Categorie: Habberdegrieks

Beter een kleine plezante …

Ik passeerde een kraam waar men pizza’s verkocht en zie: hoewel ik hoegenaamd niet zwanger ben, kreeg ik opeens rare trek en wel in die mate dat het water me zowat in de mond liep.

Ik raadpleegde een wijle het prentenkabinet van hetgeen ze me konden aanbieden en toen ik aan de beurt was, bestelde ik:
─”Een pizza met chorizo en champignons om thuis te bakken.”
─”Een grote of een kleine?” vroeg men mij.
─”Een grote!” antwoordde ik stellig, want mijn ogen durven nogal eens groter te zijn dan mijn buik.

Kreeg ik me daar een pizza met de diameter van een Grieks eiland. Ik bracht die naar huis en kwam daar tot de ontdekking dat niet enkel mijn ogen groter dan mijn buik waren, maar dat ook de pizza groter was dan de oven waarin ik die wou bakken. Ik zag me genoodzaakt om die in een ouderwets fornuis in de garage onder te brengen.

Een tiental minuten later zette ik het op een geweldig eten, maar ik ben er niet in geslaagd om die mastodont in één keer op te vreten, niettegenstaande mijn kerelshonger. Bovendien was het ding veel minder lekker dan ik verwacht, of toch zeker gehoopt had. Ik kreeg er gemarineerde oprispingen van.

Als ik nog eens rare trek heb, zal ik zelf wel wat samengooien.

Beter een kleine plezante dan een grote ambetante.

Blikschade en gekwetste trots

Tegen beter weten in heb ik me vanmorgen toch nog een keer naar de Colruyt gewaagd. Ze hebben me geschreven dat ik nergens goedkopere leeftocht kan vinden en het overkomt me vaker dat ik me door reclameslogans laat beïnvloeden. Ik ben ook maar een mens.

winkelwagenIk heb hier denkelijk al eens vermeld dat ik me tijdens het winkelen geregeld aan opzienbarend gedrag overgeef. Het besturen van een winkelkarretje krijg ik maar niet onder de knie. Ik bots overal tegenaan en dan prijs ik me gelukkig als ik tegen een robuust voorwerp oprijd, want voor hetzelfde geld kegel ik een wankele toren conservenblikken omver of maai ik een labiele constructie keukenrollen tegen de vlakte. In de Colruyt waar ik klant ben, weten ze dat. Het is dan ook niet te verwonderen dat er bij het personeel enige nerveusheid, indien al niet wat animositeit te bespeuren valt als ik op de parkeerplaats verschijn. Ik vermoed dat men, terwijl ik mijn auto verlaat en naar de ingang keutel, nog snel wat voorbereidingen treft om mijn passage door de gangen ongehinderd te laten verlopen. Als ik binnentreed, gebaren ze natuurlijk van krommenaas, maar ik merk het wel dat ze een beetje staan na te hijgen. Ik ben ook niet van gisteren.

Vandaag zat het me echter mee. Ik slaagde erin zonder akkefietjes de hele winkel te doorkruisen. Ook mijn doortocht aan de kassa verliep vlekkeloos. Toen stond ik buiten en ik voelde me zo uitgelaten, dat ik zin kreeg om een alombekend lied aan te heffen: Ik heb mijn wagen volgeladen, vol met oude wijven … Ik deed het niet, want dat zou belachelijk geweest zijn, omdat er zich geen enkel oud wijf in mijn karretje bevond. Ook geen jonge overigens.

Ik wou mijn waren in de koffer opbergen, doch diende eerste wat mappen en documenten op te ruimen. Terwijl ik me daarmee onledig hield, hoorde ik opeens een klap. Ik keek op … Mijn wagentje was op het ietwat hellende asfalt helemaal vanzelf op de loop gegaan en tien meter verderop tegen een auto gesmakt.

Ik heb net mijn wedervaren aan een vriendin verteld en besloot mismoedig:
─”Het heeft helaas niet lang mogen duren, maar ik ben toch heel even gelukkig geweest.”
─”Jij hebt duidelijk een minderwaardigheidscomplex”, zei ze, “en dat is volkomen terecht.”

Inpakken en wegwezen

Hoewel ik goeie zin en onbedaarlijk veel plezier in ‘t leven heb, ben ik niet wat men een wilde stapper, een nachtbraker, een fuifbeest of zelfs een gezelligheidsdier noemt. Uitslaande feestvreugde: je moet er aardigheid in hebben en dat heb ik dus niet. Je zal me dan ook zelden op vieringen zien verschijnen, maar als ik het een zeldzame keer toch doe, tegen beter weten in, zorg ik meestal voor een leuk binnenkomertje, zij het onbedoeld.

Zulke bijeenkomsten gaan immers onvermijdelijk gepaard met het verstrekken van een cadeau aan de gefêteerde(n): een dwaas en bovendien duur gebruik, maar je ontkomt er niet aan. Dergelijk geschenk dient men bij voorkeur kunstig verpakt af te geven: omhuld met boelewaaipapier dat de vreugdetoer opgaat, voorzien van strikken, linten, rozetten en wat er nog meer aan decoratieven bestaat. Moet je mij daar zien binnentreden met een op achterlijke, want habbezakkerige wijze aangetodderd pakket en helemaal zonder opsierselen … want ik slaag er vooralsnog niet in om hetgeen ik weggeef een feestelijk uiterlijk te bezorgen. Ik knip en plooi en plak en vouw, maar het resultaat is niet om aan te zien: deerniswekkend. Stel je twee mannen voor: de ene in een aangemeten kostuum van een modepaus en de andere in een flabberende campingsmoking. Dat is ongeveer het verschil tussen de cadeaus van anderen en die van mij.

Ter illustratie: in een Zuid-Amerikaanse bananenrepubliek was ik eens per benenwagen op weg naar een partijtje, toen ik door brutale militairen aangehouden en gefouilleerd werd, gewoon omdat ze het geschenk dat ik in mijn handen hield verdacht vonden. Ik had een fles cognac dermate troosteloos omwikkeld, dat ze meenden dat ik een gecamoufleerde molotovcocktail meevoerde. Kun je nagaan …

In een speelgoedwinkel ontwaarde ik onlangs een aardig meisje, dat allerlei tuigen met benijdenswaardige behendigheid in een verrukkelijk kleedje stak. Ze deed dat fluks en met watervlugge handen, alsof het niets inhield. Ik zag mijn kans schoon en vroeg of ik de kunst mocht afkijken door haar gade te slaan, hetgeen ze met behoud van glimlach toestond.

Ik denk dat ik nu de kneep gevat heb. Gisteravond waagde ik me aan enkele probeersels en bracht die zowaar tot een aannemelijk einde. Toegegeven: het is nog niet helemaal secundum artem en de geroutineerde Schwung laat nog wat op zich wachten, maar men kan een paard niet lopende beslaan. Volgens mij is het gewoon een kwestie van aanpak.

Soep met ballen

Een aantal jaren geleden diende ik me naar een Canarisch eiland te begeven, met name naar het met opwindende landschappen getooide en met lachende bloemen pronkende Tenerife, waar velen van ons graag toeven en goede sier maken als het vakantie is. Het prentkaartfähige oord behoort evenwel niet tot mijn favoriete reisdoelen. Er groeit daar namelijk een kanjer van een vulkaan, de Teide, en als het enigszins kan, houd ik me liever ver uit de buurt van vuurspuwende bergen. Je hoort me niet beweren dat ik er echt bang van ben, maar ik heb weinig vertrouwen in zulke hogelijk onvoorspelbare natuurfenomenen. Het spreekwoord zegt dat men geen slapende honden wakker moet maken en hetzelfde geldt allicht voor slapende vulkanen. Als ik ergens kom waar een hond ligt te slapen, schrikt dat beest meestal direct wakker, dus vermoed ik dat ik bij vulkanen wel hetzelfde effect zal sorteren … en dan ben ik nog niet jarig! Desalniettemin ging ik voor anker in het zachtklotsende haventje Puerto de la Cruz en nam er mijn intrek in een praalziek hotel met een vrachtje sterren, dat aan de rand van de schuimende zee hurkte en uitzicht bood op dat huiveringwekkende ventiel van Moeder Aarde.

Die eerste avond zat ik in het restaurant en lepelde met zelden vertoonde vlijt soep naar binnen. Ik was daar zo intens mee bezig dat ik niet eens opmerkte dat een kelner zich achter me opstelde. Toen die vooroverboog om me vriendelijk te vragen of ik nog wat soep wenste, schrok ik dermate van het onverwachte stemgeluid bij mijn oor, dat ik met een ruk rechtop veerde. Normaliter heeft zoiets geen nare gevolgen, want elke tafeldienaar is op zijn hoede voor dergelijke reacties. Die van mij dus niet. Ik stootte met mijn schedel tegen het dienblad dat op zijn hand balanceerde. Ook niet erg natuurlijk. Op dat blad prijkte evenwel een fraaigevormde, doch nogal labiele terrine van authentiek Beiers porselein, die onverwijld kapseisde en een vrij sierlijke, maar nogal hete soepval veroorzaakte, die zich met veel panache in mijn nek stortte. Wat doet men in zo’n geval? Vanzelfsprekend! Ik schoot omhoog als een raket en gaf zodoende het dienblad een tweede kopstoot, van het soort dat Zinedine Zidane me ten zeerste zou benijden. Het ding was er echt niet goed van… maar je had die kom moeten zien! Die suisde omhoog, beschreef een elegante bocht in het luchtruim en kwam toen met een rotgang op mijn tafel terecht, krek tussen het onthutste serviesgoed. De ravage! Mensen lieve deugd, daar brak zo het een en ander … en een kabaal … je leven zo niet! Consternatie alom, alsof er een vliegende schotel geland was. Het hele restaurant stond in rep en roer. Via rug en borst verliet de soep mijn tweedjasje en lekte gemoedelijk op mijn pantalon. Mijn nek gloeide pijnlijk en was dus verbrand, maar toch was ik begaan met de jongen die samen met mij dat sensationele onheil gesticht had. Hij stond daar als een wassen beeld en staarde wezenloos naar de vernieling op de plek waar de bolbliksem ingeslagen was. Zijn mond beefde wat en viel toen open. Ik pakte een servet en begon ostentatief mijn nek te dweilen. Daardoor afgeleid kwam de jongen weer bij zijn positieven.
─“Pido perdón, señor”, prevelde hij en het huilen stond hem nader dan het lachen.
─“No tanto como eso”, zei ik goedig, want ik spreek Spaans en ik voelde me even schuldig als die knaap.

Zoiets schept een band. We raakten met elkaar bevriend en dat zijn we nog steeds. Vicente, zo heet hij, is onlangs getrouwd en vanmiddag strijkt hij, door mij uitgenodigd zijnde, met zijn echtgenote in Belgenland neer, waarna ik ze vreugdevol in mijn stulpje zal onderbrengen. Ik broed immers al enige tijd op een plannetje. Ik zal ze meenemen naar een restaurant waar ik kind aan huis ben en daar zal hij de inhoud van een soepterrine ─ water vanzelfsprekend ─ in zijn nek en over hem heen krijgen. Dat wordt lachen.

Ik houd jullie op de hoogte.