Tag: herdenken

Kan het misschien wat stiller?

monumentHet West-Vlaamse dorp kan al bijna een eeuw bogen op en uitpakken met een oorlogsmonument: een standbeeld vervaardigd door een lokale kunstenaar, voorstellend een soldaat, die met een hand aan de mond ik weet niet wat roept naar ik weet niet wie.

Het ‘meesterwerk’ stond oorspronkelijk prominent op de oever van de hoofdstraat, maar enige tijd geleden heeft men het gevaarte verplaatst naar een uithoek van het marktplein, waar vrijwel niemand er nog aandacht aan besteedt.

─”Waarom hebben ze dat gedenkteken eigenlijk verplaatst?” vroeg ik aan de kastelein van een daar in de buurt gelegen café, dat ook wel te eten schaft.
─”Hij riep te luid”, zei de man zonder een spier te vertrekken, “en hij bleef maar roepen. Hij hield ons ‘s nachts wakker.”

Er zijn van die mensen die nooit om een antwoord verlegen zitten en bovendien bij de pinken zijn. Ze verstaan de kunst om buitengewoon gevat uit de hoek te komen. Daar hoor ik helaas niet bij. Ik ben niet gesierd met een vlotte babbel en beschik evenmin over verbaal lef of dodelijke welsprekendheid. Het ontbreekt me vooral aan de vaardigheid die sommige mensen tentoonspreiden, om op stel en sprong te riposteren. Mijn geestige invallen duiken meestal te laat op, als ik die niet meer kan gebruiken. Ik zal vermoedelijk niet de enige zijn die met dit euvel behept is, want in vrijwel alle talen bestaat er een naam voor het verschijnsel. In het Engels is dat ‘staircase wit’; de Fransen noemen het ‘l’esprit de l’escalier’; bij de Germanen is het ‘Treppenwitz’ en Nederlandstaligen hebben er ‘trappenlol’ voor bedacht: zijnde de spitsvondige, perfecte, briljante of grappige repliek die je pas te binnen schiet als je al vertrekkensklaar op de trap staat en het dus te laat is om die uit te spreken.

Ik moet ooit eens, in lang vervlogen dagen, op mijn mondje gevallen zijn. Gelukkig vermag ik met enige panache de schrijfstok te hanteren. Dat compenseert.

Niet vergeten

poppyfield

Duizend soldaten

als ge van ze leven in de westhoek passeert
deur regen en noorderwinden
keert omme den tied als g’ alhier passeert
den oorlog ga j’ hier were vinden

ja ‘t is den oorlog da ‘j hier were vindt
en ‘t graf van duizend soldoaten
altied iemands voader altied iemands kind
nu doodstille en godverlaten

laat de bom’n nu maar zwieg’n
en dat ‘t gras niets verteld
en de wind moet ‘t ook maar nie zing’n
dat julder’n dood tot niets hè geteld
dat woaren al te schrik’lijke dingen

zeg ‘t goat al goed der is welvaart in ‘t land
en de vrede ligt vast in de wetten
we maken wel woapens maar met veel meer verstand
maar just om den oorlog te beletten

en grote raketten atoom in den top
we meugen toch experimenteren
we mikken wel ne keer naar mekaar zijne kop
maar just om ons ‘t amuseren

als ge van ze leven in de westhoek passeert
deur regen en noorderwinden
keert omme den tied als g’ alhier passeert
den oorlog ga j’ hier were vinden

ja ‘t is den oorlog da ‘j hier were vindt
en ‘t graf van duizend soldoaten
altijd iemands voader altijd iemands kind
duizend en duizend soldoaten
duizend en duizend soldoaten
duizend en duizend soldoaten

Willem Vermandere

Ju!

Declerck

Ik heb hier een paar dagen geleden een drietal foto’s gepubliceerd van een door spoken en/of geesten gekraakte woning, die ik tijdens een van mijn zwerftochten op mijn weg aantrof. Nu weet ik niet of het ene verband houdt met het andere, maar nauwelijks vijftig meter voorbij dat spookhuis kneep ik de remmen dicht bij een van een gedenkplaat voorzien monumentje dat uit de wegberm oprees. Ik las:

Declerck2

Voorbijgangers, het verleden genegen,
hier in Oudenburg kom je dit kruis tegen.
Doe af uw hoed
en groet
want waar dit kruis in Oostkwaeweghe staat,
op de grens van Kwadeweg en Watergangstraat,
is het dat Raymond Declerck
terugkomend van de dorpsmolen van Klemskerk
op 12 maart 1928 is overleden
omdat hij door zijn eigen wagen werd overreden!
Zijn te jonge leven werd verstoord
vlak bij zijn huis De Rode Poort.

Mijn lenige fantasie schoot vleugelen aan en fladderde terug in de tijd, meer bepaald naar de twaalfde maart van het jaar 1928. Volgens internet moet dat een zonnige maandag geweest zijn, met een temperatuur die het vriespunt besnuffelde en een matige oostenwind die de kou doordringender maakte. Ik zag Raymond Declerck met paard en kar komen aanrijden over het weggetje, dat toentertijd nog niet in strak asfalt gehuld was, maar een zanderig pad vol putten en kuilen was. Raymond was naar de dorpsmolen van Klemskerke geweest, om er een lading meel in te slaan. Op de terugweg had hij aan alle kapelletjes en heilige huisjes aangelegd, waardoor hij behoorlijk aan de vracht was.

Toen ze nog zo’n vijftig meter van de thuishaven verwijderd waren, rook Philemon ─ zo heette het paard ─ zijn stal en het zette er nogal onverhoeds de sokken in, waardoor er een meelzak van de kar gleed en op het pad terechtkwam. De moegedronken Raymond toomde de hoogbejaarde knol in, klauterde moeizaam naar de begane grond, wankelde naar de meelzak als een herhaaldelijk aangeslagen bokser, belandde met zijn voet in een verraderlijke put, struikelde en viel.
“Dedju!” vloekte hij.
Philemon, het paard, was niet alleen oud, maar ook een beetje doof en hoorde enkel de laatste lettergreep: Ju!
En daar gingen ze. Nu ja, het paard ging alleszins, maar Raymond … Ocharme. Er bestaan heldhafterige manieren om aan je eind te komen.

Het is heel goed mogelijk dat deze versie niet strookt met hetgeen er werkelijk gebeurd is. Het zou best kunnen dat Raymond een vroom man was, die naar God en gebod leefde en nooit een druppel alcohol tot zich nam, maar dan weet ik niet op welke manier hij onder zijn eigen wagen terechtkwam. Zoeken jullie dat zelf maar uit. Ik heb het hele internet gevlooid om de ware toedracht te achterhalen, maar kreeg nul op het rekest. Ik heb er mijn bekomst van.  

De zingende zakkenwassers

Het zoontje van vrienden was jarig en ik was uitgenodigd om taart te eten en om een cadeautje af te geven, al werd dat laatste niet expliciet vermeld, maar een goed verstaander heeft slechts een half woord nodig.

Toen het gebak, inclusief vijf flakkerende kaarsjes, uit de keuken opdook, ontstond er een nogal ongeordende en dus niet al te stemmige samenzang: Lang zal ie leven!

Het ietwat oudere zusje van de jarige was er niet mee opgezet dat ze niet in het middelpunt van de belangstelling stond. Ze aanhoorde ons drieste gebral met zichtbaar ongenoegen en toen we ermee klaar waren zei ze: “Ik vind het niet leuk dat jullie voor m’n broer schreeuwen.”

Tja, daar hadden we niet van terug.