Categorie: Habberdegrieks

Naar de filistijnen en naar Pearle

Ouder worden is een ramp die steeds weer toeslaat en in stijgende lijn bergafwaarts gaan. Ik dien noodgedwongen gebruik te maken van een leesbril. Het moet gezegd dat ik nogal slordig omspring met dat hulpstuk. Het gebeurt niet zelden dat ik het optisch instrument verstrooid naast me neerleg op de bank, om iets te verrichten dat geen bril vereist. Het stond in de sterren geschreven dat deze nonchalance op een dag slecht zou aflopen en dat is dus gebeurd.

Ik zat wat ontspannende lectuur tot me te nemen ─ Heroes van Stephen Fry ─ en diende die aangename bezigheid te onderbreken, om wat overtollig en hoogst opdringerig vocht uit mijn lichaam te verwijderen. Toen ik verrichter zake terugkeerde en op de bank neerdaalde, lette ik niet op de bril die ik daar achteloos had achtergelaten. Daardoor ontstond er – hoe zal ik het zeggen? – een enigszins protesterend, want krakend geluidje onder mijn zitvlak.

Ik mat de schade op. Een van de glazen was ontsnapt uit de montuur, die trouwens deerniswekkend verbogen was. Ik probeerde de averij nog zelf te herstellen, maar ik heb daar absoluut geen handje van en maakte er dus een potje van, zodat ik me noodgedwongen naar een winkel van Pearle begaf.

Daar wachtte me een warm welkom. De dame die me te woord stond, liep bijna over van hartelijkheid. Ik kreeg een stoel aangeboden; ze trakteerde me op een voortreffelijke beker koffie (Java) en ze zorgde ervoor dat mijn bril binnen de kortste keren hersteld was, zonder dat de ingreep me een cent kostte.

Dat Pearle klantvriendelijkheid hoog in het vaandel voert, is een ding dat zeker is. Alle punten! Als het goed is, zeg ik het ook.

Pearle

Aline bakt er niets van

Rogaciano, de vriend van Aline – de Betsy Bolleboos die ik hier in mijn laatste twee schrijfsels liet opdraven – beschouw ik een beetje als de zoon die ik nooit zal hebben, terwijl hij me toevertrouwd heeft dat ik voor hem de vader ben die hij nooit zal hebben.

Hij is automonteur van beroep en hij werkt in een garage, een paar kilometer van de plek waar ik hoofdkwartier houd. Het gebeurt dan ook niet zelden dat ik hem over de vloer krijg.

Een paar dagen geleden stond hij plots bij me in de keuken, terwijl ik daar aan het kokkerellen was. Nu beschouw ik mezelf niet als een flonkerster wat eten betreft, maar als zoon van een gerenommeerde kokkin kan ik aardig over voedsel meepraten en heb ik het culinaire equivalent van groene vingers.
─”Hoh, het is hier neuzenvreugd”, snoof hij. “Wat ben je aan het klaarstomen?”
─”Provençaalse scampi. Het is nogal bewerkelijk, maar wel erg lekker.”
─”Jij kunt wat samengooien”, kreeg hij hoorbaar het water in de mond.
─”Eet je mee?” stelde ik voor. “Er is meer dan genoeg.”
─”Ik hoopte er al niet meer op”, grijnsde hij.

Terwijl we het op een geweldig eten zetten, kreeg ik een toch wel merkwaardig verhaal te horen:
Rogaciano had op een keer zijn zinnen op mosselen gezet en Aline had twee kilo van die schelpdieren aangeschaft, maar wist hoegenaamd niet wat ze ermee moest aanvangen. Ze telefoneerde met haar vader, die aan zee woont, kreeg tekst en uitleg en ging aan de slag. Ze ontdeed de weekdieren van baarden, pokken en vuil, hetgeen men in vaktermen knippen noemt, spoelde ze drie keer grondig en zette ze toen een tiental minuten in water.
─”… en toen kreeg ik opeens blijekoeienburgers voorgezet”, zei Rogaciano.
─”Wat kreeg je?!”
─”Vegetarische hamburgers”, verduidelijkte hij. “De mosselen waren volgens haar allemaal bedorven, want de schelpen waren niet opengegaan en daarom had ze het hele zootje weggegooid.”
─”Allemaal?” verbaasde ik me. “Dat kan toch bijna niet.”
─”Als je geen vuur onder de pot zet en de mosselen gewoon tien minuten in koud water laat staan, zullen er zich maar heel weinig schelpen openen.”
─”Het is toch niet waar!”
─”Ze kan nog geen ei bakken”, schuddekopte hij. “Bij haar brandt zelfs water aan.”

Gelachen dat we die middag hebben, Rogaciano en ik, maar we hebben ook lekker gegeten, al waren de scampi niet opengegaan.

Dan ben je lekker bezig!

Van sommige mensen kan men zich afvragen wat er hun oren gescheiden houdt. Van anderen vraag ik me dan weer af hoe die er in vredesnaam in geslaagd zijn om een rijbewijs te veroveren.

Ik zat mijn tijd te verdoen in een café, dat uitzicht bood naar de hoofdstraat van een dorp, waarin al met al weinig te beleven viel. Gelukkig verscheen er toen een auto ten tonele, die al jaren zijn houdbaarheidsdatum tartte. De chauffeuse ervan maakte aanstalten om een parkeerplek naast de stoeprand in te palmen. Er was voldoende plaats om een paard met kar te keren, maar parkeren was kennelijk haar fort niet. Ze bleef het heen en weer krijgen en de versnellingsbak folteren, maar ze bakte er niks van, zelfs niet toen haar passagiere uitstapte om een beetje te wijzen en te gesticuleren.

Na ongeveer tien minuten kleuteren gaf ze er de brui aan. Ze slofte onverrichter zake weg, om iets verderop bijna een zich op een zebrapad bevindende voetganger van de sokken te rijden.

Ik hoop dat ik haar nooit op mijn weg ontmoet, want daar komen gegarandeerd brokken van.

Een gemeen hapje

ananassnijderMijn mond lust graag verse ananas. Helaas is dat niet zo’n fortuinlijke voorkeur, want deze exoot laat zich niet bepaald gemakkelijk soldaat maken.

In de allereerste plaats valt het moeilijk te bepalen wanneer de vrucht in staat van rijpheid verkeert. Internet biedt daaromtrent diverse hulpmiddeltjes aan, maar ik heb ondervonden dat die lang niet altijd betrouwbaar zijn. Bovendien is het ontkleden, of beter gezegd het ontbolsteren van dit tropisch fruit allerminst een sinecure. De koks en kokessen van de televisie, zoals bijvoorbeeld Jeroen Meus, hebben daar kennelijk weinig moeite mee, maar ik beschik hoegenaamd niet over de handigheid die zij tentoonspreiden.

Om deze reden heb ik me enige tijd geleden een apparaat aangeschaft, dat naar de naam ananassnijder luistert en over ingenieuze eigenschappen beschikt. Het is een soortement boor, waarmee je in één min of meer vloeiende draaibeweging zowel het omhulsel verwijdert, als de vrucht in een spiraalvormige schijf snijdt en van de kern, het klokhuis als het ware, ontdoet. Je houdt het niet voor mogelijk! Je moet het maar verzinnen.

Er is echter een niet te onderschatten nadeel aan dat toestel. Het klokhuis in kwestie blijft namelijk in de boorcilinder steken en dien je dus manueel te verwijderen. Dat blijkt een gevaarlijk karwei te zijn, want voor je het weet, schiet die prop onverhoeds los en kunnen je vingers met een smak op een snijdend gedeelte terechtkomen, wat meestal niet zonder gevolgen blijft. Dat overkwam me een paar keer, want ik ben zoals ik zei een uitermate onhandig mens, tot ik besloot om het verraderlijke klokhuis met de steel van een houten lepel uit te stoten.

Gisteren lette ik even niet op, want ik ben naast onhandig ook buitengewoon verstrooid, en toen de vruchtkern bezweek onder de druk van de lepelsteel en als een raket uit die cilinder schoot, belandde mijn duim met doodsverachting op het getande mes …

Je hoort me niet beweren dat ik bloedde als een rund, maar toch zeker als een kalfje. Ik herstelde enigszins de schade, maar toen bleek de Touch ID van mijn iPad niet meer te gehoorzamen aan de afdruk van die gehavende vinger.

Blijkbaar ben ik naast onhandig en verstrooid ook niet bepaald snugger, want het heeft even geduurd voor ik ontdekte dat ik op mijn iPad ook een tweede afdruk kon instellen. Nu zit ik me af te vragen welke vinger bij mij het minst kans loopt op beschadiging, want zoals ik zei, ben ik een uitermate onhandig, verstrooid en dom persoon.

Heden ik, morgen jij!

“Laat de lenteschoonmaak een aanvang nemen!” riep ik toen ik in een berghok een falanx lege flessen en bokalen opmerkte. Ik voegde de daad bij het woord, verhuisde het glaswerk naar mijn fietstassen en toog glasbolwaarts.

Het is een plek waar ik niet graag kom. De grond is er immers bezaaid met scherven, die verlekkerd naar de banden van mijn fiets loeren. Zodra je iets in een van die openingen gooit, duiken er uit de ingewanden van die bol bijen op, en wespen, en homo’s … eh … hommels, en horzels … en meer van dat bloeddorstig gespuis, zoals bijvoorbeeld Bengaalse tijgers en Tasmaanse duivels.

Ik probeerde me derhalve met bekwame spoed – nu ja, bekwaam? – van mijn overtolligheden te ontdoen, maar merkte te laat dat de ring met mijn huissleutels, die ik op nogal nonchalante wijze in mijn fietstas pleeg te droppen, zich tijdens het hobbelen onderweg in een van die bokalen genesteld had en mee de dieperik indook. Daar stond ik dan met mijn goeie gedrag. Het noodde geenszins tot lachen en ik was er alleszins niet mee opgezet.

Een mens maakt wat mee, dacht ik en ik telefoneerde naar het bedrijf dat zich met die glasbollen onledig houdt. Daar konden ze mij niet helpen, althans niet direct en wellicht ook niet in de toekomst, omdat alles kennelijk automatisch gebeurde.

Nu ben ik gelukkig een voorzienig persoon, dus heb ik dubbels van al mijn sleutels en die bewaar ik – jullie kunnen het ongetwijfeld al raden – in een lade van mijn bureau in de woning waar ik, bij gebrek aan sleutel, niet binnen kon komen.

Aangezien er, althans voor zover ik het weet, geen inbrekers tot mijn kennissenkring behoren, diende ik noodgedwongen een beroep te doen op een slotenmaker. Nou moe, ik kan jullie verzekeren dat die luiden smakken geld verdienen. Potverdriedubbeltjes!

Maar laat ik vooral optimistisch blijven, hoezeer ik mezelf daar ook geweld moet voor aandoen. Er rest me verder niets dan de weinig historische woorden ‘zo, dat hebben we ook weer gehad’ uit te spreken.

Van een omelet kan je geen ei maken

Ik was nog meer dan tweehonderd meter van het meisje verwijderd toen ze me opmerkte en begon te schreeuwen alsof ze in een mes hing:
“Ik verkoop eieren!”

Ze zal een jaar of acht geweest zijn en ze bevond zich bij de monding van een met bomen afgelijnde dreef, die naar een hoeve voerde. Daar had ze een primitief toonbankje geïnstalleerd en daarop haar koopwaar uitgestald.
“Wilt ge eitjes kopen, meneer?” vroeg ze bijna smekend toen ik haar passeerde. Ik kneep de remmen dicht en hield bijgevolg halt. “Ze zijn heel vers en ze komen uit sjarelkippen”, vervolgde ze.
Ik onderdrukte de glimlach die de gemassacreerde scharrelkippen op mijn gezicht wilden borstelen en vroeg:
“Wat kosten ze?”
“Vijfentwintig cent per stuk”, vernam ik. “Twintig cent als je ze allemaal neemt.”
Ze had er wel dertig.
“Ik mag van de dokter niet veel eieren eten”, verklapte ik. “Da’s niet goed voor mijn closetrol.” De nochtans leuke woordspeling ging bij dat jonge wicht natuurlijk compleet de mist in. “Geef er me tien!” zei ik.

Ze begon onverwijld een eierdoos te vullen, maar door de onhandigheid waarmee ze dat deed, zakte plots het toonbankje door zijn poten en haar hele handeltje belandde met een nogal pletsend geluid op de grond. Nu zijn eieren niet echt geschikt om dergelijke brutaliteiten te overleven en ze waren dus met vele die sneuvelden.

Het meisje zette het op een hartverscheurend huilen en ik probeerde haar te troosten, maar ik ben daar absoluut niet goed in. Gelukkig kwam toen haar moeder, die blijkbaar tersluiks een oogje in het zeil hield, aangelopen.

We konden zeven ongeschonden sjareleieren uit de brand slepen en ik heb het verkoopstertje daarvoor vijf euro gegeven, als deelname in de kosten.

Mens toch!

Een beetje verstrooid zeker?

lasagneTegen de middag kreeg ik plots rare trek. Ik had evenwel geen tijd (lees ‘zin’) om te koken, dus begaf ik me met vastberaden tred naar de diepvriezer en beroofde die van een portie Lasagne Salmone van Come a casa. Dat beschouw ik als een ongemeen lekker gerechtje.

Nauwgezet las en volgde ik de instructies: de heteluchtoven voorverwarmen op 180 graden Celsius en er vervolgens de lasagne gedurende vijfentwintig minuten in huisvesten. Terwijl die tijd verstreek, vestigde ik me in een vleesetende fauteuil en hield me onledig met een gin-tonic.

Toen de oven op nogal luidruchtige wijze kenbaar maakte dat de gaartijd verstreken was, spoedde ik me naar de keuken en kwam daar tot de ontdekking dat ik nagelaten had de lasagne in dat kooktoestel onder te brengen. Ik baalde vanzelfsprekend als een stekker en er stak onbehagen in me op: ik spuwde wat nagels, een beetje gif en gal …

… en trakteerde mezelf op nog een gin-tonic, teneinde de daaropvolgende vijfentwintig minuten door te komen.

Beet! (2)

De hengelaar zat bij de oever van de vliet, enigszins verscholen in hoogbenig riet, zoals de karekiet kiet kiet uit het bekende lied lied lied.

Zoals het een door de wol geverfde hengelaar betaamt, gooide hij met veel panache, om niet te zeggen bravoure, zijn hengel uit. Hij zwaaide de roede achterwaarts, om die vervolgens met een ruk naar voren te zwiepen, zodat de haak en de dobber met een keizerlijke zwaai op ruime afstand in het water neerdaalden …

… edoch dat gebeurde niet. Ons loze vissertje was kennelijk vergeten dat er een pad achter hem langs liep. Zijn haak vatte de wandelaar, die daar uitgerekend op dat moment voorbijstapte, letterlijk bij de kraag, om zich vervolgens brutaal los te rukken en een joekel van een winkelhaak in het kledingstuk van het slachtoffer achter te laten. De man was daar hoegenaamd niet blij mee, al mocht hij eigenlijk nog van geluk spreken. Voor hetzelfde geld had hij dat ding in zijn lip of zijn oog gekregen. Er ontstond dan ook een heftige discussie tussen beide partijen, maar ik heb niet op de uitkomst ervan gewacht.

Zodoende weet ik nu hoe ik iemand aan de haak moet slaan, om die vervolgens de kleren van het lijf te sleuren. Het kan haast niet anders of daar moet seks van komen en dat is mooi meegenomen.

Mikken

Omdat ik er maar niet in slaagde om na mijn Argentijnse esbattementen ─ galopperen over de pampa, tango’s kronkelen in de boites van Buenos Aires, aanschikken aan pantagrueleske asado’s en urenlang door het luchtruim klieven ─ op dreef te komen en mijn draai te vinden, klom ik gisterenmorgen op de fiets en trapte me doorheen het Brugse Ommeland. Dat bleek lang geen slechte zet van me te zijn: ik vond heel veel draaien en kwam in talloze dreven terecht.

Als ik me per auto verplaats, heb ik er minder last van, maar als ik me fietsend op weg begeef, kun je er donder op zeggen dat ieder verkeerslicht dat voor me opdoemt op rood zal springen, dat elke slagboom voor mijn neus zal neerdalen en dat alle bruggen die ik moet oversteken opstijgen of openzwenken. Ik was dan ook hoegenaamd niet verbaasd dat ik in het nogal vertierloze stadje Oudenburg een brug met een joekel van een erectie aantrof en twee motorjachten doorgang moest verlenen voor ik me naar de overkant van het kanaal kon verplaatsen. De stuurman van het eerste vaartuig zag er vrij belegen uit, maar hij glunderde zijn ouderdom weg. Zodra hij groen licht kreeg, gaf hij de gashendel een duw van heb ik jou daar. De boot leek even te steigeren, schoot toen met een ruk voorwaarts en zette er de sokken in, regelrecht naar een onvermurwbare dukdalf. De kapitein in spe zag dat ding op zich afkomen, rukte op overcompenserende wijze aan het stuurwiel, waardoor het jacht tegen de schampkant van de brug sloeg en van de weeromstuit naar de overkant ricocheerde, waar het eveneens onzacht met de betonnen wand in aanraking kwam. De stootkussens langszij gaven gelukkig goed weerwerk, zodat de schade beperkt bleef, maar twee dames die als de hoofdrolspelers van Titanic op de voorplecht stonden, kantelden als kegels, rolden heen en weer en konden slechts met de moeite der wanhoop verhinderen dat ze in het water terechtkwamen. Hoongelach klonk op, afkomstig van wandelaars en fietsers, schrijver dezes incluis, die vanaf de oever deze felbewogen doortocht gadesloegen. 

De stuurman van het tweede jacht was een jongen van een jaar of tien. Een volwassen man stond hem op toezichthoudende wijze terzijde, maar dat was nergens voor nodig, want het bijdehante joch loodste het vaartuig met veel bravoure onder de brug door. We applaudisseerden enthousiast.

Een paar kilometer verderop zouden ze het nogal ingewikkeld sluizencomplex van Plassendale  op hun weg ontmoeten, met een reeks nauwe doorgangen. Ik vraag me af hoe die klunshark het er daar afgebracht heeft. De nieuwsberichten maken vooralsnog geen melding van calamiteiten.

Een mirakel!

Vrienden van me hebben ruim twee jaar geleden een reis naar Portugal ondernomen. Dat is weliswaar niet meteen naast de deur, maar de afstand kan geen verklaring zijn voor het feit dat de prentbriefkaart die ze me van daarginds toestuurden pas vanmorgen in mijn brievenbus tuimelde.

Ze sturen me zonnige groeten uit Fatima. Dat is een bedevaartsoord waar de Moedermaagd Maria in 1917 zes keer verschenen is aan drie herderskinderen en waar sindsdien wonderlijke dingen gebeuren.

Het mag inderdaad een wonder heten dat het kaartje na zo’n lange tijd alsnog bij me terechtgekomen is.

De wonderen zijn de wereld niet uit.