Categorie: Kippenvellen

Op jacht

Toen ik vanmorgen mijn keuken betrad, ontdekte ik daar een vreemdsoortig insect met lange voelsprieten, twee paar diafane vlerkjes en talloze poten, dat in een tumbler neergestreken was en vertwijfeld door een bodempje whisky crawlde.
─“Hoe heet je, gedrocht?” vroeg ik.
Het monstertje schakelde over op een lusteloze vlinderslag.
─“Onbeleefd scharminkel! Je moet antwoorden als men je wat vraagt!”

Ik huiverde bij de gedachte dat dergelijk ongedierte mijn woning vermocht binnen te dringen, zich overal kon schuilhouden en dus mogelijkerwijs zelfs tussen mijn beddengoed vertoefde. Omzichtig bracht ik het glas naar het terras en schudde daar het verguisde griezeltje de vrijheid in. Het dwarrelde eerst tollend neerwaarts, verhief zich dan en fladderde rakelings aan me voorbij.
─“Keep my memory green!” murmelde ik.

Het dwaze mormel deinde langs me heen en floepte gezwind terug naar binnen, via de openstaande deur. Een lichte verbijstering maakte zich van me meester en ik keek als een snoek op zolder.
─“Krijg nu wat!” had ik de schurft in. “Je mag het me niet tegen maken of ik zou weleens heel slecht nieuws voor je kunnen hebben.”

Het kennelijk honkvaste schepsel dartelde blijhartig door de keuken. Met een handdoek probeerde ik het de wijde wereld in te wapperen en dat lukte nog vrij aardig ook: in scheervlucht verliet het mijn woning, drukte ten afscheid nog wat flukse zoenen op de ruit en verdween. Ik begon puin te ruimen. Tijdens het vendelzwaaien had een lus van de handdoek zich vastgehaakt aan een uitsteeksel van de dure fruitschaal ─ Venetiaans glas ─ die op tafel stond en …

Ik rotzooi wat aan als ik in vorm ben.

De dodensprong

De aflevering van CSI (Crime Scene Investigation) begon op nogal macabere wijze. Op een kerkhof zeulden kloeke mannen een doodkist richting graf, toen de bodem van dat ding het plots met veel gekraak begaf en niet één, maar twee lijken op de grond tuimelden. Dat wil een mens toch niet meemaken! En toch heb ik in een onzalig vroeger iets gelijkaardigs beleefd en daar wil ik jullie graag kond van doen. Ga vooral even zitten, want dit is niet mis. Gevoelige zielen kunnen nu misschien beter even het hoofd afwenden, of gewoon doorklikken naar een van mijn leukere schrijfsels.

Toen ik het flatgebouw betrad, kon ik niet meteen naar boven, naar de woonst waar vrienden van me huisden. Een van de bewoners — wellicht oud en der dagen zat — was aan algehele slijtage overleden en men probeerde hem net naar het dorp van de eeuwige vakantie te kruien. Dat ging niet van een leien dakje.

Wie zich met een doodkist in een trappenhuis waagt, vraagt immers om problemen. De begrafenisondernemer en zijn assistenten zagen er ook niet bepaald potige kerels uit. Maar goed … na wat gepruimel raakten ze voorbij de overloop en daalden ze niet zonder plechtstatigheid af. Je mag van ze zeggen wat je wil, maar lijkbezorgers hebben gevoel voor pathetiek. Ik stond beneden in de hal en boog ingetogen het hoofd, mediterend over de vergankelijkheid van het leven. Een rechtgeaarde vloek — godverdomme! — haalde me brutaal uit mijn vrome overpeinzingen. Ik keek omhoog.

Wat zich toen voor mijn ogen voltrok, overtrof mijn stoutste fantasie en mijn verbeelding durft nochtans vleugelen aan te schieten als ik in vorm ben. Een van de dragers had vermoedelijk een letterlijke misstap begaan en maakte aanstalten om neer te storten. Wat doet een normaal mens in zo’n geval? Men laat de last los, teneinde armenzwaaiend het evenwicht te bewaren. Hij dus ook. Zijn collega’s, verrast door de plotse gewichtstoename, begonnen eveneens te wankelen. En zie … de kist maakte eerst een onzachte landing op de arduinen treden en dokkerde vervolgens met sneltreinvaart naar beneden. Er was geen houden meer aan. Met een doodsmak botste ze op de vloer en kantelde. Van de weeromstuit knalde het deksel open en … het dode heertje schoot als een duivel uit een doosje tevoorschijn en gleed in zijn zondagse pak naar me toe. Ik gilde als een konijn in de beet van een wezel en deinsde naar ik weet niet waar.
─”Zijn jullie nu helemaal van god los!?” riep ik verontwaardigd. ‘Gaan we d’r een beetje mee gooien, ja?’
Het opperhoofd der lijkdragers keek me aan, haalde de schouders op en sprak onbewogen:
─”Hij is dood, dus kan hij het hebben.”

Terwijl ik de trap oprende, bracht mijn hart een ode aan de mensen die gestorven zijn en te weinig applaus kregen. Het heertje had in zijn leven vermoedelijk niets opzienbarends verricht, maar … hij vertrok niet zonder slag of stoot. Alle worstjes op een stokje!

Accident de parcours

Ze waren beiden heel erg oud, dat zag je er zo aan af. Hij zat in een rolstoel en zij duwde die voort met de moeite die eigen is aan de ouderdom. Het leven had veel leed in haar gelaat geëtst, maar desalniettemin bleef ze kranig glimlachen en glunderde ze haar leeftijd weg. Hij daarentegen had het gezicht van een buldog die op een wesp kauwde.

Ze duwde hem het restaurant binnen, maar maakte een kleine stuurfout, zodat ze even tegen de deurstijl aanbotste.
“Kijk toch uit, stom kalf!” snauwde hij schompermuilend. “Jouw geklungel is nooit overtroffen.”

Een kelner schoot toe om te helpen en ik keek haar meewarig aan toen ze mij passeerde. Ze schokschouderde even, schudde het hoofd en glimlachte, maar het was een beetje een treurige glimlach. Hij sudderde nog na en mompelde binnensmonds allerhande verwijten aan haar adres.

Mijn verbeelding schoot gelijk vleugelen aan en mijn hersens verzonnen snel een scenario om haar van die bullebak te verlossen. Ik liet ze derhalve met voorbedachten rade een reis maken, meer bepaald naar Bretagne, aan de rand waarvan zich hoge kliffen verheffen. Terwijl ze daar zogezegd het natuurschoon bewondert, geeft ze die rolstoel stiekem een zetje, zodat die gang krijgt en er dan op niet te stuiten wijze de sokken in zet, om vervolgens plompverloren van zo’n klif te kukelen, waardoor de inzittende schielijk het tijdelijke met het eeuwige verwisselt, waarop de dame in kwestie een triomfantelijke glimlach inslikt, een zucht van verlichting slaakt en – een geboren tragédienne – een klaagzang aanheft:
“O, mijn teergeliefde echtgenoot is het hoekje omgegaan, vermoedelijk om zeep.”
Neergedaald ter helle zal ze ongetwijfeld bedoelen.

Ja ik zie het allemaal zo voor me gebeuren. Ik denk dat ik er een verhaal aan zal wijden, of misschien zit er zelfs een film in.

Berichten naar de overkant

Ik mag graag wat tijd zoekmaken op een begraafplaats. Noem het voor mijn part een afwijking, maar vraag me niet naar het hoe, het wat of het waarom, want dan moet ik jullie het antwoord schuldig blijven. Ik denk nochtans niet dat ik een nostalgicus ben. Nu ja, misschien een beetje. De rust van allen daar aanwezig, die ons voorgegaan zijn naar het grote onbekende, heeft een weldadig effect op mijn gemoedstoestand en meer valt daar niet over te zeggen.

Ik had het graf van mijn ouders en mijn zus bezocht en wandelde vervolgens doorheen hetgeen men doorgaans een berceau noemt, maar waarvoor het Nederlandse loofgang me een uitstekend equivalent lijkt. Ik trof daar een zitbank aan, daalde erop neer en liet mijn gedachten afdwalen naar een afgelegen plek in mijn binnenwereld, waar ik helemaal niemand toelaat. Jullie dus ook niet.

Die overpeinzingen werden onderbroken door een geritsel aan de overkant van de hoge heg, die zich achter mijn rug bevond.
“Dag pa!” zei een stem, die hoorbaar bij een jongen met de baard in de keel hoorde.
Vervolgens gaf hij een uitgebreid relaas van zijn wederwaardigheden en resultaten op school, waarna hij zijn vader toevertrouwde dat hij de nieuwe vriend van zijn moeder eigenlijk niet echt mocht, maar toch zijn best deed om hem vriendelijk te bejegenen, omdat zijn ma dat graag wilde.

Omdat ik daar zat de luistervinken kreeg ik last van schaamte, of een ander onbehagen van die strekking, dus maakte ik aanstalten om stilletjes weg te sluipen, maar nog voor ik dat kon doen, hoorde ik de jongen opnieuw ‘dag pa!’ zeggen en van het toneel verdwijnen.

Aangezien ik nog nieuwsgieriger ben dan een ekster ging ik toch even kijken naar het graf dat hij bezocht had. Zijn vader was slechts vierendertig geworden, las ik, maar als hij nog geleefd had, zou hij ongetwijfeld apetrots geweest zijn op zijn zoon.

Ik trouwens ook.

Reinhold

Tijdens de voorbije nacht is Reinhold plots en volkomen onverwacht overleden. Dientengevolge ben ik in grote droefenis geraakt, want ik ben onherstelbaar getroffen. Reinhold was sinds jaar en dag mijn vriend en spitsbroeder en een van de weinige mensen, indien al niet de enige die ik om me heen kon velen.

Ik zal in de komende dagen, weken en maanden gretig in onze gezamenlijke avonturen grasduinen en een aantal schrijfsels publiceren, waarin hij een rol, of zelfs de hoofdrol speelde.
Reinhold was een heerlijk mens en een gentleman. Ik hield van hem.

Smeulend onder de gordel

Ik doe het er echt niet om, maar ik zal het vandaag nog maar eens over een van mijn hebbelijkheden hebben. In de loop der jaren heb ik me daar toch een zootje rare aanwensels op de hals gehaald.

Toen ik nog klein en ontvankelijk was ─ hoelang is dat wel niet geleden? ─ hoorde ik het kringspiervernauwende verhaal van een vrouw, die zich op een toilet neerliet om er aan een natuurlijke behoefte te voldoen. Terwijl ze zich van die taak kweet, gebeurde het ondenkbare: ze voelde hoe iets langs haar … eh … wereldkaart gleed. Onder het slaken van een gil sprong ze overeind en toen zag ze een rat uit de pot glippen. Kus nu mijn klooster! Daar wil je toch niet bij zijn! Ik mag van harte hopen dat ik zoiets nooit hoef mee te maken.

Sindsdien benader ik wc’s met de grootste omzichtigheid. Als ik een bout moet uitdraaien, onderwerp ik de ontvanger ervan eerst aan een nauwgezette controle en voor ik me op de troon nestel, breng ik het spoelmechanisme in werking. Ik weet dat ik zodoende water verspil, maar in mijn geval is het een conditio sine qua non.

In onze contreien zijn sanitaire toestellen meestal in hoge mate zindelijk. Prijs de hemelen! Anders is het gesteld in de achtergebleven gebieden, die zich bovendien vaak in de tropen bevinden, waar allerhande gevaarlijk en giftig gespuis goed gedijt. De geit gaan verzetten of een knijpbriefje afvaardigen zijn daarginds risicovolle bezigheden, want zelfs het kleinste scharminkeltje beschikt mogelijkerwijze over een beet of een angel, waarmee het groot onheil kan stichten.

Vooral de Lactrodectus mactans, beter bekend als de zwarte weduwe en nauwelijks anderhalve centimeter groot, houdt zich graag in de buurt van toiletten op en verschuilt zich niet zelden onder de bril. Hoewel de beet van deze dame niet zo extreem gevaarlijk is als men vaak beweert, kan die toch voor heel wat narigheid zorgen, zoals bijvoorbeeld verlammingsverschijnselen, en zelfs fataal zijn als men niet tijdig ingrijpt.

Nu hebben wetenschappers iets merkwaardigs ontdekt: mannen die ooit door een zwarte weduwe gebeten zijn, hebben vaak last van persistente erecties. Nu ja … last? Persoonlijk zou ik er absoluut geen bezwaar tegen hebben als het leven me zo nu en dan met een hardnekkige kruisraket opzadelt, maar of ik bereid ben om me daarvoor een zwarte weduwe aan te schaffen … Nee, dat denk ik niet.


viagra

Daar spon al in de zon een spin

Ik ben buitenshuis aan een vertaalopdrachtje bezig en zit aan een rommelige schrijftafel in een benepen tyfushok … eh … een onprettig kantoortje, waar twee bedienden, een vrouwtje en een mannetje, zich van hun dagtaak kwijten. Je kunt er je kont niet keren en het ruikt er muf, naar lang gestorven muis.

Het meisje begeeft zich naar een belendend lokaal, om er koffie te zetten. In plaats daarvan begint ze te gillen als een konijn in de beet van een wezel en ze keert spoorslags bij ons terug. Paniek schudt aan haar ledematen.
─”Er zit daar een kobbe!” krijst ze.
Dat is een West-Vlaamse spin.

Haar collega en ikzelf meten ons stoerheid aan en begeven ons met onversaagde tred naar de plaats des onheils. Afgaand op haar jagende angst vrezen we daar een geniepige zwarte weduwe, een venijnige Australische tunnelwebspin, of zelfs een vervaarlijke tarantula aan te treffen, maar we moeten ons tevreden stellen met een ordinaire geleedpotige: een grijze huisspin die zich met enige moeite over de gladde faiencetegels boven een aanrecht voortbeweegt. Door een maaiende handbeweging van mijn metgezel komt het diertje op de vloer terecht en meteen daarna, nog voor ik wat kan zeggen, verdwijnt het met een nauwelijks hoorbaar gekraak onder zijn meedogenloze schoenzool. Ik geef blijk van mijn verontwaardiging en deel hem mee dat ik, niettegenstaande mijn antipathie tegen die beesten, nog nooit moedwillig een spin heb gedood. Ik vang ze op vaak ingewikkelde wijze en zet ze buiten.

Ik werp hem daarna nog een hele tijd mesblikken toe. Zijn collega daarentegen zit naar hem te kijken alsof hij de maan voor haar opgehangen heeft. Hij is haar held. Ze spint een web en zal hem strikken.

Allemaal beestjes

Op een weblog brak iemand een lans voor het verorberen van knapperige insecten, malse wormen en ander wriemelend gespuis. Hoewel de auteur zijn betoog met een fraaie, ja zelfs enigszins appetijtelijke menukaart verluchtte, voelde ik me niet echt aangesproken en nog minder geroepen om bijvoorbeeld vanmiddag kakkerlakken in de room of sprinkhanen op Provençaalse wijze te nuttigen.

Desalniettemin ben ik door dat schrijfsel wat op internet gaan grasduinen, want het onderwerp boeit me wel. Daar las ik dat jij en ik tijdens ons leven onbewust een niet gering aantal insecten, waaronder spinnen, tot ons nemen, omdat die tijdens de nachtrust onze mondholte binnendringen en wij ze vervolgens inslikken. Het weze mij toegestaan om dat nogal weerzinwekkend te vinden en ik moet er vooral niet aan denken als ik de sponde opzoek, want dan zou het weleens heel lang kunnen duren voor de barmhartige slaap zich over me ontfermt.

De paar insecten die ooit tijdens het fietsen in mijn mond terechtkwamen, heb ik altijd kunnen uitspuwen, maar toen ik enkele zomers geleden door Griekenland toerde, floepte er plots een bij of een wesp mijn auto binnen en die vloog me regelrecht naar de keel. Letterlijk dan. Helemaal achterin kreeg ik een steek op mijn tong, wat niet alleen bijzonder pijnlijk was, maar me tevens binnen de kortste keren in het ziekenhuis bracht, omdat ik vanwege de zwelling nauwelijks adem kreeg en dreigde te stikken.

Het blijft een anekdote die ik graag ontkurk en ik scoor er ook telkens mee. Toch werd ik onlangs door een meisje overtroefd, want die kwam met een nog sterker verhaal op de proppen. Op zekere dag, toen zij zich met een hups rokje omgord had en dat gewaadje over een fietszadel drapeerde om het niet te kreuken, merkte zij niet dat ze aldus de wesp opschrikte, die zich op datzelfde zadel in de zon koesterde. Die wesp raakte danig in paniek, trok van de weeromstuit een steekwapen …

… en nu mogen jullie drie keer raden waar die angel terechtkwam.

Apocalyptische slachtpartijen

De nachtvertoningen tijdens mijn slaap beginnen me te beknellen. De ongenode wezens die mijn dromen bevolken, zijn vaak echte griezels. Soms ben ik getuige van gorgonische taferelen. Dat benauwt flink. Bovendien ontpop ik me regelmatig tot een grotere schoft dan Attila de Hun ─ de Gesel Gods ─ die verstoken van elke moraal het absolute kwaad belichaamt.

Zo maakte ik onlangs een oud vrouwtje van kant. Ik meen het! Ik herinner me niet welk strobreed ze me in de weg legde, maar toch heb ik haar gewurgd. De beelden ervan staan ten eeuwigen dage op mijn netvlies gegrift en neem gerust van me aan dat het geen verheffend schouwspel is. Vervolgens verstopte ik het lijk achter een houtmijt, die zich in het echt op nog geen kilometer van mijn deur bevindt en waar ik dus regelmatig aan voorbijkom. Sinds die droom durf ik nog nauwelijks naar de opeengestapelde stammetjes te kijken en voel ik telkens hoe een koude klauw me in de nek grijpt.

Vannacht heb ik een terroristische aanslag gepleegd. Ik bracht een bezoek aan het Atomium ─ de Brusselse Eiffeltoren met ballen ─ en plantte daar een bom. Op veilige afstand sloeg ik de ontploffing ervan gade. Nou moe, dat was niet gering … maar toen rolde opeens een van die reusachtige bollen in sneltreinvaart mijn richting uit. Ik kon die niet ontwijken …

Nu ben ik dus dood. En wakker!

Een West-Vlaamse ‘kobbe’

In de afdeling groente en fruit van de supermarkt weerklonk eensklaps een ijzingwekkende kreet, die zo te horen aan de boezem en de keel van een vrouw ontsnapte.

Gelijk viel alle bedrijvigheid stil. Allen daar aanwezig hielden de tred en de adem in, richtten het hoofd op, spitsten de oren … en vervolgens kreeg nieuwsgierigheid de overhand. Men repte zich naar de plaats waar de hallucinante gil vandaan kwam. Twee winkelbedienden in blauwe jassen hadden zich reeds over het ontredderde slachtoffer ontfermd. Bleek als merg en met een huiver in de stem deed ze kond van haar wedervaren.

Ze had zich een kam bananen toegeëigend en terwijl ze die in haar wagentje deponeerde, dook plots een enorme spin op. Het formaat dat ze aanduidde, stemde ongeveer overeen met dat van een volwassen tarantula. Ze voelde en zag het beest over haar hand kruipen … Toen slaakte ze die gil en zwiepte ze zo woest met de arm, dat het ongedierte het luchtruim koos en met een keizerlijke boog in een krat met aardappelen terechtkwam. De omstanders staarden met eensgezinde afschuw naar die ordinaire knollen.

Het personeel liet er geen gras over groeien en begon onverwijld het beest op te sporen, tot iemand opmerkte dat ze maar beter uit konden kijken.
─“Straks is ‘t zo’n giftig exemplaar dat met het schip uit de tropen is meegereisd”, zei de man.

Daar hadden de bedienden niet van terug. Ze keken elkaar onzeker aan en besloten toen handschoenen aan te trekken. Hetgeen geschiedde. Omzichtig maakten ze vervolgens de bak leeg, maar de spin liet zich niet verschalken.

Hoewel ik van plan was om zowel aardappelen als bananen in te slaan, heb ik dat maar niet gedaan. Met die spin op vrije poten kun je er donder op zeggen dat die zich uitgerekend in mijn tros zal verschuilen. Me van geen kwaad bewust zou ik vanavond een banaantje plukken, een gemene beet krijgen en schielijk het tijdelijke met het eeuwige verwisselen.