Tag: zelfspot

Bemoeial

De bel gaf lament; het rode licht begon te knipogen en de slagboom zeeg neerwaarts. Het kon haast niet anders of er zat een trein aan te komen, dus vond ik het raadzaam om de remmen dicht te knijpen en halt te houden. Een nogal luidruchtige groep wielertoeristen, die luidkeels naar massageolie stonken, volgde mijn voorbeeld.

De trein raasde voorbij, maar het rode licht knipoogde lustig verder en ook de slagboom week geen voetbreed, wellicht omdat er een tweede exemplaar in aantocht was.
─”Ja, zo gaat ons gemiddelde natuurlijk steil de dieperik in”, gaf een van de recreatieve fietsers lucht aan zijn misnoegen daaromtrent en hij staarde naar een op zijn stuur bevestigd instrumentje, waarop zijn prestaties in cijfers omgezet werden.
─”Als ik jou was,” meesmuilde ik, “zou ik die bel en die slagboom straal negeren en doorrijden. Veel kans dat je gemiddelde dan steil de hoogte inschiet.”

Hij kon daar niet mee lachen, maar slaagde er niet in om een gepast weerwoord te verzinnen. In plaats daarvan keek hij me aan alsof ik een giftig reptiel was. Zijn gezicht verried dat ik een kopstoot van hem kon krijgen. Zelfs meer dan een.

Ik zal nu toch eindelijk eens moeten leren om mijn klep te houden. We beleven immers wrede tijden en de mensen hebben tegenwoordig steeds langere tenen. Het zal nog eens zo gaan dat ik de krantenkoppen haal, wegens een confrontatie met dodelijke afloop.

Sul die ik ben!

Ik gaf mijn fiets opdracht halt te houden bij een aardbeienautomaat en hij gaf gewillig gehoor aan dat verzoek.

“De aangeboden aardbeien komen rechtstreeks van bij een Vlaamse teler”, verkondigde een bord in grote, onbeholpen letters.

Dat was alleszins mooi meegenomen. Ik ben zeer begaan met het welzijn van Vlaanderen en besloot derhalve over te gaan tot het kopen van zo’n bakje Vlaamse aardbeien.

Nu heb ik de ballen verstand van automaten, dus stond ik even op dat gevaarte te kijken als een uil op een kluit, want niet gehinderd door enige kennis van zaken, waarna ik de gebruiksaanwijzing van de machine raadpleegde.

“Koop geen lege vakjes!” luidde de eerste regel.
“Wie koopt er nu een leeg vakje?” mompelde ik hoofdschuddend. “Daar moet je toch een achterlijk ezelsveulen voor zijn.”

Ik las verder:
– gooi je munten in de gleuf;
– gebruik de pijltjestoetsen om het vakje met het door jou gewenste product voor het venster te brengen;
– open het venster en voorzie je van je aankoop.

Mijn munten, ten bedrage van € 4, gleden in de gleuf. Ik begon op de pijltjestoetsen te drukken, maar die bezigheid werd verstoord door een automobilist, die achter me stopte en naar de weg vroeg. Ik gaf hem tekst en uitleg, aarzelde niet om zelfs een beetje te wijzen, draaide me om en … verstrooid als ik was, sloeg ik de eerste regel van de handleiding in de wind, schoof het venstertje open en behoorde gelijk tot het ras van de achterlijke ezelsveulens, want ik kocht toch wel een leeg vakje zeker!

Ze moeten me met rust laten als ik me met een automaat bezighoud.

Alsof de duivel, of wellicht mijn engelbewaarder, ermee speelde, dwarrelde er iets verderop een biljet van € 5 over het asfalt. Zo werd het toch nog een aangename en zowaar winstgevende lentedag.

De trage afgang (2)

Ouder worden is een ramp die steeds weer toeslaat.

Enkele dagen geleden doorvoer mij enige trots toen ik hier nogal boud beweerde dat ik mijn lijf behoorlijk aan de praat houd. Ik ben wat voorbarig geweest, want nu is mijn linkerschouder opeens een beetje in de versukkeling geraakt.

Ik ben er niet mee naar de dokter geweest, omdat hij me wellicht een ouwelullengevoel zal geven, door te zeggen dat ik op mijn leeftijd rijp ben voor wat jicht onder de leden. Dat wil ik liever niet horen. Ik ben nog lang niet te oud om nog op een geloofwaardige manier aan het begin van iets groots en meeslepends te staan.

In plaats daarvan heb ik me tot de apotheker gewend. Hij heeft me een zalf meegegeven, die ik iedere dag een paar keer op mijn schouder dien aan te brengen. Dat is allemaal goed en wel, maar het pijnpunt situeert zich uitgerekend op dat ene plekje dat mijn vingers niet kunnen bereiken, noch van boven af, noch van onderen uit. Ik heb me in talloze bochten gewrongen en zeer plastische poses uitgeprobeerd, maar daar ben ik mee opgehouden voor ik helemaal in een knoop raakte. Daar sta je dan als vrijgezel. Ik probeer de zalf nu met een kwastje aan te brengen en uit te strijken, maar dat resulteert telkens in een regelrechte kliederboel.

Bovendien heb ik net ontdekt dat ik krek dezelfde tube zalf ook via internet kan aankopen, voor zo maar eventjes zes euro minder.

Door dat alles ben ik nu in een humeur dat me naar een drankhol kan drijven.

Ik zal het nooit meer doen

Het was opgelegd pandoer dat ik de verleiding niet zou kunnen weerstaan en er veel geld zou laten, maar toch had ik het volste vertrouwen in de goede afloop van mijn onderneming. Ik blijf mezelf als een rots in de branding beschouwen.

Ik mag onder geen beding binnentreden in de handelszaken waar men papierwaren, schrijfgerief of boeken verkoopt. Zoals ik hier al eerder verklapte – lees in dit verband ‘t Kan ooit van pas komen – worstel ik met een verslaving, waardoor ik op heden de rechtmatige eigenaar ben van honderden vul- en kogelpennen, van metershoge stapels papier en van duizenden boeken. Ik overdrijf geenszins.

Laat ik nu een e-mail krijgen van Toerisme Limburg, met de mededeling dat ik een gratis exemplaar van hun nieuwste vakantiegids – meer dan 330 inspirerende pagina’s – mag afhalen bij een krantenboer naar keuze.

Nog dezelfde dag verneem ik dat het bekroonde jeugdboek ‘Kruistocht in spijkerbroek’ van Thea Beckman voor slechts € 2,50 beschikbaar is in alle boekwinkels, in het kader van van de campagne ‘Geef een (prenten)boek cadeau.’

Niettegenstaande mijn verslaving, edoch met het vaste voornemen om me aan te lijnen, begaf ik me naar een boekhandel, annex tijdschriftenafdeling. Ik eigende er me de gratis Limburggids toe, voorzag me van het goedkope boek, begaf me naar de kassa … en besloot toen om toch nog even rond te kijken en in de roesverwekkende geur van nieuwe boeken te verwijlen.

Ik heb het pand verlaten met het goedkope boek, met de gratis gids … en met een ‘Wachtwoorden notitieboek’, met ‘Mijn verhaal’ van Michelle Obama, met ‘Mythos’ van Stephen Fry en met ‘Helden’ van dezelfde auteur.

Hoewel ik me voorgenomen had om slechts € 2,50 te besteden was ik toch bijna € 100 armer.

Ik ben een zwakkeling. Hoe ben ik er in vredesnaam tien jaar geleden in geslaagd om probleemloos met roken te stoppen?

boeken

Wassen en smeren

Ik heb me ooit door de televisie laten vertellen, of wijsmaken, dat het dagelijks innemen van een lepel olijfolie zeer bevorderlijk zou zijn voor het algemeen welbevinden van de persoon die zich eraan overgeeft, wat ik nu dus iedere ochtend doe. Jullie horen me niet beweren dat het mijn kostje is, maar iets wat de gezondheid begunstigt, hoeft niet per se lekker te zijn. Bitter in de mond, maakt het hart gezond. Je kunt in het leven niet alles hebben.

Toen ik vanmorgen aanstalten maakte om me van dit ritueel te kwijten ging plots de telefoon: niet het mobieltje dat ik bij de hand had, maar het vaste toestel dat zich in mijn werkkamer bevindt. Ik ontdeed me snel van de fles olijfolie door die op het aanrecht achter te laten, waarna ik me naar mijn bureau begaf, teneinde daar mijn oor te luisteren te leggen.

Luttele minuten later stond ik opnieuw in de keuken. In gedachten verzonken door de ietwat onheuglijke tijding die ik net te horen had gekregen, liet ik een lepel vollopen, ledigde die in mijn mond … proestte het uit en riep: godgloeiende godverdomme!

Ik had me namelijk van fles vergist en mezelf afwasmiddel toegediend. Ik vermoed dat dit niet zo gezond is als olijfolie, zelfs al was het Dreft, dat een uitstekend product is.

Ik ben blijkbaar nog verstrooider dan ik dacht.

olijf-dreft

Lof der zotheid

“Het zotte rijst met den hoogdag”, placht mijn moeder te zeggen, toen zij nog leefde en ik nog klein en boosaardig was. Ik heb altijd al een hommel in het hoofd gehad en het moet zijn dat die in de buurt van een kerkelijke feestdag wat heviger bromde dan anders en zo deze Vlaamse wijsheid aan de mond van mijn ma ontlokte.

Mijn moeder is ondertussen heel lang dood en zelf ben ik inmiddels al geruime tijd van mijn jeugd bekomen, maar als een hoogdag hoogtij viert, krijg ik nog steeds vlagen van zotheid te verwerken. Zo blaak ik tijdens deze kerstdagen van dichtvuur en heb ik opeens heel veel zin om een politiek getint hekeldicht te schrijven. Dat is des te merkwaardiger, omdat ik absoluut niet voor dichter in de wieg gelegd ben.

Gelukkig rijmt Rutten op trutten, Calvo op salvo en Peeters op mee-eters. Dat schiet aardig op. Als ik nu ook nog een geschikt rijmwoord vind voor Beke en Almaci staat niets nog het welslagen van mijn zotte inval in de weg, want Theo Francken hoort niet thuis in een hekeldicht van mijn hand. Ik zal hem een plaats geven in het lofdicht dat ik ter gelegenheid van de volgende hoogdag zal schrijven.

Jup!

Het gebeurt niet zelden dat ik tijdens mijn fietstochten personen ontmoet die me kennen. Dat blijkt uit hetgeen ze me tijdens het voorbijrijden toeroepen. Deze confrontaties vinden meestal dicht bij huis plaats, maar soms hoor ik ook mijn naam weerklinken als ik me op grote afstand van mijn woning bevind, soms wel vijftig kilometer, of een enkele keer zelfs meer.

Wat wil nu het geval? De mensen die me zo enthousiast met een saluut bedenken, behoren vrijwel altijd tot het soort fietsers die we in de wandeling als wielertoeristen omschrijven. Ze kleden zich dan ook overeenkomstig de usanties van deze volksgroep: huidstrakke spandex, stoere helmen en zonnebrillen met spiegeleffect.

Het zijn precies de helmen en brillen die voor problemen zorgen en het herkennen van de persoon in kwestie bemoeilijken. Meestal heb ik er geen idee van wie er achter die vermomming schuilgaat en dat irriteert me mateloos.
“Jup!” roep ik dan, want dat is een Vlaamse groet die volkomen neutraal is en geen uitsluitsel geeft omtrent het al dan niet herkennen van de ontvanger ervan.
Als ik dan mijn weg vervolg, blijft dat dusdanig door mijn kop malen dat ik nog amper van mijn fietstocht geniet en nauwelijks oog heb voor de mij omringende natuur.

Ik heb ter gelegenheid van Halloween een masker gekocht, hoewel ik zo’n ding hoegenaamd niet nodig heb om er angstaanjagend uit te zien. Misschien moet ik dat geval voortaan opzetten als ik ga fietsen, zodat niemand me nog herkent en me dientengevolge met een groet bedenkt.

Doen!

En voort raast de tijd

smicobHeb ik jullie al eens verteld dat ik de eigenaar ben van wat men eertijds een kunstenaarskop placht te noemen? Neen wellicht. Hoe men zo’n artistiek hoofd tegenwoordig omschrijft, weet ik niet, maar ik heb het over door een nogal woeste baard en knevel omkroesde lippen en de rebelse haardos van iemand die verslaafd is aan opstijgende helikopters.

Een aantal jaren geleden begon het me tijdens mijn sessies in de badkamer op te vallen dat er kerkhofbloemen tevoorschijn kwamen. Kennen jullie die uitdrukking? Het is een ietwat eufemistische manier om het opduiken van grijze haren te verdoezelen. Aangezien ik de schadelijke tijd met alle mogelijke middelen op een afstand probeer te houden, verkeerde ik vrij lang in een ontkenningsfase, maar omdat het proces in een stroomversnelling leek te raken, kon ik mezelf niet langer voorliegen dat ik jong was. Ik ben op m’n retour en heb meer verleden dan toekomst.

Inmiddels zijn zowel mijn koptooi als mijn kincreatie juichend blond, om het woord leliewit niet te gebruiken. Ik had het liever anders gewild, maar het is niet anders en laten we wel wezen: het zou zijn charmes hebben, ware het niet dat men me voortdurend met de feiten meent te moeten confronteren door me een ouwelullengevoel te bezorgen.

Verleden week wandelde ik langs een hoog gebouw, waarop zich een jonge dakwerker bevond, die het verrichten van beroepsbezigheden onderbroken had om een sigaretje op te steken. Hij keek op me neer en riep:
“Dag opa!”
Ik keek naar hem omhoog en antwoordde:
“Sneeuw op het dak betekent niet dat de kachel niet brandt.”
Daar had hij niet van terug, want hij zweeg.

Eergisteren diende ik tijdens een fietstocht een vader met twee kinderen te kruisen. Omdat we ons op een nogal smalle weg bevonden, gebood hij zijn kroost om achter elkaar te rijden teneinde …
“de Kerstman door te laten.”

Nu ja … het is lang niet altijd een kommer en een kwel. Toen ik vanmorgen bij de groenteboer binnenstapte, begroette hij me met een joviaal …
“Dag jonkheid!”

Er is nog hoop.