Tag: fantasie

Het kind moet een naam hebben

Loddertje, suikerkontje, keppekeuntje …

Ik heb de nogal kinderachtige gewoonte om bijnamen te geven. Dat zou op zich niet vermeldenswaard zijn als ik die troetels aan personen zou besteden, maar ik benoem er vooral dingen mee die me in het dagelijkse leven omringen.

Mijn frituurpan heet bijvoorbeeld Pruttelgatje, vanwege de pruttelende geluidjes die ze pleegt te produceren. Wentelteefje is de plafondventilator die boven mijn bureau hangt en mijn televisietoestel luistert naar de naam Fluppe, want dat is de Vlaamse verbastering van Filip en dus ook van het elektronicamerk Philips.

Ik kan nog wel even doorgaan, want de nieuwe  papierversnipperaar die ik pas enkele dagen geleden kocht, heb ik vanmorgen al Vreetzak gedoopt, maar zoals ik eerder al schreef: het moet niet nog gekker worden.

Accident de parcours

Ze waren beiden heel erg oud, dat zag je er zo aan af. Hij zat in een rolstoel en zij duwde die voort met de moeite die eigen is aan de ouderdom. Het leven had veel leed in haar gelaat geëtst, maar desalniettemin bleef ze kranig glimlachen en glunderde ze haar leeftijd weg. Hij daarentegen had het gezicht van een buldog die op een wesp kauwde.

Ze duwde hem het restaurant binnen, maar maakte een kleine stuurfout, zodat ze even tegen de deurstijl aanbotste.
“Kijk toch uit, stom kalf!” snauwde hij schompermuilend. “Jouw geklungel is nooit overtroffen.”

Een kelner schoot toe om te helpen en ik keek haar meewarig aan toen ze mij passeerde. Ze schokschouderde even, schudde het hoofd en glimlachte, maar het was een beetje een treurige glimlach. Hij sudderde nog na en mompelde binnensmonds allerhande verwijten aan haar adres.

Mijn verbeelding schoot gelijk vleugelen aan en mijn hersens verzonnen snel een scenario om haar van die bullebak te verlossen. Ik liet ze derhalve met voorbedachten rade een reis maken, meer bepaald naar Bretagne, aan de rand waarvan zich hoge kliffen verheffen. Terwijl ze daar zogezegd het natuurschoon bewondert, geeft ze die rolstoel stiekem een zetje, zodat die gang krijgt en er dan op niet te stuiten wijze de sokken in zet, om vervolgens plompverloren van zo’n klif te kukelen, waardoor de inzittende schielijk het tijdelijke met het eeuwige verwisselt, waarop de dame in kwestie een triomfantelijke glimlach inslikt, een zucht van verlichting slaakt en – een geboren tragédienne – een klaagzang aanheft:
“O, mijn teergeliefde echtgenoot is het hoekje omgegaan, vermoedelijk om zeep.”
Neergedaald ter helle zal ze ongetwijfeld bedoelen.

Ja ik zie het allemaal zo voor me gebeuren. Ik denk dat ik er een verhaal aan zal wijden, of misschien zit er zelfs een film in.

Op zijn Grieks

Als ik de tempel binnenaarzel, komt ze naar me toe. Achter de dunne stof van haar chiton ontwaar ik het luisterrijke klotsen van rosbiefjes.
—“Luchtig niemendalletje heb je aan”, zeg ik. “Swing es met je dinges!”
Ze glimlacht en schudt meewarig het hoofd, maar willigt niettemin mijn verzoek in en laat haar roomsoezen vrolijk hobbelen.
—“Tevreden?” peilt ze.
—“Zeer!” smak ik. “Volgens mij draag je daar niks onder. Draag je daar wat onder?”
—“Voor jou een vraag en voor mij een weet”, sart ze me ondeugend. “Als je me echter bevrijdt uit de klauwen van de roofgierige sfinx die mij hier gevangen houdt, door zijn aartsmoeilijke raadsel op te lossen, zal mijn dankbaarheid grenzeloos zijn en wil ik jouw antwoord dat je niet mag geven plezier verschaffen.”
—“Je slaat door als een blinde vink”, mompel ik. “Wat je raaskalt, is volstrekte, categorische kul. Zoiets mafs heb ik nog nooit gehoord. Maar goed … Waar vind ik dat enigmatische wezen? Toevallig is raadsels oplossen een hobby van me en ik ben er goed in, zoals in nog meer dingen. Dit onverschrokken heerschap zal dat schiemannen, lieve schat. Ik was dat varkentje wel voor je.”
—“Het is geen varkentje,” zegt ze, “maar een echte sfinx.”
—“Om het even! Dat zal mijn klomp niet roesten! Naast stieren bij de hoorns vatten, palingen bij de staart grijpen, wolven bij de oren houden en varkentjes wassen, ben ik ook gespecialiseerd in het ontraadselen van sfinxen.”

Ze gaat mee om nog een beetje te wijzen. Het gevleugelde monster zit op een rots boven een steile kloof de lippen te stiften.
—“Waarmede kan ik de weledelzeergeleerde bezoeker van dienst wezen?” klinkt het beleefd, hoewel enigszins bombastisch.
—“Ik kom uw kallipygische gevangene verlossen”, spreek ik kordaat.
—“Da’s een werk van barmhartigheid”, weet de sfinx. “Bent u er klaar voor?”
—“Vooruit, chagrijn!”
—“Niet brutaal worden!” dreigt het gedrocht. “Daar kunnen sfinxen niet tegen. Even pasoppen nu! Het begint met een l, het eindigt met een l en het is lang en stijf. Ra, ra, wat is het?”
—“Een lantaarnpaal”, zeg ik.
—“Wel godverdomme hier en gunter!” foetert de sfinx en hij valt van verbazing de afgrond in, waar hij te pletter stort.

—“Vele guirlandes, uit bloemen gevlochten, zal ik je om je slanke hals hangen”, jubelt het kennelijk welbespraakte huppelkutje dat ik bevrijd heb, of heeft ze zich ook met de nochtans lesbische dichteres Sappho ingelaten? “Met veel kostbare en koninklijke balsem zal ik je lichaam zalven, op een zacht bed je verlangen stillen en, zoals beloofd, jouw antwoord dat je niet mocht geven en ook niet gegeven hebt plezier verschaffen.”
—“Wat was dat antwoord dan?”
—“Lul natuurlijk!” grinnikt ze. “Begint en eindigt met de letter l, is lang en stijf … Gesnopen?”
—“Mijn verstand reikt niet zo laag”, verkondig ik. “Ik vind lul trouwens een lelijke benaming voor zo’n fraai en wonderbaarlijk instrument … Vertel me eens even, … Heb jij onder dat schabberige jurkje nog wat anders om het lijf?”
—“Nee!” bekent ze met behoud van glimlach. “Begenadigd als we hier zijn met licht en zon, hoeven wij ons lichaam niet in achterlijke klederdrachten te verdrinken.”
—“Je hebt dus vrij spel”, zeg ik met vrolijk aplomb.
—“Inderdaad”, gniffelt zij. “En jij natuurlijk ook.”
—“Zomaar? Zonder moeilijkdoenerij?”
—“Wij, klassieke Grieken, hebben een ruim geweten en een onbekrompen geest”, verklaart ze onbevangen.

Niets belemmert nog de weg naar handtastelijkheden, dus maak ik onbeheerst aanstalten om haar onder de chiton te graaien …

… en dan rukt een opdringerig zoemende wekker me zuur uit mijn slaap. Ik vermoord het ding en probeer nieuwsgierig voort te dromen, maar het lustige meisje in de schamele chiton is verdwenen. Een dragonder van een wijf heeft haar plaats ingenomen en die haalt me opnieuw uit mijn dommel, want ik voel me volstrekt niet geroepen om een kenau onder de gewaden te graaien. Opstaan dan maar …

De maestro

batonIk mag graag gerenommeerde orkesten dirigeren en ik heb daar inmiddels grote bekendheid mee verworven. Zo stond ik bijvoorbeeld gisteren nog de wereldberoemde Wiener Philharmoniker in goede banen te leiden. Ook de vermaarde London Metropolitan en het niet te onderschatten National Symphony Orchestra doen geregeld een beroep op mijn vakkundige leiding. Klinkende namen, inderdaad. Met een op violen krassend strijkje uit Bommerskonten houdt deze jongen zich niet onledig.

Dirigeren is mijn lust en mijn leven, al verwacht men zoiets allerminst van iemand die geen noot muziek kan lezen en op een partituur enkel zwarte bolletjes met soms gevleugelde staartjes ontwaart. Als ik enigszins in form ben, vermag ik aan een blokfluit de eerste frase van ‘Te Lourdes op de bergen’ — do fafa la fafa — te ontlokken. Toen ik ooit een gitaar in handen kreeg, hielp ik binnen de vijf seconden twee snaren naar de kloten. Als ik echter in mijn bureau vertoef en me onbespied weet, durf ik me weleens aan minder gebruikelijke handelingen over te geven: tegen mezelf praten, luide scheten laten, in mijn neus pulken, navelpluizen verwijderen, me verlekkerd in het kruis krabben … en dirigentje spelen.

Omvangrijke symfonieorkesten lyrisch laten jubelen, is wat ik het liefst doe. Daar krijg ik een ongehoorde kick van. Als ik een cd onder het laseroog leg en mijn baton verhef — meestal is dat een ordinaire liniaal, al gebruik ik af en toe ook een elegantere chopstick — nemen mijn poezen de rol van aandachtige toeschouwers op zich. Ik besef ook wel dat ze die belangstelling veinzen, want het kan ze feitelijk geen ene moer verblotekonten dat ik daar als de malloot van het huis sta te gesticuleren, maar mijn katten zijn sluwe dieren en ze hebben ontdekt dat ik na een geslaagd optreden meestal in zo’n uitstekende bui ben, dat ik tijdens de receptie achteraf een blikje tonijn voor ze durf open te rukken. Helaas kunnen mijn katten niet applaudisseren, zodat ik genoodzaakt ben om de staande ovatie middels mijn fantasie te laten losbarsten, wat niet belet dat ik die toejuichingen dankbaar in ontvangst neem, terwijl ik elegant buigend de haarlokken à la Miss Piggy van The Muppets van mijn voorhoofd verwijder, want dat doen de echte dirigenten ook.

Op dit moment heb ik trouwens buitengewoon veel zin om piano te spelen. De cd met muziek van Chopin ligt al klaar. Ik hoef enkel nog mijn schrijftafel wat te ontruimen. Die zal straks mijn concertvleugel zijn. Een Steinway & Sons. Hoewel … een Bösendorfer of een Bechstein tokkelen ook lekker. Ja, soms ontpop ik me tot een echte klavierleeuw. Hadden jullie niet van me gedacht, hè?

Zweefkees

Ik heb hier al eerder mijn spitsbroeder Reinhold opgevoerd, meen ik me te herinneren. Toen hij me gisteravond een bezoek bracht, was hij opnieuw en nog maar eens in het gezelschap van onze malafide vrienden: Al Cohol en Marie Huana. Het duurde dan ook niet lang of we verkeerden in een milde staat van euforie, waardoor ik ras een drenkeling in mijn woordenstroom was:

─“Er was eens een eenzame traan,” mijmerde ik, “die uit een bedroefd oog vloeide en langs een doorgroefde wang naar beneden biggelde, maar opeens kwam de vinger die hem wegpinkte en hem aldus verpletterde, en toen huilde die traan een eenzame traan.”
─“Wat is dat nu weer voor nonsens bijsterbaarlicus?” vroeg Reinhold, naar me opkijkend.
─“Nonsens bijsterbaarlicus!? Het is een sprookje: het zeer wrede en enigszins lugubere sprookje van de traan. Wellicht rolt er vannacht pathos uit de duisternis van het bos dat ons omsingelt, waardoor ik van dichtvuur blaak.
─“Ik begin nu toch werkelijk het ergste te vrezen,” schuddekopte hij.
─“Merel Merlijn had gedoucht onder de gazonsproeier en schoof het geheime luikje open in de bodem van zijn nest. Uit de bergruimte daaronder diepte hij een harpje op, waarop hij verheugd begon te tokkelen en werkelijk, hij bestond het om bijzonder fraaie tonen aan dat piefje te ontfutselen. Zesentwintig bomen verder hoorde Rebecca, de eekhoorn, die welluidende melodie opklinken en terwijl haar gemoed volschoot, zette ze haar speldenwerkkussentje met de talrijke klosjes en het ingewikkelde patroontje van haar wat stramme dijen. Uit een laatje in de boomtak toverde ze een glinsterend triangeltje en een blinkend staafje te voorschijn. Ze luisterde even nauwgezet en tikte toen, precies in de maat, met de harp mee …”
─“Een speldenwerkkussentje?!” Vertwijfeling maakte zich meester van mijn huisgenoot. “Ik lig hier naar het grillige prentenboek van mijn fantasie te kijken en ondertussen kieskauw jij over een eekhoorn die Rebecca heet. Een triangeltje in godsnaam!”
─“En dan was er nog Sulejman, de veldmuis, die in een afgedankte molsgang zijn cimbaaltjes weggemoffeld had. Sulejman hoorde het harpje en daarna ook het triangeltje, en haastig verliet hij het akkertje, waar hij net zijn radijsjes besproeid had …”
─“Zo maf als een kruk!”
─“Zulma, de bidsprinkhaan …”
─“Zo dement als een deur! Wil je weleens ophouden met die onzin!”
─“Theofiel, het kalandertje …”
─“En de hele reutemeteut! Heb ik van mijn leven! Ben jij nu zat of zot?”
─“Dan vertel ik over de eenzame traan, die door een boosaardige vinger weggepinkt en verpletterd was, en een stille traan baarde in pijn van weeën. Die nieuwe, stille traan dreef op brede golven van tomeloos verdriet naar …”
─“Is ‘t nu gedaan, ja?! Jij vertelt niks meer!”
─“Ze had nochtans mooie blauwe ogen …”
─“Wie?”
─“Het meisje in Palermo, dat helemaal alleen op de kade stond toen ik op een milde zomeravond per schip naar Napels vertrok. De boot verliet zachtjes de schilderachtige baai met de vele lichtjes en hij toeterde trots — pwoooooot! — als een echte stoomboot, maar dat was hij niet. Nee. Hij was een hele moderne boot, met …”
─“Het zijn waarschijnlijk mijn zaken niet, maar wanneer ben jij eigenlijk zo ongelukkig op je achterhoofd terechtgekomen?” smoezelde hij.
─“Och … ik ben al van bij mijn geboorte total loss. Compleet kierewiet, gek in folio en in hoge mate ontoerekeningsvatbaar. Ze hebben me met de tang gehaald, moet je weten. De obstetricus, da’s de verlosser, die dat niet bepaald ingenieuze grijpijzer — een forceps heet zoiets, geloof ik — moest bedienen, was zwaar aan de drank. Hij zoop als een tempelier, met alle gevolgen van dien, want uitgerekend de morgen van mijn vreugdevolle aanschouwing van het levenslicht had hij nog geen spatje kunnen verschalken, omdat men hem van hogerhand met een stagiair opgescheept had: zo’n leergierige gozer met een ziekenfondsbrilletje, die hem volgde als een schoothondje en zijn doen en laten met haviksogen gadesloeg. Zijn lichaam smeekte bevend om een dosis alcohol en met moeilijk te besturen hand bracht hij die tang bij mijn moeder binnen, om daar mijn hoofdje te omvatten. Laat hem op dat moment een enorme tremor krijgen en met dat instrument rammelen als met een kloterspaan. Mijn jonge hersentjes klotsten heen en weer in mijn schedel en bleven in allemaal van die idiote kronkels liggen. Da’s nooit meer goed gekomen.”

Reinhold keek me aan alsof ik hem een oneerbaar voorstel had gedaan en ik genoot van de verbazing die ik oogstte.
─”Hoe haal je ’t in vredesnaam in je bolle kop?” prevelde hij en hij schudde meewarig het hoofd, maar desalniettemin bleef hij me gaarne zien.

Pretsigaret

Ik had een vriend van me op bezoek, Reinhold, met wie ik enkele biertjes likte en aan een paar stevige joints lurkte. Hoewel ik in hevige mate aan hoogtevrees lijd, ben ik hoegenaamd niet bang om high te worden. Zoals sommigen van jullie ongetwijfeld weten, kan een dergelijke toestand de geest bijzonder dartel maken. Toen dat bij mij het geval was, besloot ik een grap te vertellen … over een butler … En Reinhold luisterde ingetogen naar wat ik te vertellen had.

─“Lord Spacecake woonde sinds jaar en dag in het Lake District,” stak ik van wal, “helemaal in het noorden van Engeland en meer bepaald in het stadje Cockermouth. Hij had een butler.”
─“James!” gniffelde mijn gezel.
─“Nee!” steigerde ik. “Hij heette Rogaciano.”
─“Christus!” siste Reinhold.
─“Bijlange niet!” speelde ik ergernis. “Gilipollas! Rogaciano Gilipollas.”
─“Ook goed”, sputterde hij. “Roga… dinges … Vanzwiereltruis.”
─“Het is inderdaad geen eenvoudige en nog minder een courante naam,” vervolgde ik welgemoed, “maar je moet weten dat die butler, Rogaciano Gilipollas dus, een soortement gastarbeider was. Hij kwam uit een ver buitenland, helemaal uit Mexico, waar hij gedurende vele jaren deel had uitgemaakt van een mariachi-orkest, in de hoedanigheid van meesterlijk snarenplukker van een guitarrón … dat is zo’n flink uit de kluiten gewassen stuk jammerhout … een reuzengitaar en otras palabras. Enfin … Op zekere dag had hij last gekregen van een hernia umbilicalis, wat het Latijnse equivalent is …”
─“Meneer spreekt talen!” proestte Reinhold en vanwege de milde staat van euforie waarin wij verkeerden, gaf die onnozele opmerking aanleiding tot een minutenlange lachkramp.
─“… wat het Latijnse equivalent is voor hetgeen wij in de wandeling een navelbreukje noemen”, nam ik de draad weer op. Reinhold richtte zich met een ruk op en staarde me ongelovig aan. Ik glimlachte sereen. “Dat euvel speelde hem al sinds zijn geboorte parten,” was er me geen spinnenweb voor de mond gewassen, “maar werd nooit goed verzorgd, omdat zijn ouwelui arme keuterboertjes waren, die in de Bolsón van Mapimi — dat is een hete en onvruchtbare dalkom in de Mexicaanse staat Chihuahua, waar ook dat beroemde preutenlikkertje … eh … dat op vagina’s beluste hondje vandaan komt — in die godverwaten streek dus bezaten zij, Rogaciano’s ouders, een klein hoevetje, un ranchito met andere woorden, waar zij voor eigen gebruik wat schrale akkergewassen verbouwden en een magere koe … eh … koesterden …”
─“Ben jij nu helemaal van god los?!” riep Reinhold. “Wat zit jij opeens uit je nek te kletsen en over keuterboeren en een magere koe? Dat maakt toch allemaal geen zak uit!”
─“Toch wel,” protesteerde ik, “want die keuterboeren waren Rogaciano’s mama en papa, en hun koe had aan Sinterklaas een Tiroolse bel gevraagd, om rond haar nek te hangen en klingelend …”
─“De rapen zijn gaar!” schuddekopte hij.
─“Rapen kreeg ze nooit, die koe”, treiterde ik. “Rapen gedijden niet in het meedogenloze klimaat dat daar heerste. Meestal at ze …”
─“Cowabunga!” sudderde hij.
─“Da’s ook een mooie naam voor een koe,” gaf ik toe, “maar ze heette Mercedes.”
─“Al heette ze Toyota of La Vache Qui Rit!” ging hij bijna door het behang. “Wat salamandert dat?”
─“Op hun erf krioelde het van salamanders”, draafde ik door. “Ze glisten overal rond, maar de mooiste exemplaren, die gevlekte, hielden zich schuil onder de golfplaten waarmee …”
─“Kop toe of ik maal je tot pulp!” dreigde hij.
─“Gemalen pulp kreeg Mercedes dan weer wel en dat at ze graag …”
─“Basta!”
─“Wil je ‘t vervolg niet horen?” fleemde ik.
─“Je mag samen met die moeraskinkel van een butler …”
─“Elke avond hangen er feux follets boven het moeras”, wist ik niet meer van ophouden. “Dat zijn dwaallichtjes … en vaak ook van die giftige dampen. Dat noemen ze miasma …”

Hij sprong van de sofa alsof er onder hem een krachtige veer in werking trad, gooide de armen in de lucht en vluchtte joelend van me weg.
─“Ik ga rammen!” hoorde ik hem roepen. “Ik geef hem zo’n ram dat zijn kleren uit de mode zijn als hij bijkomt, maar eerst ruk ik hem de ogen uit de kop, zodat hij kan zien hoe ik hem in mekaar ram!”

Ik nodig jullie uit om het hier eerder gepubliceerde schrijfsel Krambamboeli, te lezen, waarin dezelfde hoofdrolspelers ─ Reinhold en ikzelf ─ Oostenrijk onveilig maken, door ons schromelijk te misdragen.

Een onvoltooid magnum opus

puzzelstukjeTijdens een digestieve avondwandeling werd mijn oog getroffen door een onderdeeltje van een legpuzzel, dat ooit veelkleurig was geweest, maar zich nu ietwat verflenst en ten prooi aan grote eenzaamheid op het asfalt neergevlijd had.
“Ach”, zei ik en ik loosde een ietwat meewarige zucht.

Jullie zullen het ongetwijfeld onnozel van me vinden dat ik bij zoiets stilsta, me de moeite getroost om daar een foto van te nemen en er nu zelfs een pennenvruchtje aan wijd. Ik kan het ook niet helpen dat zo’n kleine kleinigheid me in het gemoed grijpt. Het is een soort aanlegstoornis van me. Ik dacht namelijk meteen aan de persoon – opa Alzheimer of oma Dementieva – die met engelengeduld, heel veel enthousiasme en de moeite die eigen is aan de ouderdom een puzzel van wel honderd miljoen miljard stukjes probeerde ineen te flansen, om pas helemaal op het eind, na talloze jaren, vast te stellen dat er een stukje ontbrak. Als afknapper kan dat tellen.

“Jouw inlevingsvermogen is te groot”, beweerde mijn moeder altijd. “Dat zal je nog vaak vies tegenvallen.”
Ze had nog gelijk ook, maar dat kan ik haar helaas niet meer zeggen.

Weten jullie wat ik me nu ook nog zit af te vragen? Waarom denk ik bij een puzzel eigenlijk nooit aan kinderen?

Er zwaait wat

Kennissen van me, met wie ik overigens niet echt een geslaagde relatie onderhoud, vertrokken een jaar of wat geleden naar Japan. Ze keerden helaas ook terug en ze brachten zowaar een cadeautje voor me mee: een Maneki Neko. Kus nu mijn klooster!

Maneki Neko betekent Wenkende Kat en het is eigenlijk niet meer dan een zittende kattenfiguur, voorzien van een wuivende poot, die men in het Verre Oosten algemeenlijk als een talisman beschouwt. Zo’n beeldje kreeg ik dus en men drukte me op het hart dat ik er nauwlettend op moest toezien dat het pootje in beweging bleef, want als het zwaaien ophield, kon dat weleens heel kwalijke gevolgen voor me hebben.

Het geval heeft eerst een tijd op mijn schrijftafel gestaan, maar dat rusteloze armpje werkte af en toe behoorlijk op mijn systeem. Bovendien beschouwden mijn echte poezen het wuiven als een soort uitnodiging om te stoeien. Aanvankelijk beperkten ze zich tot het uitdelen van wat speelse tikken, maar ze werden met de dag driester en toen mijn fetisj op een keer een optater van je welste kreeg, kon ik die maar net van een regelrechte doodsmak redden.

Sindsdien staat het ding op een veiliger plek. Weliswaar moet ik er om de twee weken een vers batterijtje in onderbrengen, want het is een bijzonder gulzig energievretertje, maar dat weegt natuurlijk niet op tegen het geluk dat hier op onstuitbare wijze langs deuren en ramen blijft binnenstromen. Ik kan het werkelijk niet op en helaas kan je voorspoed niet oppotten, om het te gebruiken als het eens wat minder gaat, zoals bijvoorbeeld gisteravond …

Het zal rond een uur of negen geweest zijn dat het zwaaiende pootje plots stilviel. Ik repte me naar de lade waarin ik batterijen bewaar, om daar te ontdekken dat ik door mijn voorraad heen was. Ik haalde de schouders op en schoof nogal nukkig de lade dicht, waardoor ik de hele kast een schok bezorgde en het labiele evenwicht van een kaars in een kandelaar dermate verstoorde, dat die aanstalten maakte om te gronde te storten. Ik probeerde dat te verhinderen, maar haperde onderweg aan een ander ornament, zijnde een loodzware en uilvormige boekensteun van marmer. Die vogel daalde gezwind neerwaarts en streek neer op mijn grote teen, die bloot was en derhalve onbeschermd.

Ik stond wat te dansen en toen ik uitgedanst was, ben ik naar de nachtwinkel in het dorp gewandeld. Daar heb ik batterijen gekocht en veel te duur betaald, maar mijn Maneki Neko wuift weer met zijn pootje en de fortuin lacht me toe.

En maar zwaaien en maar blij kijken …

ManekiNeko

Apocalyptische slachtpartijen

De nachtvertoningen tijdens mijn slaap beginnen me te beknellen. De ongenode wezens die mijn dromen bevolken, zijn vaak echte griezels. Soms ben ik getuige van gorgonische taferelen. Dat benauwt flink. Bovendien ontpop ik me regelmatig tot een grotere schoft dan Attila de Hun ─ de Gesel Gods ─ die verstoken van elke moraal het absolute kwaad belichaamt.

Zo maakte ik onlangs een oud vrouwtje van kant. Ik meen het! Ik herinner me niet welk strobreed ze me in de weg legde, maar toch heb ik haar gewurgd. De beelden ervan staan ten eeuwigen dage op mijn netvlies gegrift en neem gerust van me aan dat het geen verheffend schouwspel is. Vervolgens verstopte ik het lijk achter een houtmijt, die zich in het echt op nog geen kilometer van mijn deur bevindt en waar ik dus regelmatig aan voorbijkom. Sinds die droom durf ik nog nauwelijks naar de opeengestapelde stammetjes te kijken en voel ik telkens hoe een koude klauw me in de nek grijpt.

Vannacht heb ik een terroristische aanslag gepleegd. Ik bracht een bezoek aan het Atomium ─ de Brusselse Eiffeltoren met ballen ─ en plantte daar een bom. Op veilige afstand sloeg ik de ontploffing ervan gade. Nou moe, dat was niet gering … maar toen rolde opeens een van die reusachtige bollen in sneltreinvaart mijn richting uit. Ik kon die niet ontwijken …

Nu ben ik dus dood. En wakker!

De wondere wereld der kaarsen

wonderkaarsOoit heb ik van een bejaarde non ─ bestaan er eigenlijk jeugdige exemplaren? ─ een kaars gekregen, die volgens haar zeggen aanleiding tot wonderbaarlijke gebeurtenissen kon geven. Ze had het ding meegebracht van een bedevaart naar Czẹstochowa in Polen, waar het klooster van Jasna Góra een oude icoon met een Madonnafiguur herbergt, die zowaar magische kunsten bewerkstelligt en dientengevolge aan grote verering onderhevig is. De kaars was in aanraking geweest met dat miraculeuze schilderijtje en daarom eveneens een bron van verbazingwekkende manifestaties. Tja, we willen met zijn allen toch zo graag de grenzen van de realiteit overschrijden …

Vrijdagavond viel hier plots de stroom uit. Bijgestaan door een aansteker, waaraan ik binnen de kortste keren mijn vingers brandde, stommelde ik naar de schakelkast. Aangezien alle hefboompjes nog in goede orde opgesteld stonden, mocht ik aannemen dat de oorzaak van de panne buitenshuis lag, dus was het wachten geblazen tot men het euvel hersteld had. Ik rommelde in de lade waarin ik, onder veel meer, kaarsen pleeg onder te brengen en kreeg als eerste dat Poolse exemplaar in handen. Hoewel het toverartikel met veel gesputter en vrolijk druipend brandde, gebeurde er niets dat ik als wonderlijk kon bestempelen. Na ongeveer een kwartier floepten de lampen aan en kon ik, letterlijk een zucht van verlichting slakend, de kaars doven.

’s Anderendaags kocht ik echter een kraslotje bij de krantenboer en tot mijn grote gelukzaligheid ontblootte ik daarop het bedrag van € 250. Het is me nooit eerder overkomen. Daarom zal ik die kaars vanavond geen vijftien minuten, maar een vol uur laten branden en morgen koop ik opnieuw een subito-prestootje.

De wonderen zijn de wereld niet uit. Nu ik erover nadenk … Ik ben eigenlijk al eens eerder het slachtoffer … nu ja, de gunsteling geweest van een onverklaarbare tussenkomst van hogerhand, maar dat vertel ik jullie wel bij een volgende gelegenheid.

Een mens zou warempel aan zijn ongeloof beginnen twijfelen.