Tag: conversatie

Moeilijke woorden

We schurkten ons in vleesetende fauteuils en verschansten ons bij een haardvuur, dat niet alleen zijn vlammen bloot lachte, maar af en toe ook zijn beste vonkje voorzette en bovendien naar dennenbossen geurde. De vrouw des huizes verdeelde oogstrelend gebak in ordentelijke punten, die ze vervolgens behoedzaam op bordjes neervlijde en ronddeelde.

─”Dat ziet er eigenwijs lekker uit”, smakte ik, “en het is prachtig om naar te kijken. Heeft het ook een naam?”
─”Clafoutis”, straalde ze. “Ik heb altijd gedacht dat het een Grieks gerecht was, maar het blijkt zo Frans te zijn als de Eiffeltoren.”
─”’t Kan erger, hè?” probeerde de echtgenoot haar af te bluffen. “Ik ben er lange tijd van overtuigd geweest dat Fellatio een personage uit een toneelstuk van Shakespeare was.”
We lachten dat we krulden en hij zette het op een glunderen dat aan extase grensde.
─”En ik heb nog maar net ontdekt dat Clitoris geen Grieks eiland is”, deed ik mijn triomfantelijke duit in het zakje.

Zo hadden we alle drie ons zegje gehad en konden we tevreden overgaan tot het verorberen van de clafoutis. De vrouw des huizes hield daar plots mee op en keek me aan.
─”Misschien komt het daardoor dat je nog niet van straat geraakt bent”, wilde ze mijn woordgrapje niet onweersproken laten.

Praatje voor de vaak

Ik ben nogal geblutst uit een relatie gekomen. Hoewel ik me sindsdien zo min mogelijk met anderen bemoei en zelf ook liever mijn goddelijke driehoek ga, kan het toch gebeuren dat ik plots een aanspraakje nodig heb. Dat was ook gisteren het geval, dus spoedde ik me naar de lokale tempel des vertiers, op zoek naar het soort luchtige kroegpraat waaraan ik me in prettig gezelschap graag mag bezondigen. Weet ik veel wat me bezielde!

Aan de tapkast kwam ik in aanraking met een geeuwend vervelend gotsammelazarustype. Binnen de kortste keren vroeg ik me af waarom ik niet thuisgebleven was. Hij zat de hele tijd te krasborstelen over het klimmen der jaren en het daarmee gepaard gaande krimpen van de toekomst. Ik wilde dat niet onweersproken laten:
─”Ach, je houdbaarheidsdatum is nog lang niet verstreken”, lapzalfde ik. “Bovendien worden mensen interessanter met de jaren: er zijn meer lagen af te pellen”.
─”Je mag me overtuigen, maar niet vleien”, mompelde hij nogal onderkoeld. “Een kreeft in een kookpot heeft betere toekomstperspectieven.”
─”Hoe oud ben je eigenlijk?” vroeg ik, op het gevaar af dat hij me om een schatting zou vragen. Daar ben ik namelijk heel slecht in en meestal gooi ik er zo’n tien jaar bovenop.
─”Ik heb de Dode Zee nog gekend toen die nog leefde”, zei hij.

Ik liet een lach op mijn gezicht los, want een geslaagde oneliner valt er bij mij altijd lekker in. Helaas gebeurde er verder niets meer dat ik de moeite van het vermelden waard vind, zodat ik er hier maar een punt achter zet.

Olijke stukken vlees

fietsenToen ik door het dorp fietste, ontmoette ik een meisje en een jongetje. Ze waren een jaar of acht, schat ik, en ze liepen keurig op het voetpad. Hand in hand. Ik reed ze voorbij en hoorde dat een van hen me iets nariep, maar omdat er net een luidruchtig voertuig aankwam, kon ik dat niet verstaan. Ik kneep de remmen dicht en wachtte. Aarzelend keutelden ze naderbij.

─“Riep je wat?” vroeg ik.
─“Ik niet”, prevelde het meisje.
Ze had verschrikte ogen opgezet en schudde heftig van nee.
─“Ik heb geroepen”, bekende de jongen ruiterlijk en met een branieachtige snoet, die geen spoor van angst vertoonde.
─“Wat dan?” wilde ik weten.
Hij gnuifde, keek even naar het meisje en zei toen:
─“Je wielen draaien!”

Ik proestte het uit, vervolgde lachend mijn weg en zit nu eigenlijk nog steeds met die snaak te lachen. Mijn wielen draaien als ik fiets. Wie had dat ooit kunnen denken?

Nog niet zo lang geleden spurtte ik voorbij een in een deurgat vertoevend oud mannetje en weten jullie wat die me nariep?
─“Doe maar rustig! Ze hebben hem al!”

Meneer spreekt talen ─ 3

Mijn lezers zullen zich ongetwijfeld de jongeman herinneren, waarmee ik hier gisteren de draak stak, omdat hij indruk wilde maken op een meisje en te dien einde zijn uitgebreide talenkennis tentoonspreidde, maar zich hopeloos belachelijk maakte door een Engelse vleermuis een floddermouse te noemen.

In een zalig vroeger was ik op stap met Reinhold, een vriend van me, en we kwamen nogal onverhoeds in ons binnenlandse buitenland terecht ─ ik bedoel Wallonië ─ zodat we genoodzaakt waren om ons elegante Vlaams door het veel boersere Frans te vervangen … of is het omgekeerd? We knoopten een gesprek aan met een man die zijn tijd stond te verdoen in een tuin, waar talloze molshopen het gazon ontsierden.
─”Quelle invasion d’intrus!” merkte Michael op. Wat een invasie van ongenode gasten!
─”Vous voulez dire?” fronste de man. Wat bedoelt u?
─”Les moules”, verduidelijkte mijn vriend.
─”Moules zijn mosselen”, haastte ik me hem te verbeteren en ik schoot in de lach.
─”Betweter!” foeterde hij gegriefd. “Wat zijn mollen dan?”
Da’k het niet meteen wist!
─”Allez! ’t Ligt op het puntje van mijn tong …” probeerde ik mijn gezicht te redden.
─”Des taupes”, zei de inwoner van ons binnenlandse buitenland.
─”Juist!” riep ik.
─”Totentrekker!” gromde Michael.
─”C’est quoi ça, un totentrekker?” vroeg de man. Wat is een totentrekker?

En zo begon een gesprek waarvan het einde niet meteen in zicht was.

Meneer spreekt talen ─ 2

De gelagkamer van het restaurant behelsde slechts vier klanten, als ik mezelf en mijn vriend Reinhold even buiten beschouwing laat, of toch als ombres chinoises naar de achtergrond verdring.

Naast een venster hadden twee in het Engels converserende dames plaatsgenomen, die zich zo te zien danig aan maquillage vergrepen hadden en er daardoor nogal gemummificeerd uitzagen. Aan een tafeltje in mijn buurt hield zich een jong en door Amor bevleugeld stel op, dat gelijk sympathie bij me losweekte.

Het was duidelijk dat ze op elkaars lijstje van prettige dingen stonden, ook al hielden ze niet bepaald een kwieke stroom van opgeruimd gebabbel gaande. Zij vertoonde het wezenloze lachje en de ietwat schaapachtige gelaatsuitdrukking die verliefde mensen vaak tentoonspreiden. Hij, van zijn kant, bedacht haar af en toe met een olijke knipoog, zoals men doet tegen iemand waarmee men dartele herinneringen deelt.

Toen verscheen de kelnerin en die gaf meteen te verstaan dat ze het Nederlands zo’n minne taal vond, dat ze zich liever van het Frans bediende. De jongen, die niet gesierd was met een vlotte babbel, bestelde op bedremmelde toon een whisky voor zichzelf en een jus d’orange voor zijn meisje.
─”… et un jus d’orange”, noteerde de dienster de bestelling met een volslagen gebrek aan belangstelling.
─”Van appelsienen”, klampte hij nog even aan, teneinde misverstanden te vermijden en te verhinderen dat men de jus d’orange aan foute vruchten zou ontwringen.

Zijn meisje had besloten dat ze zich met een tomate-crevettes wilde vermeien. Hoewel de benaming van dat gerecht in sierlijke letters op de kaart prijkte, bezorgde de jongen zichzelf een allemachtige hoop ongemak.
─”Une tomate avec des garnales”, kwam het er wat knullig uit en hij keek de kelnerin aan alsof die een geweer op hem richtte, hetgeen ze wellicht ook gedaan zou hebben als ze over zo’n wapen had beschikt.
Ik zat meewarig te glimlachen, want iedereen die een beetje Frans spreekt, weet natuurlijk dat het une tomate avec des garnaux moet zijn.

Later zaten de Engelstalige lady’s naar een vleermuis te kijken, die herhaaldelijk door de straat scheerde.
─”It’s a floddermouse”, verduidelijkte de jongen behulpzaam.
De dames zetten zo’n verbaasde gezichten, dat hun make-up ervan craqueleerde.

“Wel wel!” gnuifde Reinhold, die volgens zijn zeggen talen spreekt. “Zou je geloven dat ik nog nooit een floddermouse gezien heb?”

Goeie babbel!

Tijdens het opbergen van de sedimenten van vervlogen jaren kreeg ik onder veel meer een prentbriefkaart in handen. Kennissen hadden die aan me laten bezorgen, om me mede te delen dat ze zich in de Italiaanse Dolomieten ophielden, dat de zon daar haar beste straaltje voorzette en dat het eten er heel lekker was.

Omdat ik een hevige fan van deze wondermooie bergen en de daarmee gepaard gaande dalen ben, en vooral ook omdat ik bijzonder aangename herinneringen bewaar aan hetgeen ik in die verrukkelijke contreien mocht beleven, besteedde ik enige aandacht aan de afbeelding. Ik keek naar de niet te onderschatten Pordoipas: een weg die kronkelend als een aal in doodsnood door een intimiderend landschap meanderde en zodoende in niet geringe mate aan het toeristische verwachtingspatroon voldeed. Een inzet in de bovenhoek toonde de herberg die aldaar op de pashoogte gastvrijheid biedt. In de buurt van dat etablissement speelde zich jaren geleden het tafereel af, dat ik hieronder in woorden voor jullie probeer te vatten.

Ik zwierf door Europa in het gezelschap van mijn goeie vriend, de niet uit te wissen Reinhold, die mijn leven regelmatig van koddige kanttekeningen voorzag. Dat was ook het geval op de Pordoipas, waar wij het voornoemde café verlieten en naar mijn iets verderop geparkeerde auto kuierden. Ik zal ongetwijfeld verstrooid geweest zijn, want dat overkomt me wel vaker. Feit is dat ik zonder mijn spiegels te raadplegen een plaatsje op de weg veroverde en daardoor bijna in aanvaring kwam met een ander voertuig, dat luidkeels remmend rakelings aan ons voorbijschoot.

Het nummerbord verried dat er zich Duitsers aan boord bevonden en die zijn, zoals men weet, volkomen humorloos en gauw aangebrand. Zij dus ook. Het portier zwaaide open en een heerschap kwam naar ons toe: de blik vol blinde haat, laaiende woede en levensgrote afschuw voor alles wat leeft. Hij nam een pugilistische pose aan en begon me genadeloos af te zeiken … waarop Reinhold, die nauwelijks, of zelfs geen verstaanbaar Duits spreekt, zich vooroverboog tot hij de Germaan in het vizier kreeg en de gevleugelde woorden uitte:
─“Ach mensch, sie kunnen ein bisschen meine klossen küssen und meine sack aufblazen.”
De man staarde mijn gezel aan alsof die plots een vagina tentoonspreidde, maar was dusdanig onder de indruk van van diens polyglottische vaardigheid dat hij ons verder ongemoeid liet en afdroop.
─“Daar heeft hij niet van terug”, grijnsde Reinhold tevreden.
─“Allerminst”, monkelde ik en ik gaf hem een schouderklopje: “Du hast ihm düchtig die lesse gelesen, mein freund.”

En fier dat Reinhold was. Als een gieter! En ik gunde het hem van harte.

Pretsigaret

Ik had een vriend van me op bezoek, Reinhold, met wie ik enkele biertjes likte en aan een paar stevige joints lurkte. Hoewel ik in hevige mate aan hoogtevrees lijd, ben ik hoegenaamd niet bang om high te worden. Zoals sommigen van jullie ongetwijfeld weten, kan een dergelijke toestand de geest bijzonder dartel maken. Toen dat bij mij het geval was, besloot ik een grap te vertellen … over een butler … En Reinhold luisterde ingetogen naar wat ik te vertellen had.

─“Lord Spacecake woonde sinds jaar en dag in het Lake District,” stak ik van wal, “helemaal in het noorden van Engeland en meer bepaald in het stadje Cockermouth. Hij had een butler.”
─“James!” gniffelde mijn gezel.
─“Nee!” steigerde ik. “Hij heette Rogaciano.”
─“Christus!” siste Reinhold.
─“Bijlange niet!” speelde ik ergernis. “Gilipollas! Rogaciano Gilipollas.”
─“Ook goed”, sputterde hij. “Roga… dinges … Vanzwiereltruis.”
─“Het is inderdaad geen eenvoudige en nog minder een courante naam,” vervolgde ik welgemoed, “maar je moet weten dat die butler, Rogaciano Gilipollas dus, een soortement gastarbeider was. Hij kwam uit een ver buitenland, helemaal uit Mexico, waar hij gedurende vele jaren deel had uitgemaakt van een mariachi-orkest, in de hoedanigheid van meesterlijk snarenplukker van een guitarrón … dat is zo’n flink uit de kluiten gewassen stuk jammerhout … een reuzengitaar en otras palabras. Enfin … Op zekere dag had hij last gekregen van een hernia umbilicalis, wat het Latijnse equivalent is …”
─“Meneer spreekt talen!” proestte Reinhold en vanwege de milde staat van euforie waarin wij verkeerden, gaf die onnozele opmerking aanleiding tot een minutenlange lachkramp.
─“… wat het Latijnse equivalent is voor hetgeen wij in de wandeling een navelbreukje noemen”, nam ik de draad weer op. Reinhold richtte zich met een ruk op en staarde me ongelovig aan. Ik glimlachte sereen. “Dat euvel speelde hem al sinds zijn geboorte parten,” was er me geen spinnenweb voor de mond gewassen, “maar werd nooit goed verzorgd, omdat zijn ouwelui arme keuterboertjes waren, die in de Bolsón van Mapimi — dat is een hete en onvruchtbare dalkom in de Mexicaanse staat Chihuahua, waar ook dat beroemde preutenlikkertje … eh … dat op vagina’s beluste hondje vandaan komt — in die godverwaten streek dus bezaten zij, Rogaciano’s ouders, een klein hoevetje, un ranchito met andere woorden, waar zij voor eigen gebruik wat schrale akkergewassen verbouwden en een magere koe … eh … koesterden …”
─“Ben jij nu helemaal van god los?!” riep Reinhold. “Wat zit jij opeens uit je nek te kletsen en over keuterboeren en een magere koe? Dat maakt toch allemaal geen zak uit!”
─“Toch wel,” protesteerde ik, “want die keuterboeren waren Rogaciano’s mama en papa, en hun koe had aan Sinterklaas een Tiroolse bel gevraagd, om rond haar nek te hangen en klingelend …”
─“De rapen zijn gaar!” schuddekopte hij.
─“Rapen kreeg ze nooit, die koe”, treiterde ik. “Rapen gedijden niet in het meedogenloze klimaat dat daar heerste. Meestal at ze …”
─“Cowabunga!” sudderde hij.
─“Da’s ook een mooie naam voor een koe,” gaf ik toe, “maar ze heette Mercedes.”
─“Al heette ze Toyota of La Vache Qui Rit!” ging hij bijna door het behang. “Wat salamandert dat?”
─“Op hun erf krioelde het van salamanders”, draafde ik door. “Ze glisten overal rond, maar de mooiste exemplaren, die gevlekte, hielden zich schuil onder de golfplaten waarmee …”
─“Kop toe of ik maal je tot pulp!” dreigde hij.
─“Gemalen pulp kreeg Mercedes dan weer wel en dat at ze graag …”
─“Basta!”
─“Wil je ‘t vervolg niet horen?” fleemde ik.
─“Je mag samen met die moeraskinkel van een butler …”
─“Elke avond hangen er feux follets boven het moeras”, wist ik niet meer van ophouden. “Dat zijn dwaallichtjes … en vaak ook van die giftige dampen. Dat noemen ze miasma …”

Hij sprong van de sofa alsof er onder hem een krachtige veer in werking trad, gooide de armen in de lucht en vluchtte joelend van me weg.
─“Ik ga rammen!” hoorde ik hem roepen. “Ik geef hem zo’n ram dat zijn kleren uit de mode zijn als hij bijkomt, maar eerst ruk ik hem de ogen uit de kop, zodat hij kan zien hoe ik hem in mekaar ram!”

Ik nodig jullie uit om het hier eerder gepubliceerde schrijfsel Krambamboeli, te lezen, waarin dezelfde hoofdrolspelers ─ Reinhold en ikzelf ─ Oostenrijk onveilig maken, door ons schromelijk te misdragen.

Eet je bord leeg!

De kelner van het restaurant wapperde nogal om zijn ruggengraat en liep er klapwiekend mee te koop dat hij de Griekse beginselen toegedaan was. Dat hij zich ook nog op heel erg vriendelijke wijze en uiterst bekwaam van zijn taken kweet, had natuurlijk weinig of niets met zijn geaardheid te maken.

Aan een tafel niet zover bij me vandaan zat wat ik als een echtpaar met een volwassen zoon beschouwde. Ik vermoedde bovendien dat die zoon de speciale vriend van de kelner was. Ze knipoogden alleszins olijk naar elkaar, zoals men dat doet tegen iemand met wie men dartele herinneringen deelt.

De zoon at mosselen. Toen de kelner na afloop hun tafel afruimde, wees hij naar de pot met de overblijfselen van die weekdieren en zei tegen zijn vriend:
“Je moet wel je schelpen nog opeten.”

Ik proestte het uit. Ik vond dat namelijk bijzonder grappig. Ik ben met weinig tevreden.
Ik had eveneens mosselen gegeten, maar niemand verzocht me om de schelpen op te eten. Ik voel me tekortgedaan.

Alles sal reg kom

Ik was zo flabbergasted dat ik stond te shaken, maar nu voel ik me al een stuk happier.

Ik heb hier al eerder lucht gegeven aan mijn ongenoegen omtrent het in toenemende mate verengelsen van het Nederlands: een fenomeen dat volgens mij de teloorgang van onze taal inluidt. Er is echter hoop. Wegens omstandigheden verleen ik al ruim een maand gastvrijheid aan een jonge spring-in-’t-veld, die af en toe sprankelt en me dan met een trouvaille … eh … met een verrukkelijke vondst verrast, waardoor bij mij de hoop opflakkert dat het met die aftakeling niet zo’n vaart zal lopen. Hier volgen enkele voorbeelden van wat hij allemaal verzint:

─ Als je in een zure of wrange vrucht bijt, kun je daar sleeë tanden van krijgen. Het is me een raadsel waarom de dikkerd Van Dale het adjectief ‘slee’ niet de moeite van het vermelden waard vindt, want er bestaat volgens mij geen ander woord voor dat rare gevoel. Toen mijn tijdelijke huisgenoot zo’n vrucht verorberde, zei hij dat hij zijn tanden fronste.
─ Als je helemaal op de rand van een bed ligt, dan lig je op het nippertje.
─ Luidop slapen is hetzelfde als snurken.
─ Zijn grootvader valt niet ten prooi aan dementie, maar aan ouderdommigheid.
─ Tegen iemand aanbiggen lijkt me lekkerder dan tegen iemand aanschurken.

Alles sal reg kom as ons almal ons plig doen.

Best te pruimen

Het is paasvakantie en ik heb het twijfelachtige genoegen kost en inwoning te verstrekken aan een logeergast: een kwikzilverige en sympathieke knaap van een jaar of zestien. Met dat ’twijfelachtige genoegen’ doe ik hem eigenlijk onrecht aan, want hij valt best wel mee in de kook. Hij deugt heel erg en hij zal volgens mij het kwaad niet in de wereld brengen.

Toen hij vanmorgen uit de badkamer kwam en zich in de keuken bij me voegde, vroeg hij op schalkse toon:
─”Zal ik jou eens wat goeie raad geven?”
─”Men begint oud te worden zodra men goede raad geeft in plaats van het slechte voorbeeld”, zei ik.
─”Dan ben jij inmiddels een fossiel”, ginnegapte hij.
─”In welke hoek wil je liggen?” dreigde ik. “Kom op met je goeie raad.”
─”Eet nooit pruimen als je honger hebt”, monkelde hij. “Ik ben vannacht behoorlijk aan de racerij geweest.”
─”Ik had je nochtans gewaarschuwd, maar jij moest nodig heel die kom leegratsen.”

Tijdens het ontbijt begon hij vervolgens plots De Pruimeboom van Hieronymus van Alphen te declameren. Nu kunnen de meesten van ons wel de beginregels ervan voordragen ─ Jantje zag eens pruimen hangen, O! als eieren zo groot ─ maar tot mijn niet geringe verbazing reciteerde mijn huisgenoot meteen het hele gedicht.
─”En zomaar uit je hoofd”, sprak ik vol bewondering.
─”Mijn reet articuleert niet zo lekker,” gnuifde hij, “al leek dat vannacht wel even anders.”

Kijk, als iemand met zo’n vlotte babbel gesierd is, kan ik zeer zeker met haar of hem lezen en schrijven.

Jantje zag eens pruimen hangen,
O! als eijeren zo groot.
’t Scheen, dat Jantje wou gaan plukken,
Schoon zijn vader ’t hem verbood.
Hier is, zei hij, noch mijn vader,
Noch de tuinman, die het ziet:
Aan een boom, zo vol geladen,
mist men vijf zes pruimen niet.
Maar ik wil gehoorzaam wezen,
En niet plukken: ik loop heen.
Zou ik, om een hand vol pruimen,
Ongehoorzaam wezen? Neen.
Voord ging Jantje: maar zijn vader,
Die hem stil beluisterd had,
Kwam hem in het loopen tegen,
Voor aan op het middelpad.
Kom mijn Jantje! zei de vader,
Kom mijn kleine hartedief!
Nu zal ik u pruimen plukken;
Nu heeft vader Jantje lief.
Daarop ging Papa aan ’t schudden
Jantje raapte schielijk op;
Jantje kreeg zijn hoed vol pruimen,
En liep heen op een galop.