Tag: vaardigheden

Leedvermaak?

Hoewel ik sociale media als de latrine van de publieke opinie beschouw, verkwist ik af en toe wat tijd aan Twitter. Wat me daarbij opvalt, is dat veel van die twitteraars lang niet alles scherp te krijgen wat de Nederlandse taal betreft. Nauwelijks gehinderd door enige kennis van zaken schrijven ze als een keukenmeid en bezondigen ze zich ongegeneerd aan taal- en stijlfouten, waarbij vooral de dt-regels het moeten ontgelden.

Nu ik toch Twitter bij de kop heb, wil ik daar nog wat meer over kwijt. Sommigen gebruiken dat medium immers om de wereld kond te doen van treurige, of zelfs tragische gebeurtenissen, zoals bijvoorbeeld het verscheiden van een geliefd wezen ─ mens of dier ─ of het toeslaan van onheil, zoals daar zijn lichamelijke of materiële rampspoed. Het leven is nu eenmaal een potpourri van tegenslagen. Hun lezers kunnen omtrent deze berichten hun deelneming betuigen, wat bij Twitter evenwel enkel mogelijk is via de knop ‘ik vind dat leuk’. Bewaar me, zeg!

─ “Er is bij mij borstkanker vastgesteld.”
─ “Mijn hond is onder een auto terechtgekomen en heeft dat niet overleefd.”
─ “Mijn vader heeft het tijdelijke met het eeuwige verwisseld.”
Het zijn allemaal berichten die anderen ‘leuk vinden’.

Ik vind dat eigenlijk niet zo’n succes, laat staan leuk.

Ars culinaria*

whirlpoolNa jaren trouwe dienst gaf mijn microgolfoven van Samsung plots de geest en er de brui aan. Derhalve drong vervanging zich op na wat vlooien op internet viel mijn keuze op de Supreme Chef van Whirlpool.

O, wat is dat een ingenieus geval, voorzien van veel toeters en bellen, om nog te zwijgen van de talloze toetsen en knoppen, waarmee keukenprinsessen en dito prinsen zich kunnen vermeien.

Nu mag ik mezelf gaarne als een soortement keukenprins beschouwen. Dankzij mijn moeder, die een voortreffelijke kokkin was ─ ze is ondertussen al dertig jaar dood, maar in het dorp waar ik woon, is ze nog steeds een naam met faam ─ kan ik behoorlijk wat samengooien en beschik ik over het culinaire equivalent van groene vingers.

In die hoedanigheid gebruik ik mijn nieuwe microgolfoven nu al twee weken en het ding heeft mijn linkerarm al vier keer met een brandwonde opgezadeld. Hoe dat zo komt? Wel, mijn oude Samsung was toegerust met een zwaaideur, terwijl de nieuwe Whirlpool zich van een klapdeur bedient, hetgeen een compleet andere benadering van een hete inhoud vergt, omdat die deur enigszins in de weg zit. Je kunt ermee sukkelen en ik sukkel er nu al twee weken mee, met alle gevolgen van dien.

Het is dat men me op school niet voor ingenieur klaargestoomd heeft, want ik zou ongetwijfeld heel goed geweest zijn in het ontwerpen van zowel gebruikersvriendelijke als veilige toestellen.

*de kunst van het koken

Smikkelen en smullen

In Belgenland is twee februari ─ Lichtmis ─ traditiegetrouw de nationale pannenkoekendag. Onze noorderburen dienen daar nog even mee te wachten, meer bepaald tot negentien maart.

pannenkoekenbakkerIk neem vanzelfsprekend deel en ja, ik zal ze zelf bakken, want daar ben ik goed in. Bovendien doe ik dat op grootmoeders wijze, met gist en volgens het recept in Ons Kookboek van de Boerinnenbond. Ik kan die dingen zelfs opgooien en weer opvangen. Nu ja, meestal toch.

Gewoonlijk nodig ik een paar mensen uit voor het boulimisch schransfestijn dat ik aanricht, maar dit jaar kan en mag dat niet, dus zal ik noodgedwongen helemaal in mijn uppie aanschikken en het op een geweldig eten zetten.

Mijn pannenkoeken besmeer ik rijkelijk met aardbeienjam, of chocopasta, of ahornsiroop, maar eigenlijk verorber ik ze nog het liefst met echte Diksmuidse hoeveboter en blonde Graeffesuiker uit Tienen.

Christene zielen! Is dat even eigenwijs en onbedaarlijk lekker! Het water loopt me nu al uit de bek. Het zal nog eens zo gaan dat ik me naar een hartinfarct toevreet.

pannenkoeken

Een duit in het zakje

Ik besteed niet buitensporig veel zorg aan mijn uiterlijk, wat niet belet dat ik er over het algemeen als een gesoigneerd manspersoon uitzie en een voordelige indruk maak, behalve dan misschien waar het mijn haartooi betreft.

Ik heb namelijk het kapsel van iemand die verslaafd is aan opstijgende helikopters. Ik ben met andere woorden een bolsjewiek: toegerust met een rebelse haardos, waarin zo te zien opgewonden vogeltjes rondgescharreld hebben, en met een door een nogal woeste baard en knevel omkroesde mond.

Ieder jaar begeef ik me slechts twee keer naar een kapster, om bij haar een ‘coupe tondeuse’ te ondergaan. Dat lijkt heel wat, maar het behelst eigenlijk niet meer dan een bolwassing en een rondrit van een meedogenloze knipmachine, waarbij zowel mijn weelderige manen als mijn kincreatie zorgvuldig tot op de millimeter getrimd worden.

Vandaag de dag waart er echter een ongemeen gemeen virus over de aardkloot, waardoor zij die zich met coifferen onledig houden werkloos moeten toekijken hoe hun klanten bedolven raken onder een chaotische, ja, soms zelfs bespottelijke frisuur.

Dientengevolge heb ik me in arren moede een semiprofessionele tondeuse aangeschaft. Hoewel het enige handigheid vergt, waarover ik dus niet beschik, ben ik toch zelf met dat ding aan de slag gegaan, vooral ook omdat mijn vriendschappelijke contacten vanwege datzelfde virus op zo’n laag pitje staan dat ik niemand kan vragen om zich met mijn vegetatie te bemoeien.

Het moet gezegd dat mijn haarkundige proefneming zo goed geslaagd is, dat ik besloten heb om mijn kapster voortaan links te laten liggen. Dat zal me jaarlijks ongeveer veertig euro opbrengen. Tel uit mijn winst!

Het zal nog eens zo gaan dat ik rijk word. Jullie zullen het zien en meemaken.

Prutswerk

Mijn beroepsbezigheden behelzen vooral het vertalen en redigeren van wat anderen geschreven hebben, maar af en toe durf ik me ook te bezondigen aan hetgeen men in jargon copywrting noemt ─ we kunnen het Engels niet laten ─ maar in feite niet meer is dan tekstschrijven voor reclamedoeleinden.

Ik leg dan ook enige belangstelling aan den dag voor hetgeen anderen op dat gebied presteren en uit hun mouw schudden. Soms zitten daar waarlijk bloedmooie pareltjes tussen, die boven alle kritiek verheven zijn en me niet alleen met niet aflatende bewondering vervullen, maar me bijwijlen zelfs met afgunst opzadelen. Niets menselijks is me vreemd.

Anderzijds wordt ik zo nu en dan geconfronteerd met regelrechte vehikels: misbaksels die zo stuntelig in elkaar gehikt zijn dat ik er bijna van gaan kotsen. Bewaar me, zeg!

Zo erger ik me bijvoorbeeld blauw aan het gewrocht … eh … gedrocht waarmee SodaStream uitpakt, om aan de kijker een toestel te slijten, dat ordinair leidingwater in verfrissend bruisend water verandert. Ga d’r maar aan staan!

SodaStreamAls pleitbezorgster in dezen voeren ze een ongehoord onbeschofte en niet eens tot wasdom gekomen helleveeg op. Dat feeksje wijst haar met petflessen zeulende vader terecht en eist dat hij zich zo’n bruiswatermaker aanschaft, teneinde het milieu te ontlasten. Daar valt wat voor te zeggen, maar door de uitermate botte manier waarop ze dat doet, zet ik meteen mijn stekels op. Als ik nooit ofte nimmer zo’n SodaStream zal kopen, is dat de schuld van dat kapsonelijertje. Wat een secreet, zeg!

O, wat beklaag ik de man die ooit met dat serpent in de huwelijksboot zal stappen. Daar komt gegarandeerd een vechtscheiding van.

Een ander reclamefilmpje probeert het afwasmiddel van Dreft wierook toe te zwaaien, maar sorteert bij mij een averechts effect door me zure oprispingen te bezorgen.

DreftEen jongetje, wiens ouwelui dat middel aangekocht hebben, wil graag de fles ervan ombouwen tot een ruimteschip. Het product blijft echter meegaan ─ ik kan dat beamen, want ik gebruik het al jaren ─ en die knaap vindt dat niet leuk, dus begint hij te jeremiëren en te zeuren dat het niet mooi meer is. Ik krijg er wat van en voel me steeds meer geneigd om dat zageventje naar het leven te staan alsof hij een giftig reptiel is, maar gelukkig raakt die fles toch leeg en kan hij overgaan tot het bouwen van … een uitermate wanstaltig ruimteschip. Het lijkt nergens op. Mens toch!

Kan het misschien wat stiller?

monumentHet West-Vlaamse dorp kan al bijna een eeuw bogen op en uitpakken met een oorlogsmonument: een standbeeld vervaardigd door een lokale kunstenaar, voorstellend een soldaat, die met een hand aan de mond ik weet niet wat roept naar ik weet niet wie.

Het ‘meesterwerk’ stond oorspronkelijk prominent op de oever van de hoofdstraat, maar enige tijd geleden heeft men het gevaarte verplaatst naar een uithoek van het marktplein, waar vrijwel niemand er nog aandacht aan besteedt.

─”Waarom hebben ze dat gedenkteken eigenlijk verplaatst?” vroeg ik aan de kastelein van een daar in de buurt gelegen café, dat ook wel te eten schaft.
─”Hij riep te luid”, zei de man zonder een spier te vertrekken, “en hij bleef maar roepen. Hij hield ons ‘s nachts wakker.”

Er zijn van die mensen die nooit om een antwoord verlegen zitten en bovendien bij de pinken zijn. Ze verstaan de kunst om buitengewoon gevat uit de hoek te komen. Daar hoor ik helaas niet bij. Ik ben niet gesierd met een vlotte babbel en beschik evenmin over verbaal lef of dodelijke welsprekendheid. Het ontbreekt me vooral aan de vaardigheid die sommige mensen tentoonspreiden, om op stel en sprong te riposteren. Mijn geestige invallen duiken meestal te laat op, als ik die niet meer kan gebruiken. Ik zal vermoedelijk niet de enige zijn die met dit euvel behept is, want in vrijwel alle talen bestaat er een naam voor het verschijnsel. In het Engels is dat ‘staircase wit’; de Fransen noemen het ‘l’esprit de l’escalier’; bij de Germanen is het ‘Treppenwitz’ en Nederlandstaligen hebben er ‘trappenlol’ voor bedacht: zijnde de spitsvondige, perfecte, briljante of grappige repliek die je pas te binnen schiet als je al vertrekkensklaar op de trap staat en het dus te laat is om die uit te spreken.

Ik moet ooit eens, in lang vervlogen dagen, op mijn mondje gevallen zijn. Gelukkig vermag ik met enige panache de schrijfstok te hanteren. Dat compenseert.

Wat ruist er door het struikgewas?

Mijn mobiel signaleerde een oproep, dus stopte ik met trappen, kneep wat remmen dicht, bracht mijn fiets tot stilstand, stelde me op in de berm, viste het opdringerige toestel uit mijn zak en bracht de verbinding tot stand.

─”Hallo!” zei ik.
─”Hallo!” antwoordde iemand die zich aan de overkant van een hoge heg bevond en daardoor aan mijn oog onttrokken was.
Terwijl ik het telefoongesprek voerde, bleef dat onzichtbare, maar bemoeizieke wezen me met hallo’s bestoken, met het nogal schorre stemgeluid waarmee men daken kan ontmossen of afrokapsels ontkroezen.
─”Is daar iemand?” riep ik toen ik klaar was.
─”Hallo!” kreeg ik als antwoord, maar tezelfdertijd hoorde ik wat gescharrel en opeens kraaide er ook een haan.

Er moet dus pluimvee bestaan dat in staat is om hallo’s te uiten. Ik dacht eerst aan een van het eiland Mauritius afkomstige en hier aangespoelde dodovogel, maar naar verluidt zouden die uitgestorven zijn. Dat is maar goed ook, want de natuur had deze gevederde vriend wat schoonheid betreft lelijk in de steek gelaten. Het was een ontzettende griezel, die de bijnaam ‘walgvogel’ absoluut niet gestolen had.

Volgens een in de ornithologie onderlegde vriend van me, moet het een ordinaire eend geweest zijn. Ja, hallo!534867707

Waarin ik een hoofdzonde bedrijf

De televisie vergastte me op een promotiefilmpje voor ─ blijkbaar is Engels bij ons tegenwoordig de voertaal ─ Bake Off Vlaanderen. Dat is een programma van VIER, waarin amateurbakkers het tegen elkaar opnemen, teneinde de titel van meest getalenteerde thuisbakker van Vlaanderen te verwerven.

De vrouwelijke commentaarstem bij deze trailer ─ ik herhaal dat Engels vandaag de dag hier de voertaal is ─ stuurde meteen de hiernavolgende kwakkel de wereld in:

“Bakken is altijd een feest, want niemand bakt alleen voor zichzelf.”

kersentaartIk kan met de hand op het hart verklaren dat dit een uitermate stomme bewering is, die kant noch wal raakt. Ik heb gisteren namelijk een nochtans zeer bewerkelijke Schwarzwälder Kirschtorte gebakken en ik ben bezig om die helemaal in mijn eentje op te vreten, hetgeen me vandaag of morgen ongetwijfeld zal lukken. Dat is smikkelen en smullen, hoor!

Ja, ik weet dat gulzigheid een hoofdzonde is, maar als ik moet branden in de hel, dan liefst met een volle maag en van lekkers verzadigd.

Kijk, kijk, een homo!

HomoUniversalisIk was in de supermarkt met een vriendin. Toen een jongeman met blakend blonde en nogal chaotische manen – coupe windhoos – die een agrarische stevigheid over zich had in het gangpad verscheen en aanstalten maakte om ons te kruisen, hief mijn gezellin plots een soortement jubelzang aan, waarna ze zich tot die potige gozer wendde:
“Ha Selattin! Proficiat wei! ‘t Ee nie vele geschild hè? ‘k Zoaten te schudd’n en te kluttern in miene zetel beist dajje bizzig woart, moa jeddet hoald.”

Ik zie me genoodzaakt omdat voor de meeste van jullie even te vertalen:
“Ha Selattin! Proficiat hoor! Het heeft niet veel gescheeld hè? Ik zat te schudden en te beven in mijn fauteuil terwijl je bezig was, maar je hebt het gehaald.”

Door het horen van de in onze contreien toch wel zeldzame naam, Selattin, ging er bij mij een belletje rinkelen en opeens wist ik wie er voor me stond. Hij was namelijk de jongste kandidaat (18) en de winnaar van de wedstrijd Homo Universalis: een onderdeel van het programma Iedereen Beroemd op de Vlaamse televisie. Honderd kandidaten moesten iedere dag een behendigheidsproef afleggen, waarbij telkens iemand afviel, tot als laatste de Homo Universalis overbleef, die als beloning een heel jaar lang gratis mocht reizen.

Die Homo Universalis blijkt zich dus in mijn dorp op te houden. Meer zelfs: deze veelzijdige Vlaming woont amper een kilometer bij me vandaan. Ik voel me vereerd.

Anderzijds is het natuurlijk mooi meegenomen dat zo’n handige harry … eeh … zo’n handige Selattin, zo’n manusje-van-alles, bij me in de buurt woont. Je weet maar nooit waar dat goed voor kan zijn.

Aline bakt er niets van

Rogaciano, de vriend van Aline – de Betsy Bolleboos die ik hier in mijn laatste twee schrijfsels liet opdraven – beschouw ik een beetje als de zoon die ik nooit zal hebben, terwijl hij me toevertrouwd heeft dat ik voor hem de vader ben die hij nooit zal hebben.

Hij is automonteur van beroep en hij werkt in een garage, een paar kilometer van de plek waar ik hoofdkwartier houd. Het gebeurt dan ook niet zelden dat ik hem over de vloer krijg.

Een paar dagen geleden stond hij plots bij me in de keuken, terwijl ik daar aan het kokkerellen was. Nu beschouw ik mezelf niet als een flonkerster wat eten betreft, maar als zoon van een gerenommeerde kokkin kan ik aardig over voedsel meepraten en heb ik het culinaire equivalent van groene vingers.
─”Hoh, het is hier neuzenvreugd”, snoof hij. “Wat ben je aan het klaarstomen?”
─”Provençaalse scampi. Het is nogal bewerkelijk, maar wel erg lekker.”
─”Jij kunt wat samengooien”, kreeg hij hoorbaar het water in de mond.
─”Eet je mee?” stelde ik voor. “Er is meer dan genoeg.”
─”Ik hoopte er al niet meer op”, grijnsde hij.

Terwijl we het op een geweldig eten zetten, kreeg ik een toch wel merkwaardig verhaal te horen:
Rogaciano had op een keer zijn zinnen op mosselen gezet en Aline had twee kilo van die schelpdieren aangeschaft, maar wist hoegenaamd niet wat ze ermee moest aanvangen. Ze telefoneerde met haar vader, die aan zee woont, kreeg tekst en uitleg en ging aan de slag. Ze ontdeed de weekdieren van baarden, pokken en vuil, hetgeen men in vaktermen knippen noemt, spoelde ze drie keer grondig en zette ze toen een tiental minuten in water.
─”… en toen kreeg ik opeens blijekoeienburgers voorgezet”, zei Rogaciano.
─”Wat kreeg je?!”
─”Vegetarische hamburgers”, verduidelijkte hij. “De mosselen waren volgens haar allemaal bedorven, want de schelpen waren niet opengegaan en daarom had ze het hele zootje weggegooid.”
─”Allemaal?” verbaasde ik me. “Dat kan toch bijna niet.”
─”Als je geen vuur onder de pot zet en de mosselen gewoon tien minuten in koud water laat staan, zullen er zich maar heel weinig schelpen openen.”
─”Het is toch niet waar!”
─”Ze kan nog geen ei bakken”, schuddekopte hij. “Bij haar brandt zelfs water aan.”

Gelachen dat we die middag hebben, Rogaciano en ik, maar we hebben ook lekker gegeten, al waren de scampi niet opengegaan.