Tag: hotemetoten

Ludivine Dedonder: een trut van Troje

O, wat erger ik me aan de in zeer hoge mate door mij misprezen Belgische minister van Defensie: de zurkeltrut Ludivine Dedonder. Als jullie willen weten waarom ik zo’n godsgruwelijke schurfthekel aan dat mens heb, moeten jullie vooral doorgaan met lezen.

Naar aanleiding van de onverkwikkelijke gebeurtenissen in Afghanistan en de daarmee gepaard gaande tussenkomsten van het Belgisch leger verscheen deze danig over het paard getilde kakmadam op mijn televisiescherm, terwijl ze geïnterviewd werd door een journalist van de VRT, zijnde de Vlaamse televisie. Desalniettemin kwam er geen enkel Nederlands woord over de lippen van dat wijf. Ze overtrad alle regels van het fatsoen door de taal van de hoofdmoot der Belgen doodgemoedereerd te negeren, waarschijnlijk omdat ze te dom of te lui is om die aan te leren. Of zou ze het Nederlands beneden haar Waalse en socialistische waardigheid vinden?

Het in meer of desnoods mindere mate beheersen van beide landstalen zou een conditio sine qua non moeten zijn voor de leden van de Belgische regering. En dus ook voor het onbeschofte schepsel en de in hoge mate door mij misprezen kakmadam: Ludivine Dedonder.

Ze komt daar niet mee weg, althans niet wat mij betreft. Als het aan mij ligt, zal ze roemloos tenondergaan.

De goeden lijden onder de kwaden

Het gebeurde zo’n drie weken geleden …

In de supermarkt had ik mijn wagen torenhoog volgeladen: niet met oude wijven, noch met oude mannen en evenmin met jonge meisjes, maar met proviand, leeftocht, mondvoorraad, foerage en allerhande foute, maar onvergetelijke happen, zoals daar zijn amuse-gueules, bonnes bouches, éperons de Bacchus, friandises, frivolités … en meer van dat spul. In het Frans klinken die minder ongezond.

Ik stond aan de kassa op mijn beurt te wachten en dus aan te schuiven, toen ik benaderd werd door een behoofddoekte vrouw die in schier ondoordringbaar Vlaams tegen me aan begon te kakelen en zich bijna onverstaanbaar maakte. Ik begreep evenwel dat ze graag wilde dat ik haar voorrang zou verlenen, omdat ze weinig gekocht had, hetgeen ze staafde door haar boodschappentas voor me te openen, waarin zich inderdaad slechts een paar artikelen bevonden.

In mijn hoedanigheid van een geheel uit voortreffelijkheid opgetrokken persoon ─ ik ben door de goden gezoend en door de mensen omarmd ─ liet ik die zurkeltrut mijn plaats innemen en toen …

… toen wenkte ze een vrouw die iets verderop stond en die voegde zich doodgemoedereerd bij haar, voorzien van een schier overgutsende winkelkar.
“Hoho!” riep ik. “Zo zijn we niet getrouwd. Achter aansluiten!”

Het takkewijf ontpopte zich meteen tot een helse furie, die met hoog oplaaiende stem begon te schreeuwen alsof ze in een mes hing. Kreeg ik me daar een bloemlezing vloeken en verwensingen naar het hoofd geslingerd. Nu ja, dat denk ik toch, want ze stak haar tirade af in een voor mij totaal ondoordringbaar taaltje. Mensen kinderen, wat was dat een secreet!

Ik kon haar wel aanvliegen en voelde grote aandrift om haar die vod van de kop te rukken. Ik heb ooit in jeugdige, door woede aangewakkerde overmoed de kap van een katholieke non ─ zuster Suzanne ─ neergehaald en dat is me toen heel zuur opgebroken, dus hield ik me koest en mompelde enkel:
“Ach mens, stop er een kurk in! Of zal ik me van kant maken?”

Net als Urbanus hield ik al niet van madammen met een bontjas, maar tegenwoordig hou ik ook steeds minder van madammen met een hoofddoek. Het zijn heel vaak ongenietbare en onredelijke wezens.

Het gebeurde vanmorgen …

Ik stond opnieuw en nog maar eens met een volle kar aan te schuiven bij de kassa van de supermarkt, toen ik benaderd werd door een vrouw van middelbare leeftijd. Ze opende haar boodschappentas en toonde me de twee broden die zich daarin ophielden.
“Zou ik misschien mogen voorkruipen?” vroeg ze timide.
“Nee!” zei ik kortaf. “Daar doe ik niet aan mee.”

Mijn woorden waren nog niet koud of ik had er al spijt van, maar ik kon al niet meer terugkrabbelen, want het slachtoffer van mijn botte weigering deinsde terug als een duivel die een veeg met een wijwaterkwast krijgt en spoedde zich ijlings naar een andere kassa.

Ja, sorry hoor, mevrouw. De goeden lijden soms onder de kwaden. Ik zal het nooit meer doen.

Asociale stukken chagrijn

Terwijl ik me op VIER in De Slimste Mens zat te verkneukelen, probeerde dat televisiezendertje me per lokfilmpje te verleiden om vanaf volgende week hun nieuwe docureeks ─ Ja, chef! ─ met mijn aandacht te vereren. Het programma zal naar verluidt de keukens van vijf ambitieuze chef-koks induiken en registreren wat zich daar allemaal afspeelt.

Een van die vijf is ene Patjim Bajrami, van Kosovaarse afkomst en een plomp en onbehouwen heerschap. Hij is de mening toegedaan dat men met een brutale bek al een heel eind komt en hij banjert derhalve ongehoord bot door het leven en door zijn keuken. De zeven paarden die hem uit de klei getrokken hebben, staan daarvan nog na te hijgen. De manier waarop die hemeltergende bullebak met zijn personeel omspringt, is wraakroepend. Een bulldozer heeft meer charme.

Volgens zijn eigen ‘bescheiden’ zeggen wil die hork de beste chef van België worden en drie Michelinsterren veroveren. Van mij kan hij alvast drie West-Vlaamse schoppen onder zijn Kosovaarse kloten krijgen, want ik maak mijn handen niet vuil aan een fluim. Misschien dat hij dan weliswaar geen drie sterren verovert, maar hij zal ze toch zeker zien en zelfs meer dan drie.

Ik crepeer nog liever van de honger dan dat ik me naar het etablissement van zo’n primaat ─ De Stadt van Luijk in Sint-Truiden ─ zou begeven.

Een vergiftigd geschenk

Welke onnozele halzen zijn er in vredesnaam op het onzalige idee gekomen, om ons in deze door corona geteisterde tijden met een dozijn gratis treinritten op te zadelen? Dat kunnen volgens mij enkel geitenwollensokken geweest zijn: de achterlijke troel Almaci, die aan de bron der intelligentie slechts de lippen bevochtigd heeft, of anders de zielenpoot Calvo, wiens oogopslag slechts een minimum aan hersenactiviteit doet vermoeden.

Kennissen van me spoorden gisteren gratis van Brugge naar Hasselt. Dat is ze uitermate slecht bekomen. Ze zaten bijna drie uur in een tot de nok gevulde en derhalve risicovolle trein, beiden uitgerust met de verplichte, maar in niet geringe mate hinderlijke mondmaskers. Toen ze na deze martelgang op hun bestemming arriveerden, bleken ze nergens terecht kunnen om wat te blikken of de keel te smeren. Alles zat potdicht. Dan gaat een mens toch echt wel even balen. Dat deden ze uitgebreid en dan moesten ze nog dat hele eind terug naar huis.

Hier volgt derhalve een goede raad voor zij die, niettegenstaande de benarde omstandigheden, toch van die gratis ritten gebruik willen maken. Wie die niet ter harte neemt, doet dat op eigen risico:
Neem een stapel aangeklede boterhammen en een volle thermosfles mee!

Mij krijgen ze daar alleszins niet voor. Ik doe er niet aan mee en kus nog liever een kakkerlak. Ik heb niet voor het zootje ongeregeld van de Vivaldicoalitie gekozen ─ ga daarmee naar den oorlog! ─ en ik heb slechts weinig, om niet te zeggen geen vertrouwen in wat ze allemaal bekokstoven. Het is allemaal lauwe limonade met een rietje, geserveerd door een stelletje nulliteiten. Ze kunnen de pot op met hun ‘cadeautjes’ waar wij, belastingbetalers, toch voor zullen opdraaien.

Zo charmant als een bulldozer

Ergens in het pretpark Vlaanderen raakte ik door een omleiding uit koers en toen ook mijn gps tegenstribbelde, was ik opeens knap de weg kwijt.

Gelukkig zag ik toen een meisje, dat zich aan gezonde lichaamsbeweging overgaf, meer bepaald aan hetgeen men joggen noemt. Ze bewoog zich voort met een gechoreografeerde manier van lopen en trok lichtvoetig de zwaartekracht in twijfel.

Ik haalde haar in, hield halt en vroeg:
“Pardon, juffrouw. Is dit de weg naar D…?”
Die klapkut keek me aan alsof ik haar een oneerbaar voorstel had gedaan. Weten jullie wat die zurkeltrut toen antwoordde?
“Ik ben Google Maps niet.”
Dat zei die pekelteef en ze liep gelijk van me weg met veerkrachtige tred.

Wat een secreet, zeg! Het scheelde echt niet veel of ik stak mijn middelvinger op, maar ik ben keurig en netjes opgevoed, dus beperkte ik me tot het gemompel van wat boude termen:
“Ach mens, eet een kakkerlak! Krijg de donkerbruine touwtering!”

En zo veeg ik onderweg anekdotes bij elkaar.

Da gaade gij ni bepale, hè!

“Da gaade gij ni bepale, hè!” snauwde Jan Jambon, de knisperverse Vlaamse minister-president tegen een lid van de oppositie, waarna hij die waarschuwing nog eens herhaalde, zwaaiend met een spinnige vinger: “Da gaade gij ni bepale!”
Het gebeurde tijdens een door televisiecamera’s begluurde zitting van het Vlaamse parlement en die woorden schoten mij gisteren plots te binnen.

Ik kreeg namelijk bezoek van een man, die een nogal vooraanstaande positie bekleedt en van wie men dus geredelijk zou mogen verwachten dat hij het klappen van de zweep kent, toch zeker op het gebied van omgangsvormen. Over de rest kunnen we beter zwijgen, want hij heeft weliswaar veel goeie raad te koop, maar vooralsnog zelf nooit iets verwezenlijkt.

─”Mag ik u wat aanbieden?” vroeg ik, want ik ben dus wel keurig netjes grootgebracht.
─”Alleen als je met me meedrinkt”, sprak hij en op dat moment doken de woorden van Jan Jambon mijn hersens binnen: Da gaade gij nie bepale, hè!

Wat verbeeldde dat heerschap zich wel? Hij zal me daar een beetje commanderen in mijn eigen huis! Ammenooitniet! Waarom dacht hij trouwens dat hij me mocht tutoyeren? Hadden we vroeger soms met elkaar geknikkerd? Niet zo familiair voor zo weinig kennis, dacht ik, maar ik slikte mijn ergernis in.

─”Dan niet,” haalde ik de schouders op, “want ik heb op dit moment geen dorst.”
Hij bleef zodoende op zijn honger … eh … dorst en daar had hij niet van terug. Ik evenmin, want ik had de avond voordien zwaar getafeld en verging zowat van de dorst, maar een kermis is een geseling waard.

Een spion?

Toen ik mijn woning verliet, stond ik plots oog in oog met een wildvreemde man die doodgemoedereerd, de handen diep in de broekzakken, langs mijn terras drentelde.
─ “Hebt u hier wat verloren?” vroeg ik dus, niet bepaald op vriendelijke toon.
─ “Ik ben even naar het huis aan het kijken”, kreeg ik te horen.
─ “Je pleegt wel inbreuk op mijn privacy”, laadde ik mijn woorden met protest.
─ “Ben je soms dingen aan het doen die niet mogen?” opperde hij laconiek en hij kuierde sereen als gebotteld water van me weg.

Ik stond even met mijn mond vol tanden, schudde ongelovig het hoofd … en liep toen snel naar mijn clandestiene jeneverstokerij annex cannabisplantage, om die nog beter te camoufleren.

Een wonderlijke groente

rabarber2Mijn mond lust graag rabarber. Er is een tijd geweest dat ik me deze zuurstokken probleemloos kon aanschaffen. Schijthuizen kon je ermee dekken. Vandaag de dag moet men zich echter ongans zoeken om die stengels te vinden. Ze zijn zowel letterlijk als figuurlijk dun gezaaid.

Verleden week kwam ik nogal onverhoeds op een boerenmarkt terecht. In een groentekraam aldaar ontwaarde ik zowaar twee ‘bussels’ van mijn favoriete vegetatie, dus vervoegde ik me bij de lange wachtrij. Het duurde toch bijna tien minuten voor ik aan de beurt was en wijzend met een verlekkerde vinger zei:
–”Ik wil graag die twee bussels rabarber.”
–”Die zijn gereserveerd”, deelde die boerin van de korte keten me nogal kortaangebonden mee.
–”Waarom stelt u die dan nog tentoon?” vroeg ik me af en ik deelde die vraag aan haar mee.
–”Ik stel hier tentoon wat ik wil”, verkondigde ze bazig, “en daar hoeft niemand zich mee te bemoeien.”

Ik kon haar geen ongelijk gegeven natuurlijk, maar die onbeschofte zurkelktrut mag van mij schaamluizen krijgen en korte armpjes, zodat ze zich niet kan krabben. Haar kraam mag van mij met een luide knal de lucht invliegen.

Ik zal alleszins nooit meer wat bij die pekelteef kopen. Zelfs geen rabarber.

Een ruig stelletje

Een boer en een beer … het scheelt slechts één letter, maar ook niet meer dan dat. Van mij mag dat zelfs een ongelikte beer zijn.

Vooral in deze tijd van het jaar worden de wegen, en niet in het minst de landwegen, onveilig gemaakt door landbouwvoertuigen en vooral door tractoren met aanhangsels van diverse pluimage, zoals daar zijn verlekkerd blinkende ploegmessen, venijnig scherpe hooischudders, imposante mesttanks en meer van dat meedogenloos gerief.

Hebben de maniakken die dergelijke vehikels beteugelen er eigenlijk een idee van hoe angstaanjagend het voor een fietser of een wandelaar is om door zo’n gevaarte aan drieste snelheid ingehaald of gekruist te worden?

Veel van die boeren (beren) vinden het immers niet nodig om hun snelheid wat te matigen als ze een zwakke weggebruiker ontmoeten. Ze rijden je doodgemoedereerd de bermen in.

Ik heb al met de gedachte gespeeld om niet meer voor die gedrochten uit de weg te gaan en ze zodoende tot stoppen te dwingen. Vooralsnog waag ik dat echter niet. Die boerenpummels zijn in staat om je genadeloos van de sokken te rijden. Het heeft geen haar gescheeld of ik werd vanmorgen klakkelings van de sokken gereden.

Ik vertrouw ze niet, die kinkels.