Tag: vaardigheden

Kijk, kijk, een homo!

HomoUniversalisIk was in de supermarkt met een vriendin. Toen een jongeman met blakend blonde en nogal chaotische manen – coupe windhoos – die een agrarische stevigheid over zich had in het gangpad verscheen en aanstalten maakte om ons te kruisen, hief mijn gezellin plots een soortement jubelzang aan, waarna ze zich tot die potige gozer wendde:
“Ha Selattin! Proficiat wei! ‘t Ee nie vele geschild hè? ‘k Zoaten te schudd’n en te kluttern in miene zetel beist dajje bizzig woart, moa jeddet hoald.”

Ik zie me genoodzaakt omdat voor de meeste van jullie even te vertalen:
“Ha Selattin! Proficiat hoor! Het heeft niet veel gescheeld hè? Ik zat te schudden en te beven in mijn fauteuil terwijl je bezig was, maar je hebt het gehaald.”

Door het horen van de in onze contreien toch wel zeldzame naam, Selattin, ging er bij mij een belletje rinkelen en opeens wist ik wie er voor me stond. Hij was namelijk de jongste kandidaat (18) en de winnaar van de wedstrijd Homo Universalis: een onderdeel van het programma Iedereen Beroemd op de Vlaamse televisie. Honderd kandidaten moesten iedere dag een behendigheidsproef afleggen, waarbij telkens iemand afviel, tot als laatste de Homo Universalis overbleef, die als beloning een heel jaar lang gratis mocht reizen.

Die Homo Universalis blijkt zich dus in mijn dorp op te houden. Meer zelfs: deze veelzijdige Vlaming woont amper een kilometer bij me vandaan. Ik voel me vereerd.

Anderzijds is het natuurlijk mooi meegenomen dat zo’n handige harry … eeh … zo’n handige Selattin, zo’n manusje-van-alles, bij me in de buurt woont. Je weet maar nooit waar dat goed voor kan zijn.

Aline bakt er niets van

Rogaciano, de vriend van Aline – de Betsy Bolleboos die ik hier in mijn laatste twee schrijfsels liet opdraven – beschouw ik een beetje als de zoon die ik nooit zal hebben, terwijl hij me toevertrouwd heeft dat ik voor hem de vader ben die hij nooit zal hebben.

Hij is automonteur van beroep en hij werkt in een garage, een paar kilometer van de plek waar ik hoofdkwartier houd. Het gebeurt dan ook niet zelden dat ik hem over de vloer krijg.

Een paar dagen geleden stond hij plots bij me in de keuken, terwijl ik daar aan het kokkerellen was. Nu beschouw ik mezelf niet als een flonkerster wat eten betreft, maar als zoon van een gerenommeerde kokkin kan ik aardig over voedsel meepraten en heb ik het culinaire equivalent van groene vingers.
─”Hoh, het is hier neuzenvreugd”, snoof hij. “Wat ben je aan het klaarstomen?”
─”Provençaalse scampi. Het is nogal bewerkelijk, maar wel erg lekker.”
─”Jij kunt wat samengooien”, kreeg hij hoorbaar het water in de mond.
─”Eet je mee?” stelde ik voor. “Er is meer dan genoeg.”
─”Ik hoopte er al niet meer op”, grijnsde hij.

Terwijl we het op een geweldig eten zetten, kreeg ik een toch wel merkwaardig verhaal te horen:
Rogaciano had op een keer zijn zinnen op mosselen gezet en Aline had twee kilo van die schelpdieren aangeschaft, maar wist hoegenaamd niet wat ze ermee moest aanvangen. Ze telefoneerde met haar vader, die aan zee woont, kreeg tekst en uitleg en ging aan de slag. Ze ontdeed de weekdieren van baarden, pokken en vuil, hetgeen men in vaktermen knippen noemt, spoelde ze drie keer grondig en zette ze toen een tiental minuten in water.
─”… en toen kreeg ik opeens blijekoeienburgers voorgezet”, zei Rogaciano.
─”Wat kreeg je?!”
─”Vegetarische hamburgers”, verduidelijkte hij. “De mosselen waren volgens haar allemaal bedorven, want de schelpen waren niet opengegaan en daarom had ze het hele zootje weggegooid.”
─”Allemaal?” verbaasde ik me. “Dat kan toch bijna niet.”
─”Als je geen vuur onder de pot zet en de mosselen gewoon tien minuten in koud water laat staan, zullen er zich maar heel weinig schelpen openen.”
─”Het is toch niet waar!”
─”Ze kan nog geen ei bakken”, schuddekopte hij. “Bij haar brandt zelfs water aan.”

Gelachen dat we die middag hebben, Rogaciano en ik, maar we hebben ook lekker gegeten, al waren de scampi niet opengegaan.

Afscheid van een virtuoos

Als ik op dinsdagmorgen het weekblad Humo uit mijn brievenbus opduikel, breng ik dat ‘boekje’ inderhaast naar mijn nest, om er verlekkerd in af te dalen en halt te houden bij Dwarskijker: de weergaloze bijdrage van Rudy Vandendaele, die me elke keer weer met briljant en beroezend Nederlands omstrengelt. Als geen ander pingpongt hij olijk met woordspelingen, stoot hij onvergetelijke teksten uit en hanteert hij een taal, die spettert als sterretjesvuurwerk. In zijn rubriek bespreekt hij televisieprogramma’s en de personen die daar verantwoordelijk voor zijn.

Helaas zou ik me in de bovenstaande alinea eigenlijk van de verleden tijd moeten bedienen, want Rudy Vandendaele, ofte rv, heeft zijn fijnbesnaarde lier enkele weken geleden aan de wilgen gehangen. O, wat zal ik zijn uitermate lenig proza missen. Bij hem was de Nederlandse taal alleszins in goede, om niet te zeggen exquisiete handen.

Ik mag hier graag citeren wat Guy Mortier, de voormalige hoofdredacteur van Humo, over hem schrijft:

Hij beheerst het Nederlands tot in zijn uiterste schakeringen, bespeelde het als geen ander en voegde er voortdurend nog zijn eigen nieuwe akkoorden aan toe. De humor die daar bijna vanzelfsprekend uit opvonkte, was volstrekt uniek, zijn rake typeringen van avond aan avond het scherm bezettende blaaskaken, volksverlakkers en andere patjepeeërs waren telkens weer een verademing voor al wie ze, van op de huiselijke sofa, knarsetandend en met gebalde vuisten had moeten moeten ondergaan.
Guy Mortier

De rubriek Dwarskijker blijkt nog te bestaan. De opvolgers van rv – ze zijn nu met meerderen – doen wellicht hun best, maar zullen nooit ofte nimmer het niveau van hun voorganger halen. Rudy Vandendaele is immers onnavolgbaar.

‘t Is niet meer wat het geweest is en ‘t zal nooit meer worden wat het was.

Achtervolgingswaanzin

Ik ben tijdens het fietsen opnieuw, nog maar eens en wellicht al voor de honderdste keer achternagezeten door een hond, waarvan de eigenaar dacht en luidkeels verkondigde dat hij/zij (de hond) zo braaf en tam was dat hij/zij niet aan de lijn hoefde.

Het exemplaar dat het gisteren op me gemunt had, dobberde wel tweehonderd meter in mijn kielzog, probeerde me herhaaldelijk in de kuit te bijten en staakte pas zijn achtervolging toen zijn baas hem voor de twintigste keer tot de orde riep.

Weten jullie hoe dat mormel heette? Marcel. Jawel, Marcel! Het weze me toegestaan om dat een buitengewoon bespottelijke naam voor een hond te vinden. Marcel nog aan toe.

Zowat een uur later ben ik voor de allereerste keer achternagezeten door een drone. Ja, jullie lezen het goed: door een drone! Het tuig dook op uit het niets, kwam nijdig zoemend of me af, scheerde me rakelings voorbij en suisde toen een weide in, waar een schaap zich wezenloos schrok en zich de poten uit de reet sjeesde, om vervolgens in een dwarrelvlucht terecht te komen en op een nogal onelegante wijze neer te strijken. Er kwam een man aandraven die een bedieningspaneel in de handen hield.
“Ik kan het nog niet goed”, klonk het verontschuldigend uit zijn mond en hij haalde de schouders op.

Hij kon het nog niet goed. Het was eraan te zien. Er staat ons wat te wachten met al die hefschroeftuigjes.

Dan ben je lekker bezig!

Van sommige mensen kan men zich afvragen wat er hun oren gescheiden houdt. Van anderen vraag ik me dan weer af hoe die er in vredesnaam in geslaagd zijn om een rijbewijs te veroveren.

Ik zat mijn tijd te verdoen in een café, dat uitzicht bood naar de hoofdstraat van een dorp, waarin al met al weinig te beleven viel. Gelukkig verscheen er toen een auto ten tonele, die al jaren zijn houdbaarheidsdatum tartte. De chauffeuse ervan maakte aanstalten om een parkeerplek naast de stoeprand in te palmen. Er was voldoende plaats om een paard met kar te keren, maar parkeren was kennelijk haar fort niet. Ze bleef het heen en weer krijgen en de versnellingsbak folteren, maar ze bakte er niks van, zelfs niet toen haar passagiere uitstapte om een beetje te wijzen en te gesticuleren.

Na ongeveer tien minuten kleuteren gaf ze er de brui aan. Ze slofte onverrichter zake weg, om iets verderop bijna een zich op een zebrapad bevindende voetganger van de sokken te rijden.

Ik hoop dat ik haar nooit op mijn weg ontmoet, want daar komen gegarandeerd brokken van.

Een gemeen hapje

ananassnijderMijn mond lust graag verse ananas. Helaas is dat niet zo’n fortuinlijke voorkeur, want deze exoot laat zich niet bepaald gemakkelijk soldaat maken.

In de allereerste plaats valt het moeilijk te bepalen wanneer de vrucht in staat van rijpheid verkeert. Internet biedt daaromtrent diverse hulpmiddeltjes aan, maar ik heb ondervonden dat die lang niet altijd betrouwbaar zijn. Bovendien is het ontkleden, of beter gezegd het ontbolsteren van dit tropisch fruit allerminst een sinecure. De koks en kokessen van de televisie, zoals bijvoorbeeld Jeroen Meus, hebben daar kennelijk weinig moeite mee, maar ik beschik hoegenaamd niet over de handigheid die zij tentoonspreiden.

Om deze reden heb ik me enige tijd geleden een apparaat aangeschaft, dat naar de naam ananassnijder luistert en over ingenieuze eigenschappen beschikt. Het is een soortement boor, waarmee je in één min of meer vloeiende draaibeweging zowel het omhulsel verwijdert, als de vrucht in een spiraalvormige schijf snijdt en van de kern, het klokhuis als het ware, ontdoet. Je houdt het niet voor mogelijk! Je moet het maar verzinnen.

Er is echter een niet te onderschatten nadeel aan dat toestel. Het klokhuis in kwestie blijft namelijk in de boorcilinder steken en dien je dus manueel te verwijderen. Dat blijkt een gevaarlijk karwei te zijn, want voor je het weet, schiet die prop onverhoeds los en kunnen je vingers met een smak op een snijdend gedeelte terechtkomen, wat meestal niet zonder gevolgen blijft. Dat overkwam me een paar keer, want ik ben zoals ik zei een uitermate onhandig mens, tot ik besloot om het verraderlijke klokhuis met de steel van een houten lepel uit te stoten.

Gisteren lette ik even niet op, want ik ben naast onhandig ook buitengewoon verstrooid, en toen de vruchtkern bezweek onder de druk van de lepelsteel en als een raket uit die cilinder schoot, belandde mijn duim met doodsverachting op het getande mes …

Je hoort me niet beweren dat ik bloedde als een rund, maar toch zeker als een kalfje. Ik herstelde enigszins de schade, maar toen bleek de Touch ID van mijn iPad niet meer te gehoorzamen aan de afdruk van die gehavende vinger.

Blijkbaar ben ik naast onhandig en verstrooid ook niet bepaald snugger, want het heeft even geduurd voor ik ontdekte dat ik op mijn iPad ook een tweede afdruk kon instellen. Nu zit ik me af te vragen welke vinger bij mij het minst kans loopt op beschadiging, want zoals ik zei, ben ik een uitermate onhandig, verstrooid en dom persoon.

Benjamín schrijft een stukje

Thomas Vanderveken, een weergaloze presentator, speelde het hard. In zijn jonge jaren studeerde hij nauwelijks twee jaar aan het conservatorium, maar opeens vatte hij het plan op om binnen de twaalf maanden zijn jongensdroom te verwezenlijken en een pianoconcerto ten beste te geven. Hij koos voor het pianoconcerto van Edvard Grieg en dat is niet bepaald een tingeltangelmuziekje.

Per televisie konden we desgewenst zijn vorderingen volgen en dat deed ik, want ik ben nogal een liefhebber van klassieke muziek en Thomas heeft sinds jaar en dag een wit voetje bij me. Ik vind hem een chique mens en als presentator kunnen slechts weinigen aan hem tippen. Hij is ongekunsteld hoffelijk, op een bijna nonchalante manier beschaafd, vol empathie en eigenaar van een verfrissend naturel, maar hij is absoluut geen watje en hij kan beter pianospelen dan veel andere over het paard getilde ‘klavierleeuwen’.

Op 7 december van verleden jaar maakte hij zijn muzikale droom waar. In de Gentse Bijloke voerde hij samen met het Brussels Philharmonic het concerto uit en hij deed dat met veel verve en niet minder panache. Ik heb niets dan bewondering voor die lefgozer. Ik kan zijn prestatie alleen maar hoog inschatten, in tegenstelling tot hetgeen ik gewaarword bij het aanschouwen van de glitterende nitwits, die hoog in allerhande hitparades een suite betrekken.

Een van die nitwits ─ en nu begeef ik me op glad ijs ─ is Karen Damen: zangeres, actrice, presentatrice en eertijds lid van de meidengroep K3. Zij heeft het plan opgevat om een soloplaat te maken en in een poging tot navolging van Thomas Vanderveken heeft ze een televisiezendertje bereid gevonden om daar verslag van uit te brengen in een programmareeks die ‘Karen maakt een plaat’ heet. Christene zielen, wat is dat een bedroevend spektakel! Ze doet van alles, behalve een plaat maken. Op 11 maart wil ze desalniettemin haar gewrocht in de Antwerpse Lotto Arena voorstellen. Ik ken iemand die daar alleszins niet aanwezig zal zijn. Tevens ken ik iemand die nooit de bewuste plaat zal kopen.

Driemaal is scheepsrecht en zelfs de minder goede dingen gebeuren drie keer. Ook journaalanker Hanne Decoutere voelt zich geroepen om in de voetsporen van Thomas te treden en zich binnen het jaar tot een ballerina te ontpoppen, die samen met het fameuze Ballet van Vlaanderen podiumkunsten botviert. De televisie zal vanzelfsprekend geregeld verslag uitbrengen van haar esbattementen in een programma dat ‘Hanne danst’ heet. Hoe verzinnen ze het in vredesnaam?!

Ik denk niet dat ik zal kijken. Ik heb het niet zo begrepen op spagaten, arabesquen en pirouettes, om van een grand jeté en een pas de chat nog te zwijgen. Ik hoop dat Thomas Vanderveken nog wat van plan is.

Wie was Jacques?

smicob2

Ik keer nog even terug naar het stukje dat ik hier verleden donderdag plaatste en meer bepaald naar de tekening, die ik gebruikte om de tekst te verluchten en die ik hierboven in een ietwat vergrote versie herhaal. Er is namelijk een anekdote aan dat portret verbonden.

Het moet ondertussen meer dan twintig jaar geleden zijn dat ik in een drenkplaats, waar ik af en toe mijn neus liet zien en natuurlijk ook de rest van mijn lijf, een gesprek aanknoopte met mijn buurman aan de tapkast. De man zal een jaar of twintig geweest zijn, vermoed ik, en hij heette Jacques. De inhoud van ons gesprek herinner ik me niet, maar de koetjes en de kalfjes zullen wellicht aan bod gekomen zijn, net als het weer. We zaten zo’n uur of twee tegen elkaar aan te kakelen en op te proosten, maar toen scheidden onze wegen.

Toen ik enkele weken later opnieuw in die kroeg kwam, vernam ik van de kastelein dat er iets voor me afgegeven was. Hij overhandigde me een map, waarin ik de tekening in kwestie aantrof. Het met een papierklem eraan bevestigde kattebelletje luidde: “Nog bedankt voor de leuke babbel. Jacques.”

Het mag gezegd dat de gelijkenis treffend was. Je kon de afgebeelde kop meteen als de mijne herkennen. Men moet ongetwijfeld over een uitzonderlijk visueel geheugen en veel talent beschikken om iemand na nauwelijks twee uur helemaal uit het hoofd en zo raak af te beelden.

Ik vroeg de kastelein of hij me wat meer over die Jacques kon vertellen. Dat kon hij, maar hetgeen ik van hem vernam, vervulde me met verbijstering en was absoluut niet wat ik wilde horen. Jacques was een week eerder aan een overdosis gestorven.

Hij is dus al twintig jaar dood, maar ik heb zijn tekening ingelijst en die hangt nog steeds op een ereplaats in mijn bureau. Af en toe mag ik er graag naar kijken.

Waarom, zo vraag ik me af, heeft hij me eigenlijk als een slang afgebeeld? Ik zal het nooit weten.

Ze kon het nog niet goed

Plaats des onheils: een smalle asfaltweg en een nog smaller zijpad.

Deelnemers: een wielertoerist, een achteropkomende fietser (ikke), een auto en op het zijpad een fietsende moeder en een fietsend (nu ja!) kind.

De feiten: de wielertoerist, de fietser (ikke) en de auto verplaatsen zich in dezelfde richting op de asfaltweg. Op het moment dat de auto de fietser inhaalt, duikt uit het zijpad een fietsend meisje op, gevolgd door de eveneens fietsende moeder.
“Pas op! Ze kan het nog niet goed!” riep laatstgenoemde, ten prooi aan grote en dus hoorbare vertwijfeling.

Daar was de wielertoerist dan mooi klaar mee. Het kind stevende recht op hem af. Omdat de auto hem op dat moment ter linkerzijde voorbijreed, kon hij geen kant op. Zo botsten en stortten beiden grondwaarts. Vanwege het bescheiden formaat van haar fietsje viel het meisje van niet hoog en daardoor bleef ze ongedeerd. De wielertoerist daarentegen had minder geluk: hij raakte niet tijdig uit zijn klikpedaal, toeterde zwaar op zijn bek en brak een been.

“Ik heb toch geroepen dat ze ‘t nog niet goed kon”, jammerde de moeder, maar daar had de wielertoerist geen boodschap aan en ik eigenlijk ook niet.
“Blijf dan met haar van de openbare weg af!” diende de wielertoerist haar van antwoord en ik was het met hem eens, al gaf ik daar geen ruchtbaarheid aan, om de zaken niet op de spits te drijven.

Terwijl ik me in afwachting van noodhulp om het slachtoffer bekommerde, probeerde de moeder ervanonder te muizen, maar daar stak ik een stokje voor.
“Als je niet blijft wachten, krijg je gegarandeerd een vluchtmisdrijf op je dak”, waarschuwde ik haar.
Ze keek me aan alsof ik een giftig reptiel was, maar besloot toch te blijven.

Een halfuurtje later was de wielertoerist afgevoerd, mocht ik als ooggetuige vertrekken en konden moeder en dochter de terugtocht aanvatten. Het meisje kon nog niet goed fietsen – het was haar aan te zien – maar ze was het aan het leren. Met vallen en opstaan.