ananasomhulsel verwijdert, als de vrucht in een spiraalvormige schijf snijdt en van de kern, het klokhuis als het ware, ontdoet. Je houdt het niet voor mogelijk! Je moet het maar verzinnen.

Er is echter een niet te onderschatten nadeel aan dat toestel. Het klokhuis in kwestie blijft namelijk in de boorcilinder steken en dien je dus manueel te verwijderen. Dat blijkt een gevaarlijk karwei te zijn, want voor je het weet, schiet die prop onverhoeds los en kunnen je vingers met een smak op een snijdend gedeelte terechtkomen, wat meestal niet zonder gevolgen blijft. Dat overkwam me ondertussen al een paar keer, want ik ben zoals ik zei een uitermate onhandig mens, tot ik besloot om het verraderlijke klokhuis met de steel van een houten lepel uit te stoten.

Gisteren lette ik even niet op, want ik ben naast onhandig ook buitengewoon verstrooid, en toen de vruchtkern bezweek onder de druk van de lepelsteel en als een raket uit die cilinder schoot, belandde mijn duim met doodsverachting op het getande mes …

Je hoort me niet beweren dat ik bloedde als een rund, maar toch zeker als een kalfje. Ik herstelde enigszins de schade, maar toen bleek de Touch ID van mijn iPad niet meer te gehoorzamen aan de afdruk van die gehavende vinger.

Blijkbaar ben ik naast onhandig en verstrooid ook niet bepaald snugger, want het heeft even geduurd voor ik ontdekte dat ik op mijn iPad ook een tweede afdruk kon instellen. Nu zit ik me af te vragen welke vinger bij mij het minst kans loopt op beschadiging, want zoals ik zei, ben ik een uitermate onhandig, verstrooid en dom persoon.

De paardenfluisteraar

Ik koester al vele jaren het verlangen om een paard te bezitten, wellicht vanwege het gauchobloed dat door mijn aders zwerft, zij het ietwat aangelengd. Ik ben trouwens een uitstekende ruiter. De paar keren dat me het geluk beschoren was om naar hartenlust de teugels te vieren en over de pampa te draven, zijn het zout in de pap van mijn leven.

Helaas heeft niet enkel de Argentijnse cowboy sporen bij me achtergelaten. Ik vertoon helaas ook enkele trekjes van Harpagon, de stuitende vrek die Molière in een van zijn theaterstukken opvoert. Ik zit met andere woorden op mijn centen als een duivel op een ziel. Een paard kost klauwen geld en ─ we blijven even bij het onderwerp ─ dat kan Bruintje niet trekken.

Gisteren passeerde ik langs een uitgestrekte weide, waarin een merrie eenzaam stond te wezen. Ik kneep de remmen dicht ─ ik was namelijk aan het fietsen ─ want ik had nooit een fraaier paard gezien. Ze kwam gelijk naar me toe en boog zich over de afsluiting.
─”Dag schoonheid!”, zei ik. “Heeft iemand je al eens verteld hoe mooi je bent?”
Ze knikte heftig en produceerde snuivende geluiden. Toen maakte ze plots een steigerende beweging en ze ging er ijlings vandoor. Iets verderop waren immers twee mannen verschenen, vermoedelijk vader en zoon, die zich toegang tot de weide verschaften en aanstalten maakten om haar te vangen. Ze hield blijkbaar niet van toom en zadel. Ze dreven haar weliswaar in een hoek, maar dan slaagde ze er telkens in om luid hinnikend te ontsnappen.

De paardenvangers bleven van de ene kant naar de andere hollen, de merrie bleef ze verschalken en ik bleef geamuseerd het tafereel gadeslaan, terwijl ik haar onhoorbaar aanmoedigde. Twintig minuten later waren de mannen compleet afgepeigerd, terwijl het paard nog maar net in vorm begon te komen.
─”Ben je bang van paarden?” vroeg de vader me.
─”Absoluut niet!” zei ik ietwat verongelijkt.
─”We komen duidelijk een mannetje te kort. Ze glipt telkens tussen ons door. Kun je misschien even helpen?”

Ik hees mijn fiets op de steun en betrad de weide. Toen de merrie me opmerkte, kwam ze schoorvoetend naar me toe, bleef pal voor me staan en liet zich rustig aanlijnen.
─”Kun jij toveren misschien?” sprak de zoon.
─”Dat heb ik nu nog nooit gezien”, hijgde de vader, opgelucht dat er een einde aan het hollen kwam.

Ik raakte zienderogen met trots vervuld. Ik wist dat ik iets in me had, al weet ik nog steeds niet wat. Dat paard wist het blijkbaar wel.

Omtrent Aline en Rogaciano

Aline viert een verjaardag
De Spaanstalige Rogaciano – ik wou dat ik zo heette – kwam als zestienjarige jongen uit een ver buitenland in onze contreien terecht. Ik genoot het voorrecht en ja,  het genoegen om hem in de geheimen van de Nederlandse taal in te wijden.

Nu was hij, laten we wel wezen, absoluut niet schadelijk voor de ogen en het duurde dan ook niet lang of hij had een vriendinnetje, Aline, dat hij binnen de kortste keren bezwangerde.
─”Lieve deugd!” riep ik toen ik dat vernam. “Gebruik je dan geen condoom?”
Hij bleef het antwoord schuldig, maar Aline verstrekte me gewillig tekst en uitleg.
─”Het was zijn verjaardag”, zei ze, “en als cadeau mocht hij een keertje zonder.”

 Het was meteen prijs.”

Terwijl ze dat openbaar maakte, wist Rogaciano even niet waar hij zich bergen moest. Hij kleurde tot achter zijn oren. Ik van mijn kant wist gewoon niet wat ik hoorde en zat te kijken alsof er zich een geest gemanifesteerd had.

Aline legde een markante oprechtheid, een volslagen gebrek aan kapsones en een niet klein te krijgen naturel aan de dag, maar ze had aan de bron der intelligentie slechts de lippen bevochtigd. Ze is een simpel zieltje, dat zelfs een gebruiksaanwijzing nodig heeft voor kauwgum … maar daarover later meer. Dat Rogaciano het een keertje zonder mocht doen en dat ook deed, was overigens ook niet bijster snugger van hem.

Aline krijgt een visioen
Ik had het hier net over de nogal ongebruikelijke manier waarop Aline en Rogaciano in het ouderschap verzeild raakten. Het kindje, een meisje, zag het levenslicht en kreeg al na luttele jaren het gezelschap van een zusje. Ik weet niet hoe en ter gelegenheid van welk feestgedruis het tweede kind dit keer verwekt werd en ik durf er ook niet naar te vragen, om niet opnieuw met de mond vol tanden te staan. Het zijn tenslotte ook mijn zaken niet.

Niet veel later sloeg het noodlot toe. Het meisje kreeg een levensbedreigende ziekte onder de leden. Aline riep alle goden aan, zocht heil bij talloze heiligen, consulteerde dokters en kwakzalvers, bad zich blauwe lippen en brandde massa’s kaarsen … tot ze op een nacht tijdens een visioen bezocht werd door een engel, of een andere hemelbewoner, die haar mededeelde dat haar dochtertje zou genezen als ze er zich toe verbond om gedurende de rest van haar leven voor een dier te zorgen, te weten een dolfijn of een paard.

Haar voorkeur ging uit naar een dolfijn, maar dat zag Rogaciano helemaal niet zitten natuurlijk, want je kunt zo’n dier bezwaarlijk in een huiskameraquarium onderbrengen. Het werd dus een paard.

Het kind genas en sindsdien is Aline eigenares van een paard, dat klauwen geld kost, nooit bereden wordt, nu al ettelijke zomers in een gehuurde weide rondkeutelt en evenveel winters in een dure stal staat te staan.

Ik kan niet anders dan mijn moeder zaliger gelijk geven: zot zijn doet geen zeer, maar het jeukt een beetje.

Aline bakt er niets van
Rogaciano, mijn protegé en de vriend van Aline – de Betsy Bolleboos die ik hier in mijn laatste twee schrijfsels liet opdraven – beschouw ik een beetje als de zoon die ik nooit zal hebben, terwijl hij me toevertrouwd heeft dat ik voor hem de vader ben die hij nooit zal hebben.

Hij is automonteur van beroep en hij werkt in een garage, een paar kilometer van de plek waar ik hoofdkwartier houd. Het gebeurt dan ook niet zelden dat ik hem over de vloer krijg.

Een paar dagen geleden stond hij plots bij me in de keuken, terwijl ik daar aan het kokkerellen was. Nu beschouw ik mezelf niet als een flonkerster wat eten betreft, maar als zoon van een gerenommeerde kokkin kan ik aardig over voedsel meepraten en heb ik het culinaire equivalent van groene vingers.
─”Hoh, het is hier neuzenvreugd”, snoof hij. “Wat ben je aan het klaarstomen?”
─”Provençaalse scampi. Het is nogal bewerkelijk, maar wel erg lekker.”
─”Jij kunt wat samengooien” kreeg hij hoorbaar het water in de mond.
─”Eet je mee?” stelde ik voor. “Er is meer dan genoeg.”
─”Ik hoopte er al niet meer op”, grijnsde hij.

Terwijl we het op een geweldig eten zetten, kreeg ik een toch wel merkwaardig verhaal te horen:
Rogaciano had op een keer zijn zinnen op om mosselen gezet en Aline had twee kilo van die schelpdieren aangeschaft, maar wist hoegenaamd niet wat ze ermee moest aanvangen. Ze telefoneerde met haar vader, die aan zee woont, kreeg tekst en uitleg en ging aan de slag. Ze ontdeed de weekdieren van baarden, pokken en vuil, hetgeen men in vaktermen knippen noemt, spoelde ze drie keer grondig en zette ze toen een tiental minuten in water.
─”… en toen kreeg ik opeens blijekoeienburgers voorgezet”, zei Rogaciano.
─”Wat kreeg je?!”
─”Vegetarische hamburgers”, verduidelijkte hij. “De mosselen waren volgens haar allemaal bedorven, want de schelpen waren niet opengegaan en daarom had ze het hele zootje weggegooid.”
─”Allemaal?” verbaasde ik me. “Dat kan toch bijna niet.”
─”Als je geen vuur onder de pot zet en de mosselen gewoon in koud water laat staan, zullen er zich maar heel weinig schelpen opengaan.”
─”Het is toch niet waar!”
─”Ze kan nog geen ei bakken”, schuddekopte hij. “Bij haar brandt zelfs water aan.”

Gelachen dat we die middag hebben, Rogaciano en ik, maar we hebben ook lekker gegeten, al waren de scampi niet opengegaan.

De barmhartige Samaritaan

In Nergenshuizen stond ik op het punt om het pad van een moeder met drie kinderen te kruisen. Twee daarvan reden zelfstandig op fietsjes; het derde zat bij haar achterop in een stoeltje.

Net voor we elkaar zouden voorbijrijden sprong ze van haar rijwiel en met luider stem instrueerde ze haar kroost om hetzelfde te doen.
─”Ik ben plat!” jammerde ze.
Haar blik drukte een soort dierlijke radeloosheid uit: de wanhoop van de stervende kat.

Ik kneep de remmen dicht, hield halt en constateerde dat ze lang niet zo plat was als ze van zichzelf dacht, zodat ik vermoedde dat de platte toestand niet haarzelf, maar haar fiets betrof. Daar stond ze dan: moeder van drie, ver van de bewoonde wereld, zonder telefoon en met een onbruikbaar wiel. Ik bood haar mijn mobieltje aan, maar ze kon zich met de beste wil van de wereld geen enkel nummer herinneren van iemand die haar uit de nood kon helpen.
─”Ik heb gerief bij me om u te depanneren,” zei ik, “maar het kan wel even duren voor ik het klusje geklaard heb.”
Ik was me immers zeer bewust van mijn onhandigheid op het gebied van fietsreparaties … en eigenlijk op velerlei gebied, maar dat leek haar overkomelijk.

Ik ging dus aan de slag en tot mijn eigen verbazing ging dat vlotter dan verwacht. Al na twintig minuten had ik de binnenband luchtdicht bepleisterd en kon ik haar uitwuiven, nadat ze mij onder dankbetuigingen en loftuitingen bedolven had.

Als ik ooit het moede hoofd neerleg en het tijdelijke met het eeuwige verwissel, zal ik ongetwijfeld regelrecht en met de grootste onderscheiding ten hemel opstijgen, alwaar me zeventig maagden … eh … rijstpap met bruine suiker en gouden lepeltjes te wachten staan.

Het weze me vergeven dat ik hier mijn eigen lof laat stinken. Als men zichzelf niet kietelt, lacht men nooit.

Meneer spreekt talen ─ 3

Mijn lezers zullen zich ongetwijfeld de jongeman herinneren, waarmee ik hier gisteren de draak stak, omdat hij indruk wilde maken op een meisje en te dien einde zijn uitgebreide talenkennis tentoonspreidde, maar zich hopeloos belachelijk maakte door een Engelse vleermuis een floddermouse te noemen.

In een zalig vroeger was ik op stap met Reinhold, een vriend van me, en we kwamen nogal onverhoeds in ons binnenlandse buitenland terecht ─ ik bedoel Wallonië ─ zodat we genoodzaakt waren om ons elegante Vlaams door het veel boersere Frans te vervangen … of is het omgekeerd? We knoopten een gesprek aan met een man die zijn tijd stond te verdoen in een tuin, waar talloze molshopen het gazon ontsierden.
─”Quelle invasion d’intrus!” merkte Michael op. Wat een invasie van ongenode gasten!
─”Vous voulez dire?” fronste de man. Wat bedoelt u?
─”Les moules”, verduidelijkte mijn vriend.
─”Moules zijn mosselen”, haastte ik me hem te verbeteren en ik schoot in de lach.
─”Betweter!” foeterde hij gegriefd. “Wat zijn mollen dan?”
Da’k het niet meteen wist!
─”Allez! ’t Ligt op het puntje van mijn tong …” probeerde ik mijn gezicht te redden.
─”Des taupes”, zei de inwoner van ons binnenlandse buitenland.
─”Juist!” riep ik.
─”Totentrekker!” gromde Michael.
─”C’est quoi ça, un totentrekker?” vroeg de man. Wat is een totentrekker?

En zo begon een gesprek waarvan het einde niet meteen in zicht was.

Meneer spreekt talen ─ 2

De gelagkamer van het restaurant behelsde slechts vier klanten, als ik mezelf en mijn vriend Reinhold even buiten beschouwing laat, of toch als ombres chinoises naar de achtergrond verdring.

Naast een venster hadden twee in het Engels converserende dames plaatsgenomen, die zich zo te zien danig aan maquillage vergrepen hadden en er daardoor nogal gemummificeerd uitzagen. Aan een tafeltje in mijn buurt hield zich een jong en door Amor bevleugeld stel op, dat gelijk sympathie bij me losweekte.

Het was duidelijk dat ze op elkaars lijstje van prettige dingen stonden, ook al hielden ze niet bepaald een kwieke stroom van opgeruimd gebabbel gaande. Zij vertoonde het wezenloze lachje en de ietwat schaapachtige gelaatsuitdrukking die verliefde mensen vaak tentoonspreiden. Hij, van zijn kant, bedacht haar af en toe met een olijke knipoog, zoals men doet tegen iemand waarmee men dartele herinneringen deelt.

Toen verscheen de kelnerin en die gaf meteen te verstaan dat ze het Nederlands zo’n minne taal vond, dat ze zich liever van het Frans bediende. De jongen, die niet gesierd was met een vlotte babbel, bestelde op bedremmelde toon een whisky voor zichzelf en een jus d’orange voor zijn meisje.
─”… et un jus d’orange”, noteerde de dienster de bestelling met een volslagen gebrek aan belangstelling.
─”Van appelsienen”, klampte hij nog even aan, teneinde misverstanden te vermijden en te verhinderen dat men de jus d’orange aan foute vruchten zou ontwringen.

Zijn meisje had besloten dat ze zich met een tomate-crevettes wilde vermeien. Hoewel de benaming van dat gerecht in sierlijke letters op de kaart prijkte, bezorgde de jongen zichzelf een allemachtige hoop ongemak.
─”Une tomate avec des garnales”, kwam het er wat knullig uit en hij keek de kelnerin aan alsof die een geweer op hem richtte, hetgeen ze wellicht ook gedaan zou hebben als ze over zo’n wapen had beschikt.
Ik zat meewarig te glimlachen, want iedereen die een beetje Frans spreekt, weet natuurlijk dat het une tomate avec des garnaux moet zijn.

Later zaten de Engelstalige lady’s naar een vleermuis te kijken, die herhaaldelijk door de straat scheerde.
─”It’s a floddermouse”, verduidelijkte de jongen behulpzaam.
De dames zetten zo’n verbaasde gezichten, dat hun make-up ervan craqueleerde.

“Wel wel!” gnuifde Reinhold, die volgens zijn zeggen talen spreekt. “Zou je geloven dat ik nog nooit een floddermouse gezien heb?”

Alles sal reg kom

Ik was zo flabbergasted dat ik stond te shaken, maar nu voel ik me al een stuk happier.

Ik heb hier al eerder lucht gegeven aan mijn ongenoegen omtrent het in toenemende mate verengelsen van het Nederlands: een fenomeen dat volgens mij de teloorgang van onze taal inluidt. Er is echter hoop. Wegens omstandigheden verleen ik al ruim een maand gastvrijheid aan een jonge spring-in-’t-veld, die af en toe sprankelt en me dan met een trouvaille … eh … met een verrukkelijke vondst verrast, waardoor bij mij de hoop opflakkert dat het met die aftakeling niet zo’n vaart zal lopen. Hier volgen enkele voorbeelden van wat hij allemaal verzint:

─ Als je in een zure of wrange vrucht bijt, kun je daar sleeë tanden van krijgen. Het is me een raadsel waarom de dikkerd Van Dale het adjectief ‘slee’ niet de moeite van het vermelden waard vindt, want er bestaat volgens mij geen ander woord voor dat rare gevoel. Toen mijn tijdelijke huisgenoot zo’n vrucht verorberde, zei hij dat hij zijn tanden fronste.
─ Als je helemaal op de rand van een bed ligt, dan lig je op het nippertje.
─ Luidop slapen is hetzelfde als snurken.
─ Zijn grootvader valt niet ten prooi aan dementie, maar aan ouderdommigheid.
─ Tegen iemand aanbiggen lijkt me lekkerder dan tegen iemand aanschurken.

Alles sal reg kom as ons almal ons plig doen.

Een onvoltooid magnum opus

puzzelstukjeTijdens een digestieve avondwandeling werd mijn oog getroffen door een onderdeeltje van een legpuzzel, dat ooit veelkleurig was geweest, maar zich nu ietwat verflenst en ten prooi aan grote eenzaamheid op het asfalt neergevlijd had.
“Ach”, zei ik en ik loosde een ietwat meewarige zucht.

Jullie zullen het ongetwijfeld onnozel van me vinden dat ik bij zoiets stilsta, me de moeite getroost om daar een foto van te nemen en er nu zelfs een pennenvruchtje aan wijd. Ik kan het ook niet helpen dat zo’n kleine kleinigheid me in het gemoed grijpt. Het is een soort aanlegstoornis van me. Ik dacht namelijk meteen aan de persoon – opa Alzheimer of oma Dementieva – die met engelengeduld, heel veel enthousiasme en de moeite die eigen is aan de ouderdom een puzzel van wel honderd miljoen miljard stukjes probeerde ineen te flansen, om pas helemaal op het eind, na talloze jaren, vast te stellen dat er een stukje ontbrak. Als afknapper kan dat tellen.

“Jouw inlevingsvermogen is te groot”, beweerde mijn moeder altijd. “Dat zal je nog vaak vies tegenvallen.”
Ze had nog gelijk ook, maar dat kan ik haar helaas niet meer zeggen.

Weten jullie wat ik me nu ook nog zit af te vragen? Waarom denk ik bij een puzzel eigenlijk nooit aan kinderen?

Inpakken en wegwezen

Hoewel ik goeie zin en onbedaarlijk veel plezier in ‘t leven heb, ben ik niet wat men een wilde stapper, een nachtbraker, een fuifbeest of zelfs een gezelligheidsdier noemt. Uitslaande feestvreugde: je moet er aardigheid in hebben en dat heb ik dus niet. Je zal me dan ook zelden op vieringen zien verschijnen, maar als ik het een zeldzame keer toch doe, tegen beter weten in, zorg ik meestal voor een leuk binnenkomertje, zij het onbedoeld.

Zulke bijeenkomsten gaan immers onvermijdelijk gepaard met het verstrekken van een cadeau aan de gefêteerde(n): een dwaas en bovendien duur gebruik, maar je ontkomt er niet aan. Dergelijk geschenk dient men bij voorkeur kunstig verpakt af te geven: omhuld met boelewaaipapier dat de vreugdetoer opgaat, voorzien van strikken, linten, rozetten en wat er nog meer aan decoratieven bestaat. Moet je mij daar zien binnentreden met een op achterlijke, want habbezakkerige wijze aangetodderd pakket en helemaal zonder opsierselen … want ik slaag er vooralsnog niet in om hetgeen ik weggeef een feestelijk uiterlijk te bezorgen. Ik knip en plooi en plak en vouw, maar het resultaat is niet om aan te zien: deerniswekkend. Stel je twee mannen voor: de ene in een aangemeten kostuum van een modepaus en de andere in een flabberende campingsmoking. Dat is ongeveer het verschil tussen de cadeaus van anderen en die van mij.

Ter illustratie: in een Zuid-Amerikaanse bananenrepubliek was ik eens per benenwagen op weg naar een partijtje, toen ik door brutale militairen aangehouden en gefouilleerd werd, gewoon omdat ze het geschenk dat ik in mijn handen hield verdacht vonden. Ik had een fles cognac dermate troosteloos omwikkeld, dat ze meenden dat ik een gecamoufleerde molotovcocktail meevoerde. Kun je nagaan …

In een speelgoedwinkel ontwaarde ik onlangs een aardig meisje, dat allerlei tuigen met benijdenswaardige behendigheid in een verrukkelijk kleedje stak. Ze deed dat fluks en met watervlugge handen, alsof het niets inhield. Ik zag mijn kans schoon en vroeg of ik de kunst mocht afkijken door haar gade te slaan, hetgeen ze met behoud van glimlach toestond.

Ik denk dat ik nu de kneep gevat heb. Gisteravond waagde ik me aan enkele probeersels en bracht die zowaar tot een aannemelijk einde. Toegegeven: het is nog niet helemaal secundum artem en de geroutineerde Schwung laat nog wat op zich wachten, maar men kan een paard niet lopende beslaan. Volgens mij is het gewoon een kwestie van aanpak.