Tag: fantasie

In stijgende lijn bergafwaarts

Ik krijg bijna nooit cadeautjes, zelfs niet met nieuwjaar of als ik jarig ben. Het is te treurig voor woorden en soms raak ik in grote droefenis. Daarom bestel ik zo nu en dan iets op internet, zodat ik me op de komst van een pakjesdrager kan verheugen en blij, ja zelfs geveinsd verrast reageer als hij of zij het presentje aanbiedt. Ochgottegot! Hoe zielig is dat?! Ja, een mens doet wat in zijn wanhoop.

De levering van zo’n pakje wordt steevast voorafgegaan door een aankondiging van de koeriersdienst in kwestie. Ze delen je per e-mail mee wanneer je hun bezorger mag verwachten: meestal is dat tussen 8 en 18.45 uur. Christene zielen! Je zal erop zit te wachten!

Meestal vermag ik dat popelen uit te zitten tot een uur of tien, maar dan komt er een eind aan mijn uit ijzig gletsjerwater opgerezen ascese. Dan moet ik opeens nodig naar de wc, of voel ik me plots geroepen om mijn tanden te poetsen, vaat te wassen, pannen met etenswaren op het fornuis te poten, of om wat letters op papier te gooien. Je zult het nooit anders zien: net als ik neergestreken ben op mijn porseleinen pony om de geit te verzetten of een bout uit te draaien, of als ik me schuimbekkend bij de wastafel in de badkamer ophoud, de handen vol heb met vuil keukengerei, of potten bewaak die op het vuur staan klaar te komen, of bezig ben mijn vulpen met inkt vol te zuigen … uitgerekend op zo’n moment weerklinkt de deurbel die de komst van mijn pakje aankondigt.

Dan slaak ik een putdiepe zucht van gespeelde verontwaardiging, omdat ik schijnbaar ten zeerste verongelijkt ben dat men bij me aanbelt op een ongelegen moment, terwijl ik wel wat anders te doen heb dan prutsdingen in ontvangst te nemen. Ik kom immers handen te kort en heb gewoon een natte rug.

Volgens mij doen ze het expres. Ik denk dat ze mij bespioneren.

Daar slaap je lekker op

Ik weet niet of ik het las of hoorde, maar ik liet me in alle geval wijsmaken dat het nuttigen van twee kiwi’s, voor men in de korf kroop, in niet geringe mate de kwaliteit van de slaap bevorderde.

Nu heb ik geenszins te klagen over mijn favoriete nachtelijke bezigheid, maar aangezien ongeveer alles voor verbetering vatbaar is, besloot ik me aan een experiment te wagen en de proef op de som te nemen: gisteravond verorberde ik twee van die exotische vruchten en ging toen naar Kaatje in de Wolstraat.

Het duurde niet lang of ik tuimelde in de armen van Morpheus en opende het grillige prentenboek van mijn dromen.

In de tot de nok gevulde Carnegie Hall in New York ontpopte ik me tot een heuse klavierleeuw en het was geen tangelen wat ik deed, want ik gaf zo maar eventjes een sublieme versie van het aartsmoeilijke derde pianoconcerto van Rachmaninov ten beste. Ik was net met een waarlijk briljante uitvoering van het cadenza bezig ─ er zit een ontspannen drafje in dat onderdeel en mijn vingers bewandelden de toetsen op virtuoze wijze ─ toen het deksel van de concertvleugel die ik bespeelde met een oorverdovende klap naar beneden kwam, waardoor ik ontwaakte. Ik noteerde snel wat ik beleefd had en droomde vervolgens nieuwsgierig verder.

Niettegenstaande mijn hoogtevrees en mijn nogal onstandvastig evenwicht beklom ik de hoogste alp van Oostenrijk, met name de Großglockner. Toen ik uitgeput de top bereikte, verwelkomde men me daar met een niet te onderschatten kanonschot, waar ik dusdanig van schrok dat ik van die berg kukelde en zodoende opnieuw brutaal uit mijn slaap gerukt werd, hoewel ik normaliter met geen kanon wakker te krijgen ben. Ik bleef vervolgens naarstig dromen.

Ik danste tap … eh … ik tapdanste à la Fred Astaire en oogstte daar ergens een laaiende, staande ovatie mee, waarna ik als toemaatje een Ierse stepdance ten beste gaf, waar Riverdance een punt kon aan zuigen. Helaas kreeg ik tijdens dat harkerig huppelen kramp in de kuiten en door die lancinerende pijnscheuten ging ik af als een gieter, want ze haalden me wederom uit mijn dommel.

Niet veel later daalde ik in adamskostuum af in een loeder van een bubbelbad, waarin zich reeds een half dozijn waarlijk bloedmooie huppelkutjes ophielden, die enkel een uitdagende glimlach droegen en er zeer beschikbaar uitzagen. Begeerte suisde door mijn bloed en ik liet gezwind een derde arm groeien, zodat …

… ja, zo kan ik nog wel even doorgaan, maar lang verhaal kort: het nuttigen van kiwi’s voor het slapengaan bezorgt je dromen waaraan geen werkelijkheid kan tippen, maar eveneens een schier rusteloze nacht. Voortaan eet ik een banaan voor ik me te ruste leg. Of twee.

Prutswerk

Mijn beroepsbezigheden behelzen vooral het vertalen en redigeren van wat anderen geschreven hebben, maar af en toe durf ik me ook te bezondigen aan hetgeen men in jargon copywrting noemt ─ we kunnen het Engels niet laten ─ maar in feite niet meer is dan tekstschrijven voor reclamedoeleinden.

Ik leg dan ook enige belangstelling aan den dag voor hetgeen anderen op dat gebied presteren en uit hun mouw schudden. Soms zitten daar waarlijk bloedmooie pareltjes tussen, die boven alle kritiek verheven zijn en me niet alleen met niet aflatende bewondering vervullen, maar me bijwijlen zelfs met afgunst opzadelen. Niets menselijks is me vreemd.

Anderzijds wordt ik zo nu en dan geconfronteerd met regelrechte vehikels: misbaksels die zo stuntelig in elkaar gehikt zijn dat ik er bijna van gaan kotsen. Bewaar me, zeg!

Zo erger ik me bijvoorbeeld blauw aan het gewrocht … eh … gedrocht waarmee SodaStream uitpakt, om aan de kijker een toestel te slijten, dat ordinair leidingwater in verfrissend bruisend water verandert. Ga d’r maar aan staan!

SodaStreamAls pleitbezorgster in dezen voeren ze een ongehoord onbeschofte en niet eens tot wasdom gekomen helleveeg op. Dat feeksje wijst haar met petflessen zeulende vader terecht en eist dat hij zich zo’n bruiswatermaker aanschaft, teneinde het milieu te ontlasten. Daar valt wat voor te zeggen, maar door de uitermate botte manier waarop ze dat doet, zet ik meteen mijn stekels op. Als ik nooit ofte nimmer zo’n SodaStream zal kopen, is dat de schuld van dat kapsonelijertje. Wat een secreet, zeg!

O, wat beklaag ik de man die ooit met dat serpent in de huwelijksboot zal stappen. Daar komt gegarandeerd een vechtscheiding van.

Een ander reclamefilmpje probeert het afwasmiddel van Dreft wierook toe te zwaaien, maar sorteert bij mij een averechts effect door me zure oprispingen te bezorgen.

DreftEen jongetje, wiens ouwelui dat middel aangekocht hebben, wil graag de fles ervan ombouwen tot een ruimteschip. Het product blijft echter meegaan ─ ik kan dat beamen, want ik gebruik het al jaren ─ en die knaap vindt dat niet leuk, dus begint hij te jeremiëren en te zeuren dat het niet mooi meer is. Ik krijg er wat van en voel me steeds meer geneigd om dat zageventje naar het leven te staan alsof hij een giftig reptiel is, maar gelukkig raakt die fles toch leeg en kan hij overgaan tot het bouwen van … een uitermate wanstaltig ruimteschip. Het lijkt nergens op. Mens toch!

U bent nogal een patéke!

De vrouw ─ haar uiterlijk verried dat ze wel eens lekker gegeten had en ze was bovendien ingeduffeld alsof er een nieuwe ijstijd naakte ─ verliet de supermarkt en begaf zich met deprimerend gesjok achter een winkelkar naar haar auto, die zich in een uithoek van de parkeerplaats bevond. Ze merkte niet dat ze een van de door haar aangekochte artikelen verloor.

Een ietwat verfomfaaide man, die op enige afstand in haar kielzog dobberde, had dat wel in de gaten. Hij raapte de doos op en begon luidkeels namen te scanderen, wellicht omdat hij het mens van haar noch pluimen kende.
“Maria! Ingrid! Jeanine! Mechtilde!” riep hij met vrolijk aplomb.
De vrouw sloeg daar geen acht op. Ze keek zelfs niet achterom en vervolgde haar weg met kwalijke tred. De man zette de achtervolging in en bleef tevergeefs met namen strooien als Sinterklaas met pepernoten:
“Coleta! Marleen! Sophie! Juliana!”

Hij passeerde de plek waar ik mijn koffer stond vol te laden, keek me aan, haalde de schouders op en klaroende:
“Ze is voorzeker lesbisch, want ze luistert naar geen mannen.”

Ik lag in een deuk. Het scheelde echt niet veel of men moest me reanimeren. Er zijn van die mensen die nooit om een fint verlegen zitten en hij was duidelijk wat men hoofdschuddend ‘me er eentje’ noemt.

Ik behoor helaas niet tot die categorie. Ik moet altijd even mijn hersens interviewen voor ik met een enigszins geschikte riposte of een hilarische trouvaille op de proppen kom. Weliswaar niet zo heel erg lang, maar toch …

Wat zien ik?!

Een vriend stuurde me onlangs deze e-mail:

Tijdens een nachtelijke rit langs een in een Egyptische duisternis gedompelde weg word je plots geconfronteerd met hetgeen je op de afbeelding hieronder ziet. Hoe reageer je?

confrontaties

Enerzijds ben ik natuurlijk zo nieuwsgierig als een ekster. Ik weet graag van alles en iedereen het fijne. Ik wil dus gewis haring of kuit hebben van wat zich daar voltrekt.

Anderzijds ben ik ook een onversneden schijtlaars als mijn verstand geen raad weet met hetgeen mijn zintuigen waarnemen. Vooral dat tweede ‘ogenpaar’ linksboven boezemt me argwaan in. ‘Ze’ zijn blijkbaar met meerderen.

Ik denk dat ik stante pede rechtsomkeert maak en me als de vliegende reetscheet van dat onheilspellende tafereel wegspoed.

En jullie?

Nog even murmureren in 2018

Toen ik me met mijn fiets in Nergenshuizen bevond, ontstond er plots een verontrustend gedokker onder mijn kont. Hetgeen ik vreesde, werd bewaarheid: ik had een lekke achterband. Ik maakte luidkeels mijn ongenoegen kenbaar ─ ik reed immers op zogeheten lekbestendige banden ─ maar aangezien er zich geen levende ziel in de wijde omgeving ophield, was er niemand die dat hoorde.

Ik trok mijn mobieltje en telefoneerde naar de fietsbijstand van de VAB, want ik betaal die luiden ieder jaar € 45, teneinde vakkundige hulp te krijgen als mijn rijwiel het onverhoeds laat afweten. Ze zouden een mannetje sturen, maar het kon wel een uur tot vijf kwartier duren voor ik die zag opdagen, want het was heel erg druk in de wegenwachterij.

Vijf kwartier duurt lang, vooral als je blootgesteld bent aan weer en wind en nergens kunt gaan zitten, maar anderzijds kan en mag ik natuurlijk niet verwachten dat zo’n monteur me op stel en sprong uit de brand komt helpen. Net toen het vijfde kwartier op het punt stond te verstrijken kreeg ik een sms-bericht dat me mededeelde dat ik nog een halfuurtje langer geduld zou moeten oefenen. Ik loosde een putdiepe zucht en er ontsnapte een vloek aan mijn mond, maar nog steeds was er niemand die dat hoorde.

Vijfentwintig minuten later verscheen de wegenwachter en hij verstond zijn vak, want binnen de kortste keren barrebokste hij de klus en dat deed hij met verbluffende handigheid en bijna achteloze zwier.

Een dag of wat later verzocht VAB me per e-mail om een beoordeling van de tussenkomst. Ik gaf een acht op tien. Als ik louter de monteur had moeten evalueren, zou ik die zeker met een tien bedacht hebben, maar het lange wachten zette een domper op mijn cijfer.

Het weer was me gelukkig goedgezind geweest, want in anderhalf uur kan er veel gebeuren en regende het de hele tijd op zeer doeltreffende wijze, weerklonk de loeiende spotlach van stormwind, graaiden er gretige bliksems door de lucht, veranderde sneeuw het mij omringende landschap in een kerstkaart, vroor het stenen uit de grond, deed een aardbeving de wereld rondom mij stuiptrekken, kreeg een vulkaan het danig op zijn heupen, donderde er een tsunami of een lawine op me af, raakte ik ondergedompeld in een schuimbekkende overstroming, zakte ik weg in een reusachtig zinkgat …

De rampen zijn de wereld niet uit. Het zijn allemaal dingen die kunnen gebeuren. Ook in West-Vlaanderen. Zeker in West-Vlaanderen. Vooral in West-Vlaanderen.