Categorie: Formidastisch

Prijs de hemelen!

Ben ik vandaag zo blij als een kermiskind? Als een varken in de stront? Of als een hond met zeven pikken? Ik ben alleszins in een luxueuze stemming en ik zal jullie vertellen hoe dat zo komt.

BakelandtAl tientallen jaren ben ik wanhopig op zoek naar een boek: ‘Bakelandt en de roversbende van het Vrijbos’, dat in het midden van de 19e eeuw ontsproot aan de pen en de hersens van een West-Vlaamse dorpspastoor, Victor Leo Huys, en in 1958 opnieuw uitgegeven werd door Lannoo – Tielt.

De protagonist van dat verhaal, Ludovicus Baekelandt, was de legendarische leider van een meedogenloze roversbende, die op het einde van de 18e eeuw, zowel letterlijk als figuurlijk, huishield in de contreien waar ik tegenwoordig hoofdkwartier houd en die in het jaar 1803, onder massale belangstelling, terechtgesteld en een kopje kleiner gemaakt werd op de Brugse markt.

Ik probeer dus al heel lang het boek met het relaas van zijn schurkenstreken in mijn bezit te krijgen. Ik heb talloze boeken- en rommelmarkten afgeschuimd, het internet gevlooid tot in de diepste diepten en kringloopwinkels afgelopen, maar al die pogingen waren vruchteloos …

… tot ik gisteren op een Nederlandse website voor verzamelaars plots het felbegeerde hebbeding aantrof. Ik sprong erop als een bok op een haverkist en stuurde ijlings het bericht dat ik het kleinood buitengewoon graag wilde bemachtigen. Nauwelijks een uur later kreeg ik een e-mailbericht van de verkoper en, je houdt het haast niet voor mogelijk, die bleek zowaar vlak bij me in de buurt te wonen, nog geen kilometer van mijn deur. Tel uit je winst!

Geluk zit vaak in een klein hoekje; soms ook in een klein broekje en voor mij zelfs in een klein boekje. Zien jullie me hier zitten in een klein hoekje, getooid met niets meer dan een klein broekje en voorzien van een niet zo klein boekje – Bakelandt en de roversbende van het Vrijbos – waarin ik verlekkerd aan het afdalen ben? Ik haal me er echt aan op en laat er mijn toetje voor staan, hoor.

En daarom ben ik zo blij als … Ja, lezen jullie er de eerste alinea van dit stukje maar op na.

Een aangename kennismaking

Delphine LecompteIk moet bekennen dat ik nooit wat van de dichteres Delphine Lecompte ─ kleindochter van de destijds beroemde dokter ─ gehoord had, tot ze onverhoeds als deelneemster in het televisieprogramma De Slimste Mens opdook en daar nederig van snit haar innemende zelf zat te zijn, geflankeerd door heren die zichzelf geweldig vonden en dames die zich omgord hadden met waanzinnig en derhalve belachelijk dure jurken, die ontworpen waren door danig over het paard getilde modepausen.

Hè hè, ik mag dan misschien wat gedronken hebben ter gelegenheid van de jaarwisseling, maar zoals hierboven blijkt, weet ik kennelijk nog steeds de weg in samengestelde zinnen.

Delphine bezat dat ongeslepene en ze hulde zich in een weldadig aandoende verlegenheid, hetgeen haar aardig maakte. Ik werd op slag en stoot zo’n fan van haar dat ik me voorgenomen heb om me al haar dichtbundels aan te schaffen. Ook verkneukel ik me sindsdien in niet geringe mate in de welhaast uitzinnige column die ze iedere week in Humo dropt. Ik vind het een genot, hoor!

In een interview vroeg men haar of ze na haar opgemerkte optredens in De Slimste Mens nog aanbiedingen gekregen had om op de televisie te verschijnen.
“Ik mocht één dag letters gaan omdraaien in ‘Het Rad’,” zei ze, “maar ik heb bedankt, ook al werd het goed betaald. Zoveel zelfrespect had ik blijkbaar dan toch nog.”

Dat zelfrespect hadden Conner Rousseau en Marc Van Ranst kennelijk niet, want die gingen als onnozele kleuters letters draaien in dat door een potloodventer gepresenteerde spelprogramma. Nu ja, dat verbaast me eigenlijk niet, want het zijn beiden egotrippers van je welste. Rousseau is een partijvoorzitter die meent dat hij een godsgeschenk is en veel goeie raad te koop heeft, maar eigenlijk slechts weinig verwezenlijkt heeft. Van Ranst is een betweter in een academisch steunkorset, die denkt dat hij de Zaligmaker is en als een ijdelzuchtige kwek door het leven gaat. Ze mogen van mij allebei korte armpjes krijgen, zodat ze zich niet kunnen krabben als er schaamluizen in hun kloten bijten.

Delphine daarentegen mag men van mij met de Nobelprijs Literatuur vereren … al is dat misschien toch een tikkeltje overdreven.

Het welriekende land van Hermes

Ik diende mijn ogen voor nazicht naar een in een ziekenhuis gevestigde oculiste te brengen. Heremijntijd! Zo’n bezoek aan een opslagruimte voor lichamelijk minderbedeelden heeft vandaag de dag nogal wat voeten in de aarde. Het is een heel gedoe, om niet te zeggen een zenuwslopende onderneming. Ik overdrijf enigszins omdat ik ─ het is jullie inmiddels genoegzaam bekend ─ daar goed in ben en eigenlijk niets liever doe.

Mondmasker opzetten, handen ontsmetten, je temperatuur laten opmeten, je identiteitskaart aan een vervaarlijk ogende automaat toevertrouwen en wachten tot die kleefbriefjes braakt, nauwgezet de pijlen volgen, je aanmelden bij de dienst oogheelkunde, plaatsnemen in de wachtzaal op voldoende afstand van je buur …

… en toen was ik vrij snel aan de beurt. Mijn oftalmologe ─ hoe verzinnen ze het in vredesnaam? ─ haalde haar neus voor me op en zei:
“Ha, meneer gebruikt Terre d’Hermès. Het maakt mijn dag, want het is en blijft een wonderbaarlijke geur.”
Ik nam het complimentje dankbaar in ontvangst en zij wendde zich tot mijn ogen, geholpen door allemaal indrukwekkende toestellen.

Toen ik het ziekenhuis verliet, snelde de geur van Terre d’Hermès me vooruit, want ik gebruik zowel het toiletwater als de aftershave van dat merk. Het zijn weliswaar geen goedkope odeurtjes, maar je krijgt waar voor je geld, want ze bevatten noten van grapefruit, sinaasappel, peper, patchoeli, ceder, vetiver en benzoïne. Meer moet dat van mij niet zijn.

Bovendien zijn en blijven het verrukkelijke luchtjes.

O ja, mijn ogen zijn in prima conditie.

terredhermes

Dat zijn geen stinkende sokken

Op een onzalige ochtend, een week of wat geleden, stond ik op met een stijve … nek, die me behoorlijk bezeerde. Ik hoef jullie niet te vertellen dat ik liever met andere stijve lichaamsdelen ontwaak – ik bedoel het zogeheten ‘morning wood’, dat het in het Nederlands met de minder fraaie benaming ‘ochtenderectie’ moet doen – maar je hebt het meestal niet voor het kiezen.

Voor spierpijn in het algemeen en dus ook voor een tegensputterende nek beschik ik over een aantal vrij dure smeermiddelen, zoals daar zijn Voltaren Emulgel, DexSil Forte en Traumeel. Dat blijken evenwel allemaal pleisters op een houten been te zijn.

Ik heb nog het meest baat bij een middeltje dat ik voor een schappelijke prijs in Colruyt kan kopen: de tijgerbalsem die zich in een met mysterieuze symbolen versierd bokaaltje ophoudt.

Het rode zalfje stinkt uren in de wind, maar het sorteert wel effect. Toch zeker bij mij. Het is maar dat jullie het weten.

tiger

Waarin ik een hoofdzonde bedrijf

De televisie vergastte me op een promotiefilmpje voor ─ blijkbaar is Engels bij ons tegenwoordig de voertaal ─ Bake Off Vlaanderen. Dat is een programma van VIER, waarin amateurbakkers het tegen elkaar opnemen, teneinde de titel van meest getalenteerde thuisbakker van Vlaanderen te verwerven.

De vrouwelijke commentaarstem bij deze trailer ─ ik herhaal dat Engels vandaag de dag hier de voertaal is ─ stuurde meteen de hiernavolgende kwakkel de wereld in:

“Bakken is altijd een feest, want niemand bakt alleen voor zichzelf.”

kersentaartIk kan met de hand op het hart verklaren dat dit een uitermate stomme bewering is, die kant noch wal raakt. Ik heb gisteren namelijk een nochtans zeer bewerkelijke Schwarzwälder Kirschtorte gebakken en ik ben bezig om die helemaal in mijn eentje op te vreten, hetgeen me vandaag of morgen ongetwijfeld zal lukken. Dat is smikkelen en smullen, hoor!

Ja, ik weet dat gulzigheid een hoofdzonde is, maar als ik moet branden in de hel, dan liefst met een volle maag en van lekkers verzadigd.

Krasse knarren

Door Jut en Jul verlaten zat ik in een restaurant, waardoor ik ten prooi viel aan grote eenzaamheid. Aangezien ik geen conversatie hoefde gaande te houden, had ik ruimschoots de tijd om allen daar aanwezig te observeren.

In een hoek van de gelagkamer hadden een man en een vrouw tegenover elkaar aan een tafel plaatsgenomen. Ze waren beiden oud en der dagen zat en aten niet zozeer met lange, dan wel met trage tanden. Ze wisselden geen woord en slaagden er niet in hun bord leeg te eten, dus verzochten ze de serveerster, tevens eigenares van het etablissement, om de overschotten dusdanig te verpakken dat ze die mee konden nemen, verzoek waar de bazin in alle vriendelijkheid gevolg aan gaf.

De man dronk nog een biertje en de vrouw verlustigde zich aan een kop koffie. Terwijl ze die vloeistoffen stilzwijgend tot zich namen, leken ze bijwijlen zelfs in te dommelen. Toen ze ontwaakten, maakten ze gelijk aanstalten om te vertrekken. Met de moeite die eigen is aan de ouderdom en met deprimerend gesjok naast een wandelstok verlieten ze het pand.

─”Hoe oud zijn die mensen eigenlijk?” vroeg ik aan de waardin.
─”Hij is vierennegentig en zij achtentachtig,” vernam ik, “maar ze verzetten zich wel hardnekkig tegen het oud worden.”
─”Hoezo?” fronste ik.
─”Kijk maar!” zei ze en ze wees naar een raam, waar op dat moment een dakloze, maar niettemin zeer dure sportwagen in mijn vizier verscheen.
Aan het stuur zat de oude dame. Naast haar werd haar nog bejaardere echtgenoot ietwat schabouwelijk overeind gehouden door een veiligheidsgordel.

De chauffeuse gaf een flinke dot gas en weg waren ze!

Kijk, kijk, een homo!

HomoUniversalisIk was in de supermarkt met een vriendin. Toen een jongeman met blakend blonde en nogal chaotische manen – coupe windhoos – die een agrarische stevigheid over zich had in het gangpad verscheen en aanstalten maakte om ons te kruisen, hief mijn gezellin plots een soortement jubelzang aan, waarna ze zich tot die potige gozer wendde:
“Ha Selattin! Proficiat wei! ‘t Ee nie vele geschild hè? ‘k Zoaten te schudd’n en te kluttern in miene zetel beist dajje bizzig woart, moa jeddet hoald.”

Ik zie me genoodzaakt omdat voor de meeste van jullie even te vertalen:
“Ha Selattin! Proficiat hoor! Het heeft niet veel gescheeld hè? Ik zat te schudden en te beven in mijn fauteuil terwijl je bezig was, maar je hebt het gehaald.”

Door het horen van de in onze contreien toch wel zeldzame naam, Selattin, ging er bij mij een belletje rinkelen en opeens wist ik wie er voor me stond. Hij was namelijk de jongste kandidaat (18) en de winnaar van de wedstrijd Homo Universalis: een onderdeel van het programma Iedereen Beroemd op de Vlaamse televisie. Honderd kandidaten moesten iedere dag een behendigheidsproef afleggen, waarbij telkens iemand afviel, tot als laatste de Homo Universalis overbleef, die als beloning een heel jaar lang gratis mocht reizen.

Die Homo Universalis blijkt zich dus in mijn dorp op te houden. Meer zelfs: deze veelzijdige Vlaming woont amper een kilometer bij me vandaan. Ik voel me vereerd.

Anderzijds is het natuurlijk mooi meegenomen dat zo’n handige harry … eeh … zo’n handige Selattin, zo’n manusje-van-alles, bij me in de buurt woont. Je weet maar nooit waar dat goed voor kan zijn.

Een mijlpaaltje

Als jullie hierboven het flapje ‘Archief’ aanklikken, krijgen jullie een lijst te zien van alle schrijfsels en stukjes die hier op Uilenvlucht verschenen zijn. Jullie kunnen gaan natellen hoeveel dat er zijn, maar ik wil jullie die moeite besparen: het resultaat is tweeduizend.

Tweeduizend. 2000. Dat moeten we vanzelfsprekend vieren:

44444444444444444444444444

… en tevreden bloggen we voort.

mijlpaal