Tag: rariteiten

Het kind moet een naam hebben

Loddertje, suikerkontje, keppekeuntje …

Ik heb de nogal kinderachtige gewoonte om bijnamen te geven. Dat zou op zich niet vermeldenswaard zijn als ik die troetels aan personen zou besteden, maar ik benoem er vooral dingen mee die me in het dagelijkse leven omringen.

Mijn frituurpan heet bijvoorbeeld Pruttelgatje, vanwege de pruttelende geluidjes die ze pleegt te produceren. Wentelteefje is de plafondventilator die boven mijn bureau hangt en mijn televisietoestel luistert naar de naam Fluppe, want dat is de Vlaamse verbastering van Filip en dus ook van het elektronicamerk Philips.

Ik kan nog wel even doorgaan, want de nieuwe  papierversnipperaar die ik pas enkele dagen geleden kocht, heb ik vanmorgen al Vreetzak gedoopt, maar zoals ik eerder al schreef: het moet niet nog gekker worden.

Dubbelgangers

Ik moest bij ze in de buurt wezen, dus wipte ik even binnen bij een stel met wie ik niet echt nauw gelieerd ben, maar toch contact houd.

Ik daalde neer in een van hun vleesetende fauteuils en raakte in een gesprek verwikkeld over de dingen des levens. Opeens begon de vrouw des huizes driftig door een tijdschrift te bladeren en gooide dat toen geopend voor me neer.
─“Dat heb je wel mooi voor ons verzwegen”, ginnegapte ze.
─“Wat dan?” vroeg ik.
─“Kijk!” gebood ze en ze wees me de plek aan. “Je hebt ons niet eens een kaartje gestuurd.”

Een van de foto’s die een artikel over Boedapest verluchtten, vertoonde het fraaie interieur van de aldaar gevestigde Hongaarse Staatsopera. Er greep kennelijk een voorstelling plaats, want de bonbonnière was tot de nok gevuld met allemaal keurig uitgedoste dames en heren. En wie zat daar op de eerste rij, gehuld in een smetteloze smoking en voorzien van een speels vlinderdasje? Ik!

Nu is er echter een probleem. Ik ben nog nooit van m’n leven in Hongarije geweest, laat staan in Boedapest en laat nog meer staan in de Opera van die stad. Er moet daar dus iemand anders zitten, maar dan wel iemand die zo frappant op me lijkt, dat ik me zelf zou kunnen vergissen. Ik geloofde werkelijk niet wat ik zag.

Ik ben vroeger ook al eens door kennissen in Wenen opgemerkt, terwijl ik helemaal aan de andere kant van de wereld vertoefde. Die waren me zelfs vrolijk tegemoet gesneld om me te begroeten, waarna bleek dat ik geen woord verstond van wat ze zegden. En niet veel later werd ik herkend op het Franse getijdeneiland Mont Saint-Michel, terwijl ik me op dat moment honderden kilometer zuidwaartser aan boord van een muildier heupwiegend naar het Cirque de Gavarnie in de Pyreneeën begaf. Volgens mij moet dat een soortement fata morgana geweest zijn.

Ik heb nooit veel geloof gehecht aan de bewering dat er van ons allemaal een of meerdere dubbelgangers over de aardkloot hossen, maar een mens zou toch beginnen twijfelen. Als jullie me dus ooit ontmoeten, dan ben ik het waarschijnlijk niet. Het is maar dat jullie het weten.

Sodom, Gomorra en Pompeji

Samen met een Argentijnse vriend en reisgezel heb ik ooit met ware doodsverachting de Vesuvius beklommen … eh … bedwongen. Men bedwingt een berg. Als dat dan ook nog een vuurspuwende berg is, moet een mens niet alleen de berg, maar ook zijn angst bedwingen, want dat zijn lang geen ongevaarlijke toestanden waarin men zich begeeft. In ons geval liep het waagstuk goed af: we daalden zonder kleerscheuren of brandwonden en in heelhuidse gesteldheid van dat ventiel van Moeder Aarde neer. We hadden de begane grond nog niet helemaal bereikt of er lag reeds een andere bezienswaardigheid op ons te wachten: de overblijfselen van het eens zo florissante en o zo decadente Pompeji.

In het begin van onze jaartelling was dit stadje de zomerverblijfplaats en het lustoord van de rijke Romeinen … een Italiaans Knokke-Zoute met andere woorden. Er heerste daar een zeer ongedwongen, ja zelfs ronduit losbandig sfeertje. Onkuisheid en ontucht dat er daar bedreven werd! Hohoho! Daar hebben jullie werkelijk geen idee van en ik evenmin, maar we proberen het ons toch een beetje voor te stellen, nietwaar?

Op 24 augustus 0079, om elf uur in de morgen, weerklonk er opeens een buitengewoon luide knal. De top van de Vesuvius vloog gezwind de lucht in en de aarde spuwde haar ingewanden uit. Gedurende twee dagen regende het stenen en allerhande troep op Pompeji, dat allengs bedolven raakte, en wie probeerde te vluchten werd door giftige dampen ingehaald en geveld. Van de naar schatting vijfentwintigduizend inwoners heeft wellicht niemand de woede-uitbarsting van de vulkaan overleefd en de stad verdween van de aardbodem, want plots zat die eronder. Pompeji voegde zich bij de Bijbelse steden Sodom en Gomorra, die vanwege hun verdorvenheid met zwavel en vuur verwoest werden.

Zestienhonderd jaar later kwam er tijdens grondwerken plots een beeld aan de oppervlakte. Opgravingen begonnen en als men dat doet, legt men meestal iets bloot. Soms leg ik iets bloot wat ik helemaal niet opgegraven heb, waarschijnlijk omdat ik kan toveren, maar dat doet hier verder niets ter zake. Aldus verrees Pompeji als het ware uit zijn graf en vandaag de dag gaan we er in groten getale naar kijken.

Nu zal ik nooit in laaiend enthousiasme ontsteken bij het aanschouwen van ietwat mistroostige ruïnes en dat deed ik in Pompeji dus ook niet. Ik ben meer een natuurmens. Met een fraai landschapje of een bekijkenswaardig fenomeen kun je me altijd plezieren. Samen met mijn vriend dwaalde ik derhalve nogal apathisch door de straatjes van Pompeji, bezocht ik Romeinse villa’s of wat er van overbleef en verlustigde ik me enigszins aan de soms schunnige muurschilderingen en mozaïeken, die verrieden welke perversiteiten daar allemaal moeten plaatsgevonden hebben naast de gewonere dadelijkheden van de seksuele bedrijvigheid.

PompejiToen kwam er opeens een bewaker of iets dergelijks naar ons toe. Hij droeg in alle geval een kepie en een indrukwekkende sleutelbos. In ruil voor een fooi kon hij ons het ‘verboden Pompeji’ laten zien, deelde hij ons in moeizaam Engels mee, maar wij begrepen het en grote nieuwsgierigheid maakte zich van ons meester. We hadden en we hebben beiden een zwak voor iets dat verboden is. Enkele bankbiljetten wisselden van eigenaar en hij bracht ons tot bij een gifgroene deur, die hij met een kanjer van een sleutel ontsloot.

Het was alsof wij een seksboetiek betraden. We werden omringd door tientallen beelden van vrouwen in wel zeer uitdagende poses, afbeeldingen van ongeveer alle copulatiestandjes die het menselijk brein, inclusief de Kamasoetra, ooit verzon en mannen die toegerust waren met enorme falussen. Mensen kinderen, het was me het museumpje wel. Gelachen dat we hebben … al was dat best wel een beetje zuur, want we voelden ons door de natuur danig misDEELd en TEKORTgedaan.

Ja, als ik tweeduizend jaar geleden geleefd had, zou ik wat graag in Pompeji gewoond hebben. Natuurlijk zou ik net op reis geweest zijn toen de Vesuvius ontplofte.


Pompeji2

De wondere wereld der kaarsen

wonderkaarsOoit heb ik van een bejaarde non ─ bestaan er eigenlijk jeugdige exemplaren? ─ een kaars gekregen, die volgens haar zeggen aanleiding tot wonderbaarlijke gebeurtenissen kon geven. Ze had het ding meegebracht van een bedevaart naar Czẹstochowa in Polen, waar het klooster van Jasna Góra een oude icoon met een Madonnafiguur herbergt, die zowaar magische kunsten bewerkstelligt en dientengevolge aan grote verering onderhevig is. De kaars was in aanraking geweest met dat miraculeuze schilderijtje en daarom eveneens een bron van verbazingwekkende manifestaties. Tja, we willen met zijn allen toch zo graag de grenzen van de realiteit overschrijden …

Vrijdagavond viel hier plots de stroom uit. Bijgestaan door een aansteker, waaraan ik binnen de kortste keren mijn vingers brandde, stommelde ik naar de schakelkast. Aangezien alle hefboompjes nog in goede orde opgesteld stonden, mocht ik aannemen dat de oorzaak van de panne buitenshuis lag, dus was het wachten geblazen tot men het euvel hersteld had. Ik rommelde in de lade waarin ik, onder veel meer, kaarsen pleeg onder te brengen en kreeg als eerste dat Poolse exemplaar in handen. Hoewel het toverartikel met veel gesputter en vrolijk druipend brandde, gebeurde er niets dat ik als wonderlijk kon bestempelen. Na ongeveer een kwartier floepten de lampen aan en kon ik, letterlijk een zucht van verlichting slakend, de kaars doven.

’s Anderendaags kocht ik echter een kraslotje bij de krantenboer en tot mijn grote gelukzaligheid ontblootte ik daarop het bedrag van € 250. Het is me nooit eerder overkomen. Daarom zal ik die kaars vanavond geen vijftien minuten, maar een vol uur laten branden en morgen koop ik opnieuw een subito-prestootje.

De wonderen zijn de wereld niet uit. Nu ik erover nadenk … Ik ben eigenlijk al eens eerder het slachtoffer … nu ja, de gunsteling geweest van een onverklaarbare tussenkomst van hogerhand, maar dat vertel ik jullie wel bij een volgende gelegenheid.

Een mens zou warempel aan zijn ongeloof beginnen twijfelen.