Tag: virus

Wel heb je van je leven!

In de groenteafdeling van Colruyt dobberde ik in het kielzog van een vrouwmens met een oosters uiterlijk, die nogal sloddervossig aangetodderd was met een uitgelubberde joggingbroek, een boelewaaibloes die onstuimig bedrukt was met het soort woeste bloemen dat in de jungle naar argeloze vogeltjes hapt en deerniswekkende teenslippers. Ze parkeerde haar winkelkar naast de bakken met citrusvruchten, versperde zodoende de doorgang en dwong me tot wachten.

Ze begon de limoenen een voor een te betasten, om ze vervolgens terug te gooien, en ze bleef dat doen tot ik mijn geduld verloor.
─”Bent u van plan om ze allemaal te bepotelen?” vroeg ik ietwat geërgerd.
─”Huh?!” mompelde ze en ze staarde me aan alsof ik haar een oneerbaar voorstel had gedaan.
─”We leven in coronatijden”, verduidelijkte ik. “Maak uw keuze en blijf erbij.” Ze kogelde me neer met haar blik en toen … spuwde ze toch wel twee keer in de bak met limoenen zeker! Je wil er toch niet bij zijn! “Bent u nu helemaal van de ratten besnuffeld!?” foeterde ik, maar ze negeerde me straal en vervolgde doodgemoedereerd haar weg, zonder limoenen.

Ik heb wijselijk citroenen gekocht in plaats van limoenen en bracht een winkelbediende op de hoogte van hetgeen ik gezien had.

Het zal nog eens zo gaan dat ik racist word.

Sta ik hier even mooi te kakken

Het stond in de sterren geschreven dat ik vanmiddag in een vliegtuig zou stappen, teneinde een oceaan en de evenaar over te steken, om aan de overkant, meer bepaald in Argentinië, gedurende drie weken goede sier te maken.

Het heeft niet mogen zijn en dat noodt geenszins tot lachen. Wel integendeel! Ik word daar lastig van. Ik zit me thuis omstandig op te winden en me een ongeluk te ergeren aan een eigengereid virus en meer nog, aan het amateurisme, om niet te zeggen de aperte onkunde van een stelletje onbenullen, die het in Belgenland voor het zeggen hebben, waarvan sommigen niet eens verkozen zijn en toch hoog van de toren menen te moeten blazen en mijn leven te versjteren. Ik heb het over de schijnheilige missiepater Vande Lanotte en het domme zurkeltrutje Verlinden. De commedia dell’arte van Vivaldi heeft nu lang genoeg geduurd. Die bende zal daar op afgerekend worden. Wacht maar!

Dan heb ik nog met geen woord gerept over het nooit overtroffen gestoethaspel van het Europese vehikel, dat kerkhof voor politieke lijken.

Tenslotte wilde ik nog wat zeggen over de ‘kaliesjeklutser’ Van Ranst, viroloog bij de gratie Gods, maar die vent maakt de duivel in me wakker, dus kan ik maar beter zwijgen voor ik hem een ongeneeslijke ziekte toewens.

Het zou weleens zo kunnen gaan dat ik, en velen met mij, burgerlijke ongehoorzaamheid aan den dag leg, of erger nog … overloop naar het Vlaams Belang. Ze mogen het me vooral niet tegen maken.

Een duit in het zakje

Ik besteed niet buitensporig veel zorg aan mijn uiterlijk, wat niet belet dat ik er over het algemeen als een gesoigneerd manspersoon uitzie en een voordelige indruk maak, behalve dan misschien waar het mijn haartooi betreft.

Ik heb namelijk het kapsel van iemand die verslaafd is aan opstijgende helikopters. Ik ben met andere woorden een bolsjewiek: toegerust met een rebelse haardos, waarin zo te zien opgewonden vogeltjes rondgescharreld hebben, en met een door een nogal woeste baard en knevel omkroesde mond.

Ieder jaar begeef ik me slechts twee keer naar een kapster, om bij haar een ‘coupe tondeuse’ te ondergaan. Dat lijkt heel wat, maar het behelst eigenlijk niet meer dan een bolwassing en een rondrit van een meedogenloze knipmachine, waarbij zowel mijn weelderige manen als mijn kincreatie zorgvuldig tot op de millimeter getrimd worden.

Vandaag de dag waart er echter een ongemeen gemeen virus over de aardkloot, waardoor zij die zich met coifferen onledig houden werkloos moeten toekijken hoe hun klanten bedolven raken onder een chaotische, ja, soms zelfs bespottelijke frisuur.

Dientengevolge heb ik me in arren moede een semiprofessionele tondeuse aangeschaft. Hoewel het enige handigheid vergt, waarover ik dus niet beschik, ben ik toch zelf met dat ding aan de slag gegaan, vooral ook omdat mijn vriendschappelijke contacten vanwege datzelfde virus op zo’n laag pitje staan dat ik niemand kan vragen om zich met mijn vegetatie te bemoeien.

Het moet gezegd dat mijn haarkundige proefneming zo goed geslaagd is, dat ik besloten heb om mijn kapster voortaan links te laten liggen. Dat zal me jaarlijks ongeveer veertig euro opbrengen. Tel uit mijn winst!

Het zal nog eens zo gaan dat ik rijk word. Jullie zullen het zien en meemaken.

Met pak en zak

Ik mag graag door supermarkten en warenhuizen struinen. Dat is naar verluidt uitzonderlijk gedrag voor een persoon van mannelijke kunne, maar ik ben nu eenmaal een uitzondering op velerlei gebied. Vraag me niet hoe dat zo komt.

Er valt evenwel steeds minder lol te beleven aan dat winkelen. Wie bijvoorbeeld een bezoek aan Colruyt plant, dient zich als het ware ten strijde toe te rusten met een betaalmiddel, een klantenkaart, herbruikbare zakjes voor groenten en fruit, een mondkapje, eventueel ook handschoenen en … nu hebben ze me ook nog een paar losse handvatten bezorgd, die ik telkens moet meezeulen om die op mijn winkelkar te bevestigen, zodat zij die niet meer hoeven te ontsmetten.

Het zal nog eens zo gaan dat ik niet alleen een boodschappenlijst nodig heb, maar ook een lijst moet afvinken van de artikelen die ik naar de supermarkt moet meenemen.

Ik heb het al gezegd en ik herhaal het: we beleven merkwaardige tijden.

handvatten

Een kwaad omen?

Het is me wat met dat eigengereide virus, dat ons leven en zowel de lente als de zomer van 2020 vergalt.

Mijn mailboxen ─ ik heb er een hele sjees, al is dat eigenlijk nergens voor nodig, want overdaad schaadt, maar op sommige gebieden ken ik slechts één adagium: meer van dat! ─ lopen al geruime tijd vol met onheilspellende berichten van bedrijven, neringen en instanties, die me bestoken met waarschuwingen omtrent de gevaren waarmee het coronavirus mij, en vele anderen met mij, bedreigt.

Dat weet ik onderdehand allemaal wel en die boodschappen klik ik derhalve meestal gelijk de prullenbak in, maar vanmorgen kreeg ik een mail van een schijnbaar officiële instantie en toen ik die opende, schotelde men me een link voor naar … een uitvaartverzekeraar. Ja zeg, maak het een beetje!

Zou dat een slecht voorteken kunnen zijn? Ik heb nochtans de kraanvogels van Ibycus niet gezien, noch de ijselijke gil van een banshee gehoord. Geen roepende uilen, jankende honden, of schetterende eksters hebben me verontrust door een nakende dood aan te kondigen.

Ik wil vooralsnog niet denken aan mijn eindbestemming en de enge ziektes die erheen leiden. Ik heb trouwens al heel lang zo’n uitvaartverzekering, maar die heb ik gelukkig nog nooit nodig gehad.

Maar goed, door die mail ben ik op mijn hoede. Een gewaarschuwd man geldt voor twee. Ik zal dus zoveel mogelijk in mijn kot blijven, mijn sociale contacten beperken, afstand van mijn medemens bewaren, mondmaskers dragen …

Christene zielen! Wat beleven we onzalige tijden!

Het welriekende land van Hermes

Ik diende mijn ogen voor nazicht naar een in een ziekenhuis gevestigde oculiste te brengen. Heremijntijd! Zo’n bezoek aan een opslagruimte voor lichamelijk minderbedeelden heeft vandaag de dag nogal wat voeten in de aarde. Het is een heel gedoe, om niet te zeggen een zenuwslopende onderneming. Ik overdrijf enigszins omdat ik ─ het is jullie inmiddels genoegzaam bekend ─ daar goed in ben en eigenlijk niets liever doe.

Mondmasker opzetten, handen ontsmetten, je temperatuur laten opmeten, je identiteitskaart aan een vervaarlijk ogende automaat toevertrouwen en wachten tot die kleefbriefjes braakt, nauwgezet de pijlen volgen, je aanmelden bij de dienst oogheelkunde, plaatsnemen in de wachtzaal op voldoende afstand van je buur …

… en toen was ik vrij snel aan de beurt. Mijn oftalmologe ─ hoe verzinnen ze het in vredesnaam? ─ haalde haar neus voor me op en zei:
“Ha, meneer gebruikt Terre d’Hermès. Het maakt mijn dag, want het is en blijft een wonderbaarlijke geur.”
Ik nam het complimentje dankbaar in ontvangst en zij wendde zich tot mijn ogen, geholpen door allemaal indrukwekkende toestellen.

Toen ik het ziekenhuis verliet, snelde de geur van Terre d’Hermès me vooruit, want ik gebruik zowel het toiletwater als de aftershave van dat merk. Het zijn weliswaar geen goedkope odeurtjes, maar je krijgt waar voor je geld, want ze bevatten noten van grapefruit, sinaasappel, peper, patchoeli, ceder, vetiver en benzoïne. Meer moet dat van mij niet zijn.

Bovendien zijn en blijven het verrukkelijke luchtjes.

O ja, mijn ogen zijn in prima conditie.

terredhermes

Mijn gedacht!

Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat de Belgische aanpak van de hele Coronasoesa buitengewoon stuntelig in elkaar gehikt was en is: een amateuristische improvisatie van een stel dilettanten, met in een hoofdrol een soortement pseudospecialist ─ Van Ranst genaamd ─ die veel garen op zijn klos heeft en van zichzelf denkt dat hij de Zaligmaker is, of toch zeker een godsgeschenk.

In mijn ogen is hij niet meer dan een betweter in een academisch steunkorset: een opgeblazen kikker, die ons met zijn inzichten en analyses probeert te overtroeven, niet gehinderd door veelgelaagde onverstaanbaarheid, die je voor geleerdheid kunt houden als je snel onder de indruk bent van blaaskakerij. Hij heeft een buitensporig ego, verkoopt kool en zit er heel vaak naast.

Het zal jullie duidelijk zijn dat ik die ijdelzuchtige kwek niet lust. Als zijn pafferige smoel mijn televisiescherm teistert, hetgeen helaas niet zelden gebeurt, zap ik ijlings naar belendende percelen. Nee, ik lust die gozer niet. En van virussen heb ik ook mijn bekomst.

Hoe sterk is een eenzame fietser?

Het is een paar maanden genieten geblazen geweest, maar nu is het hek opnieuw van de dam … en zodra het hek van de dam is, lopen de varkens in ‘t koren.

In dit geval zijn de varkens de hordes recreatieve fietsers, die we in de wandeling wielertoeristen noemen, maar die meestal de benaming wielerterroristen verdienen. Ze mogen opnieuw in jolig groepsverband de baan op en dat zullen we geweten hebben.

Ze hebben toestemming om de wegen onveilig te maken, op voorwaarde dat ze dat maximaal met zijn twintigen doen, dat ze afstand van elkaar houden en dat ze zich bij voorkeur op minder drukke wegen begeven. Laten dat nu uitgerekend de wegen zijn die ik, eenzaat en solitaire fietser, graag gebruik.

Zien jullie me rijden, met volle teugen genietend van de om me heen jubelende lente en de wonderlijke landschappen die ik doorkruis … tot er plots zo’n losgeslagen meute opdoemt, bloeddorstig op me afstormt, me rakelings passeert en ondertussen snotterend, spuwend, snuivend, proestend, hoestend en rochelend een lading bacteriën over me uitstort, om van de meedogenloze virussen nog te zwijgen?

Ja kijk, zo is er voor mij geen lol meer aan. Ik denk dat ik voortaan maar thuis zal blijven. In mijn kot.

Met alle Chinezen! ─ 2

Ik heb meestal goeie zin in ‘t leven en ben eigenlijk optimistisch van nature. Het ligt derhalve niet in mijn aard om me als doemdenker op te stellen, wat niet belet dat het virus, dat danig ons leven en de lente van 2020 vergalt, mij zorgen baart.

Ik voor mezelf ben er stellig van overtuigd dat Corona geen kwaadaardige speling van de natuur is, maar een experiment dat lelijk uit de hand gelopen is en waarschijnlijk in een Chinees laboratorium zijn oorsprong vindt.

Bovendien ben ik de mening toegedaan dat onze Belgische regering, zover daar al sprake van kan zijn, deze onverkwikkelijke toestand op uitermate stuntelige wijze aanpakt, geruggensteund door virologen, zoals bijvoorbeeld ene Marc Van Ranst, die van zichzelf denken dat ze de wijsheid in pacht hebben, maar feitelijk in een bordeel nog geen hoer kunnen vinden en over COVID-19 oordelen als een blinde over kleuren. Als domheid gepaard gaat met dominantie zijn we nog niet jarig.

Ik vrees dat de lente van 2020 ons nog lang zal heugen, verondersteld natuurlijk dat we die overleven. Ik mag het van harte hopen.