Categorie: Onderweg

Als de rozen bloeien …

Hoewel ik me niet in de stille Kempen bevond, en al helemaal niet op de purp’ren hei, trof ik toch een eenzaam huisje op mijn weg aan, zij het zonder berk erbij.

Geen berk dus, maar wel een boerenblommentuintje dat uitbundig met Flora’s kinderen pronkte en een terras, dat volgeladen was met allerhande snuisterijen en prullaria, waaronder een gietijzeren uil, die zoals het een uil betaamt, wijsneuzig op een soortement pilaar prijkte.

Nu heb ik al mijn hele leven een raadselachtige affiniteit met uilen, zoals de titel van mijn blog laat uitschijnen. Ik hield dus halt, om de vogel wat nader te bestuderen en eventueel te informeren of ik die voor een zachte prijs kon verwerven, teneinde die aan mijn verzameling toe te voegen, want ik heb inmiddels al tientallen uilen in mijn bezit.

Er moet zich daar ergens een luidspreker opgehouden hebben, want ik hoorde muziek, meer bepaald de omfloerste stem van Adamo. “Quand les roses fleurissaient, sortaient les filles”, zong hij en alsof de duvel ermee speelde, of een ander wezen dat over bovennatuurlijke krachten beschikt, verscheen op dat moment een stokoud vrouwtje ─ ze bediende zich inderdaad van een stok ─ in de met rozenguirlandes omkranste deuropening. Ze hing nogal deerniswekkend aan de arm van een man, die haar op een bankje in de zon neerpootte en zich vervolgens tot mij wendde.
Ik deelde hem mee dat ik in hoge mate geïnteresseerd was in zijn uil en hoopte dat hij die enigszins goedkoop aan me wilde slijten. Ik ben en blijf immers een zeer spaarzaam persoon. Sommigen overdrijven en noemen mij gierig, ja, zelfs vrekkig en ik ben daar eigenlijk niet van gediend, maar ze kunnen me de moord pruimen.

Terwijl we in ons zakelijk gesprek verwikkeld waren, voerde het oude vrouwtje dat zijn moeder bleek te zijn, zowel doof als blind was en dus niks hoorde en niks zag, een mompelende en onverstaanbare conversatie met iemand die wij niet konden zien, maar zij blijkbaar wel. Mens toch!
De hemel verhoede dat ik in zo’n toestand terechtkom als ik oud ben en der dagen zat.

En weten jullie wat! Ik heb de uil van haar zoon cadeau gekregen. Jawel, gratis en voor niks. Ik zal bij hem, de man, één dezer dagen een ballotin pralines laten bezorgen, want ik ben helemaal niet vrekkig. Misschien vindt zijn oude moeder die ook lekker.

Olijke stukken vlees

fietsenToen ik door het dorp fietste, ontmoette ik een meisje en een jongetje. Ze waren een jaar of acht, schat ik, en ze liepen keurig op het voetpad. Hand in hand. Ik reed ze voorbij en hoorde dat een van hen me iets nariep, maar omdat er net een luidruchtig voertuig aankwam, kon ik dat niet verstaan. Ik kneep de remmen dicht en wachtte. Aarzelend keutelden ze naderbij.

─“Riep je wat?” vroeg ik.
─“Ik niet”, prevelde het meisje.
Ze had verschrikte ogen opgezet en schudde heftig van nee.
─“Ik heb geroepen”, bekende de jongen ruiterlijk en met een branieachtige snoet, die geen spoor van angst vertoonde.
─“Wat dan?” wilde ik weten.
Hij gnuifde, keek even naar het meisje en zei toen:
─“Je wielen draaien!”

Ik proestte het uit, vervolgde lachend mijn weg en zit nu eigenlijk nog steeds met die snaak te lachen. Mijn wielen draaien als ik fiets. Wie had dat ooit kunnen denken?

Nog niet zo lang geleden spurtte ik voorbij een in een deurgat vertoevend oud mannetje en weten jullie wat die me nariep?
─“Doe maar rustig! Ze hebben hem al!”

De barmhartige Samaritaan

In Nergenshuizen stond ik op het punt om het pad van een moeder met drie kinderen te kruisen. Twee daarvan reden zelfstandig op fietsjes; het derde zat bij haar achterop in een stoeltje.

Net voor we elkaar zouden voorbijrijden sprong ze van haar rijwiel en met luider stem instrueerde ze haar kroost om hetzelfde te doen.
─”Ik ben plat!” jammerde ze.
Haar blik drukte een soort dierlijke radeloosheid uit: de wanhoop van de stervende kat.

Ik kneep de remmen dicht, hield halt en constateerde dat ze lang niet zo plat was als ze van zichzelf dacht, zodat ik vermoedde dat de platte toestand niet haarzelf, maar haar fiets betrof. Daar stond ze dan: moeder van drie, ver van de bewoonde wereld, zonder telefoon en met een onbruikbaar wiel. Ik bood haar mijn mobieltje aan, maar ze kon zich met de beste wil van de wereld geen enkel nummer herinneren van iemand die haar uit de nood kon helpen.
─”Ik heb gerief bij me om u te depanneren,” zei ik, “maar het kan wel even duren voor ik het klusje geklaard heb.”
Ik was me immers zeer bewust van mijn onhandigheid op het gebied van fietsreparaties … en eigenlijk op velerlei gebied, maar dat leek haar overkomelijk.

Ik ging dus aan de slag en tot mijn eigen verbazing ging dat vlotter dan verwacht. Al na twintig minuten had ik de binnenband luchtdicht bepleisterd en kon ik haar uitwuiven, nadat ze mij onder dankbetuigingen en loftuitingen bedolven had.

Als ik ooit het moede hoofd neerleg en het tijdelijke met het eeuwige verwissel, zal ik ongetwijfeld regelrecht en met de grootste onderscheiding ten hemel opstijgen, alwaar me zeventig maagden … eh … rijstpap met bruine suiker en gouden lepeltjes te wachten staan.

Het weze me vergeven dat ik hier mijn eigen lof laat stinken. Als men zichzelf niet kietelt, lacht men nooit.

Waar de meeuwen schreeuwen

Ik ga als dierenvriend in hart en nieren door het leven, al begin ik nu toch stilaan een hekel aan meeuwen te krijgen. Het zijn fraaie vogels, daar niet van, maar tot mijn grote ergernis vergrijpen ze zich telkens weer aan mijn vuilniszakken en hun gekrijs ─ kliauwen heet dat in het jargon ─ dringt door merg en been en is vermoedelijk schadelijk voor mijn trommelvliezen.

Ooit heb ik een Franse perifrase aangaande meeuwen gelezen die me kennelijk wel beviel, want ik heb er nota van genomen en kan die derhalve aan jullie opdissen, al vind ik nergens terug wie er de auteur van is:

Les mouettes sont des prophètes déguisés en oiseaux avec une allure angélique et une voix semblable à du gravier que l’on sort d’une tombe.
Meeuwen zijn als vogels vermomde profeten met een engelachtige allure en een stem die klinkt als grint dat men uit een graf opdelft.

Het heeft wel iets, vind ik, al lijkt het opdelven van kiezels uit een graf me enigszins vergezocht en toch zeker geen bezigheid die een gewone sterveling pleegt te verrichten of te beluisteren.

Sinds vanmorgen hebben meeuwen het echter compleet bij me verkorven. Ik wandelde naar het dorp toen boven me een klucht van die luidruchtige vogels verscheen.
“Oed hiedre e kiè ollemolle juldre baheule!” riep ik in mijn platste West-Vlaams, wat men in het algemener Nederlands van De Fabeltjeskrant kan vertalen als: “Snaveltjes dicht!”
Ze sloegen geen acht op mijn woorden en bleven hun snavels roeren. Meer zelfs: een van die druktemakers voelde zich geroepen om in volle vlucht zijn gevoeg te doen en hetgeen hij uit zijn ‘engelachtige’ lijfje perste, belandde met een nauwelijks hoorbaar pletsend geluidje op mijn schouder. Ik vloekte een aantal duivels uit de hel, spuwde in mijn zakdoek, wreef, poetste, boende geconcentreerd … en liep zodoende kledder tegen een verkeersbord aan, dat men neergepoot had als waarschuwing voor een put die men daar recentelijk gegraven had.

Dientengevolge ben ik vandaag alleen met een afstandsbediening te benaderen. Schijtende vogels en botsingen met obstakels horen thuis in filmpjes die men ter jolijt des mensen op internet aanbiedt, maar niet in het echte leven en zeker niet in mijn handel en wandel. Ik mag me nog gelukkig prijzen dat ik niet in die put gekukeld ben, want dan had ik misschien in het echt het geluid gehoord van grint dat men uit een graf opdelft, teneinde er mijn stoffelijke resten in onder te brengen. Ik moet er niet aan denken.

De dag van de loslopende dieren

Op het jaagpad langs het kanaal, in de buurt van Stalhillebrug, stormden plots drie koeien op me af, waardoor ik van de fiets moest om me achter een boom in de berm te verschansen. Ze waren blijkbaar ontsnapt en leken vast van plan om van de verworven vrijheid te genieten. Ze draafden me huppelend voorbij, met vrolijk heen en weer klotsende uiers en zwiepende staarten. Ik meende zelfs een triomfantelijke glimlach op hun muil te ontwaren, maar dat heb ik me vast ingebeeld, want deze uiting van vreugde is immers voorbehouden aan La Vache Qui Rit.

Tien kilometer verder, in de bossen van het Vloethemveld galoppeerde er plots een paard naar me toe: een schuimbekkende en ongezadelde schimmel, waarin ik het ros van Sinterklaas meende te herkennen, maar ook dat zal wellicht inbeelding van me geweest zijn, want volgens de kalender is zowel de goedheilig man als zijn vervoermiddel al naar Spanje teruggekeerd. Omdat zo’n op hol geslagen dier zich niet aan verkeersregels pleegt te houden diende ik me opnieuw achter een boom op te stellen.

Nog eens drie kilometer later stond er plots een loebas van een hond voor me in het midden van de weg. Ik kon bezwaarlijk van hem verwachten dat hij een vin zou verroeren, aangezien hij niet over zo’n lichaamsdeel beschikte, maar hij leek me ook niet van plan om een poot uit te steken, dus stapte ik ten derde male van mijn fiets, om hem uiterst behoedzaam te passeren. Hij zette weliswaar een smoel op alsof hij iets smerigs rook, maar hij liet me gelukkig ongemoeid.

Zou het vandaag de dag van de loslopende dieren zijn?

Daarna zag ik ook nog een sportieve fietser ─ nu ja, sportief? ─ die zich als loslopend wild, meer bepaald als een gefrustreerd konijn, gedroeg. Hij slingerde een autobestuurster op jaren, die zich nochtans aan geen enkele overtreding schuldig maakte, allerlei verwijten naar het hoofd omdat ze Zijne Doorluchtigheid enigszins hinderde. Waarschijnlijk wilde hij zich laten gelden omdat hij zich door het leven tekortgedaan voelde en slechts over een heel klein lulletje beschikte. De loeistrakke uitmonstering die hij voor het uitoefenen van zijn hobby meende te moeten dragen, verried immers wat hij in huis had en bij hem was dat alleszins niet veel zaaks.

Pistekieten

Hoewel ik jaarlijks ongeveer tienduizend kilometer – ja, jullie lezen het goed – met mijn Harley Trapson afhaspel, durf ik mezelf allerminst de allure van sportief fietser aanmeten. Ik verplaats me trouwens met een heel gewone fiets, die voorzien is van een computertje, een gps, slechts vijf versnellingen en twee ruime fietstassen, waarin ik ongeveer mijn hele hebben en houden onderbreng.

Omdat ik in hoge mate van de mij omringende natuur wil genieten, laat ik me niet haasten en slof ik aan een gezapig tempo doorheen de landschappen die ik op mijn weg ontmoet. Het zal dan ook niemand verbazen dat ik regelmatig ingehaald word door dames en heren die wel sportieve ambities koesteren. Daarbij valt het me op ─ het zal wel geen inbeelding van me zijn ─ dat steeds meer mannen toegerust zijn met massieve, ja zelfs mastodontische kuiten.

Laatst maakte ik een fietstocht in het gezelschap van mijn zeer gewaardeerde vriend, Reinhold, die met een plastische babbel gesierd is en soms zelfs gespierde kazernetaal in de aanbieding heeft.
─”Wat hebben veel mannen tegenwoordig echte ballonkuiten”, liet ik me ontvallen.
─”Ja, ze hebben ferme stampers onder hun zeikbak”, monkelde Reinhold.
Ik moest daar zo om lachen dat ik bijna in een sloot kukelde.
─”Je hoort me niet beweren dat die van mij er als ranke cipressen uitzien,” opperde ik, “maar het scheelt toch niet veel.”
─”Ranke cipressen!” riep mijn gezel. “Jij hebt pistekieten!”

Pistekieten. Ik blijf het een verrukkelijk West-Vlaams woord vinden en laten we wel wezen: eigenlijk ben ik best tevreden met mijn pistekieten.

Goeie babbel!

Tijdens het opbergen van de sedimenten van vervlogen jaren kreeg ik onder veel meer een prentbriefkaart in handen. Kennissen hadden die aan me laten bezorgen, om me mede te delen dat ze zich in de Italiaanse Dolomieten ophielden, dat de zon daar haar beste straaltje voorzette en dat het eten er heel lekker was.

Omdat ik een hevige fan van deze wondermooie bergen en de daarmee gepaard gaande dalen ben, en vooral ook omdat ik bijzonder aangename herinneringen bewaar aan hetgeen ik in die verrukkelijke contreien mocht beleven, besteedde ik enige aandacht aan de afbeelding. Ik keek naar de niet te onderschatten Pordoipas: een weg die kronkelend als een aal in doodsnood door een intimiderend landschap meanderde en zodoende in niet geringe mate aan het toeristische verwachtingspatroon voldeed. Een inzet in de bovenhoek toonde de herberg die aldaar op de pashoogte gastvrijheid biedt. In de buurt van dat etablissement speelde zich jaren geleden het tafereel af, dat ik hieronder in woorden voor jullie probeer te vatten.

Ik zwierf door Europa in het gezelschap van mijn goeie vriend, de niet uit te wissen Reinhold, die mijn leven regelmatig van koddige kanttekeningen voorzag. Dat was ook het geval op de Pordoipas, waar wij het voornoemde café verlieten en naar mijn iets verderop geparkeerde auto kuierden. Ik zal ongetwijfeld verstrooid geweest zijn, want dat overkomt me wel vaker. Feit is dat ik zonder mijn spiegels te raadplegen een plaatsje op de weg veroverde en daardoor bijna in aanvaring kwam met een ander voertuig, dat luidkeels remmend rakelings aan ons voorbijschoot.

Het nummerbord verried dat er zich Duitsers aan boord bevonden en die zijn, zoals men weet, volkomen humorloos en gauw aangebrand. Zij dus ook. Het portier zwaaide open en een heerschap kwam naar ons toe: de blik vol blinde haat, laaiende woede en levensgrote afschuw voor alles wat leeft. Hij nam een pugilistische pose aan en begon me genadeloos af te zeiken … waarop Reinhold, die nauwelijks, of zelfs geen verstaanbaar Duits spreekt, zich vooroverboog tot hij de Germaan in het vizier kreeg en de gevleugelde woorden uitte:
─“Ach mensch, sie kunnen ein bisschen meine klossen küssen und meine sack aufblazen.”
De man staarde mijn gezel aan alsof die plots een vagina tentoonspreidde, maar was dusdanig onder de indruk van van diens polyglottische vaardigheid dat hij ons verder ongemoeid liet en afdroop.
─“Daar heeft hij niet van terug”, grijnsde Reinhold tevreden.
─“Allerminst”, monkelde ik en ik gaf hem een schouderklopje: “Du hast ihm düchtig die lesse gelesen, mein freund.”

En fier dat Reinhold was. Als een gieter! En ik gunde het hem van harte.

Manten en Kalle*

Ik heb jullie gisteren kond gedaan van het onaangename akkefietje dat ons, mijn reisgezel Reinhold en ik, aan de grens van Turkije met Griekenland te beurt viel en groot oponthoud veroorzaakte, waardoor we in de auto dienden te overnachten. Er bestaan ongetwijfeld comfortabelere plekken, maar we overleefden het …

schildpadden… en brachten vervolgens een meerdaags bezoek aan Athene, waar de heerlijkste gewrochten, ooit door mensenhand geschapen, onze bewondering afdwongen. Daarna toerden we een week of wat door de Peloponnesus. Het was tijdens deze tocht dat we twee Griekse landschildpadden van het asfalt plukten, ze Manten en Kalle doopten en ze in een kartonnen doos een plaatsje op de achterbank gaven, waar we ze gul van sla en tomaten voorzagen. Met zijn vieren bereikten we de havenstad Patras, waar we inscheepten teneinde de Ionische Zee over te steken en voet aan wal te zetten in het Italiaanse Bari.

Daar reed ik mijn auto van het schip en terwijl ik die richting douane stuurde, gaf ik mijn passagier nog de goede raad mee om vooral zijn kakel te houden, want met zijn charmante babbel had hij aan de Turks-Griekse grens de boel verziekt en het oponthoud veroorzaakt, zoals jullie gisteren konden lezen. Hij gehoorzaamde braafjes, maar het mocht niet baten: men rangeerde ons opnieuw uit de rij en weer dienden we het voertuig te verlaten. Ze kwamen met een hond aandraven. Die hond snuffelde. En die hond blafte! En weer maakte men aanstalten om het slopen van mijn voertuig aan te vatten.

─“Zou het niet aan onze schildpadden kunnen liggen?” opperde ik snel.
Toen ze van hun verbazing bekomen waren en lacherig enkele opmerkingen over zuppa di tartaruga ─ schildpadsoep ─  gemaakt hadden, kregen we de toestemming om Manten en Kalle uit te laden, waarna de hond een nieuwe inspectieronde maakte en net als Reinhold zijn klep dichthield.
En weg waren we, nieuwe avonturen tegemoet …

Manten en Kalle zijn ondertussen gerepatrieerd en opnieuw in hun habitat uitgezet.

* ‘Manten en Kalle’ is in het West-Vlaamse dialect de benaming van een meestal niet al te snugger koppel van onbestemde komaf.

Er zijn grenzen

Toen ik op de schoolbanken met de klassieke oudheid kennismaakte, overviel mij een vreemd soort melancholie, die ik nauwelijks in woorden vermag te vatten, maar die van geen wijken wilde weten. Ik verlangde hevig naar Hellas en toen ik er eindelijk heen kon reizen, met mijn eigen auto en in het verkwikkende gezelschap van Reinhold ─ mijn makker, mijn maat en mijn spitsbroeder die ik hier al eerder opgevoerd heb ─ beantwoordde Griekenland volledig aan mijn verwachtingen. Er hangt daar iets in de lucht dat ik niet kan omschrijven, omdat het zo veelomvattend en alomtegenwoordig is, maar dat iets was precies wat ik er hoopte te vinden: ik voelde me thuis.

We bezochten het noordelijke landsgedeelte en staken toen eerst door naar Istanbul in Turkije. Wat ons enkele dagen later op de terugweg naar Griekenland overkwam, kunnen jullie hieronder lezen.
─“Dit is veel te gevaarlijk”, zei ik tegen Reinhold, die naast me in de auto zat te dommelen. “We riskeren hier voortdurend ons leven.”

We waren veel te laat uit Istanbul vertrokken en de duisternis overviel ons lang voor we de grens met Griekenland bereikten. Nu hadden ze in Turkije waarschijnlijk nog nooit van periodieke autokeuring gehoord, want voortdurend doemden er onverlichte auto’s en vrachtwagens voor ons op: schimmen die ik soms pas op het laatste nippertje opmerkte. Niet te doen! Bovendien kwamen we herhaaldelijk in zwermen insecten terecht, die zich in groten getale tegen de voorruit te pletter vlogen en daar een bijzonder wansmakelijke smurrie achterlieten, zodat we af en toe noodgedwongen halt dienden te houden, wanneer de sproeiers en de wissers het niet meer konden bolwerken en er manuele bijstand nodig was.

Het zal rond een uur of elf geweest zijn dat we de grens bereikten. We reden over een lange brug, waarop zich een groot aantal tot de tanden gewapende militairen bevonden — Turkije en Griekenland waren nooit goede maatjes — en kwamen vervolgens in de douanezone. De Turken lieten ons ongemoeid, maar bij de Grieken moesten we stoppen. Twee jeugdige manspersonen in een nerveus gesneden BMW ─ reinrassige Hengste auf vier Rädern ─ vonden ze verdacht. Of we iets aan te geven hadden?
─“Zeven kilogrammetjes marihuana”, zei Reinhold in het Engels en met behoud van glimlach.
Hij was niet enkel thuis de leukste, maar ook ver daarbuiten.
─“Hou je stroopwafel!” siste ik, maar het was al te laat.

Men wenkte ons opzij en verzocht ons uit te stappen. Daarna begonnen ze mijn scheurijzer leeg te maken en te slopen. Ik heb sindsdien nooit meer zoiets meegemaakt. Ze kleedden mijn auto helemaal uit. Zelfs de deurbekledingen en het dashboard moesten eraan geloven. De ravage! Aangezien er niks was, vonden ze ook niks … en hoewel ik het ergste vreesde, moet het gezegd dat ze alles keurig in de oorspronkelijke staat terugbrachten, al waren ze daar wel een paar uur zoet mee.

Het was na tweeën toen we mochten beschikken. We gingen nog even op zoek naar een hotelkamer, maar vingen overal bot, zodat we de rest van de nacht in de auto dienden door te brengen. Eigen schuld, dikke bult. Ik kon Reinhold wel het zwart uit zijn haar meppen, maar hij was blond.

Nauwelijks een week later … maar dat vernemen jullie morgen wel.

Zwerfvuil

Lusteloos stuur ik mijn auto door de heldere nacht. Een koele maan vertoont zich op haar volst en hangt als een meloen tussen hemel en aarde. Sterren glunderen. Ze zijn met belachelijk veel. Het strakke licht van de koplampen kruipt voor me uit over het kaduke asfalt van een smal weggetje. In talloze bochten kronkelt het zich doorheen een bedaard landschap.

Ik ben van koers geraakt … en geen klein beetje. Een op zijn janboerenfluitjes aangeduide omleiding heeft me op een dwaalspoor gebracht. Trefzekere bewegwijzering was nimmer het fort van Vlaamse wegenbouwers. Ik voel me een kat in een vreemd pakhuis, want ook de GPS-apparatuur springt telkens op tilt en raaskalt. De alles en iedereen in goede banen leidende satellieten laten mij klakkeloos in de steek. Aan de horizon zwaait een vuurtoren zijn signaal door de kwaadaardig gekleurde gloed van een aurora metropolis, alsof hij op wervende wijze naar me wenkt. Ik herken het karakter als dat van Lange Nelle in Oostende en probeer op haar invitatie in te gaan, want in haar buurt moet ik wezen. Ondertussen mompel ik bedenkingen tegen het verkwanselen van sloten poen aan vermeend onontbeerlijke gadgets, zoals navigatiesystemen. Geld over de balk! Wanneer het eropaan komt, dienen dolende ridders in arren moede een beroep te doen op door vroede voorvaderen gebouwde bakens, die ons onverstoorbaar en gratis behulpzaam zijn.

Lange weg maakt moede man. Slaap plooit branderige randen aan mijn oogleden. Ik zit al uren tussen de wielen en voel me door dorst beschadigd. Mijn keel is dor en mijn mond smaakt naar een paardenreet. Ik geeuw met de onwelvoeglijkheid van een nijlpaard, hoest me door mijn zoveelste sigaret, verleen een forse ruft de langverbeide vrijheid en snuif nieuwsgierig het belegen aroma ervan op. Uien allicht, met vermoedelijk een vleugje keizersalade. Hoe stinkt een gezond en verstandig mens het bij mekaar? Merkwaardig toch, dat men zelf gekweekte odeurtjes enigermate apprecieert, maar volstrekt verafschuwt wat een ander aan lichaamsgeuren bekokstooft. Weinig mensen weten dit, maar het graag ruiken van de eigen broekhoest en het tevreden aanschouwen van je kromme eieren in de toiletpot zou wat met het oerinstinct te maken hebben. Andermans overtolligheden en putlucht vinden we walgelijk. Tjonge, wat ben ik toch een fijne teen. Ik strooi met kalenderwijsheden als zwarte Piet met pepernoten. Hoe noemen Chinezen een veest ook weer? Wang-snee-wang-pang. Ik glimlach zowaar. Hun minister van geboortebeperking heet Lat-Je-Pietjang, zijn Russische collega Snyzakov en hun Griekse ambtgenoot Kanipoupolos. Het tijdsein van twee uur biept uit de boordradio, gevolgd door Gladys Knight met haar smooth bastard van een stem: Help me make it through the night. ‘t Zal nodig zijn, meisje! Ik slik een brokje ontroering weg, masseer mijn nek en stamp het rempedaal bijna door de vloer. Onder me weeklaagt gemarteld rubber. Er ligt iemand in de berm! Ligt er iemand in de berm? Ik ontgeef het me. Wat zou er hier iemand in de berm liggen? Kan men hallucineren van vermoeidheid? Toch zet ik voor alle zekerheid en absit omen de auto in zijn achteruit.

Ik heb helaas geen last van zinsbegoochelingen. Bezijden de weg ontwaar ik inderdaad een in het gras uitgestrekte gedaante. Met een knoop in mijn maag staar ik wezenloos naar het onheilspellende stilleven.
─”Mensen toch! Laat het alsjeblieft geen massacre zijn.”
Niemand hoort mijn gefluisterde bede. Terwijl ik de wagen ontstijg, bereid ik me voor op de confrontatie met een gorgonisch tafereel: een gekloofde schedel met uitstulpende hersenkwabben, versplinterde botten die uit gapende wonden priemen, de bloederige brij van in flarden gescheurd vlees, lillende darmen … Aarzelend en huiverig — men kan mijn reet wellicht als doppenwipper gebruiken — nader ik het slachtoffer van … ja, van wat?
─”Toe maar, jongen! Even aangorden. Er zitten geen wolven in het bos.”
Ik prevel mezelf moed in met de woorden waarmee mijn moeder zaliger me ooit geruststelde. Ritselde daar wat? Bewoog er iets? Of beeld ik me dat … Een schimmig geval springt naar me toe. Ik slaak een gesmoorde gil. Een beest! Een reusachtige rat — nu ja, laten we niet overdrijven en het bij een tamelijk groot exemplaar houden — klampt zich vast aan de zoom van mijn pantalon. Joelend geef ik een snelvoetige breakdance ten beste. Het mormel is daar niet goed van, laat me los en glist ijlings weg. Grote hemel, hel en vagevuur! Welke achterlijke dakhaas heeft me wijsgemaakt dat ratten nooit mensen aanvallen? Een ram kan hij krijgen!

De schijnwerpers betasten een in spijkergoed verpakt lijf en het smoezelige gelaat van wat me een nog jeugdige manspersoon lijkt. De ogen zijn gesloten en hij verroert geen vin. Tot mijn grote opluchting bespeur ik nergens de gevreesde horrortoestanden. Ligt hij in zwijm? Of zou hij … Ik word er naar van! En hoe komt hij in vredesnaam in deze buitenpolder terecht? We bevinden ons niet echt in the middle of nowhere, maar van hieraf kan ik die zien. Een aanrijding? Van de sokken gekieperd door een gevluchte onverlaat? Gedumpt en voor dood achtergelaten na een gewelddadig treffen? Als er een delict gepleegd is, kan ik hem beter niet aanraken, besef ik, maar men mag evenmin hulp ontzeggen aan wie in nood verkeert. Ik hurk derhalve behoedzaam bij hem neer.
─”Heilaba! Hoor je me?” ontfutsel ik een pover geluid aan mijn gorgel. Ik verman me echter en roep met luider stemme: “Hallo! Jij daar! Kun je me horen?” Men hoort me vermoedelijk in Kazachstan of zelfs op het eiland Puka Puka in de Stille Zuidzee, maar onze bermklever voelt zich niet aangesproken. Hij vertoont niet de minste reactie, dus waag ik het hem voorzichtig bij de schouder te schudden. Hij beweegt zich met zo’n heftige en onverwachte ruk, dat ik van de weeromstuit het evenwicht verlies en op mijn kont tuimel. Ik verrijs en hij tracht me na te volgen, doch zijn coördinatie laat het afweten, zodat hij zwaar op zijn reet gaat. “Wat is er met je gebeurd?” vraag ik bezorgd. “Ben je gewond?”
Dan lijkt mijn aanwezigheid tot hem door te dringen. Hij versteent even van verrassing, maar hervat direct zijn pogingen om overeind te krabbelen. Met een driftig gebaar weert hij mijn hulpvaardig uitgestoken hand af.
─”Kus een beetje m’n vette kloten!” lalt hij en zijn al even vette tong verklaart veel: hij is zo zat als een moeras. “Stop een plumeau in je gat en ga uit een boom schijten!” wauwelt hij onverschrokken verder. Gezellig wiebelend zit hij in het gras. Het tragische tableau van daarnet — Danse macabre au clair de la lune — ruimt het veld voor een zedige variatie op ‘Le déjeuner sur l’herbe’ van Manet. “Il y a deux sortes d’apes”, deelt hij me vervolgens in keukenmeidenfrans en op wijsgerige toon mee. “Des brulapes et des slingerapes.”
Ik moet onwillekeurig lachen met de kafpraatjes die hij uitslaat.
─”Et des zatlapes”, meesmuil ik.
Daar heeft hij niet meteen van terug. Hij loost een zucht. Zijn z’n babbels nu al op?
─”De kele kost vele”, oreert hij dan, denkelijk uit ondervinding.

Hij is nog een groen sprietje. Wat moet ik met hem aanvangen? Als ik hem in die staat aan zijn lot overlaat, plompt hij binnen de kortste keren gegarandeerd een sloot in of sukkelt hij effectief onder een voertuig. Geef ik hem daarentegen een lift, dan gaat dat misschien ten koste van het interieur van mijn rij-ijzer. Zelfs een geroutineerde keiler is niet immuun voor de kelderziekte en kan onverhoeds een kotsnummertje opvoeren. Ten prooi aan grote twijfel vraag ik niettemin:
─”Kan ik iets voor je betekenen, vriend? Zal ik je ergens afleveren?”
─”Is er een frietkraam in de buurt?” wil hij weten.
─”Ik ben bang van niet”, schuddekop ik meewarig.
─”Niet bang zijn”, spreekt hij troostend. “Kijk me aan en doe er je voordeel mee. Ik ben nooit bang. Jamais! Van niets en van niemand.”
─”Blij toe!” zeg ik ietwat onderkoeld. Dergelijke faribolen zijn even nutteloos als het kammen van een bronzen paard. “Waar woon je?”
─”Daar heb jij geen affaires mee!” krijg ik opnieuw een brutale bek. “Bemoei je met je eigen zaken en laat mijn kop met rust!”
─”Jij je zin!” ben ik in mijn kuif gepikt. “Dan wens ik je nog een aangename wandeling en een behouden thuiskomst.” Ik been naar de auto en neem met enig vertoon achter het stuur plaats. Mijn nakende aftocht kan hem klaarblijkelijk geen sikkepit mieteren. Hij brengt zijn futloze lichaam op onelegante wijze in een min of meer verticale houding, concentreert zich, raakt aan de gang met de motoriek van een parkinsonlijder en schuifelt vervolgens onstuitbaar naar de overkant, zwaaiend als het wierookvat van Santiago de Compostela. “Het zal toch niet waar zijn!” hik ik ongelovig, maar jawel hoor! Als bij toverslag verdwijnt hij uit mijn gezichtsveld. Daar ben ik hoegenaamd niet blij mee. Op hoge poten snel ik hem te hulp en takel hem uit een lager gelegen weide, gadegeslagen door een aantal verbaasde koeien die wij met onze farce de nacht van hun leven bezorgen. “Godsgloeiende idioot!” foeter ik verbolgen. “Ik doe dit ook niet voor mijn lol, kerel! Je zegt me nu meteen waar ik je heen moet kruien, hoor je dat? Het is laat, ik ben compleet uitgewoond en ik zou graag naar bed gaan.”
─”Ik ga in geen geval met jou naar bed”, klinkt het gedecideerd. “Il ne faut pas pousser bobonne dans les orties! We kennen elkaar nog maar net en ik zal me daar een beetje met een stranger in the night kooien. Il y a la tante Sida, hein! Misschien heb jij de enge vierletterziekte wel.”
─”Lieve deugd!” kreunt mijn wanhoop.
─”Ik ben veel te zat om er deugd aan te beleven”, brabbelt hij en hij laat een knorrend geluid horen. “Flags at half-mast and barrels depressed! Ik zal mijn floche niet eens omhoog krijgen en dat is toch zeker de bedoeling?” Hij grinnikt over zijn eigen geestigheid. Een der uiertorsende toeschouwsters begint ongegeneerd te stroelen. Ingetogen luisteren we beiden naar het klateren van de door haar bewerkstelligde waterval. “Da’s nog eens een flinke meid, zie!” krijgt ze na afloop een tien met een griffel van mijn gezel en dat borstelt andermaal een glimlach op mijn gezicht.
─”Vertel me nu maar waar je woont, dat ik je keurig thuis kan brengen.”
─”Tussen de sterren”, bazelt hij tot mijn teleurstelling. “In het centrum van de melkweg rechtsaf, richting Sirius. Villa Douloureuse. Je kunt het niet missen, maar als het je beter uitkomt, mag je me in de eerste de beste afvalcontainer kieperen of bij de kraak zetten.”
─”Ik heb er echt geen aardigheid in”, verzeker ik hem droogjes. “Wat ben jij een dwarsligger. Goed! Geef me je portefeuille even!”
─”An me nooit niet!” protesteert hij verontwaardigd. “Ik mijn portefeuille aan je geven? Zodra die koeien een broek dragen! Of van die luierdinges … eh … Allez! Hoe heten zulke papieren kakdoeken ook weer? Pampermoezen! Geef me even je portefeuille, zegt hij tegen me! Het zal aan je fundament zijn. Aan je kromme zeikfutte! Ben jij soms een stoute mens? El bandido? Een soortement struikrover? Een voetgangster? Al Capote? Help!” Hij krijst als een konijn in de beet van een wezel. “Au secours! Ik word hier aangerand en beestachtig verkracht door een hitsige jeannette! Help me toch!” Zijn gekrijs bezeert de stilte en snijdt door de geschrokken nacht. Er slaat een hond aan. “Kom hier, Bobby!” toetert de kwakkel in de richting van het geblaf. “Pak de beestjes! Attaque! Bijt hem in zijn telende ballen! Verscheur die klootzak, stomme preutlikker!”
Ik kan hem wel aanvliegen en zijn brulboei van een kop eraf trekken. Hij moet vooral geen potje voetbal met me spelen, want bij mij veroorzaakt dat dolle drift en gillende kwaadheid.
─”Is ‘t nu gedaan, ja?” fulmineer ik. “Hou op met die fratsen en gedraag je eens wat minder bezopen! Je mag kiezen en er is geen woord Frans bij wat ik zeg: of je stapt stante pede in die auto, of ik bel de flikken. Ik wil het niet op mijn geweten hebben dat je verongelukt. Wat wordt het?”
─”Kwek kwek kwek!” treitert hij en zijn moeilijk te besturen hand imiteert een kwakende snavel. “Pardon, meester! Ik zal het echt nooit meer doen en voortaan heel braaf zijn, monseigneur. Gelieve mij te verexcuseren voor mijn aanstellerij, Uwe Edelachtbaarheid. Je moet godverdomme niet zo tegen me keffen, bullebak! Ik ben ook iemands kindje.” Struikelend kajemt hij bijna op zijn smoel, dus grijp ik hem bij de arm vast. Toornig rukt hij zich los en schuimbekt: “Wil je weleens met je schurftige fikken van mijn lijf blijven, smeerlap! Als je me nog een keer durft aan te raken, spuug ik je doormidden en heb je morgen een raar loopje.”
─”Sorry dat ik leef!” pruttel ik verongelijkt.
Ik ben evenwel op mijn hoede. Na hetgeen ik in mijn niet samen te vatten leven meegemaakt heb, kent men zijn pappenheimers. Voor hetzelfde geld veranderen kroegtijgers in amokmakers en slaan ze je regelrecht het ziekenhuis in. Hij waggelt in wankel evenwicht naar de wagen en rukt aan het handvat alsof het eraf moet.
─”Drop me maar in de bewoonde wereld!” mompelt hij nijdasserig. “Dan zoek ik het verder zelf wel uit.”
─”De bewoonde wereld”, herhaal ik hoofdschuddend. “Nu ben ik nog even wijs als de os die in de bijbel keek.”
─”Ik kan het ook niet helpen dat jij de hersens van een papegaai hebt. Waar zijn we eigenlijk?”
─”Da’k het niet precies weet! Ik probeer Oostende te bereiken …”
─”Ik ook,” grimt hij, “maar ik vind het niet. Het heeft zich verstopt.”
─”Nu schieten we tenminste op.” Tevreden open ik het portier. “Adelante! Gaan met de banaan! Plof maar neer!”
─”Jaag me niet op!” ergert hij zich. “Ik moet me hier eerst nog losweken en een geurvlag planten. Big Jim and the twins were here!”
Met ogen als schoteltjes aanschouw ik hoe hij doodgemoedereerd en zo voortvarend in zijn broek plast, dat het geloosde water dwars door de stof heen op zijn sokken sijpelt, want nu pas ontdek ik dat hij geen schoeisel draagt. Ik zet een lelijk bakkes en gooi vertwijfeld mijn armen in de lucht.
─”Ben jij helemaal van de pot geplukt? Je staat je te bezeiken, goorlap!”
─”De rits zit klem.”
─”Draag voortaan ook maar pampermoezen!” sneer ik. “Je verwacht toch niet dat ik je in mijn auto laat zitten met die stinkende pisvodden aan je lijf?”
─”Heb je een kabel?” ginnegapt hij. “Kan ik drogen aan de wind terwijl je me met die belachelijke proletenbak op sleeptouw neemt, maar kijk uit of ik je soms wil inhalen, want mijn knippers werken niet. Weet je wat jij moet doen, zeurpiet? Minder memmen! Zet jou in een bos en er zullen slechts weinig bomen overeind blijven. Lik tussen de benen van een dooie griet en stop met zagen. Ga wieberen! Loop naar de Fransen! Ik red me best zonder bemoeiallen.”

Ik drapeer een plaid over de passagiersstoel en tracht hem te overreden om alsnog met me mee te gaan. Hij zwicht en maakt aanstalten om zich neer te laten.
─”À propos … Hoor je bij de kloosterorde van de ongeschoeide karmelieten of loop je om een andere reden op kousenvoeten?” Hij staart naar zijn onderdanen, haalt de schouders op en wil zich opnieuw naar de berm begeven. “Af!” probeer ik erger te voorkomen.
Met een zucht geef ik lucht aan mijn ongenoegen. Ik voorzie me van een lamp en vertrek op speurtocht, terwijl hij zich met de knoppen van de muziekinstallatie amuseert en ras een oorverdovend kabaal teweegbrengt, alsof een symfonieorkest met veelhoofdig koor ter plekke een extatische finale ten beste geeft. Zijn stappers — afgedragen joggingschoenen van Nike — staan verweesd tussen wat geloken madeliefjes. Ik ontferm me over de achtergelatenen en keer inderhaast op mijn schreden terug, om met woedende vingers het volume van de radio te temperen.
─”Blijf daar met je ongewijde klavieren af!” snuift hij boos. “Dat is O welche Lust uit Fidelio van Beethoven. Een heel steil nummer.”
─”Al is het le beau vélo van Ravel,” bits ik. “Beetkowski was zo doof als een pot, maar deze jongen nog lang niet.”
─”Le beau vélo van Ravel”, beleeft hij hoorbaar pret aan mijn woordgrapje. “Jij moet ook niet zat zijn om te zeveren.”
─”Nee”, zeg ik. “Een zatlap ruiken is bij mij al voldoende.”
Terwijl ik de schoenen naast zijn voeten deponeer, snuffelt hij schaamteloos aan mijn wang.
─”Je stinkt als een hoer”, merkt hij weinig hoffelijk op.
─”En jij als een meurende bunzing”, riposteer ik.
─”Wat is dat nu weer voor een ingewikkelde astrabanseling?” gniffelt hij. “Een geurende botsing … daar heb ik nog nooit van gehoord.”

We begeven ons op weg. De radio-omroeper deelt op zeurderige toon mee dat we geluisterd hebben naar O welche Lust uit Fidelio, Beethovens enige opera, uitgevoerd door het Chicago Symphony Orchestra and Chorus, onder de leiding van Georg Solti en met Robert Johnson en Philip Kraus als solisten. Geëpateerd kijk ik naar mijn blijkbaar deskundige passagier. Die hangt als een lappenpop in de riem en produceert onbestemde geluiden.
─”Alles kits?” pols ik.
─”Vliegen hebben korte pootjes”, zwamt hij.
─”En zeer kleine klootjes”, geeft de doezelige muze me een weinig anacreontisch ex-tempore in.
─”Dat staat nog te bezien”, meent hij, tegendraads als hij is. “En hou nu maar op met je smeerkezerij. Ik ben er niet van gediend.”
─”Jij vuilbekt nochtans ook niet slecht’, oordeel ik.
Net voor we de ietwat verlepte koningin der badsteden binnenrijden, dien ik inderhaast halt te houden omdat hij kokhalzend onheil aankondigt. Hij duikt uit mijn koekblik het struikgewas in … en keert niet terug. Hij verdwijnt in de nacht. Stank voor dank. Meer mag men in dit leven niet van mensen verwachten. Ships that pass in the night, and speak each other in passing … maar alles wat voorbij is, raakt men nooit meer kwijt.

Zijn portefeuille bleek in mijn auto te liggen. Ik heb hem gezocht en gevonden. Hij heette Reinhold en we werden vrienden.