Tag: fietsen

Bemoeial

De bel gaf lament; het rode licht begon te knipogen en de slagboom zeeg neerwaarts. Het kon haast niet anders of er zat een trein aan te komen, dus vond ik het raadzaam om de remmen dicht te knijpen en halt te houden. Een nogal luidruchtige groep wielertoeristen, die luidkeels naar massageolie stonken, volgde mijn voorbeeld.

De trein raasde voorbij, maar het rode licht knipoogde lustig verder en ook de slagboom week geen voetbreed, wellicht omdat er een tweede exemplaar in aantocht was.
─”Ja, zo gaat ons gemiddelde natuurlijk steil de dieperik in”, gaf een van de recreatieve fietsers lucht aan zijn misnoegen daaromtrent en hij staarde naar een op zijn stuur bevestigd instrumentje, waarop zijn prestaties in cijfers omgezet werden.
─”Als ik jou was,” meesmuilde ik, “zou ik die bel en die slagboom straal negeren en doorrijden. Veel kans dat je gemiddelde dan steil de hoogte inschiet.”

Hij kon daar niet mee lachen, maar slaagde er niet in om een gepast weerwoord te verzinnen. In plaats daarvan keek hij me aan alsof ik een giftig reptiel was. Zijn gezicht verried dat ik een kopstoot van hem kon krijgen. Zelfs meer dan een.

Ik zal nu toch eindelijk eens moeten leren om mijn klep te houden. We beleven immers wrede tijden en de mensen hebben tegenwoordig steeds langere tenen. Het zal nog eens zo gaan dat ik de krantenkoppen haal, wegens een confrontatie met dodelijke afloop.

Asperges me! ─ 2

De morgenstond had geen goud in de mond, maar was gehuld in regenflarden. Tussen twee vlagen door spurtte ik met de fiets naar de supermarkt, omdat hetgeen ik ‘s middags wilde klaarmaken om te eten een essentieel ingrediënt behoefde, dat ik niet in mijn voorraadkasten aantrof.

Niettegenstaande er zich boven me wolkenpakken in hevig gedrang bleven ophouden, zag het ernaar uit dat ik het ook op de terugweg droog zou houden …

… maar toen reed ik voorbij zo’n vervaarlijk wegkasteel: een betonmixer die langs de kant van de weg geparkeerd stond. Terwijl ik dat deed, kreeg ik onverhoeds een niet te onderschatten gulp water over me heen, die met zo’n kracht op me neergutste dat ik bijna van mijn fiets kukelde.

De chauffeur van het vehikel had namelijk plots last van schoonmaakwoede gekregen. Gewapend met een sproeilans was hij op zijn voertuig geklommen om vanaf die verheven positie uitbundig aan het spuiten te gaan, evenwel zonder rekening te houden met toevallige passanten, zoals ik. Hij kon kennelijk ook niet goed mikken.

Hoewel de regen het nog geruime tijd liet afweten, hield ik het toch niet droog. Ik kwam zo nat als een dweil thuis en zag eruit als een verzopen kat. Bovendien bleken een aantal kledingstukken van me onherroepelijk beschadigd te zijn door dat agressieve betonwater.

Zal ik een klacht indienen? Of is het (beton)sop de kool niet waard?

Korenbloemenblauw

Ik schat dat ik iedere week zo’n driehonderd kilometer tussen de wielen zit, die van mijn fiets welteverstaan. Tijdens die ritten heb ik vanzelfsprekend oog voor wat er zich rondom mij, in de ruige ruimte van de natuur, voltrekt. Meestal ben ik ten zeerste opgetogen over hetgeen ik allemaal aanschouw, behalve als het dode dieren betreft en dat zijn er niet weinig, of als verfoeilijk zwerfvuil het landschap ontsiert. Wanneer zal men nu eindelijk eens werk maken van dat statiegeld!?

korenbloemNu speur ik al geruime tijd vergeefs de bermen af naar mijn favoriete bloem: de centaurea cyanus, ofte de korenbloem. Uitdagend gele boterbloemen, vonkende papavers en verlekkerd kijkende brandnetels te kust en te keur, maar het ranke dametje met de verrukkelijke pauwblauwe kleur leek van de aardbodem verdwenen … tot ik gisteren plots een eenzaam exemplaar ontwaarde.

Ik zette het op een glunderen dat aan extase grensde, hield halt en voelde de aandrang om een beroemd drinklied aan te heffen:

Kornblumenblau
ist der Himmel am herrlichen Rheine.
Kornblumenblau
sind die Augen der Frauen beim Weine.
Darum trinkt Rheinwein,
Männer seid schlau,
dann seid am Ende auch ihr
kornblumenblau.

Ik bevond me evenwel niet aan de oevers van de zeer romantische Rijn, ik had ook geen drank binnen handbereik, laat staan rijnwijn, en bovendien zing ik vandaag de dag valser dan een gecastreerde kater, dus beperkte ik me tot het nemen van de foto die jullie hierboven kunnen bewonderen, of toch bekijken.

Mijn dag kon niet meer stuk en ik fietste vrolijk verder, tot ik opeens bij een veld kwam, waar duizenden korenbloemen hun opwachting maakten. Schijthuizen kon ik ermee dekken. Ik stond erbij en keek ernaar alsof de Moedermaagd aan me verscheen. Tja, zo is er voor mij ook geen lol meer aan. Ik zal een andere lievelingsbloem moeten kiezen. De Middlemist camellia lijkt me wel wat. Die schijnt buitengewoon zeldzaam te zijn.

korenbloem2

Allemaal kosten op het sterfhuis

Tussen twee regenbuien door glipte ik per fiets naar de supermarkt, om er een paar kleinigheden in te slaan, zoals onder niet veel meer een blokbatterijtje voor de rookmelder. Die was ‘s morgens op een onchristelijk uur lament beginnen geven, niet omdat er onraad te bespeuren viel, maar omdat zijn energiebron bijna uitgeput was. Ik pleeg dergelijke batterijen altijd in voorraad te hebben, behalve op regendagen als mijn auto een onderhoudsbeurt krijgt.

Omdat zo’n batterijtje een zielige aanblik biedt als het zich alleen in een winkelkar ophoudt, kocht ik nog een paar dingetjes. Toen ik met mijn boodschappen bij de fietsenstalling kwam, bleek iemand de kettingkast van mijn rijwiel in de vernieling gereden of gestoten te hebben. De gruzelementen ervan lagen net als de diggelen op de grond verspreid. Ik stond erbij en ik keek ernaar. Van de dader ontbrak natuurlijk elk spoor.

Hoewel ik ooit broekveren gekocht heb, bleken die zich niet in mijn fietstassen op te houden. Het waaide bovendien vrij hard, dus kwam ik thuis met een danig door kettingsmeer besmeurde pantalonpijp, om nog te zwijgen van mijn humeur dat danig onder het nulpunt gezakt was. Ach, woonde ik maar op de rand van een vulkaan.

Een nieuwe kettingkast, een broek met vlekken waar zelfs een heel vakkundige stomerij wellicht geen raad mee zal weten … Er groeien geen bankbiljetten op mijn rug en er staat al evenmin een geldboom in mijn tuin. Ze moeten van mijn  kettingkast blijven! En van mijn andere kasten ook!

Anderzijds is de rookmelder wel buitengewoon blij met zijn verse batterijtje.

Nog even murmureren in 2018

Toen ik me met mijn fiets in Nergenshuizen bevond, ontstond er plots een verontrustend gedokker onder mijn kont. Hetgeen ik vreesde, werd bewaarheid: ik had een lekke achterband. Ik maakte luidkeels mijn ongenoegen kenbaar ─ ik reed immers op zogeheten lekbestendige banden ─ maar aangezien er zich geen levende ziel in de wijde omgeving ophield, was er niemand die dat hoorde.

Ik trok mijn mobieltje en telefoneerde naar de fietsbijstand van de VAB, want ik betaal die luiden ieder jaar € 45, teneinde vakkundige hulp te krijgen als mijn rijwiel het onverhoeds laat afweten. Ze zouden een mannetje sturen, maar het kon wel een uur tot vijf kwartier duren voor ik die zag opdagen, want het was heel erg druk in de wegenwachterij.

Vijf kwartier duurt lang, vooral als je blootgesteld bent aan weer en wind en nergens kunt gaan zitten, maar anderzijds kan en mag ik natuurlijk niet verwachten dat zo’n monteur me op stel en sprong uit de brand komt helpen. Net toen het vijfde kwartier op het punt stond te verstrijken kreeg ik een sms-bericht dat me mededeelde dat ik nog een halfuurtje langer geduld zou moeten oefenen. Ik loosde een putdiepe zucht en er ontsnapte een vloek aan mijn mond, maar nog steeds was er niemand die dat hoorde.

Vijfentwintig minuten later verscheen de wegenwachter en hij verstond zijn vak, want binnen de kortste keren barrebokste hij de klus en dat deed hij met verbluffende handigheid en bijna achteloze zwier.

Een dag of wat later verzocht VAB me per e-mail om een beoordeling van de tussenkomst. Ik gaf een acht op tien. Als ik louter de monteur had moeten evalueren, zou ik die zeker met een tien bedacht hebben, maar het lange wachten zette een domper op mijn cijfer.

Het weer was me gelukkig goedgezind geweest, want in anderhalf uur kan er veel gebeuren en regende het de hele tijd op zeer doeltreffende wijze, weerklonk de loeiende spotlach van stormwind, graaiden er gretige bliksems door de lucht, veranderde sneeuw het mij omringende landschap in een kerstkaart, vroor het stenen uit de grond, deed een aardbeving de wereld rondom mij stuiptrekken, kreeg een vulkaan het danig op zijn heupen, donderde er een tsunami of een lawine op me af, raakte ik ondergedompeld in een schuimbekkende overstroming, zakte ik weg in een reusachtig zinkgat …

De rampen zijn de wereld niet uit. Het zijn allemaal dingen die kunnen gebeuren. Ook in West-Vlaanderen. Zeker in West-Vlaanderen. Vooral in West-Vlaanderen.

‘t Is ook nooit goed

Enkele weken geleden …

Op een voor voetgangers en fietsers gereserveerd pad dien ik een wandelaar in te halen. De man zwalkt heen en weer als een aangeslagen bokser, zodat ik me genoodzaakt zie hem even te waarschuwen dat ik eraan kom.
“Mag ik er even langs?” roep ik dus.
Hij keert zich met een ruk naar me toe, kijkt me aan alsof hij van plan is om tot een handgemeen over te gaan en snauwt:
“Heb je een vinger gebroken of zo? Of ben je te lui om even te bellen?”

Enkele dagen geleden …

Ik befiets hetzelfde pad en krijg opnieuw een nogal wispelturige wandelaar in het vizier. De woorden van zijn voorganger indachtig gebruik ik mijn bel, die enkel een bescheiden geluidje produceert: ping!
De man draait zich om, kijkt me aan met duistere kwaadaardigheid, werpt me een aantal mesblikken toe, vloekt wat duivels uit de hel en schiet uit zijn slof:
“Hang voortaan een koeienbel rond je nek!”

Ja zeg, zal ik me van kant maken? Zullen we de manier waarop je een voetganger moet inhalen dan maar in het verkeersreglement opnemen? Of zal ik voortaan gewoon thuisblijven en met mijn tenen spelen tot vermaak van mijn hielen?

Nog één keer en het is scheepsrecht

Met een tussenafstand van vijftig meter bogen ranke lantaarnpalen zich attent over het door mij gebruikte fietspad en de belendende autoweg, om met licht te strooien als dat nodig was.

Bovenaan, op de mastarmen, waren op ieder exemplaar een aantal meeuwen neergestreken. Die zaten doelloos in de verte te staren en te converseren. Nu ja, converseren … ze slaakten af en toe een nogal ijzingwekkende kreet. Ik meen te weten dat kliauwen de correcte benaming is voor het gekrijs dat meeuwen produceren. Als jullie dat niet geloven, zullen jullie me na het raadplegen van bijvoorbeeld het dikke woordenboek van Van Dale gelijk moeten geven.

Zo nu en dan zag ik hoe zo’n vogel een schokkend beweginkje maakte en zich ontlastte. Het zat er derhalve aan te komen en het viel haast niet te vermijden dat ik door zo’n uitwerpsel getroffen zou worden. Dat gebeurde dan ook. Het smerige excrement pletste op mijn dij en verspreidde zich daar tot een zwartwit poeltje. Ik vloekte duivels uit de hel en struiken uit de grond.

Ik had het nochtans kunnen weten en voorspellen, want ik ben al eens eerder in aanvaring gekomen met de overtolligheid van een meeuw. Lees in dit verband: Waar de meeuwen schreeuwen.

Het was me bekend dat er kokmeeuwen bestonden, maar dat er ook kakmeeuwen rondvlogen … tja, daar had ik geen flauw benul van.

Nu dus wel.

Pootjebaden

Ik fietste fluitend door het bos, al mag je dat fluiten gerust met een korrel zout nemen, want ik breng er niet veel van terecht. Ik was, het zal jullie duidelijk zijn, godsgruwelijk gelukkig, om niet te zeggen zo blij als een varken in de stront. Ik heb zo van die dagen.

Bezijden het pad, enigszins beschut door een hoge heg, verrees een drenkplaats, die ook te eten schafte en voorzien was van een ruim terras, waarop zich enkel een poetsende vrouw bevond.

Dat mens ontdeed zich van een volle emmer sop, door die met driest geweld in de haag te kwakken, uitgerekend op het moment dat er aan de andere kant van dat gewas iemand voorbijfietste. Jullie mogen drie keer raden wie dat was. Knap hoor! Jullie hebben het meteen juist.

Ik was nat tot onder mijn oksels, of toch zeker van mijn voeten tot aan mijn knieën en hield halt om een beetje te mopperen. De bazin van het etablissement hoorde dat wellicht en kwam poolshoogte nemen, maar wist niet waar ze heen moesten rennen van het lachen. Ik was daardoor danig op mijn tenen getrapt, want ik verwachtte eigenlijk dat ze mij een koffie zou aanbieden, of zelfs iets sterkers, maar dat deed ze niet, de gierige pin.

Ik vervolgde in morsige toestand mijn weg, luidkeels naar Dettol ruikend. Ik moest zowaar met mijn armen de schoolslag maken, anders kwam ik niet door die walm heen.

Is ‘t nu gedaan, ja?!

BaardmanAan alle wielertoeristen en consorten die zo nodig naar me moeten roepen als onze wegen elkaar kruisen:
Ik ben Jezus niet!
Ik ben Sinterklaas niet!
Ik ben de Kerstman niet!
Ik ben Vader Abraham niet!
Ik ben Santa niet!
Ik ben de apostel Petrus niet!

Als jullie denken dat jullie buitengewoon origineel uit de hoek komen door me deze namen naar het hoofd te slingeren als we elkaar ontmoeten, dan denken jullie verkeerd, want tientallen anderen zijn jullie voorgegaan.

Ik zou overigens ook talloze namen voor jullie kunnen verzinnen.
Hangbuikzwijn bijvoorbeeld;
of speknek;
of gratenpakhuis;
of spillepoot;
of krijtezel;
of pruilbakkes.

Als ik dat niet doe, dan is dat omdat ik keurig, netjes opgevoed ben.

Hou dus maar op met die onnozelheden.

Er zijn meer huizen dan kerken

Schwalbe

Ik fiets jaarlijks ongeveer twaalfduizend kilometer en ik placht dat te doen op zogeheten lekbestendige banden, meer bepaald op het type Marathon Plus van Schwalbe. Het moet gezegd dat ik nooit lek reed toen ik me op dat rubber verplaatste.

Het zal jullie niet ontgaan zijn dat ik hierboven de verleden tijd gebruik. Er is namelijk een kink opgedoken in de kabel die mij met Schwalbe verbond en daarom heb ik die kabel doorgeknipt.

Een jaar geleden verving ik de versleten achterband van mijn fiets door een nieuw exemplaar. Al na enkele maanden vertoonde die echter abnormale slijtage, te weten een kale plek over een afstand van zowat dertig centimeter. Dat leek me stug, dus stuurde ik een e-mail naar de Belgische verdeler van Schwalbe, waarin ik mijn bevindingen mededeelde en opperde dat het vermoedelijk om een fabricatiefout ging.

Op hun verzoek bezorgde ik ze een foto van het mankement. Het antwoord liet enige tijd op zich wachten, maar na enig aandringen vernam ik dat het absoluut geen fabricatiefout betrof, maar dat het euvel wellicht het gevolg was van het verkeerd monteren op de fietsendrager van een auto, waardoor het wiel aan slepen onderhevig was.

Ik antwoordde dat ik geen eigenaar was van een fietsendrager en dat mijn fiets nooit ofte nimmer van een ander vervoermiddel gebruik gemaakt had. Er waren opnieuw enkele duwtjes in de rug nodig voor men reageerde. Kon ik de band aan de Belgische invoerder van Schwalbe bezorgen? Die zou het ding op zijn beurt aan de fabrikant in Duitsland overmaken, waar het labo zich ermee zou bemoeien en uitsluitsel geven.

Ik wachtte ettelijke weken op dat uitsluitsel, dat pas kwam nadat ik een paar e-mails verstuurd had. Het was geen fabricatiefout! Men liet me in het ongewisse over wat het dan wel was en ze beschouwden de zaak kennelijk als afgedaan.

Ikzelf ben ervan overtuigd dat het wel degelijk een fabricatiefout betreft. De band van Schwalbe die ik sindsdien gebruik en waarmee ik al bijna vijfduizend kilometer aflegde, vertoont niet de minste abnormale slijtage.

De defectueuze band heeft me vijfendertig euro gekost. De werkelijke kostprijs ervan zal beduidend minder bedragen: ik schat ongeveer vijftien euro. Dat een bedrijf als Schwalbe zich in leugenachtige bochten wringt, teneinde de handen in onschuld te wassen en me niet te moeten vergoeden, vind ik beneden alle peil.

Het is daarom dat ik aan Jan en alleman kond doe van dit feit en ook de miljoenen, indien al niet miljarden, lezers van mijn blog zullen het geweten hebben.

Ik zal me nooit meer een band of enig artikel van Schwalbe aanschaffen. Nooit meer! Voortaan verplaats ik me op lekbestendige banden van Vredestein Perfect Xtreme.

Schwalbe kan me aan de reet roesten!
Vredestein, tevreden zijn!

Zegt het voort!