Tag: intelligentie

Aline bakt er niets van

Rogaciano, de vriend van Aline – de Betsy Bolleboos die ik hier in mijn laatste twee schrijfsels liet opdraven – beschouw ik een beetje als de zoon die ik nooit zal hebben, terwijl hij me toevertrouwd heeft dat ik voor hem de vader ben die hij nooit zal hebben.

Hij is automonteur van beroep en hij werkt in een garage, een paar kilometer van de plek waar ik hoofdkwartier houd. Het gebeurt dan ook niet zelden dat ik hem over de vloer krijg.

Een paar dagen geleden stond hij plots bij me in de keuken, terwijl ik daar aan het kokkerellen was. Nu beschouw ik mezelf niet als een flonkerster wat eten betreft, maar als zoon van een gerenommeerde kokkin kan ik aardig over voedsel meepraten en heb ik het culinaire equivalent van groene vingers.
─”Hoh, het is hier neuzenvreugd”, snoof hij. “Wat ben je aan het klaarstomen?”
─”Provençaalse scampi. Het is nogal bewerkelijk, maar wel erg lekker.”
─”Jij kunt wat samengooien”, kreeg hij hoorbaar het water in de mond.
─”Eet je mee?” stelde ik voor. “Er is meer dan genoeg.”
─”Ik hoopte er al niet meer op”, grijnsde hij.

Terwijl we het op een geweldig eten zetten, kreeg ik een toch wel merkwaardig verhaal te horen:
Rogaciano had op een keer zijn zinnen op mosselen gezet en Aline had twee kilo van die schelpdieren aangeschaft, maar wist hoegenaamd niet wat ze ermee moest aanvangen. Ze telefoneerde met haar vader, die aan zee woont, kreeg tekst en uitleg en ging aan de slag. Ze ontdeed de weekdieren van baarden, pokken en vuil, hetgeen men in vaktermen knippen noemt, spoelde ze drie keer grondig en zette ze toen een tiental minuten in water.
─”… en toen kreeg ik opeens blijekoeienburgers voorgezet”, zei Rogaciano.
─”Wat kreeg je?!”
─”Vegetarische hamburgers”, verduidelijkte hij. “De mosselen waren volgens haar allemaal bedorven, want de schelpen waren niet opengegaan en daarom had ze het hele zootje weggegooid.”
─”Allemaal?” verbaasde ik me. “Dat kan toch bijna niet.”
─”Als je geen vuur onder de pot zet en de mosselen gewoon tien minuten in koud water laat staan, zullen er zich maar heel weinig schelpen openen.”
─”Het is toch niet waar!”
─”Ze kan nog geen ei bakken”, schuddekopte hij. “Bij haar brandt zelfs water aan.”

Gelachen dat we die middag hebben, Rogaciano en ik, maar we hebben ook lekker gegeten, al waren de scampi niet opengegaan.

Aline krijgt een visioen

Ik had het hier een paar dagen geleden over de nogal ongebruikelijke manier waarop Aline en Rogaciano in het ouderschap verzeild raakten. Het kindje, een meisje, zag het levenslicht en kreeg al na luttele jaren het gezelschap van een zusje. Ik weet niet hoe en ter gelegenheid van welk feestgedruis het tweede kind dit keer verwekt werd en ik durf er ook niet naar te vragen, om niet opnieuw met de mond vol tanden te staan. Het zijn tenslotte ook mijn zaken niet.

Niet veel later sloeg het noodlot toe. Het meisje kreeg een levensbedreigende ziekte onder de leden. Aline riep alle goden aan, zocht heil bij talloze heiligen, consulteerde dokters en kwakzalvers, bad zich blauwe lippen en brandde massa’s kaarsen … tot ze op een nacht tijdens een visioen bezocht werd door een engel, of een andere hemelbewoner, die haar mededeelde dat haar dochtertje zou genezen als ze er zich toe verbond om gedurende de rest van haar leven voor een dier te zorgen, te weten een dolfijn of een paard.

Haar voorkeur ging uit naar een dolfijn, maar dat zag Rogaciano helemaal niet zitten natuurlijk, want je kunt zo’n dier bezwaarlijk in een huiskameraquarium onderbrengen. Het werd dus een paard.

Het kind genas en sindsdien is Aline eigenares van een paard, dat klauwen geld kost, nooit bereden wordt, nu al ettelijke zomers in een gehuurde weide rondkeutelt en evenveel winters in een dure stal staat te staan.

Ik kan niet anders dan mijn moeder zaliger gelijk geven: zot zijn doet geen zeer, maar het jeukt een beetje.

Wordt eerlang vervolgd.

Aline viert een verjaardag

De Spaanstalige Rogaciano – ik wou dat ik zo heette – kwam als zestienjarige uit een ver buitenland in onze contreien terecht. Ik genoot het voorrecht en het genoegen om hem in de geheimen van de Nederlandse taal in te wijden.

Nu was hij absoluut niet schadelijk voor de ogen en het duurde dan ook niet lang of hij had een vriendinnetje, Aline, dat hij binnen de kortste keren bezwangerde.
─”Lieve deugd!” riep ik toen ik dat vernam. “Gebruik je geen condoom dan?”
Hij bleef het antwoord schuldig, maar Aline verstrekte me gewillig tekst en uitleg.
─”Het was zijn verjaardag”, zei ze, “en als cadeau mocht hij een keertje zonder. Het was meteen prijs.”

Rogaciano wist even niet waar hij zich bergen moest en kleurde tot achter zijn oren. Ik van mijn kant wist gewoon niet wat ik hoorde en zat te kijken alsof er zich een geest gemanifesteerd had.

Aline legt een markante oprechtheid, een volslagen gebrek aan kapsones en een niet klein te krijgen naturel aan de dag, maar ze heeft aan de bron der intelligentie slechts de lippen bevochtigd. Ze is een simpel zieltje, dat zelfs een gebruiksaanwijzing nodig heeft voor kauwgum … maar daarover later meer. Dat Rogaciano het een keertje zonder jasje mocht doen en dat ook deed, was overigens ook niet bijster snugger van hem.

Wordt eerlang vervolgd.

Wat hebben die luiden geslikt?

Het moet een jaar of wat geleden zijn dat ik bezoek verwachtte van een jongeman, die zich te mijnent wilde bekwamen in de Spaanse taal.

Op het afgesproken uur signaleerde mijn mobiele telefoon dat iemand me wilde spreken en het scherm verklapte dat het mijn leerling was.
Ik wed om een mooi ding dat hij op de valreep afbelt, dacht ik, terwijl ergernis zich van me meester maakte.
─”Ja, hallo!” foeterde ik dus.
─”Ik sta aan je deur”, zei hij.

Krijg nu tieten! De bel was nauwelijks een halve meter van hem verwijderd, maar toch verkoos hij me telefonisch van zijn aanwezigheid op de hoogte te brengen.

Gisteren kreeg ik een tekstbericht van een kennis van me. Hij schreef: ik zal zo meteen een sms naar je andere telefoon sturen.
Kus nu mijn klooster!

Die zogeheten smartphones – wat heb ik een gloeiende siroophekel aan die benaming – mogen dan misschien erg slim zijn, maar veel gebruikers ervan zijn het vlees in een broodje idioot.

Op de vingers getikt

In een verloren uurtje zat ik naar het tennis op Roland Garros te kijken. Een landgenoot, David Goffin, evolueerde over het scherm en het rode gravel. Hij deed dat op nogal stuntelige wijze en sloeg ook voortdurend de bal mis, zodat ik me geërgerd naar het scherm wendde en riep: “Kun je eigenlijk tennissen?!”

Op hetzelfde moment namen mijn hersens een duik in het verleden. Ik kwam terecht in een nogal muffige kantoorruimte, die zes mensen behelsde, schrijver dezes incluis. Ik zat daar een tijdelijke klus te klaren, met name het vertalen van een gebruiksaanwijzing. De anderen, drie mannen en twee vrouwen, kweten er zich van hun dagtaak.

Noël was een van hen. Uit de oeverloze gesprekken die ze met zijn allen in de aanbieding hadden, begreep ik dat hij er nog maar enkele dagen werkte. Ik kon me niet van de indruk ontdoen dat hij aan de bron der intelligentie slechts de lippen bevochtigd had. Zijn oogopslag deed een minimum aan hersenactiviteit vermoeden en ik zou me afgevraagd hebben wat er zijn oren gescheiden hield, ware het niet dat mijn moeder me steevast op het hart drukte dat ik nooit mensen mocht beoordelen, afgaand op het uiterlijk dat ze tentoonspreidden. Ik probeer dat nog steeds te doen, maar het lukt me lang niet altijd.

Opeens ging Noël over het tot het schrijven van een brief. Te dien einde nam hij plaats achter een schrijfmachine – de computers stonden toen nog in hun kinderschoenen – en begon te typen. Nu ja, typen … Hij gebruikte slechts één vinger, die hij met ruime tussenpozen op een toets drukte. Ik heb er werkelijk geen idee van hoeveel aanslagen per minuut hij aldus bewerkstelligde, want ik heb nooit traag kunnen tellen, maar het zullen er alleszins bitter weinig geweest zijn.

Uitgerekend op dat moment kwam de zaakvoerder het vertrek binnen. Hij sloeg een wijle het geklungel van Noël gade en vroeg toen op barse toon:
–”Zeg eens even … Kun jij eigenlijk typen?”
–”Nee meneer”, zei Noël.

Ik heb achteraf vernomen dat Noël daar niet lang in dienst geweest is. Tja, als je tegen je baas zegt dat je geen verstand hebt van hetgeen je aan het doen bent, ligt dat in de lijn der verwachtingen.

Ook de prestatie van Goffin lag in de lijn der verwachtingen: hij verloor die wedstrijd.

Een domme muil

Mijn zeer gewaardeerde vriend, R., kwam naar mijn nieuwe keuken kijken. Nu ja, hij kwam eigenlijk voor iets anders, maar ik loodste hem arglistig, want quasi onopzettelijk de keuken in, waardoor hij willens nillens met de renovatie geconfronteerd werd en niet anders kon dan die te bezienswaardigen. Hij wijdde er wat lovende woorden aan, zodat ik haast doorbrandde van trots en vervuld van dankbaarheid zijn complimenten in ontvangst nam. Daarna schurkten we ons in vleesetende fauteuils en wisselden het televisiekijken af met vlagen van koetjes en kalfjes.

Opeens verscheen Donald Muylle op het scherm: de in Vlaanderen alom bekende keukenfabrikant, die zich onsterfelijk heeft gemaakt met de manier waarop hij zichzelf aan de kijkers introduceert bij het begin van zijn reclameboodschap.
“Ik ben Donald Muylle”, zegt hij dan, op een nogal domme manier, die bij velen aanleiding geeft tot groot jolijt.

“Ik ben Donald Muylle”, zei hij dus, waarop mijn vriend zijn mond opende en een vrijwel perfecte imitatie van Donald ten beste gaf, zeggende: “Ik ben Domme Muylle”.

Ja kijk, dan kun je me wegdragen, hè. Als mijn salontafel iets hoger op zijn poten had gestaan, zou ik er ongetwijfeld onder gelegen hebben.

De protestant

De hoofdstraat van het dorp waar ik nog net woon ─ ik heb me aan de rand ervan in een bos verschanst ─ is een uiterst drukke verkeersader, die bovendien op zeer ondoordachte wijze aangelegd is: twee smalle rijstroken, eilanden, drempels, asverschuivingen … Ik heb zo al geen al te hoge dunk van ingenieurs, maar de stedenbouwkundigen aan wiens bouwvallige geest dit misbaksel ontsproten is, hebben volgens mij aan de bron der intelligentie slechts de lippen bevochtigd en ze werden alleszins niet gehinderd door enige kennis van zaken.

Als zwakke weggebruiker en vooral als fietser waag je daar voortdurend je hachje. Artikel 40ter van het verkeersreglement stelt dat een bestuurder bij het inhalen een zijdelingse afstand van minimum één meter moet laten tussen zijn voertuig en een fiets of een tweewielige bromfiets. Jawel, morgen brengen! Ze scheren rakelings langs je heen en ik kan jullie verzekeren dat dit een bijzonder angstaanjagende ervaring teweegbrengt, vooral als het voertuig in kwestie een wegkasteel is, met van die reusachtige en derhalve meedogenloze molenstenen van wielen. Alleen al de jacht van zo’n vehikel blaast je bijna van de sokken.

Vanmorgen reed een fietser met een slakkengang door die straat. In zijn kielzog dobberden wel vijftig voertuigen, want hij had zich doodgemoedereerd in het midden van de weg geposteerd, zodat niemand hem kon inhalen. Telkens als iemand het waagde om achter hem op een claxon te rammen, ging zijn hand de lucht in en stak hij zijn middelvinger op. Aan de rand van het dorp hield hij halt, draaide zich om en herhaalde zijn protest in de andere richting. Bij zijn vierde doortocht heeft iemand hem aangereden, gelukkig zonder erg.

Ik ken de man niet, maar ik zou hem wel wierook toezwaaien, ware het niet dat ik niet goed de geur van wierook verdraag. Zal ik hem dan maar een veer in het achterwerk steken?

Gecensureerde titel

1.
De ene: “Kerstmis valt dit jaar op een vrijdag.”
De andere: “Ho, toch niet op de dertiende mag ik hopen.”

2.
De ene: “Ik heb gisteren een zwangerschapstest gedaan.”
De andere: “En? Waren het moeilijke vragen?”

3.
Ze heeft net een tweeling gekregen en huilt ononderbroken.
De verpleegster: “Waarom huil je? Je hebt twee prachtige baby’s.”
Zij: “Dat wel, maar ik weet niet van wie de tweede is.”

4.
De ene: “Wat is dichterbij? De maan of Parijs?”
De andere: “De maan natuurlijk! Of kun jij Parijs van hieraf zien misschien?”

Zoek nu een toepasselijke titel voor dit tussendoortje in dit lijstje: allochtonen, makaken, zwarte pieten, domme blondjes, mongolen, negers.

Instinkers

Naar jaarlijkse gewoonte heb ik gisteravond mijn spelkunst getest door mee te schrijven aan het Groot Dictee der Nederlandse Taal. De tekst van deze jubileumuitgave (25) was van de hand van Bart Chabot, die zich kennelijk uitgeleefd had in het Nederlands.

Tussen niemendalletje en blankebabybilletjesprivilege

Geef het Dictee terug aan de kijker, kopte De Telegraaf vorig jaar. Daar schrok het Dictee wel even van. De genuttigde zwezeriken lagen plotseling zwaar op de maag. Maar na een medoc te hebben gedronken, toog het Dictee alsnog welgemoed aan de slag.
Dames en heren thuis en in deze parlementariërsruimte, bij dezen proficiat: u hebt, onder toeziend oog van koning Willy de Tweede, nog steeds nul fouten in uw brossel!
O, als gisteren herinner ik me het eerste Dictee: na aankomst in een havelock met andere BN’ers bij de Eerste Kamer der Staten-Generaal bekroop me het rodelopergevoel. Een halfuurtje later kwam een kokospalm voorbij, en zee-egels uit het Middellandse Zeegebied en een kasuaris en nochtans; en apensoort, apenrots en apekool: een taalkundig houtenjassenpark, en kookte ik vanbinnen want ik kende de Van Dale niet vanbuiten.
De oe’s en a’s waren niet van de lucht tijdens dat gillendekeukenmeidenvertoon van het Nederlands.
Sindsdien hebben we ongelooflijk veel geleerd: aanwensel, bespioneren, ge-sms’t en kippenragout kennen voor ons bollebozen geen trubbels meer, en ook uitentreuren, hawaï-shirt of gestrest en een rock-‘n-rolllegende in goeden doen spellen wij foutloos.
Ooit mocht ik het Kinderdictee schrijven en vergastte de bollewangenhapsnoeten op de oeioeimachine, een perubalsempopulier en een tafa of West-Australische penseelstaartbuidelmuis; een gribbelgrabbel van woorden, alle uit de Dikke Van Dale, de toverballenautomaat van onze taal.
Sla de Dikke willekeurig open en ontdek de geheimenissen van de brougham, een gesloten rijtuig voor twee personen getrokken door één paard; blader door die Ali Babataalschatkamer en ontdek dat een turbe een menigte is, en een turco een Noord-Afrikaanse inlandse tirailleur in Franse krijgsdienst.
Dat was het jubileumdictee. Rest de vraag: wilt u de komende jaren meer of minder dicteeën? Het antwoord moet wel luiden: ‘Meer! Meer! Meer!’

De deelnemers die aanwezig waren in de vergaderzaal van de Eerste Kamer der Staten-Generaal in Den Haag maakten gemiddeld 23 fouten.
De bekende Vlamingen in de vergaderzaal maakten gemiddeld 25 fouten.
De lezers van De Morgen in de vergaderzaal maakten gemiddeld 16 fouten.
De bekende Nederlanders in de vergaderzaal maakten gemiddeld 31 fouten.
De lezers van De Volkskrant in de vergaderzaal maakten gemiddeld 19 fouten.

De winnaar in de vergaderzaal was de eenentwintigjarige Randy van Halen uit Dordrecht met slechts 7 fouten. Wie doet het hem na?!

Ik alleszins niet, want ik maakte 9 fouten. Ik heb ze hierboven in het rood aangeduid en geef hieronder wat toelichting:

– ik schreef Médoc, met accent en met een hoofdletter
– ik schreef van buiten, met een spatie
– ik schreef kippenragoût met een dakje
– ik schreef troubles
– ik schreef Hawaï-shirt met een hoofdletter
– ik schreef gestresst, met dubbele s
– ik schreef rock-and-rolllegende
– ik schreef kinderdictee, met een kleine letter
– ik schreef brown, want ik had nog nooit van een brougham gehoord

Voor meer tekst en uitleg kun je de website van Onze Taal aanklikken, waar men de pennenvrucht van Bart Chabot uitgebreid onder de loep neemt.