Tag: relaties

Omtrent Aline en Rogaciano

Aline viert een verjaardag
De Spaanstalige Rogaciano – ik wou dat ik zo heette – kwam als zestienjarige jongen uit een ver buitenland in onze contreien terecht. Ik genoot het voorrecht en ja,  het genoegen om hem in de geheimen van de Nederlandse taal in te wijden.

Nu was hij, laten we wel wezen, absoluut niet schadelijk voor de ogen en het duurde dan ook niet lang of hij had een vriendinnetje, Aline, dat hij binnen de kortste keren bezwangerde.
─”Lieve deugd!” riep ik toen ik dat vernam. “Gebruik je dan geen condoom?”
Hij bleef het antwoord schuldig, maar Aline verstrekte me gewillig tekst en uitleg.
─”Het was zijn verjaardag”, zei ze, “en als cadeau mocht hij een keertje zonder.”

 Het was meteen prijs.”

Terwijl ze dat openbaar maakte, wist Rogaciano even niet waar hij zich bergen moest. Hij kleurde tot achter zijn oren. Ik van mijn kant wist gewoon niet wat ik hoorde en zat te kijken alsof er zich een geest gemanifesteerd had.

Aline legde een markante oprechtheid, een volslagen gebrek aan kapsones en een niet klein te krijgen naturel aan de dag, maar ze had aan de bron der intelligentie slechts de lippen bevochtigd. Ze is een simpel zieltje, dat zelfs een gebruiksaanwijzing nodig heeft voor kauwgum … maar daarover later meer. Dat Rogaciano het een keertje zonder mocht doen en dat ook deed, was overigens ook niet bijster snugger van hem.

Aline krijgt een visioen
Ik had het hier net over de nogal ongebruikelijke manier waarop Aline en Rogaciano in het ouderschap verzeild raakten. Het kindje, een meisje, zag het levenslicht en kreeg al na luttele jaren het gezelschap van een zusje. Ik weet niet hoe en ter gelegenheid van welk feestgedruis het tweede kind dit keer verwekt werd en ik durf er ook niet naar te vragen, om niet opnieuw met de mond vol tanden te staan. Het zijn tenslotte ook mijn zaken niet.

Niet veel later sloeg het noodlot toe. Het meisje kreeg een levensbedreigende ziekte onder de leden. Aline riep alle goden aan, zocht heil bij talloze heiligen, consulteerde dokters en kwakzalvers, bad zich blauwe lippen en brandde massa’s kaarsen … tot ze op een nacht tijdens een visioen bezocht werd door een engel, of een andere hemelbewoner, die haar mededeelde dat haar dochtertje zou genezen als ze er zich toe verbond om gedurende de rest van haar leven voor een dier te zorgen, te weten een dolfijn of een paard.

Haar voorkeur ging uit naar een dolfijn, maar dat zag Rogaciano helemaal niet zitten natuurlijk, want je kunt zo’n dier bezwaarlijk in een huiskameraquarium onderbrengen. Het werd dus een paard.

Het kind genas en sindsdien is Aline eigenares van een paard, dat klauwen geld kost, nooit bereden wordt, nu al ettelijke zomers in een gehuurde weide rondkeutelt en evenveel winters in een dure stal staat te staan.

Ik kan niet anders dan mijn moeder zaliger gelijk geven: zot zijn doet geen zeer, maar het jeukt een beetje.

Aline bakt er niets van
Rogaciano, mijn protegé en de vriend van Aline – de Betsy Bolleboos die ik hier in mijn laatste twee schrijfsels liet opdraven – beschouw ik een beetje als de zoon die ik nooit zal hebben, terwijl hij me toevertrouwd heeft dat ik voor hem de vader ben die hij nooit zal hebben.

Hij is automonteur van beroep en hij werkt in een garage, een paar kilometer van de plek waar ik hoofdkwartier houd. Het gebeurt dan ook niet zelden dat ik hem over de vloer krijg.

Een paar dagen geleden stond hij plots bij me in de keuken, terwijl ik daar aan het kokkerellen was. Nu beschouw ik mezelf niet als een flonkerster wat eten betreft, maar als zoon van een gerenommeerde kokkin kan ik aardig over voedsel meepraten en heb ik het culinaire equivalent van groene vingers.
─”Hoh, het is hier neuzenvreugd”, snoof hij. “Wat ben je aan het klaarstomen?”
─”Provençaalse scampi. Het is nogal bewerkelijk, maar wel erg lekker.”
─”Jij kunt wat samengooien” kreeg hij hoorbaar het water in de mond.
─”Eet je mee?” stelde ik voor. “Er is meer dan genoeg.”
─”Ik hoopte er al niet meer op”, grijnsde hij.

Terwijl we het op een geweldig eten zetten, kreeg ik een toch wel merkwaardig verhaal te horen:
Rogaciano had op een keer zijn zinnen op om mosselen gezet en Aline had twee kilo van die schelpdieren aangeschaft, maar wist hoegenaamd niet wat ze ermee moest aanvangen. Ze telefoneerde met haar vader, die aan zee woont, kreeg tekst en uitleg en ging aan de slag. Ze ontdeed de weekdieren van baarden, pokken en vuil, hetgeen men in vaktermen knippen noemt, spoelde ze drie keer grondig en zette ze toen een tiental minuten in water.
─”… en toen kreeg ik opeens blijekoeienburgers voorgezet”, zei Rogaciano.
─”Wat kreeg je?!”
─”Vegetarische hamburgers”, verduidelijkte hij. “De mosselen waren volgens haar allemaal bedorven, want de schelpen waren niet opengegaan en daarom had ze het hele zootje weggegooid.”
─”Allemaal?” verbaasde ik me. “Dat kan toch bijna niet.”
─”Als je geen vuur onder de pot zet en de mosselen gewoon in koud water laat staan, zullen er zich maar heel weinig schelpen opengaan.”
─”Het is toch niet waar!”
─”Ze kan nog geen ei bakken”, schuddekopte hij. “Bij haar brandt zelfs water aan.”

Gelachen dat we die middag hebben, Rogaciano en ik, maar we hebben ook lekker gegeten, al waren de scampi niet opengegaan.

Daar kun je mee lachen

Ik heb een vriendin, Ingrid, die met een buitengewoon vlotte babbel gesierd is. Bovendien heeft ze altijd wel een grapje klaarzitten. Als je in haar gezelschap vertoeft, vliegen de kwinkslagen je klitsklats om de oren en deelt ze woordspelingen uit als waren het strooibiljetten.

We waren samen in Colruyt. De kassabediende die ons aan de kassa bediende ─ hoe verzin ik het? ─ leek me een nogal afgesloten type. Er kwam immers geen woord over zijn lippen, laat staan dat hij een glimlachje in stelling bracht.
“Die heeft vannacht niet gemogen”, fluisterde Ingrid me toe.
Iets later vertrok ze met de winkelwaar naar de auto op de parkeerplaats, terwijl ik achterbleef om die te betalen. De kassier leek plots te ontdooien. Opeens had hij wel een aardige manier van doen. Dat vertelde ik aan mijn vriendin toen ik me bij haar voegde.
“’t Zal een homo zijn”, luidde haar commentaar.

Kort daarna bevonden we ons in een apotheek, waar Ingrid onder meer een tube triAnal bestelde: een zalf die personen met aanleg voor aambeien graag in de groeve tussen hun kadetjes aanbrengen.
─”Er bestaan aangenamere producten”, zei het vrouwmens dat daar op dat moment de dienst uitmaakte.
Aangezien dat gebeurde ten aanhoren van allen daar aanwezig vond ik dat een hogelijk ongepaste opmerking.
─”Ik vind de smaak ervan nochtans heel lekker”, repliceerde Ingrid laconiek.
Ik lag in een deuk. Het scheelde niet veel of men moest me reanimeren. Je had dat vrouwmens moeten zien kijken. Alsof ze snot zag branden.

Terwijl ze toch bezig was, diste Ingrid me vervolgens nog een vermakelijke anekdote op. Toen ze op een keer zeer tegen haar zin in een ziekenhuisbed vertoefde, had haar kamergenote een zetpil aangereikt gekregen. Pas toen zij er zich over beklaagde dat het ding wel heel vies smaakte en bovendien hardnekkig aan haar verhemelte bleef kleven, bleek dat ze het tuigje in de verkeerde lichaamsopening ondergebracht had.

Ingrid was toen bijna uit haar bed gerold van het lachen.

De gruwelen der verliefdheid

Ze was vrijwel de hele middag in de keuken bezig, want daar frotte ze een melodieuze maaltijd in mekaar. Rond de klok van zessen, toen haar geliefde eraan zat te komen, ontstak ze tientallen kaarsen en theelichtjes in de woonvertrekken, waarna ze de lampen doofde en het gemoedelijk flakkerende schouwspel in ogenschouw nam. Ze twijfelde er niet aan dat haar vriend bij zijn intrede in een romantische bui zou ontsteken, waarna dartelheid hem allicht zou overmeesteren … en wie weet wat er dan allemaal kon gebeuren. Haar hersens maakten reeds aanstalten om ontuchtige gedachten en gulzige taferelen te ontvouwen, maar toen knarste zijn sleutel in het slot …

Hij trad binnen, keek om zich heen en sprak de weinig romantische, ja zelfs ontnuchterende woorden:
─”Oei! Zitten we zonder stroom?”

Haar ontuchtige gedachten zakten verschrompelend in elkaar, net als de gulzige taferelen … en de soufflés die ze even later uit de oven opdiepte.

Berichten naar de overkant

Ik mag graag wat tijd zoekmaken op een begraafplaats. Noem het voor mijn part een afwijking, maar vraag me niet naar het hoe, het wat of het waarom, want dan moet ik jullie het antwoord schuldig blijven. Ik denk nochtans niet dat ik een nostalgicus ben. Nu ja, misschien een beetje. De rust van allen daar aanwezig, die ons voorgegaan zijn naar het grote onbekende, heeft een weldadig effect op mijn gemoedstoestand en meer valt daar niet over te zeggen.

Ik had het graf van mijn ouders en mijn zus bezocht en wandelde vervolgens doorheen hetgeen men doorgaans een berceau noemt, maar waarvoor het Nederlandse loofgang me een uitstekend equivalent lijkt. Ik trof daar een zitbank aan, daalde erop neer en liet mijn gedachten afdwalen naar een afgelegen plek in mijn binnenwereld, waar ik helemaal niemand toelaat. Jullie dus ook niet.

Die overpeinzingen werden onderbroken door een geritsel aan de overkant van de hoge heg, die zich achter mijn rug bevond.
“Dag pa!” zei een stem, die hoorbaar bij een jongen met de baard in de keel hoorde.
Vervolgens gaf hij een uitgebreid relaas van zijn wederwaardigheden en resultaten op school, waarna hij zijn vader toevertrouwde dat hij de nieuwe vriend van zijn moeder eigenlijk niet echt mocht, maar toch zijn best deed om hem vriendelijk te bejegenen, omdat zijn ma dat graag wilde.

Omdat ik daar zat de luistervinken kreeg ik last van schaamte, of een ander onbehagen van die strekking, dus maakte ik aanstalten om stilletjes weg te sluipen, maar nog voor ik dat kon doen, hoorde ik de jongen opnieuw ‘dag pa!’ zeggen en van het toneel verdwijnen.

Aangezien ik nog nieuwsgieriger ben dan een ekster ging ik toch even kijken naar het graf dat hij bezocht had. Zijn vader was slechts vierendertig geworden, las ik, maar als hij nog geleefd had, zou hij ongetwijfeld apetrots geweest zijn op zijn zoon.

Ik trouwens ook.

De wind onder hun vleugels

Hetgeen hier in enkele schrijfsels aan bod kwam, was een eerbetoon aan Reinhold: een bloemlezing van de vaak dolle avonturen die ik samen met hem mocht beleven. Ondertussen is hij tot stof en as teruggekeerd, zoals dat heet, en ik heb het bijzonder moeilijk om daar vrede mee te hebben. Hij was immers een heel lieve mens, een galantuomo en een gentleman, en ik genoot het grote voorrecht om hem mijn vriend te noemen en zijn vriend te zijn.

In een zalig vroeger, toen mijn ouwelui, mijn zusje en Reinhold nog op aarde vertoefden en wij elkaar gezelschap hielden, hing er bij ons thuis een belletje op het terras. Sommigen noemden het een windgong, anderen dan weer een eolusharp, maar eigenlijk was het noch het een noch het ander.
Een windgong bestaat uit een aantal buizen van metaal, glas of bamboe, die een twinkelend geluid produceren als de wind ze beroert en ze tegen elkaar aanleunen. Bij eolusharpen zijn het de snaren die zachtjes zingen als de god wiens naam ze dragen — Aiolos is de god der winden — ze met onzichtbare vingers betokkelt.

Het speeltuigje op ons terras kwam uit het land van de rijzende zon, waar ik het zelf aangeschaft had, en heette daar furin, hetgeen men alhier gemakshalve als Japans tuinbelletje vertaalt. Als men zou zeggen ‘er hangt een furin op mijn terras’ loopt men immers een geredelijke kans dat de mensen zich daar heel wat anders bij voorstellen.

Onze furin had een stemmetje dat me aan een gedicht van Guido Gezelle deed denken — o krinklende winklende waterding — of ook nog aan het etherische stemgeluid waarmee de zangeres Enya op onnavolgbare wijze Marble Halls ten gehore brengt: I dreamt I dwelt in marble halls … Hemels!
─“Telkens als dat belletje gaat, heeft een engel zijn vleugels gekregen”, beweerde mijn moeder en ik, romantische ziel, geloofde dat onvoorwaardelijk.
─“Dat belletje dient om de stilte te accentueren”, zei mijn vader die een no-nonsenseman was en niet in engelen geloofde.

Nadat de dood zich eigengereid met mijn leven had bemoeid door me mijn dierbaren te ontnemen, raakte de furin op een dwaalspoor. Verleden week, tijdens het opruimen, kreeg ik echter plots dat belletje in handen en gisteren heb ik het opgehangen.

Zonet hebben mijn ma, mijn pa, mijn zusje en nu ook Reinhold hun vleugels gekregen. Ik heb het zelf gehoord. In gedachte zie ik ze ietwat onwennig en ondeugend door het hemelse paradijs fladderen, tikkertje spelen … en als de wind van hun vleugels over het terras strijkt, klatert hun lach en die van het rinkeltinkeltje …

… en dan glimlach ik ook.

Een ronkedoor?! Ik?!

“Je bent en je blijft een ronkedoor”, zei mijn logeergast, Reinhold, vanmorgen tegen me.

Ik vermoed dat velen van jullie niet weten wat een ronkedoor is. Nog even geduld: ik zal jullie straks van dat gat in jullie kennis verlossen door jullie de correcte definitie van het woord op te dissen.

Ronkedoor is echter ook de bijnaam die me in lang vervlogen tijden ─ hoe lang is dat wel niet geleden? ─ toebedeeld werd door mijn nochtans zeer gewaardeerde vriend, Reinhold, die wellicht geen onbekende is voor mijn trouwe lezers, want hij is hier al vaker opgedoken en vernoemd.

Het gebeurde in de aldoor aan de wolken krabbende stad, New York, waar wij samen, vanzelfsprekend in het nette, een kamer betrokken en een bed deelden in het dure Sheraton hotel. Toen we ons na een nachtje doorzakken ’s morgens enigszins probeerden te fatsoeneren om wat te gaan bezienswaardigen, zei Reinhold:
─”Ja man, jij kunt me daar ook een stukje luidop slapen zeg!”
─”Luidop slapen?” lummelden mijn hersens nog in pyjama rond.
─”Snurken!” verduidelijkte hij. “Zowel een kettingzaag als een os moeten het tegen je afleggen. Jij bent een echte ronkedoor.”

De bijnaam beklijfde, want Reinhold en ik bleven kamers delen, in belendende en verre buitenlanden, en ik bleef snurken natuurlijk. Ooit hebben ze me tijdens een bioscoopbezoek aangemaand om met bekwame spoed de zaal te verlaten. De film die men vertoonde was zo spannend dat ik indutte en met het geronk dat aan mijn mond ontsteeg het plezier van allen daar aanwezig vergalde.

Ronkedoor vind ik trouwens geen vlag die de lading dekt. Oordelen jullie zelf aan de hand van de definitie hieronder:

Ronkedoor
zelfstandig naamwoord, mannelijk
Ontleend aan het Portugese roncador en hetzelfde woord als ronkadoor, in Engelse reisbeschrijvingen van de 18e eeuw voorkomend als ronkedor en runkedor.
Benaming (oorspronkelijk door de Europeanen op Ceylon) gegeven aan een van zijn kudde afgescheiden, alleen levende olifant (meestal, zo niet altijd een mannetje); hetzij (in de meeste gevallen) daaruit gestoten als overwonneling door zijn medeminnaar, hetzij bij een jachtgelegenheid afgedwaald, hetzij ook als getemde vluchteling.
Deze verstotelingen zijn zeer boosaardig van karakter en gevaarlijk voor de mens; vandaar de Portugese benaming roncador, dit is snorker, snoever, grootspreker en vervolgens: twistzoeker, of in ’t algemeen: schadelijk individu.
De Franse en de Engelse benaming is rogue.

Zeg nu zelf: ben ik een ronkedoor? Enkel de benaming snorker is op mij van toepassing … en ja, misschien ben ik een heel klein beetje van de kudde afgedwaald.

Pretsigaret

Ik had een vriend van me op bezoek, Reinhold, met wie ik enkele biertjes likte en aan een paar stevige joints lurkte. Hoewel ik in hevige mate aan hoogtevrees lijd, ben ik hoegenaamd niet bang om high te worden. Zoals sommigen van jullie ongetwijfeld weten, kan een dergelijke toestand de geest bijzonder dartel maken. Toen dat bij mij het geval was, besloot ik een grap te vertellen … over een butler … En Reinhold luisterde ingetogen naar wat ik te vertellen had.

─“Lord Spacecake woonde sinds jaar en dag in het Lake District,” stak ik van wal, “helemaal in het noorden van Engeland en meer bepaald in het stadje Cockermouth. Hij had een butler.”
─“James!” gniffelde mijn gezel.
─“Nee!” steigerde ik. “Hij heette Rogaciano.”
─“Christus!” siste Reinhold.
─“Bijlange niet!” speelde ik ergernis. “Gilipollas! Rogaciano Gilipollas.”
─“Ook goed”, sputterde hij. “Roga… dinges … Vanzwiereltruis.”
─“Het is inderdaad geen eenvoudige en nog minder een courante naam,” vervolgde ik welgemoed, “maar je moet weten dat die butler, Rogaciano Gilipollas dus, een soortement gastarbeider was. Hij kwam uit een ver buitenland, helemaal uit Mexico, waar hij gedurende vele jaren deel had uitgemaakt van een mariachi-orkest, in de hoedanigheid van meesterlijk snarenplukker van een guitarrón … dat is zo’n flink uit de kluiten gewassen stuk jammerhout … een reuzengitaar en otras palabras. Enfin … Op zekere dag had hij last gekregen van een hernia umbilicalis, wat het Latijnse equivalent is …”
─“Meneer spreekt talen!” proestte Reinhold en vanwege de milde staat van euforie waarin wij verkeerden, gaf die onnozele opmerking aanleiding tot een minutenlange lachkramp.
─“… wat het Latijnse equivalent is voor hetgeen wij in de wandeling een navelbreukje noemen”, nam ik de draad weer op. Reinhold richtte zich met een ruk op en staarde me ongelovig aan. Ik glimlachte sereen. “Dat euvel speelde hem al sinds zijn geboorte parten,” was er me geen spinnenweb voor de mond gewassen, “maar werd nooit goed verzorgd, omdat zijn ouwelui arme keuterboertjes waren, die in de Bolsón van Mapimi — dat is een hete en onvruchtbare dalkom in de Mexicaanse staat Chihuahua, waar ook dat beroemde preutenlikkertje … eh … dat op vagina’s beluste hondje vandaan komt — in die godverwaten streek dus bezaten zij, Rogaciano’s ouders, een klein hoevetje, un ranchito met andere woorden, waar zij voor eigen gebruik wat schrale akkergewassen verbouwden en een magere koe … eh … koesterden …”
─“Ben jij nu helemaal van god los?!” riep Reinhold. “Wat zit jij opeens uit je nek te kletsen en over keuterboeren en een magere koe? Dat maakt toch allemaal geen zak uit!”
─“Toch wel,” protesteerde ik, “want die keuterboeren waren Rogaciano’s mama en papa, en hun koe had aan Sinterklaas een Tiroolse bel gevraagd, om rond haar nek te hangen en klingelend …”
─“De rapen zijn gaar!” schuddekopte hij.
─“Rapen kreeg ze nooit, die koe”, treiterde ik. “Rapen gedijden niet in het meedogenloze klimaat dat daar heerste. Meestal at ze …”
─“Cowabunga!” sudderde hij.
─“Da’s ook een mooie naam voor een koe,” gaf ik toe, “maar ze heette Mercedes.”
─“Al heette ze Toyota of La Vache Qui Rit!” ging hij bijna door het behang. “Wat salamandert dat?”
─“Op hun erf krioelde het van salamanders”, draafde ik door. “Ze glisten overal rond, maar de mooiste exemplaren, die gevlekte, hielden zich schuil onder de golfplaten waarmee …”
─“Kop toe of ik maal je tot pulp!” dreigde hij.
─“Gemalen pulp kreeg Mercedes dan weer wel en dat at ze graag …”
─“Basta!”
─“Wil je ‘t vervolg niet horen?” fleemde ik.
─“Je mag samen met die moeraskinkel van een butler …”
─“Elke avond hangen er feux follets boven het moeras”, wist ik niet meer van ophouden. “Dat zijn dwaallichtjes … en vaak ook van die giftige dampen. Dat noemen ze miasma …”

Hij sprong van de sofa alsof er onder hem een krachtige veer in werking trad, gooide de armen in de lucht en vluchtte joelend van me weg.
─“Ik ga rammen!” hoorde ik hem roepen. “Ik geef hem zo’n ram dat zijn kleren uit de mode zijn als hij bijkomt, maar eerst ruk ik hem de ogen uit de kop, zodat hij kan zien hoe ik hem in mekaar ram!”

Ik nodig jullie uit om het hier eerder gepubliceerde schrijfsel Krambamboeli, te lezen, waarin dezelfde hoofdrolspelers ─ Reinhold en ikzelf ─ Oostenrijk onveilig maken, door ons schromelijk te misdragen.

Zwerfvuil

Lusteloos stuur ik mijn auto door de heldere nacht. Een koele maan vertoont zich op haar volst en hangt als een meloen tussen hemel en aarde. Sterren glunderen. Ze zijn met belachelijk veel. Het strakke licht van de koplampen kruipt voor me uit over het kaduke asfalt van een smal weggetje. In talloze bochten kronkelt het zich doorheen een bedaard landschap.

Ik ben van koers geraakt … en geen klein beetje. Een op zijn janboerenfluitjes aangeduide omleiding heeft me op een dwaalspoor gebracht. Trefzekere bewegwijzering was nimmer het fort van Vlaamse wegenbouwers. Ik voel me een kat in een vreemd pakhuis, want ook de GPS-apparatuur springt telkens op tilt en raaskalt. De alles en iedereen in goede banen leidende satellieten laten mij klakkeloos in de steek. Aan de horizon zwaait een vuurtoren zijn signaal door de kwaadaardig gekleurde gloed van een aurora metropolis, alsof hij op wervende wijze naar me wenkt. Ik herken het karakter als dat van Lange Nelle in Oostende en probeer op haar invitatie in te gaan, want in haar buurt moet ik wezen. Ondertussen mompel ik bedenkingen tegen het verkwanselen van sloten poen aan vermeend onontbeerlijke gadgets, zoals navigatiesystemen. Geld over de balk! Wanneer het eropaan komt, dienen dolende ridders in arren moede een beroep te doen op door vroede voorvaderen gebouwde bakens, die ons onverstoorbaar en gratis behulpzaam zijn.

Lange weg maakt moede man. Slaap plooit branderige randen aan mijn oogleden. Ik zit al uren tussen de wielen en voel me door dorst beschadigd. Mijn keel is dor en mijn mond smaakt naar een paardenreet. Ik geeuw met de onwelvoeglijkheid van een nijlpaard, hoest me door mijn zoveelste sigaret, verleen een forse ruft de langverbeide vrijheid en snuif nieuwsgierig het belegen aroma ervan op. Uien allicht, met vermoedelijk een vleugje keizersalade. Hoe stinkt een gezond en verstandig mens het bij mekaar? Merkwaardig toch, dat men zelf gekweekte odeurtjes enigermate apprecieert, maar volstrekt verafschuwt wat een ander aan lichaamsgeuren bekokstooft. Weinig mensen weten dit, maar het graag ruiken van de eigen broekhoest en het tevreden aanschouwen van je kromme eieren in de toiletpot zou wat met het oerinstinct te maken hebben. Andermans overtolligheden en putlucht vinden we walgelijk. Tjonge, wat ben ik toch een fijne teen. Ik strooi met kalenderwijsheden als zwarte Piet met pepernoten. Hoe noemen Chinezen een veest ook weer? Wang-snee-wang-pang. Ik glimlach zowaar. Hun minister van geboortebeperking heet Lat-Je-Pietjang, zijn Russische collega Snyzakov en hun Griekse ambtgenoot Kanipoupolos. Het tijdsein van twee uur biept uit de boordradio, gevolgd door Gladys Knight met haar smooth bastard van een stem: Help me make it through the night. ‘t Zal nodig zijn, meisje! Ik slik een brokje ontroering weg, masseer mijn nek en stamp het rempedaal bijna door de vloer. Onder me weeklaagt gemarteld rubber. Er ligt iemand in de berm! Ligt er iemand in de berm? Ik ontgeef het me. Wat zou er hier iemand in de berm liggen? Kan men hallucineren van vermoeidheid? Toch zet ik voor alle zekerheid en absit omen de auto in zijn achteruit.

Ik heb helaas geen last van zinsbegoochelingen. Bezijden de weg ontwaar ik inderdaad een in het gras uitgestrekte gedaante. Met een knoop in mijn maag staar ik wezenloos naar het onheilspellende stilleven.
─”Mensen toch! Laat het alsjeblieft geen massacre zijn.”
Niemand hoort mijn gefluisterde bede. Terwijl ik de wagen ontstijg, bereid ik me voor op de confrontatie met een gorgonisch tafereel: een gekloofde schedel met uitstulpende hersenkwabben, versplinterde botten die uit gapende wonden priemen, de bloederige brij van in flarden gescheurd vlees, lillende darmen … Aarzelend en huiverig — men kan mijn reet wellicht als doppenwipper gebruiken — nader ik het slachtoffer van … ja, van wat?
─”Toe maar, jongen! Even aangorden. Er zitten geen wolven in het bos.”
Ik prevel mezelf moed in met de woorden waarmee mijn moeder zaliger me ooit geruststelde. Ritselde daar wat? Bewoog er iets? Of beeld ik me dat … Een schimmig geval springt naar me toe. Ik slaak een gesmoorde gil. Een beest! Een reusachtige rat — nu ja, laten we niet overdrijven en het bij een tamelijk groot exemplaar houden — klampt zich vast aan de zoom van mijn pantalon. Joelend geef ik een snelvoetige breakdance ten beste. Het mormel is daar niet goed van, laat me los en glist ijlings weg. Grote hemel, hel en vagevuur! Welke achterlijke dakhaas heeft me wijsgemaakt dat ratten nooit mensen aanvallen? Een ram kan hij krijgen!

De schijnwerpers betasten een in spijkergoed verpakt lijf en het smoezelige gelaat van wat me een nog jeugdige manspersoon lijkt. De ogen zijn gesloten en hij verroert geen vin. Tot mijn grote opluchting bespeur ik nergens de gevreesde horrortoestanden. Ligt hij in zwijm? Of zou hij … Ik word er naar van! En hoe komt hij in vredesnaam in deze buitenpolder terecht? We bevinden ons niet echt in the middle of nowhere, maar van hieraf kan ik die zien. Een aanrijding? Van de sokken gekieperd door een gevluchte onverlaat? Gedumpt en voor dood achtergelaten na een gewelddadig treffen? Als er een delict gepleegd is, kan ik hem beter niet aanraken, besef ik, maar men mag evenmin hulp ontzeggen aan wie in nood verkeert. Ik hurk derhalve behoedzaam bij hem neer.
─”Heilaba! Hoor je me?” ontfutsel ik een pover geluid aan mijn gorgel. Ik verman me echter en roep met luider stemme: “Hallo! Jij daar! Kun je me horen?” Men hoort me vermoedelijk in Kazachstan of zelfs op het eiland Puka Puka in de Stille Zuidzee, maar onze bermklever voelt zich niet aangesproken. Hij vertoont niet de minste reactie, dus waag ik het hem voorzichtig bij de schouder te schudden. Hij beweegt zich met zo’n heftige en onverwachte ruk, dat ik van de weeromstuit het evenwicht verlies en op mijn kont tuimel. Ik verrijs en hij tracht me na te volgen, doch zijn coördinatie laat het afweten, zodat hij zwaar op zijn reet gaat. “Wat is er met je gebeurd?” vraag ik bezorgd. “Ben je gewond?”
Dan lijkt mijn aanwezigheid tot hem door te dringen. Hij versteent even van verrassing, maar hervat direct zijn pogingen om overeind te krabbelen. Met een driftig gebaar weert hij mijn hulpvaardig uitgestoken hand af.
─”Kus een beetje m’n vette kloten!” lalt hij en zijn al even vette tong verklaart veel: hij is zo zat als een moeras. “Stop een plumeau in je gat en ga uit een boom schijten!” wauwelt hij onverschrokken verder. Gezellig wiebelend zit hij in het gras. Het tragische tableau van daarnet — Danse macabre au clair de la lune — ruimt het veld voor een zedige variatie op ‘Le déjeuner sur l’herbe’ van Manet. “Il y a deux sortes d’apes”, deelt hij me vervolgens in keukenmeidenfrans en op wijsgerige toon mee. “Des brulapes et des slingerapes.”
Ik moet onwillekeurig lachen met de kafpraatjes die hij uitslaat.
─”Et des zatlapes”, meesmuil ik.
Daar heeft hij niet meteen van terug. Hij loost een zucht. Zijn z’n babbels nu al op?
─”De kele kost vele”, oreert hij dan, denkelijk uit ondervinding.

Hij is nog een groen sprietje. Wat moet ik met hem aanvangen? Als ik hem in die staat aan zijn lot overlaat, plompt hij binnen de kortste keren gegarandeerd een sloot in of sukkelt hij effectief onder een voertuig. Geef ik hem daarentegen een lift, dan gaat dat misschien ten koste van het interieur van mijn rij-ijzer. Zelfs een geroutineerde keiler is niet immuun voor de kelderziekte en kan onverhoeds een kotsnummertje opvoeren. Ten prooi aan grote twijfel vraag ik niettemin:
─”Kan ik iets voor je betekenen, vriend? Zal ik je ergens afleveren?”
─”Is er een frietkraam in de buurt?” wil hij weten.
─”Ik ben bang van niet”, schuddekop ik meewarig.
─”Niet bang zijn”, spreekt hij troostend. “Kijk me aan en doe er je voordeel mee. Ik ben nooit bang. Jamais! Van niets en van niemand.”
─”Blij toe!” zeg ik ietwat onderkoeld. Dergelijke faribolen zijn even nutteloos als het kammen van een bronzen paard. “Waar woon je?”
─”Daar heb jij geen affaires mee!” krijg ik opnieuw een brutale bek. “Bemoei je met je eigen zaken en laat mijn kop met rust!”
─”Jij je zin!” ben ik in mijn kuif gepikt. “Dan wens ik je nog een aangename wandeling en een behouden thuiskomst.” Ik been naar de auto en neem met enig vertoon achter het stuur plaats. Mijn nakende aftocht kan hem klaarblijkelijk geen sikkepit mieteren. Hij brengt zijn futloze lichaam op onelegante wijze in een min of meer verticale houding, concentreert zich, raakt aan de gang met de motoriek van een parkinsonlijder en schuifelt vervolgens onstuitbaar naar de overkant, zwaaiend als het wierookvat van Santiago de Compostela. “Het zal toch niet waar zijn!” hik ik ongelovig, maar jawel hoor! Als bij toverslag verdwijnt hij uit mijn gezichtsveld. Daar ben ik hoegenaamd niet blij mee. Op hoge poten snel ik hem te hulp en takel hem uit een lager gelegen weide, gadegeslagen door een aantal verbaasde koeien die wij met onze farce de nacht van hun leven bezorgen. “Godsgloeiende idioot!” foeter ik verbolgen. “Ik doe dit ook niet voor mijn lol, kerel! Je zegt me nu meteen waar ik je heen moet kruien, hoor je dat? Het is laat, ik ben compleet uitgewoond en ik zou graag naar bed gaan.”
─”Ik ga in geen geval met jou naar bed”, klinkt het gedecideerd. “Il ne faut pas pousser bobonne dans les orties! We kennen elkaar nog maar net en ik zal me daar een beetje met een stranger in the night kooien. Il y a la tante Sida, hein! Misschien heb jij de enge vierletterziekte wel.”
─”Lieve deugd!” kreunt mijn wanhoop.
─”Ik ben veel te zat om er deugd aan te beleven”, brabbelt hij en hij laat een knorrend geluid horen. “Flags at half-mast and barrels depressed! Ik zal mijn floche niet eens omhoog krijgen en dat is toch zeker de bedoeling?” Hij grinnikt over zijn eigen geestigheid. Een der uiertorsende toeschouwsters begint ongegeneerd te stroelen. Ingetogen luisteren we beiden naar het klateren van de door haar bewerkstelligde waterval. “Da’s nog eens een flinke meid, zie!” krijgt ze na afloop een tien met een griffel van mijn gezel en dat borstelt andermaal een glimlach op mijn gezicht.
─”Vertel me nu maar waar je woont, dat ik je keurig thuis kan brengen.”
─”Tussen de sterren”, bazelt hij tot mijn teleurstelling. “In het centrum van de melkweg rechtsaf, richting Sirius. Villa Douloureuse. Je kunt het niet missen, maar als het je beter uitkomt, mag je me in de eerste de beste afvalcontainer kieperen of bij de kraak zetten.”
─”Ik heb er echt geen aardigheid in”, verzeker ik hem droogjes. “Wat ben jij een dwarsligger. Goed! Geef me je portefeuille even!”
─”An me nooit niet!” protesteert hij verontwaardigd. “Ik mijn portefeuille aan je geven? Zodra die koeien een broek dragen! Of van die luierdinges … eh … Allez! Hoe heten zulke papieren kakdoeken ook weer? Pampermoezen! Geef me even je portefeuille, zegt hij tegen me! Het zal aan je fundament zijn. Aan je kromme zeikfutte! Ben jij soms een stoute mens? El bandido? Een soortement struikrover? Een voetgangster? Al Capote? Help!” Hij krijst als een konijn in de beet van een wezel. “Au secours! Ik word hier aangerand en beestachtig verkracht door een hitsige jeannette! Help me toch!” Zijn gekrijs bezeert de stilte en snijdt door de geschrokken nacht. Er slaat een hond aan. “Kom hier, Bobby!” toetert de kwakkel in de richting van het geblaf. “Pak de beestjes! Attaque! Bijt hem in zijn telende ballen! Verscheur die klootzak, stomme preutlikker!”
Ik kan hem wel aanvliegen en zijn brulboei van een kop eraf trekken. Hij moet vooral geen potje voetbal met me spelen, want bij mij veroorzaakt dat dolle drift en gillende kwaadheid.
─”Is ‘t nu gedaan, ja?” fulmineer ik. “Hou op met die fratsen en gedraag je eens wat minder bezopen! Je mag kiezen en er is geen woord Frans bij wat ik zeg: of je stapt stante pede in die auto, of ik bel de flikken. Ik wil het niet op mijn geweten hebben dat je verongelukt. Wat wordt het?”
─”Kwek kwek kwek!” treitert hij en zijn moeilijk te besturen hand imiteert een kwakende snavel. “Pardon, meester! Ik zal het echt nooit meer doen en voortaan heel braaf zijn, monseigneur. Gelieve mij te verexcuseren voor mijn aanstellerij, Uwe Edelachtbaarheid. Je moet godverdomme niet zo tegen me keffen, bullebak! Ik ben ook iemands kindje.” Struikelend kajemt hij bijna op zijn smoel, dus grijp ik hem bij de arm vast. Toornig rukt hij zich los en schuimbekt: “Wil je weleens met je schurftige fikken van mijn lijf blijven, smeerlap! Als je me nog een keer durft aan te raken, spuug ik je doormidden en heb je morgen een raar loopje.”
─”Sorry dat ik leef!” pruttel ik verongelijkt.
Ik ben evenwel op mijn hoede. Na hetgeen ik in mijn niet samen te vatten leven meegemaakt heb, kent men zijn pappenheimers. Voor hetzelfde geld veranderen kroegtijgers in amokmakers en slaan ze je regelrecht het ziekenhuis in. Hij waggelt in wankel evenwicht naar de wagen en rukt aan het handvat alsof het eraf moet.
─”Drop me maar in de bewoonde wereld!” mompelt hij nijdasserig. “Dan zoek ik het verder zelf wel uit.”
─”De bewoonde wereld”, herhaal ik hoofdschuddend. “Nu ben ik nog even wijs als de os die in de bijbel keek.”
─”Ik kan het ook niet helpen dat jij de hersens van een papegaai hebt. Waar zijn we eigenlijk?”
─”Da’k het niet precies weet! Ik probeer Oostende te bereiken …”
─”Ik ook,” grimt hij, “maar ik vind het niet. Het heeft zich verstopt.”
─”Nu schieten we tenminste op.” Tevreden open ik het portier. “Adelante! Gaan met de banaan! Plof maar neer!”
─”Jaag me niet op!” ergert hij zich. “Ik moet me hier eerst nog losweken en een geurvlag planten. Big Jim and the twins were here!”
Met ogen als schoteltjes aanschouw ik hoe hij doodgemoedereerd en zo voortvarend in zijn broek plast, dat het geloosde water dwars door de stof heen op zijn sokken sijpelt, want nu pas ontdek ik dat hij geen schoeisel draagt. Ik zet een lelijk bakkes en gooi vertwijfeld mijn armen in de lucht.
─”Ben jij helemaal van de pot geplukt? Je staat je te bezeiken, goorlap!”
─”De rits zit klem.”
─”Draag voortaan ook maar pampermoezen!” sneer ik. “Je verwacht toch niet dat ik je in mijn auto laat zitten met die stinkende pisvodden aan je lijf?”
─”Heb je een kabel?” ginnegapt hij. “Kan ik drogen aan de wind terwijl je me met die belachelijke proletenbak op sleeptouw neemt, maar kijk uit of ik je soms wil inhalen, want mijn knippers werken niet. Weet je wat jij moet doen, zeurpiet? Minder memmen! Zet jou in een bos en er zullen slechts weinig bomen overeind blijven. Lik tussen de benen van een dooie griet en stop met zagen. Ga wieberen! Loop naar de Fransen! Ik red me best zonder bemoeiallen.”

Ik drapeer een plaid over de passagiersstoel en tracht hem te overreden om alsnog met me mee te gaan. Hij zwicht en maakt aanstalten om zich neer te laten.
─”À propos … Hoor je bij de kloosterorde van de ongeschoeide karmelieten of loop je om een andere reden op kousenvoeten?” Hij staart naar zijn onderdanen, haalt de schouders op en wil zich opnieuw naar de berm begeven. “Af!” probeer ik erger te voorkomen.
Met een zucht geef ik lucht aan mijn ongenoegen. Ik voorzie me van een lamp en vertrek op speurtocht, terwijl hij zich met de knoppen van de muziekinstallatie amuseert en ras een oorverdovend kabaal teweegbrengt, alsof een symfonieorkest met veelhoofdig koor ter plekke een extatische finale ten beste geeft. Zijn stappers — afgedragen joggingschoenen van Nike — staan verweesd tussen wat geloken madeliefjes. Ik ontferm me over de achtergelatenen en keer inderhaast op mijn schreden terug, om met woedende vingers het volume van de radio te temperen.
─”Blijf daar met je ongewijde klavieren af!” snuift hij boos. “Dat is O welche Lust uit Fidelio van Beethoven. Een heel steil nummer.”
─”Al is het le beau vélo van Ravel,” bits ik. “Beetkowski was zo doof als een pot, maar deze jongen nog lang niet.”
─”Le beau vélo van Ravel”, beleeft hij hoorbaar pret aan mijn woordgrapje. “Jij moet ook niet zat zijn om te zeveren.”
─”Nee”, zeg ik. “Een zatlap ruiken is bij mij al voldoende.”
Terwijl ik de schoenen naast zijn voeten deponeer, snuffelt hij schaamteloos aan mijn wang.
─”Je stinkt als een hoer”, merkt hij weinig hoffelijk op.
─”En jij als een meurende bunzing”, riposteer ik.
─”Wat is dat nu weer voor een ingewikkelde astrabanseling?” gniffelt hij. “Een geurende botsing … daar heb ik nog nooit van gehoord.”

We begeven ons op weg. De radio-omroeper deelt op zeurderige toon mee dat we geluisterd hebben naar O welche Lust uit Fidelio, Beethovens enige opera, uitgevoerd door het Chicago Symphony Orchestra and Chorus, onder de leiding van Georg Solti en met Robert Johnson en Philip Kraus als solisten. Geëpateerd kijk ik naar mijn blijkbaar deskundige passagier. Die hangt als een lappenpop in de riem en produceert onbestemde geluiden.
─”Alles kits?” pols ik.
─”Vliegen hebben korte pootjes”, zwamt hij.
─”En zeer kleine klootjes”, geeft de doezelige muze me een weinig anacreontisch ex-tempore in.
─”Dat staat nog te bezien”, meent hij, tegendraads als hij is. “En hou nu maar op met je smeerkezerij. Ik ben er niet van gediend.”
─”Jij vuilbekt nochtans ook niet slecht’, oordeel ik.
Net voor we de ietwat verlepte koningin der badsteden binnenrijden, dien ik inderhaast halt te houden omdat hij kokhalzend onheil aankondigt. Hij duikt uit mijn koekblik het struikgewas in … en keert niet terug. Hij verdwijnt in de nacht. Stank voor dank. Meer mag men in dit leven niet van mensen verwachten. Ships that pass in the night, and speak each other in passing … maar alles wat voorbij is, raakt men nooit meer kwijt.

Zijn portefeuille bleek in mijn auto te liggen. Ik heb hem gezocht en gevonden. Hij heette Reinhold en we werden vrienden.

Reinhold

Tijdens de voorbije nacht is Reinhold plots en volkomen onverwacht overleden. Dientengevolge ben ik in grote droefenis geraakt, want ik ben onherstelbaar getroffen. Reinhold was sinds jaar en dag mijn vriend en spitsbroeder en een van de weinige mensen, indien al niet de enige die ik om me heen kon velen.

Ik zal in de komende dagen, weken en maanden gretig in onze gezamenlijke avonturen grasduinen en een aantal schrijfsels publiceren, waarin hij een rol, of zelfs de hoofdrol speelde.
Reinhold was een heerlijk mens en een gentleman. Ik hield van hem.

Is driemaal scheepsrecht?

Jaren geleden maakte mijn toenmalige huisarts aan een koord bungelend een einde aan zijn leven.

Onlangs haalde mijn huidige lijfarts het in zijn hoofd, om vooralsnog om onnaspeurbare redenen onder een trein te springen, om zodoende schielijk het tijdelijke met het eeuwige te verwisselen en al zijn patiënten aan hun lot over te laten.

Men beweert dat driemaal scheepsrecht is.

Het zal toch niet aan mij liggen zeker?

Ik weet het niet hoor, maar kun je er als arts op geen minder spectaculaire, confronterende wijze de brui aan geven? Ik denk aan een spuitje of zo.