Categorie: Onderweg

Alle zegen komt van boven

Een zakenrelatie van me ─ het klinkt heel wat, maar het betreft gewoon een overgewaardeerde politicus, die ook in drukwerk doet en voor wie ik zo nu en dan wat tekst mag redigeren ─ hield een zogeheten informele bijeenkomst naar aanleiding van een gedenkwaardige aangelegenheid. Ik had een uitnodiging gekregen met de zeer door mij verafschuwde formule dat er me ‘een hapje en een drankje’ te wachten stond, maar dit keer zou men de aanwezigen zowaar ook op ‘een muziekje’ vergasten. Tja, het was niet meteen een aanvulling waardoor ik in laaiend enthousiasme ontstak.

Ik begaf me op weg en ik zag er lang niet verkeerd uit. Nu ja, van een schopsteentje maak je geen diamant natuurlijk, maar in feestverpakking vermag ik op elegante wijze de charmes van mijn leeftijd rond te dragen. Gekooid in m’n goeie goed en een gekleed pak liep ik door de hoofdstraat van een vertierloos dorp. Plots hoorde ik een mannenstem roepen:
─”Pas op, hoor!”

Ik keek omhoog naar de plek waar de waarschuwing vandaan kwam en kreeg op hetzelfde moment een niet te onderschatten lading natte bladeren en modder over me heen. Het leek alsof ik onder een steen vandaan kwam en vervolgens door een haag gesleurd was.

─”Ben jij nu helemaal van de ratten besnuffeld?!” foeterde ik tegen de man die blijkbaar bezig was een dakgoot van overtolligheden te ontoen.
─”Ik heb toch geroepen dat je op moest passen”, verdedigde hij zich.
─”En op hetzelfde moment gooi je die bagger naar beneden. Ik ben het niet die moet oppassen. Jij moet uitkijken of de stoep onder je vrij is.”

Er volgde nog een heftige woordenwisseling over wie er voor de kosten van stomerij moest opdraaien, maar toen dat geregeld was, ben ik naar huis teruggekeerd. Door overmacht is het hapje en het drankje me bespaard gebleven. Het muziekje eveneens.

De paden op, de lanen in

Alles liet veronderstellen dat er ons een schitterende lentedag te wachten stond, zodat ik al vroeg in de ochtend besloot een fietstocht te ondernemen.
“Werwaarts?” vroeg ik aan mezelf, want op sommige dagen durf ik al eens mijn toevlucht te nemen tot archaïsch taalgebruik, teneinde ouderwetse woorden nieuw leven in te blazen, indien al niet voor uitsterven te behoeden.

Mijn keuze viel op Veurne. Een paar dagen eerder had ik immers een folder over streekproducten in handen gekregen en daarin maakte men melding van de Veurnse babelutten: boterkaramellen, waarvan ik er in mijn jeugd kilo’s verslonden heb. Alleen al de naam deed me watertanden en ik had me voorgenomen om me bij de eerste de beste gelegenheid naar Veurne te begeven, om daar een voorraadje van dat snoepgoed in te slaan. Nu ligt dat stadje niet bepaald dicht bij mijn deur. Derwaarts ─ oud woord ─ moet dat ongeveer veertig kilometer zijn en herwaarts ─ nog een oud woord ─ natuurlijk ook, of wat hadden jullie gedacht? Om niet langer dan nodig onderweg te zijn en vooral ook om niet te verdwalen, gaf ik de op mijn fietsstuur bevestigde gps de opdracht om mij te begeleiden.

Het toestelletje bracht me tegen de middag in een dommelig dorp met de merkwaardige, edoch ─ oud woord ─ enigszins poëtische naam, Mannekensvere ─ wat slordig neergelegde huizen die beschutting zoeken onder een kerktoren ─ waar ik zowaar een restaurant aantrof. Ik nam plaats op het terras en had nog maar net mijn aperitief voorgezet gekregen, of een nogal luidruchtig stel palmde de belendende tafel in en zowel zij als hij zogen gelijk de brand in een forse sigaar. Mijn eetlust kringelde weg, samen met de stinkende rookwalmen die ze produceerden. Ik heb me koest gehouden, maar het heeft niet veel gescheeld.

Ik fietste verder en kwam bijna in Nieuwpoort terecht, maar mijn gps liet me links afslaan en binnen de kortste keren bevond ik me op het jaagpad van de waterweg die Veurne met de kust verbond. Ik prees me gelukkig dat alle honden die ik op mijn weg ontmoette, en dat waren er niet weinig, keurig aan de lijn liepen, maar toen werd ik opeens door twee enorme ganzen aangevallen, zodat ik even een sprintje moest trekken om aan ze te ontsnappen. Niet veel later reed ik me vast in een kudde schapen, die doodgemoedereerd over het jaagpad laveerden. Een herder was in geen velden of wegen te bespeuren.

Op kasseienstraatjes hobbelde ik Veurne binnen. Ik heb in mijn leven nooit een doodser en vertierlozer stadje gezien. Er was daar geen levende ziel op straat. Alleen de terrassen op het marktplein hadden wat klandizie kunnen verwerven, maar verder viel er niets te beleven. Ik zocht me ongeveer de pleuris naar babelutten, maar ik heb die nergens kunnen vinden. Wat is dat toch met al die streekproducten en specialiteiten? Je moet eens proberen om in Diksmuide Diksmuidse boter te vinden. Ik heb het, geloof ik, al honderd keer geprobeerd. Zonder resultaat. Ik zal mijn babelutten via internet moeten kopen.

De klimgeit

Ze waren met z’n zessen: vier dames die meer verleden dan toekomst hadden en twee heren, wiens leven ook geen zee van tijd meer was. Ze ondernamen een fietstocht ─ voor sommigen is zo’n uitstap inderdaad een heuse onderneming ─ en toen ik ze op mijn weg ontmoette, hielden ze net een sanitaire stop. Nu ja, de halte gold voor alle zes, maar aan het sanitaire hoofdstuk namen enkel de mannen deel. Terwijl die zich wijdbeens in de berm opstelden en hun jongeheer een handje gaven, begonnen de vrouwen tegen elkaar aan te kakelen in sappig West-Vlaams.

“Ik moet’n diene berg zère pakk’n wei”, zei een van hen en ze wees naar de viaduct die zich voor hen uitstrekte en zich over een autoweg welfde.
Er zijn mensen die van iedere mug een olifant maken, maar Vlamingen zijn licht geneigd om elke verhevenheid in het landschap een berg te noemen.
“Ge meuh ’t mie nie kwolik pakk’n ok juldre verbiesteek’n”, vervolgde ze en ze kon haar eigendunk nauwelijks tillen.
Voor mijn lezers die het West-Vlaams als Chinees beschouwen, vertaal ik even wat ze zei:
Ik moet die helling met hoge snelheid oprijden. Jullie mogen het mij niet kwalijk nemen als ik jullie voorbijrijd.

Nou moe, die prestatie wilde ik toch even gezien hebben, dus hield ik iets verderop halt om kwansuis de glazen van mijn zonnebril te poetsen en mijn neus te snuiten. Het duurde niet lang of het zestal vervolgde zijn weg en begon aan de beklimming van de berg.

De dame in kwestie reed niemand voorbij. Ze bereikte zowaar helemaal als laatste de top, niettegenstaande de elektrische ondersteuning van haar fiets. Er werd haar niets kwalijk genomen. Ze zal allicht een hongerklop gekregen hebben, of hoe heet zo’n Franse fringale in het Nederlandstalige wielerjargon? De man met de hamer?

Dat ze mijn zak opblazen!

Het gebeurde vannacht, iets over enen. Samen met mijn auto bevond ik me op Vlaamse heirbanen. Nee, ik zal jullie niet vertellen waarom ik me op dat moede uur nog op straat waagde, want dat is vertrouwelijke informatie en ik ben heel goed in staat om een geheim te bewaren. Als jullie dus via via zouden vernemen dat ik op weg was om een gestrande automobiliste, tevens vriendin van me, van een gewisse dood te redden — ’s nachts dolen er in deze contreien immers niet enkel everzwijnen, maar ook niets ontziende roversbenden rond — dan hebben jullie dat zeker niet van mij gehoord, maar dan heeft iemand anders zijn mond voorbijgepraat.

Laat ik nu toevallig op zo’n bende schavuiten stuiten. De leden ervan droegen allemaal fluorescerende jassen, hetgeen in het licht van mijn koplampen een spookachtig spektakel opleverde. Bovendien hadden ze de weg versperd met laaiende fakkels en zwaaiden ze met het soort vurige zwaarden dat men soms ook in sciencefictionfilms ziet. Er was geen ontkomen aan. Ik zou moeten blazen. Ik zou eindelijk eens mogen blazen, want men heeft me nooit eerder verzocht om een ademtest af te leggen, hetgeen ik als een groot gemis beschouw, want ik wil dolgraag zo’n BOB-sleutelhanger verwerven. Ik hoopte er eigenlijk al niet meer op.

─“Hebt u gedronken, meneer?” vroeg men.
─“Neen”, antwoordde ik met één woord en daar was geen woord van gelogen.
─“Wilt u misschien even blazen?”
─“Graag zelfs!” sprak ik verheugd en ik zat al verlekkerd naar het toestel te kijken dat de man in zijn handen hield.

Er kwam echter iets tussen. Een van de andere spoken kwam naar ons toe en zei tegen het mijne:
─“Kom eens assisteren. Die daar is zo zat als een Zwitser, heeft geen paspoort, geen verzekering, geen rijbewijs en spreekt geen gebenedijd woord Nederlands …”
Hij had het over de chauffeur die ze net voor mij aan de kant gezet hadden. Die stak met zijn hoofd uit het portierraampje en ging de agenten met schimpende woorden te lijf.
─“Nazi’s! Gestapo’s!” fulmineerde hij.

─“Rijen maar!” gebood mijn spook en hij gebaarde dat ik moest maken dat ik wegkwam. Daar stond ik dan met mijn goeie gedrag.

En zo komt het dat ik nog steeds geen sleutelhanger heb kunnen bemachtigen. Wat een krijtende onrechtvaardigheid! Ik voel me echt tekortgedaan. Ik betaal toch ook belastingen. Weet je wat? Ze kunnen mijn zak opblazen!

We blijven hoffelijk

Een van de dingen waarover ik me omstandig kan opwinden ─ en dat is hoegenaamd niet bevorderlijk voor mijn algehele welbevinden ─ is de nonchalance van sommige hondenbezitters, die het niet nodig vinden om hun viervoeter aan te lijnen als ze zich op de openbare weg begeven.

Op een pad dat enkel voetgangers en fietsers duldde, stond ik op het punt om een moeder met dochter in te halen, toen uit de tegenovergestelde richting opeens een loslopende hond verscheen, van een model waarop een zadel niet zou misstaan. De eigenaar ervan volgde op vijftig meter.
Het meisje bleek een mongooltje te zijn. Naar verluidt hoort een weldenkend mens het woord ‘mongooltje’ niet meer te gebruiken, maar dat vind ik net zo’n flauwekul als het taboe dat vandaag de dag op bijvoorbeeld neger en dientengevolge op Zwarte Piet rust. Mijn zusje ─ zij ruste in vrede ─ was een mongooltje en zo hebben mijn ouders en ik haar ‘afwijking’ altijd genoemd. Ik weet dus uit ondervinding dat veel mongooltjes een heilige schrik voor honden hebben. Dat was ook het geval met het meisje in kwestie. Ze sloeg in paniek en begon te schreeuwen alsof ze in een mes hing. Het kostte de moeder alle moeite van de wereld om haar tot bedaren te brengen.

─”Misschien kunt u toch beter die hond aanlijnen”, vermaande ik de eigenaar van dat beest, niet eens op onvriendelijke toon.
─”Ge ligt gie oak nie vaste, zeveroare!” riep de man in onvervalst West-Vlaams. (Jij ligt ook niet vast, zeveraar!)

Tja, waar bemoei ik me eigenlijk mee? Ik lag inderdaad niet vast.

Nauwelijks vijfhonderd meter verderop stond ik plots oog in oog met tien ingespannen sledehonden, die bij gebrek aan zowel sneeuw als aan een slede in razende vaart een bemand tuig met wielen over het smalle pad sleurden en zodoende alle andere weggebruikers in de bermen joegen. De verwijten waren dan ook niet uit de lucht, want het gevaarte hoorde daar absoluut niet thuis en veroorzaakte ronduit gevaarlijke toestanden, maar de menner stoorde zich absoluut niet aan die protesten. Hij bleef die honden aanvuren en de hele breedte van het pad in beslag nemen.

Tja, waar bemoeiden wij ons eigenlijk mee?

Ik hoop dat de moeder en haar dochtertje de ontmoeting met deze schuimbekkende husky’s zonder al te veel misère overleefd hebben.

Wat smijten ze nu weer op mijn pad?!

Sinds ik enkele jaren geleden, op een niet zo fraaie lentemorgen, op een dode man stuitte, die in het bos aan een boomtak hing, ben ik ervoor beducht dat mijn overlevingstocht door het bestaan me nog een keer met zo’n bloedstollend tafereel zal confronteren. Ik waag me immers vaak langs waterlopen, of op van God en alle heiligen verlaten wegen en laat dat nu ook de uitverkoren plekken zijn van lieden die halsmisdaden gepleegd hebben en hun slachtoffers moeten dumpen, of van individuen die om soms onnaspeurbare redenen uit het leven willen stappen.

En ja hoor, gisteren werd mijn vrees bewaarheid. Toen ik in de verte een vormeloze, op het asfalt liggende opeenhoping ontwaarde, voorvoelde ik meteen dat er stront aan de knikker was en dat ik daar een neergevelde mens zou aantreffen. Met een knoop in mijn maag staarde ik wezenloos naar het onheilspellende stilleven.
“Laat het alsjeblieft geen massacre zijn”, prevelde ik tegen mezelf.
Terwijl ik mijn fiets ontsteeg, bereidde ik me voor op een gorgonisch tafereel: een gekloofde schedel met uitstulpende hersenkwabben, versplinterde botten die uit gapende wonden priemen, de bloederige brij van in flarden gescheurd vlees, lillende darmen … Aarzelend en huiverig — men kon mijn reet wellicht als doppenwipper gebruiken — naderde ik het slachtoffer van … ja, van wat? Een aanrijding? Van de sokken gekieperd door een gevluchte onverlaat? Voor dood achtergelaten na een gewelddadig treffen? Of was hij van het huizenhoge viaduct dat naast de weg oprees gesprongen? Als er een delict gepleegd was, kon ik hem beter niet aanraken, besefte ik, maar men mocht evenmin hulp ontzeggen aan wie in nood verkeerde.

Behoedzaam trad ik naderbij. Eerst hoorde ik hoe er muziek uit hem opsteeg, afkomstig van een onzichtbaar toestelletje. Daarna zag ik het bierblikje dat als het ware parmantig naast hem stond. Het begon mij te dagen.
“Heilaba! Hoor je me?” ontfutselde ik een pover geluid aan mijn gorgel. Ik vermande me echter en riep met luider stemme: “Hallo! Jij daar! Kun je me horen?” Men hoorde me vermoedelijk in Kazachstan, of zelfs op het eiland Puka Puka in de Stille Zuidzee.
“Kus een beetje m’n vette kloten!” lalde hij en zijn al even vette tong verklaarde veel: hij was zo zat als een moeras. “Laat mijn hoofd gerust en blaas m’n zak op!”
“Jij je zin!” was ik in mijn kuif gepikt. “Dan wens ik je nog een aangename middag.”

Ik beende naar mijn rijwiel, nam nog snel een paar foto’s van dat ondankbaar stuk potvreten en fietste vervolgens nieuwe avonturen tegemoet.

De paardenfluisteraar

Ik koester al vele jaren het verlangen om een paard te bezitten, wellicht vanwege het gauchobloed dat door mijn aders zwerft, zij het ietwat aangelengd. Ik ben trouwens een uitstekende ruiter. De paar keren dat me het geluk beschoren was om naar hartenlust de teugels te vieren en over de pampa te draven, zijn het zout in de pap van mijn leven.

Helaas heeft niet enkel de Argentijnse cowboy sporen bij me achtergelaten. Ik vertoon helaas ook enkele trekjes van Harpagon, de stuitende vrek die Molière in een van zijn theaterstukken opvoert. Ik zit met andere woorden op mijn centen als een duivel op een ziel. Een paard kost klauwen geld en ─ we blijven even bij het onderwerp ─ dat kan Bruintje niet trekken.

Gisteren passeerde ik langs een uitgestrekte weide, waarin een merrie eenzaam stond te wezen. Ik kneep de remmen dicht ─ ik was namelijk aan het fietsen ─ want ik had nooit een fraaier paard gezien. Ze kwam gelijk naar me toe en boog zich over de afsluiting.
─”Dag schoonheid!”, zei ik. “Heeft iemand je al eens verteld hoe mooi je bent?”
Ze knikte heftig en produceerde snuivende geluiden. Toen maakte ze plots een steigerende beweging en ze ging er ijlings vandoor. Iets verderop waren immers twee mannen verschenen, vermoedelijk vader en zoon, die zich toegang tot de weide verschaften en aanstalten maakten om haar te vangen. Ze hield blijkbaar niet van toom en zadel. Ze dreven haar weliswaar in een hoek, maar dan slaagde ze er telkens in om luid hinnikend te ontsnappen.

De paardenvangers bleven van de ene kant naar de andere hollen, de merrie bleef ze verschalken en ik bleef geamuseerd het tafereel gadeslaan, terwijl ik haar onhoorbaar aanmoedigde. Twintig minuten later waren de mannen compleet afgepeigerd, terwijl het paard nog maar net in vorm begon te komen.
─”Ben je bang van paarden?” vroeg de vader me.
─”Absoluut niet!” zei ik ietwat verongelijkt.
─”We komen duidelijk een mannetje te kort. Ze glipt telkens tussen ons door. Kun je misschien even helpen?”

Ik hees mijn fiets op de steun en betrad de weide. Toen de merrie me opmerkte, kwam ze schoorvoetend naar me toe, bleef pal voor me staan en liet zich rustig aanlijnen.
─”Kun jij toveren misschien?” sprak de zoon.
─”Dat heb ik nu nog nooit gezien”, hijgde de vader, opgelucht dat er een einde aan het hollen kwam.

Ik raakte zienderogen met trots vervuld. Ik wist dat ik iets in me had, al weet ik nog steeds niet wat. Dat paard wist het blijkbaar wel.

Als de rozen bloeien …

Hoewel ik me niet in de stille Kempen bevond, en al helemaal niet op de purp’ren hei, trof ik toch een eenzaam huisje op mijn weg aan, zij het zonder berk erbij.

Geen berk dus, maar wel een boerenblommentuintje dat uitbundig met Flora’s kinderen pronkte en een terras, dat volgeladen was met allerhande snuisterijen en prullaria, waaronder een gietijzeren uil, die zoals het een uil betaamt, wijsneuzig op een soortement pilaar prijkte.

Nu heb ik al mijn hele leven een raadselachtige affiniteit met uilen, zoals de titel van mijn blog laat uitschijnen. Ik hield dus halt, om de vogel wat nader te bestuderen en eventueel te informeren of ik die voor een zachte prijs kon verwerven, teneinde die aan mijn verzameling toe te voegen, want ik heb inmiddels al tientallen uilen in mijn bezit.

Er moet zich daar ergens een luidspreker opgehouden hebben, want ik hoorde muziek, meer bepaald de omfloerste stem van Adamo. “Quand les roses fleurissaient, sortaient les filles”, zong hij en alsof de duvel ermee speelde, of een ander wezen dat over bovennatuurlijke krachten beschikt, verscheen op dat moment een stokoud vrouwtje ─ ze bediende zich inderdaad van een stok ─ in de met rozenguirlandes omkranste deuropening. Ze hing nogal deerniswekkend aan de arm van een man, die haar op een bankje in de zon neerpootte en zich vervolgens tot mij wendde.
Ik deelde hem mee dat ik in hoge mate geïnteresseerd was in zijn uil en hoopte dat hij die enigszins goedkoop aan me wilde slijten. Ik ben en blijf immers een zeer spaarzaam persoon. Sommigen overdrijven en noemen mij gierig, ja, zelfs vrekkig en ik ben daar eigenlijk niet van gediend, maar ze kunnen me de moord pruimen.

Terwijl we in ons zakelijk gesprek verwikkeld waren, voerde het oude vrouwtje dat zijn moeder bleek te zijn, zowel doof als blind was en dus niks hoorde en niks zag, een mompelende en onverstaanbare conversatie met iemand die wij niet konden zien, maar zij blijkbaar wel. Mens toch!
De hemel verhoede dat ik in zo’n toestand terechtkom als ik oud ben en der dagen zat.

En weten jullie wat! Ik heb de uil van haar zoon cadeau gekregen. Jawel, gratis en voor niks. Ik zal bij hem, de man, één dezer dagen een ballotin pralines laten bezorgen, want ik ben helemaal niet vrekkig. Misschien vindt zijn oude moeder die ook lekker.

Olijke stukken vlees

fietsenToen ik door het dorp fietste, ontmoette ik een meisje en een jongetje. Ze waren een jaar of acht, schat ik, en ze liepen keurig op het voetpad. Hand in hand. Ik reed ze voorbij en hoorde dat een van hen me iets nariep, maar omdat er net een luidruchtig voertuig aankwam, kon ik dat niet verstaan. Ik kneep de remmen dicht en wachtte. Aarzelend keutelden ze naderbij.

─“Riep je wat?” vroeg ik.
─“Ik niet”, prevelde het meisje.
Ze had verschrikte ogen opgezet en schudde heftig van nee.
─“Ik heb geroepen”, bekende de jongen ruiterlijk en met een branieachtige snoet, die geen spoor van angst vertoonde.
─“Wat dan?” wilde ik weten.
Hij gnuifde, keek even naar het meisje en zei toen:
─“Je wielen draaien!”

Ik proestte het uit, vervolgde lachend mijn weg en zit nu eigenlijk nog steeds met die snaak te lachen. Mijn wielen draaien als ik fiets. Wie had dat ooit kunnen denken?

Nog niet zo lang geleden spurtte ik voorbij een in een deurgat vertoevend oud mannetje en weten jullie wat die me nariep?
─“Doe maar rustig! Ze hebben hem al!”

De barmhartige Samaritaan

In Nergenshuizen stond ik op het punt om het pad van een moeder met drie kinderen te kruisen. Twee daarvan reden zelfstandig op fietsjes; het derde zat bij haar achterop in een stoeltje.

Net voor we elkaar zouden voorbijrijden sprong ze van haar rijwiel en met luider stem instrueerde ze haar kroost om hetzelfde te doen.
─”Ik ben plat!” jammerde ze.
Haar blik drukte een soort dierlijke radeloosheid uit: de wanhoop van de stervende kat.

Ik kneep de remmen dicht, hield halt en constateerde dat ze lang niet zo plat was als ze van zichzelf dacht, zodat ik vermoedde dat de platte toestand niet haarzelf, maar haar fiets betrof. Daar stond ze dan: moeder van drie, ver van de bewoonde wereld, zonder telefoon en met een onbruikbaar wiel. Ik bood haar mijn mobieltje aan, maar ze kon zich met de beste wil van de wereld geen enkel nummer herinneren van iemand die haar uit de nood kon helpen.
─”Ik heb gerief bij me om u te depanneren,” zei ik, “maar het kan wel even duren voor ik het klusje geklaard heb.”
Ik was me immers zeer bewust van mijn onhandigheid op het gebied van fietsreparaties … en eigenlijk op velerlei gebied, maar dat leek haar overkomelijk.

Ik ging dus aan de slag en tot mijn eigen verbazing ging dat vlotter dan verwacht. Al na twintig minuten had ik de binnenband luchtdicht bepleisterd en kon ik haar uitwuiven, nadat ze mij onder dankbetuigingen en loftuitingen bedolven had.

Als ik ooit het moede hoofd neerleg en het tijdelijke met het eeuwige verwissel, zal ik ongetwijfeld regelrecht en met de grootste onderscheiding ten hemel opstijgen, alwaar me zeventig maagden … eh … rijstpap met bruine suiker en gouden lepeltjes te wachten staan.

Het weze me vergeven dat ik hier mijn eigen lof laat stinken. Als men zichzelf niet kietelt, lacht men nooit.