Tag: recreatie

Bemoeial

De bel gaf lament; het rode licht begon te knipogen en de slagboom zeeg neerwaarts. Het kon haast niet anders of er zat een trein aan te komen, dus vond ik het raadzaam om de remmen dicht te knijpen en halt te houden. Een nogal luidruchtige groep wielertoeristen, die luidkeels naar massageolie stonken, volgde mijn voorbeeld.

De trein raasde voorbij, maar het rode licht knipoogde lustig verder en ook de slagboom week geen voetbreed, wellicht omdat er een tweede exemplaar in aantocht was.
─”Ja, zo gaat ons gemiddelde natuurlijk steil de dieperik in”, gaf een van de recreatieve fietsers lucht aan zijn misnoegen daaromtrent en hij staarde naar een op zijn stuur bevestigd instrumentje, waarop zijn prestaties in cijfers omgezet werden.
─”Als ik jou was,” meesmuilde ik, “zou ik die bel en die slagboom straal negeren en doorrijden. Veel kans dat je gemiddelde dan steil de hoogte inschiet.”

Hij kon daar niet mee lachen, maar slaagde er niet in om een gepast weerwoord te verzinnen. In plaats daarvan keek hij me aan alsof ik een giftig reptiel was. Zijn gezicht verried dat ik een kopstoot van hem kon krijgen. Zelfs meer dan een.

Ik zal nu toch eindelijk eens moeten leren om mijn klep te houden. We beleven immers wrede tijden en de mensen hebben tegenwoordig steeds langere tenen. Het zal nog eens zo gaan dat ik de krantenkoppen haal, wegens een confrontatie met dodelijke afloop.

Aan de oever van de vliet

Op een idyllische plek, waar enkel zwakke weggebruikers konden komen en waar het water, niettegenstaande de aanhoudende droogte, overvloedig aanwezig was, had men een aantal robuuste picknicktafels en banken neergepoot. Een fietsende moeder, in wiens kielzog een aanhangwagen met inhoud dobberde – een meisje van naar schatting een jaar of drie – hield halt en streek samen met haar dochter neer op zo’n zitmeubel.

Ze dronken wat, ze verorberden een kleinigheid en hielden een kwieke stroom van opgeruimd gebabbel gaande. Nou moe, dat kind had een stemmetje dat zilveren geluidjes uitstootte en klingelde als een kristallen windgong. Ze had bovendien allerhande snibbige praatjes in de aanbieding en was derhalve een levend voorbeeld van wat we in West-Vlaanderen een snetsebelle noemen.

Toen de vrouw zich wat later opnieuw in gang trapte, dook het hoofd van het meisje op uit haar voertuig.
“Mama, niet in het water vallen, hoor!” riep ze bezorgd.
De moeder beloofde dat ze dat niet zou doen en de prinses schurkte zich gerustgesteld en tevreden in haar koets. Ze wuifde nog even naar me, met een handgebaar dat de Engelse queen haar ongetwijfeld zou benijden.

Kijk, met zulke lieflijke taferelen kan men een glimlach op mijn gezicht borstelen, of me doen grijnzen als een huzaar op vrijersvoeten. Meer zelfs: het maakt mijn dag!

Sommige mensen verblijden de wereld en dat meisje was zo iemand.

Sommige mensen zijn met weinig tevreden en ik ben zo iemand.

Oprispingen

De vindingrijkheid van de dynamische middenstand kent geen grenzen, maar ook particulieren laten zich niet onbetuigd.
– Usuz: jeugdhuis in Gistel (West-Vlaams voor ons huis).
– De goe smete: bowling in Koekelare (West-Vlaams voor de goeie gooi).
– De Bolzak: café-feestzaal in Beernem. Vooralsnog geen idee waar de naam zijn oorsprong vindt. Misschien heeft de Franse schrijver Honoré de Balzac er ooit aangelegd.
– Hakuna Patata: friettent in Oudenburg. Variant op de term Hakuna matata uit het Swahili, hetgeen ‘geen zorgen’ betekent.
– Uuze stulpe: naam van een particuliere woning in Torhout (West-Vlaams voor onze stulp).

Ik fietste voorbij een hoeve die de naam “Schapenhof” droeg. Er viel daar evenwel geen enkel schaap te bespeuren. Wel heel veel runderen.

De dagschotel van het restaurant waar ik op het terras aanschikte om een sobere maaltijd te nuttigen, behelsde een kotelet met rodekool en gekookte aardappelen, gevolgd door een ijsje of een koffie. Een bejaard echtpaar streek neer aan een belendende tafel en bekeek het uithangbord, waarop de vrouwelijke helft van het gezelschap de mond opende en sprak:
“Wie eet er nu rodekool in zo’n hitte?”
‘t Is ook nooit goed voor sommigen. Wat verwachten ze eigenlijk voor € 13? Pauwentongetjes?

Over restaurants en terrassen gesproken … Ik zou graag eens rustig op een terras mijn voerklep willen volstouwen, zonder dat men in mijn directe omgeving de brand in kankerstokken zuigt of, erger nog, me onderdompelt in mistbanken, afkomstig van walmende elektronische sigaretten.

Het valt me op dat een niet gering aantal wielertoeristen last van overgewicht heeft, om niet te zeggen dat ze op hangbuikzwijnen lijken, die zich met verkrampte gezichten en zwetend als otters afbeulen, om toch maar in het spoor van hun metgezellen te blijven. Ik vraag me af wat daar de lol van is. Zouden die luiden eigenlijk genieten van hun uitje?

En zo duiken we met zijn allen de hondsdagen in. We hebben er alleszins mooi weer bij.

Even stoom afblazen

Mijn fietstocht was geen onverdeeld genoegen. Al na een paar kilometer kreeg ik een niet bepaald hartverheffend schouwspel opgedist. Een kalfje, dat nochtans niet verdronken was, lag toch dood in de wei. Een boer was bezig het kadaver in een kruiwagen te laden, om het naar de eeuwige jachtvelden te transporteren. Nu ja, laat ik het de Elysese velden noemen. Dat klinkt wat minder rauw.

Ik zou trouwens nog meer krengen te zien krijgen. Een gesneuvelde eekhoorn, een geradbraakte eend en een grotendeels tot moes gereden zeemeeuw waren niet van aard om me op te vrolijken.

Een aantal zwaluwen scheerden voor me uit over de grond. Ik vroeg me af hoe die er in vredesnaam in slaagden, om tijdens het vliegen gespuis te verschalken en op te vreten, of naar de hongerige bekjes in het nest te brengen. Alsof de duvel ermee speelde, dook op dat moment een niet zo klein insect mijn mond in en … ik slikte het toch wel naar binnen zeker! Dat veroorzaakte een hoestbui van je welste, waardoor ik halt moest houden, teneinde me in de berm op te stellen en het op een klaterend kotsen te zetten. Het was me een gezicht. Bewaar me, zeg!

Toen ik daar enigszins van bekomen was, vervolgde ik mijn weg. Omdat mijn humeur inmiddels een dieptepunt bereikt had, zat ik me mateloos te ergeren. Eerst aan het alomtegenwoordige fluitenkruid, dat ik een archilelijk gewas vind. Ik kan het voor mijn ogen niet geschilderd zien, maar Moeder Natuur is duidelijk een andere mening toegedaan: deze uitbundige vegetatie overwoekert beemden en bermen dat het niet mooi meer is, maar lijkt nu gelukkig stilaan uitgebloeid te zijn.

Ik had gedacht dat er dit jaar aanzienlijk minder mais geteeld zou worden, maar ik heb me vergist: de planten schieten nu pas uit hun sloffen en uit de grond, om me binnen afzienbare tijd op hoogbenige wijze het uitzicht op de Vlaamse landschappen te ontnemen. Wie vreet ze eigenlijk op, die massa’s goudgele korrels? Ik alleszins niet.

Daarna raakte ik danig ontstemd door de wind, die in West-Vlaanderen – dat tochtgat aan de Noordzee – vrijwel altijd aanwezig is, en niet te min! Als ik een fietstocht maak en me dus in een lus verplaats, zou ik normaliter ten halve de wind mee en voor de helft tegenwind moeten hebben. Jawel, morgen brengen! Het gebeurt niet zelden dat ik de hele rit lang tegen een forse bries op moet tornen, omdat de waai meent van richting te moeten veranderen tijdens mijn uitstap. Ik zou echt niet weten waarom men me daarboven met zwarte kool getekend heeft. Ik ben nochtans de beroerdste niet.

Vervolgens werd ik aangevallen door een hond. Hij schoot uit een landweg op me af, probeerde me in de kuit te bijten en ging in de achtervolging toen ik er dusdanig de sokken in zette, dat ik bijna terugreisde in de tijd. Ik won, maar was nog niet helemaal op adem toen een tweede hond op me toesprong als een bok op een haverkist en ik opnieuw een spurtje moest trekken. Ja zeg, maak het een beetje!

Dan heb ik nog met geen woord gerept van de miserabele toestand van de fietspaden, de bruusk openslaande portieren, het geen voorrang krijgen als ik er recht op heb, het rakelings passeren … Ik zou tijdens iedere tocht talloze prenten kunnen uitdelen. Misschien moeten agenten zich wat vaker per fiets verplaatsen, in plaats van gemotoriseerd.

Nee, zo vind ik er geen lol meer aan. Ik denk dat ik beter naar een andere sportieve bezigheid kan uitkijken. Diepzeeduiken lijkt me wel wat. Hoewel …

De natuur zal ooit eens wraak nemen

De koekoek roept, de merel fluit,
de mus tsjilpt opgetogen.
Sa, jongen, wipt de nesten uit,
de velden ingevlogen.

We schrijven mei en de natuur wurmt zich uit zijn winterverpakking. Bomen en struiken tonen trots hun pril gebladerte; bloemen maken reclame om insecten aan te trekken; vogels repeteren eindeloos; kikkers concerteren luidruchtig …

Ik zat op een bank van al dat glorieuze fraais te genieten toen plots twee dames in mijn blikveld opdoemden, gehuld in roekeloos strakke broeken en tietse borstrokjes, die berekend waren om indruk te maken, want uitgevoerd in opzichtig fluoroze en fluogeel en voorzien van panoramische halsuitsnijdingen, waarin je met een smak omlaag stortte, indien al niet kopje-onder ging.

Niettegenstaande hun uitmonstering gaven ze zich geen van beiden aan sportieve activiteiten over. Wat ze deden, kon je zelfs bezwaarlijk wandelen noemen. Ze kwamen aandweilen als luizen op een teerton en hadden volstrekt geen oog voor de wonderlijke landschappen rondom, want ze staarden onafgebroken naar de schermpjes van de slimfoons die ze in hun hand hielden en tokkelden als bezetenen op de ruitjes ervan. Ze bestonden het zelfs om me voorbij te lopen en me volkomen te negeren, hoewel ik toch een wezen ben waar de Schepper extra aandacht aan besteedde. Eigen lof stinkt, ik weet het, maar als ik mezelf niet kietel, lach ik nooit.

Kijk, als ik Moeder Natuur was en ten prooi viel aan zoveel onverschilligheid zou ik die dames met bliksems bestoken, ze de oren ontredderen met gedonder als kanongebulder, snoeiharde regen op ze laten neergutsen, stormwinden laten waaien, vulkanen laten uitbarsten, de aarde laten beven, tsunami’s op ze afsturen …

Hu paard, je staat te schuimbekken!

De tekst boven dit stukje is van Ferdinand Vercnocke en werd op muziek gezet door Maurits Veremans. Als jullie de onbedwingbare behoefte gevoelen om dit lied te aanhoren, of zelfs te beluisteren, kunnen jullie door het aanklikken van de hiernavolgende link jullie verlangen bevredigen: Als de winden vrij

De klimgeit

Ze waren met z’n zessen: vier dames die meer verleden dan toekomst hadden en twee heren, wiens leven ook geen zee van tijd meer was. Ze ondernamen een fietstocht ─ voor sommigen is zo’n uitstap inderdaad een heuse onderneming ─ en toen ik ze op mijn weg ontmoette, hielden ze net een sanitaire stop. Nu ja, de halte gold voor alle zes, maar aan het sanitaire hoofdstuk namen enkel de mannen deel. Terwijl die zich wijdbeens in de berm opstelden en hun jongeheer een handje gaven, begonnen de vrouwen tegen elkaar aan te kakelen in sappig West-Vlaams.

“Ik moet’n diene berg zère pakk’n wei”, zei een van hen en ze wees naar de viaduct die zich voor hen uitstrekte en zich over een autoweg welfde.
Er zijn mensen die van iedere mug een olifant maken, maar Vlamingen zijn licht geneigd om elke verhevenheid in het landschap een berg te noemen.
“Ge meuh ‘t mie nie kwolik pakk’n ok juldre verbiesteek’n”, vervolgde ze en ze kon haar eigendunk nauwelijks tillen.
Voor mijn lezers die het West-Vlaams als Chinees beschouwen, vertaal ik even wat ze zei:
Ik moet die helling met hoge snelheid oprijden, hoor. Jullie mogen het mij niet kwalijk nemen als ik jullie voorbijrijd.

Nou moe, die prestatie wilde ik toch even gezien hebben, dus hield ik iets verderop halt om kwansuis de glazen van mijn zonnebril te poetsen en mijn neus te snuiten. Het duurde niet lang of het zestal vervolgde zijn weg en begon aan de beklimming van de berg.

De dame in kwestie reed niemand voorbij. Ze bereikte zowaar helemaal als laatste de top, niettegenstaande de elektrische ondersteuning van haar fiets. Er werd haar niets kwalijk genomen. Ze zal allicht een hongerklop gekregen hebben, of hoe heet zo’n Franse fringale in het Nederlandstalige wielerjargon? De man met de hamer?

Beet! (2)

De hengelaar zat bij de oever van de vliet, enigszins verscholen in hoogbenig riet, zoals de karekiet kiet kiet uit het bekende lied lied lied.

Zoals het een door de wol geverfde hengelaar betaamt, gooide hij met veel panache, om niet te zeggen bravoure, zijn hengel uit. Hij zwaaide de roede achterwaarts, om die vervolgens met een ruk naar voren te zwiepen, zodat de haak en de dobber met een keizerlijke zwaai op ruime afstand in het water neerdaalden …

… edoch dat gebeurde niet. Ons loze vissertje was kennelijk vergeten dat er een pad achter hem langs liep. Zijn haak vatte de wandelaar, die daar uitgerekend op dat moment voorbijstapte, letterlijk bij de kraag, om zich vervolgens brutaal los te rukken en een joekel van een winkelhaak in het kledingstuk van het slachtoffer achter te laten. De man was daar hoegenaamd niet blij mee, al mocht hij eigenlijk nog van geluk spreken. Voor hetzelfde geld had hij dat ding in zijn lip of zijn oog gekregen. Er ontstond dan ook een heftige discussie tussen beide partijen, maar ik heb niet op de uitkomst ervan gewacht.

Zodoende weet ik nu hoe ik iemand aan de haak moet slaan, om die vervolgens de kleren van het lijf te sleuren. Het kan haast niet anders of daar moet seks van komen en dat is mooi meegenomen.