Ik was zo flabbergasted dat ik stond te shaken, maar nu voel ik me al een stuk happier.
Ik heb hier al eerder lucht gegeven aan mijn ongenoegen omtrent het in toenemende mate verengelsen van het Nederlands: een fenomeen dat volgens mij de teloorgang van onze taal inluidt. Er is echter hoop. Wegens omstandigheden verleen ik al ruim een maand gastvrijheid aan een jonge spring-in-’t-veld, die af en toe sprankelt en me dan met een trouvaille … eh … met een verrukkelijke vondst verrast, waardoor bij mij de hoop opflakkert dat het met die aftakeling niet zo’n vaart zal lopen. Hier volgen enkele voorbeelden van wat hij allemaal verzint:
─ Als je in een zure of wrange vrucht bijt, kun je daar sleeë tanden van krijgen. Het is me een raadsel waarom de dikkerd Van Dale het adjectief ‘slee’ niet de moeite van het vermelden waard vindt, want er bestaat volgens mij geen ander woord voor dat rare gevoel. Toen mijn tijdelijke huisgenoot zo’n vrucht verorberde, zei hij dat hij zijn tanden fronste.
─ Als je helemaal op de rand van een bed ligt, dan lig je op het nippertje.
─ Luidop slapen is hetzelfde als snurken.
─ Zijn grootvader valt niet ten prooi aan dementie, maar aan ouderdommigheid.
─ Tegen iemand aanbiggen lijkt me lekkerder dan tegen iemand aanschurken.
Alles sal reg kom as ons almal ons plig doen.

Ooit heb ik van een bejaarde non ─ bestaan er eigenlijk jeugdige exemplaren? ─ een kaars gekregen, die volgens haar zeggen aanleiding tot wonderbaarlijke gebeurtenissen kon geven. Ze had het ding meegebracht van een bedevaart naar Czẹstochowa in Polen, waar het klooster van Jasna Góra een oude icoon met een Madonnafiguur herbergt, die zowaar magische kunsten bewerkstelligt en dientengevolge aan grote verering onderhevig is. De kaars was in aanraking geweest met dat miraculeuze schilderijtje en daarom eveneens een bron van verbazingwekkende manifestaties. Tja, we willen met zijn allen toch zo graag de grenzen van de realiteit overschrijden …