Haast en spoed …

Omdat ik mijn televisietoestel iets te vroeg op een door mij als bezienswaardig beschouwd programma afstemde, belandde ik onverhoeds in een kerkgebouw, een synagoge, een moskee of een tempel, waar zich een eredienst ontvouwde. Deze heuglijke gebeurtenis werd opgeluisterd door een koor ─ of wat daarvoor moest doorgaan ─ dat zich aan het kwelen van een ongetwijfeld stichtelijk lied bezondigde, daarbij begeleid ─ nu ja, begeleid ─ door een manspersoon die vol overgave op een soortement harmonium jengelde.

God van de hoge hemel, christene zielen en heremijntijd! Wat veroorzaakte die samengang een kakafonie van je welste.

Ik heb trouwens nog maar zelden, of eigenlijk nooit, een samenscholing van lelijkere, oude wijven aanschouwd …

… en zingen konden ze ook al niet.

Bot vangen

Zeer tegen mijn zin ─ ik ben namelijk nogal op de penning ─ heb ik de ramen van mijn optrekje met nieuwe rolluiken laten toerusten en ik kreeg zo maar eventjes tien jaar garantie op die dingen. Tien jaar! Ga d’r maar aan staan!

Helaas vertonen twee van die West-Vlaamse ‘lattestoors’ al na anderhalf jaar dusdanige gebreken, dat ik niet meer in staat ben om die neer te laten of op te halen. Ik zag me derhalve genoodzaakt om de klantendienst van het bedrijf in kwestie op te bellen, teneinde een beroep te doen op mijn waarborg.
Ik toetste het nummer in en kreeg binnen de kortste keren een mannelijke stem in mijn oor.
─ “Met het antwoordapparaat van Rudy”, zei die. “U hoeft niets in te spreken, want ik luister toch niet.”

Tja, daar sta je dan met je goeie gedrag en je tien jaar waarborg.

Salut en de kost!

Ik ben vandaag de dag en sinds jaar en dag lid van N-VA, maar volgens mij zal dat niet lang meer duren.

Ik erger me immers steeds vaker aan de vroegere voorzitter van dat clubje, Bart De Wever, die thans premier van Belgenland is en zich graag de allures van een Romeinse keizer aanmeet, inclusief de Latijnse taal,  maar eigenlijk de energie van een gestrande kwal vertoont en niets verwezenlijkt van hetgeen ik, als Vlaming en lid van N-VA, van hem verwacht.

De huidige voorzitster, Valerie Vanzwiereltruis, heeft aan de bron der intelligentie slechts de lippen bevochtigd. Ze is begenadigd met het charisma van een zak gebroken maïs en laten we wel wezen: ik vind haar nogal een seut.

Hun minister van Defensie, ene Theo Francken, is opgezadeld met een nogal buitensporig ego. Hij denkt van zichzelf dat hij een godsgeschenk, indien al niet de Zaligmaker is.

Nee, doe mij maar Tom Van Grieken en zeer zeker Barbara Pas, die tot die danig verguisde partij behoren. Zij zijn politici naar mijn hart en het kan nooit lang meer duren of ik stap over van N-VA naar Vlaams Belang.

Curiosum

Op school kregen we allemaal Nederlandse spraakkunst opgelepeld. Of we daar al dan niet belangstelling voor aan den dag legden en of we er iets van onthouden hebben, laten we hier in het midden. Indien dat niet het geval zou zijn, wil ik toch even jullie geheugen opfrissen, zodat jullie begrijpen wat ik hierna uit de doeken zal doen.

Ik wil het namelijk over de trappen van vergelijking hebben. Dat zijn er drie: de positief, de comparatief en de aperitief … eh … de superlatief. Neem het me niet kwalijk dat mijn gedachten, die nog in pyjama rondhuppelen, bij iets anders verwijlden. Men heeft voor die trappen ook Nederlandse benamingen bedacht: de stellende, de vergrotende en de overtreffende trap. Om het helemaal duidelijk te maken haal ik er fluks een bijvoeglijk naamwoord bij: mooi. Mooi is de stellende trap, mooier is de vergrotende trap en mooist is de overtreffende trap. Het zal jullie ongetwijfeld duidelijk zijn dat de door het bijvoeglijke naamwoord aangeduide eigenschap toeneemt naarmate we een trap hoger klimmen. Groot, groter, grootst. Zacht, zachter, zachtst. Lelijk, lelijker, lelijkst … en zo kunnen we nog uren doorgaan, maar het lijkt me niet raadzaam om dat te doen.
En toch stuitte ik vanmorgen op een uitzondering, die deze regel niet bevestigt. Een oudere heer is namelijk meestal minder oud dan een oude heer. Ik vermoed dat men nog geen naam bedacht heeft voor dit toch wel merkwaardige fenomeen en daarom wil ik graag patent nemen op ‘averechtse trap’.

Ja, met mij gaat het goed, al ben ik eigenlijk nog niet beter en best zal het wel nooit meer worden.

Eet je bord leeg!

De kelner van het restaurant wapperde nogal om zijn ruggengraat en liep er klapwiekend mee te koop dat hij de Griekse beginselen toegedaan was. Dat hij zich ook nog op heel erg vriendelijke wijze en uiterst bekwaam van zijn taken kweet, had natuurlijk weinig of niets met zijn geaardheid te maken.

Aan een tafel niet zover bij me vandaan zat wat ik als een echtpaar met een volwassen zoon beschouwde. Ik vermoedde bovendien dat die zoon de speciale vriend van de kelner was. Ze knipoogden alleszins olijk naar elkaar, zoals men dat doet tegen iemand met wie men dartele herinneringen deelt.

De zoon at mosselen. Toen de kelner na afloop hun tafel afruimde, wees hij naar de pot met de overblijfselen van die weekdieren en zei tegen zijn vriend:
“Je moet wel je schelpen nog opeten.”

Ik proestte het uit. Ik vond dat namelijk bijzonder grappig. Ik ben met weinig tevreden.
Ik had eveneens mosselen gegeten, maar niemand verzocht me om de schelpen op te eten. Ik voel me tekortgedaan.

Daar spon al in de zon een spin

Ik ben buitenshuis aan een vertaalopdrachtje bezig en zit aan een rommelige schrijftafel in een benepen tyfushok … eh … een onprettig kantoortje, waar twee bedienden, een vrouwtje en een mannetje, zich van hun dagtaak kwijten. Je kunt er je kont niet keren en het ruikt er muf, naar lang gestorven muis.

Het meisje begeeft zich naar een belendend lokaal, om er koffie te zetten. In plaats daarvan begint ze te gillen als een konijn in de beet van een wezel en ze keert spoorslags bij ons terug. Paniek schudt aan haar ledematen.
─”Er zit daar een kobbe!” krijst ze.
Dat is een West-Vlaamse spin.

Haar collega en ikzelf meten ons stoerheid aan en begeven ons met onversaagde tred naar de plaats des onheils. Afgaand op haar jagende angst vrezen we daar een geniepige zwarte weduwe, een venijnige Australische tunnelwebspin, of zelfs een vervaarlijke tarantula aan te treffen, maar we moeten ons tevreden stellen met een ordinaire geleedpotige: een grijze huisspin die zich met enige moeite over de gladde faiencetegels boven een aanrecht voortbeweegt. Door een maaiende handbeweging van mijn metgezel komt het diertje op de vloer terecht en meteen daarna, nog voor ik wat kan zeggen, verdwijnt het met een nauwelijks hoorbaar gekraak onder zijn meedogenloze schoenzool. Ik geef blijk van mijn verontwaardiging en deel hem mee dat ik, niettegenstaande mijn antipathie tegen die beesten, nog nooit moedwillig een spin heb gedood. Ik vang ze op vaak ingewikkelde wijze en zet ze buiten.

Ik werp hem daarna nog een hele tijd mesblikken toe. Zijn collega daarentegen zit naar hem te kijken alsof hij de maan voor haar opgehangen heeft. Hij is haar held. Ze spint een web en zal hem strikken.

Kijk mama, zonder handen!

Wat kunnen sommige mensen toch schromelijk overdrijven! Toen Ingrid die morgen voorbij de dorpskroeg fietste, bleef haar passage niet onopgemerkt. Wel integendeel! De lolbroeken die zich in de buurt van de tapkast ophielden, poogden elkaar met treffende beschrijvingen van haar figuur de loef af te steken. De homerische vergelijkingen waren niet van de lucht:
─”Da’s nog eens een fors koebeest van een vrouw”, zei de ene. “Die zal je ook niet in een plooi van het laken verliezen.”
─”Ze zou een prima inbreekster zijn,” meende een andere, “want haar kont zou haar voetsporen uitwissen.”
─”Er zit een toekomst als kermisattractie in”, vond een derde.

Bessie Turf, vette spekreet, kamerolifant, machol … Wisten zij veel dat Ingrid in haar jeugd iedere morgen mistroostig op de weegschaal gestaan had, om telkens weer vast te stellen dat ze tot een struise boerenmeid uitballonde. Tegenwoordig was ze zo vet dat ze klodderde, maar nog gaf ze de moed niet op. Teneinde haar wobbelende lichaam enigszins in conditie te houden en vooral ook omdat ze niet over een automobiel beschikte, klom ze regelmatig op haar fiets, die gelukkig in lang vervlogen tijden gebouwd was, toen men nog echt staal en andere robuuste materialen gebruikte, en derhalve tegen een stootje kon.

Ze peddelde het dorp uit en kwam zodoende op het platteland terecht, waar de om zich heen woekerende natuur het voor het zeggen had. De zon zette haar beste straaltje voor, bomen en struiken toonden trots hun pril gebladerte, vogels repeteerden eindeloos en in een grazige weide stonden niet enkel vier stomgeslagen koeien, maar tevens een aantal lachende, met losse hand uitgestrooide veldbloemen.
─”Tiens,” dacht Ingrid en ze gooide de remmen dicht, waardoor ze ongeveer dertig meter verderop tot stilstand kwam, “wat zouden die mijn nederige stulpje kunnen opfleuren.”
Ja, ze bezat een nogal poëtische inborst en tijdens het lezen van de bloemen — plukken vond ze geen fraai woord — reciteerde ze zelfs een ulevellenrijmpje:

Ik was verbaasd, verliefd, verrukt;
ik heb je als een bloem geplukt;
eeuwig zul je bloeien, want
ik heb je in mijn hart geplant.

Of toch iets van die strekking. Ze hield het tere boeket in haar ene hand en met de andere mende ze het stalen ros huistoe. Ongetwijfeld zou ze daar zonder ongelukken aangekomen zijn als het dorp waar ze woonde zich niet op een heuveltop had bevonden. Nu ja, heuveltop … Het was eigenlijk niet meer dan een flink uit de kluiten gewassen muggenbeet, pakweg een molshoop, maar dat belette niet dat de weg wat opliep. Volgens de mannen in de kroeg bevonden er zich echter een paar ‘ferme stampers onder haar zeikbak’ en die kon ze tijdens het klimmen terdege gebruiken. Wie ooit per fiets tegen een helling opklauterde, zal weten dat dit bijwijlen met enig geruk aan het stuur gepaard gaat. Dat deed Ingrid dus ook, tot plots het handvat losliet en ze, vanwege de ruiker die ze zorgzaam in haar andere hand meevoerde, willens nillens het beroemde adagium ‘kijk mama, zonder handen!’ uitbeeldde.

Honderd meter landinwaarts viel er een hoeve te bespeuren. Daar zat een oude boerin door het venster te turen. Veel zag ze niet, omdat ze wegens een vergevorderde blindheid enkel wat contouren vermocht te onderscheiden en dan nog vaag.
─”Maurice!” krijste het ze plots. En daarna nog eens: “Maurice!”
De drager van die naam dacht dat zijn moeder in doodsnood verkeerde en ontsteeg ijlings het ledikant. Hij schoot wat kleren aan en zei tot zijn bedgenoot:
─ “Blijf nog even hier. Ik geef je wel een seintje als de kust veilig is.”

De avond voordien had hij buiten medeweten van de vrouw des huizes een jongen van fraai postuur en lichte zeden in zijn slaapvertrek ondergebracht, om tijdens de nacht herhaaldelijk seksuele betrekkingen met hem aan te knopen. Aangezien zijn moeder naast haar oogkwaal ook nog aan multiple sclerose leed en geen trappen meer kon lopen, vond hij het vooralsnog niet nodig om haar omtrent zijn gelijkslachtige geaardheid in te lichten. Ach, het mens verkeerde allicht in het ongewisse omtrent het feit dat piemeldragers het soms met elkaar deden, laat staan dat ongeveer vijf percent zich nimmer met een vrouw inliet. Jaren geleden, toen haar ogen nog niet uitgedoofd waren en ze op een avond Jurassic Park aanschouwde, sloeg ze opeens een kruis en mompelde:
─ ‘In mijn tijd bestond dat nog niet hoor, zulke monsters!’

Van iemand die aan de bron der intelligentie slechts de lippen bevochtigd had en bovendien wat last kreeg van herfst in het hoofd, kon men bezwaarlijk verwachten dat ze gekipt en gebroed was met de frivoliteiten van de lagere hartstochten en de finesses van de Griekse beginselen. Maar goed … ze riep haar met zijn seksualiteit experimenterende zoon en toen die verscheen, sprak ze:
─ “Loop eens snel naar de straat! Er is daar een auto in de sloot gereden.”
Maurice wierp een blik naar buiten, zag daar kennelijk niets ongewoons en antwoordde:
─ “Ik zie daar niets ongewoons.”
─ “Er is een auto in de sloot gereden!” herhaalde de moeder op een toon die geen verdere tegenspraak zou dulden.

Maurice haalde de schouders op en keutelde even later via de met bomen afgelijnde dreef richting openbare weg. Wat zich daar voor zijn ogen ontvouwde, overtrof zijn stoutste verwachtingen. Op het moment dat het handvat losliet en Ingrid een deadstick landing maakte, suisde ze als een een Jan van Gent in duikvlucht slootwaarts. Was die greppel te bekrompen of haar lichaam te volumineus? Wie zou het zeggen? Zeker was dat ze geen kant meer opkon. Ze zat, of beter gezegd ze stond muurvast op haar hoofd geplugd en vermocht enkel nog wat met de benen te spartelen. Top down heet dat tegenwoordig in het Nederlands. In het West-Vlaams is dat top over kloten, of pere(n)boom staan.

Maurice besteedde weinig tijd aan het bewonderen van de niet te onderschatten dijen en het fondantrose, zeer tot de verbeelding sprekende dessousartikel dat als het ware met bolle zeilen haar indrukwekkende wereldkaart omspande. Nee, hij schoot onverwijld in actie. Het lostornen van dat imposante lijf bleek geen sinecure. Hoe hij ook trok, wrikte of sleurde, er kwam geen beweging in de mastodont. Hij speelde dan ook met de gedachte om drastische middelen aan te wenden en haar met behulp van de tractor op te vijzelen, ergo uit haar benarde positie te bevrijden. Gelukkig daagde er toen een hoffelijke weggebruiker op en samen klaarden ze de klus, want veel handen maken licht werk.

Maurice hing het verslag van Ingrids farcicale bollenmakertje met smakelijk enthousiasme aan de klokkenreep en ontkurkte talloze keren de anekdote. De dorpsbewoners omhelsden vanzelfsprekend gretig het akkefietje en beleefden er monumentaal veel plezier aan. Het verhaal werd aangedikt — alsof dat nog nodig was — opgeleukt en aangesponnen met komische à-côtés. Daar kon je mee lachen. Ambiance! Nee, ze gingen niet bepaald zorgvuldig met Ingrid om, maar over een ding was men het roerend eens: ze hadden eigenlijk nog geboft, want voor hetzelfde geld had er water in die sloot gestaan en waren ze met zijn allen door een tsunami verzwolgen.