Tag: ontmoetingen

Dubbelgangers

Ik moest bij ze in de buurt wezen, dus wipte ik even binnen bij een stel met wie ik niet echt nauw gelieerd ben, maar toch contact houd.

Ik daalde neer in een van hun vleesetende fauteuils en raakte in een gesprek verwikkeld over de dingen des levens. Opeens begon de vrouw des huizes driftig door een tijdschrift te bladeren en gooide dat toen geopend voor me neer.
─“Dat heb je wel mooi voor ons verzwegen”, ginnegapte ze.
─“Wat dan?” vroeg ik.
─“Kijk!” gebood ze en ze wees me de plek aan. “Je hebt ons niet eens een kaartje gestuurd.”

Een van de foto’s die een artikel over Boedapest verluchtten, vertoonde het fraaie interieur van de aldaar gevestigde Hongaarse Staatsopera. Er greep kennelijk een voorstelling plaats, want de bonbonnière was tot de nok gevuld met allemaal keurig uitgedoste dames en heren. En wie zat daar op de eerste rij, gehuld in een smetteloze smoking en voorzien van een speels vlinderdasje? Ik!

Nu is er echter een probleem. Ik ben nog nooit van m’n leven in Hongarije geweest, laat staan in Boedapest en laat nog meer staan in de Opera van die stad. Er moet daar dus iemand anders zitten, maar dan wel iemand die zo frappant op me lijkt, dat ik me zelf zou kunnen vergissen. Ik geloofde werkelijk niet wat ik zag.

Ik ben vroeger ook al eens door kennissen in Wenen opgemerkt, terwijl ik helemaal aan de andere kant van de wereld vertoefde. Die waren me zelfs vrolijk tegemoet gesneld om me te begroeten, waarna bleek dat ik geen woord verstond van wat ze zegden. En niet veel later werd ik herkend op het Franse getijdeneiland Mont Saint-Michel, terwijl ik me op dat moment honderden kilometer zuidwaartser aan boord van een muildier heupwiegend naar het Cirque de Gavarnie in de Pyreneeën begaf. Volgens mij moet dat een soortement fata morgana geweest zijn.

Ik heb nooit veel geloof gehecht aan de bewering dat er van ons allemaal een of meerdere dubbelgangers over de aardkloot hossen, maar een mens zou toch beginnen twijfelen. Als jullie me dus ooit ontmoeten, dan ben ik het waarschijnlijk niet. Het is maar dat jullie het weten.

De klimgeit

Ze waren met z’n zessen: vier dames die meer verleden dan toekomst hadden en twee heren, wiens leven ook geen zee van tijd meer was. Ze ondernamen een fietstocht ─ voor sommigen is zo’n uitstap inderdaad een heuse onderneming ─ en toen ik ze op mijn weg ontmoette, hielden ze net een sanitaire stop. Nu ja, de halte gold voor alle zes, maar aan het sanitaire hoofdstuk namen enkel de mannen deel. Terwijl die zich wijdbeens in de berm opstelden en hun jongeheer een handje gaven, begonnen de vrouwen tegen elkaar aan te kakelen in sappig West-Vlaams.

“Ik moet’n diene berg zère pakk’n wei”, zei een van hen en ze wees naar de viaduct die zich voor hen uitstrekte en zich over een autoweg welfde.
Er zijn mensen die van iedere mug een olifant maken, maar Vlamingen zijn licht geneigd om elke verhevenheid in het landschap een berg te noemen.
“Ge meuh ’t mie nie kwolik pakk’n ok juldre verbiesteek’n”, vervolgde ze en ze kon haar eigendunk nauwelijks tillen.
Voor mijn lezers die het West-Vlaams als Chinees beschouwen, vertaal ik even wat ze zei:
Ik moet die helling met hoge snelheid oprijden. Jullie mogen het mij niet kwalijk nemen als ik jullie voorbijrijd.

Nou moe, die prestatie wilde ik toch even gezien hebben, dus hield ik iets verderop halt om kwansuis de glazen van mijn zonnebril te poetsen en mijn neus te snuiten. Het duurde niet lang of het zestal vervolgde zijn weg en begon aan de beklimming van de berg.

De dame in kwestie reed niemand voorbij. Ze bereikte zowaar helemaal als laatste de top, niettegenstaande de elektrische ondersteuning van haar fiets. Er werd haar niets kwalijk genomen. Ze zal allicht een hongerklop gekregen hebben, of hoe heet zo’n Franse fringale in het Nederlandstalige wielerjargon? De man met de hamer?

We blijven hoffelijk

Een van de dingen waarover ik me omstandig kan opwinden ─ en dat is hoegenaamd niet bevorderlijk voor mijn algehele welbevinden ─ is de nonchalance van sommige hondenbezitters, die het niet nodig vinden om hun viervoeter aan te lijnen als ze zich op de openbare weg begeven.

Op een pad dat enkel voetgangers en fietsers duldde, stond ik op het punt om een moeder met dochter in te halen, toen uit de tegenovergestelde richting opeens een loslopende hond verscheen, van een model waarop een zadel niet zou misstaan. De eigenaar ervan volgde op vijftig meter.
Het meisje bleek een mongooltje te zijn. Naar verluidt hoort een weldenkend mens het woord ‘mongooltje’ niet meer te gebruiken, maar dat vind ik net zo’n flauwekul als het taboe dat vandaag de dag op bijvoorbeeld neger en dientengevolge op Zwarte Piet rust. Mijn zusje ─ zij ruste in vrede ─ was een mongooltje en zo hebben mijn ouders en ik haar ‘afwijking’ altijd genoemd. Ik weet dus uit ondervinding dat veel mongooltjes een heilige schrik voor honden hebben. Dat was ook het geval met het meisje in kwestie. Ze sloeg in paniek en begon te schreeuwen alsof ze in een mes hing. Het kostte de moeder alle moeite van de wereld om haar tot bedaren te brengen.

─”Misschien kunt u toch beter die hond aanlijnen”, vermaande ik de eigenaar van dat beest, niet eens op onvriendelijke toon.
─”Ge ligt gie oak nie vaste, zeveroare!” riep de man in onvervalst West-Vlaams. (Jij ligt ook niet vast, zeveraar!)

Tja, waar bemoei ik me eigenlijk mee? Ik lag inderdaad niet vast.

Nauwelijks vijfhonderd meter verderop stond ik plots oog in oog met tien ingespannen sledehonden, die bij gebrek aan zowel sneeuw als aan een slede in razende vaart een bemand tuig met wielen over het smalle pad sleurden en zodoende alle andere weggebruikers in de bermen joegen. De verwijten waren dan ook niet uit de lucht, want het gevaarte hoorde daar absoluut niet thuis en veroorzaakte ronduit gevaarlijke toestanden, maar de menner stoorde zich absoluut niet aan die protesten. Hij bleef die honden aanvuren en de hele breedte van het pad in beslag nemen.

Tja, waar bemoeiden wij ons eigenlijk mee?

Ik hoop dat de moeder en haar dochtertje de ontmoeting met deze schuimbekkende husky’s zonder al te veel misère overleefd hebben.

Wat smijten ze nu weer op mijn pad?!

Sinds ik enkele jaren geleden, op een niet zo fraaie lentemorgen, op een dode man stuitte, die in het bos aan een boomtak hing, ben ik ervoor beducht dat mijn overlevingstocht door het bestaan me nog een keer met zo’n bloedstollend tafereel zal confronteren. Ik waag me immers vaak langs waterlopen, of op van God en alle heiligen verlaten wegen en laat dat nu ook de uitverkoren plekken zijn van lieden die halsmisdaden gepleegd hebben en hun slachtoffers moeten dumpen, of van individuen die om soms onnaspeurbare redenen uit het leven willen stappen.

En ja hoor, gisteren werd mijn vrees bewaarheid. Toen ik in de verte een vormeloze, op het asfalt liggende opeenhoping ontwaarde, voorvoelde ik meteen dat er stront aan de knikker was en dat ik daar een neergevelde mens zou aantreffen. Met een knoop in mijn maag staarde ik wezenloos naar het onheilspellende stilleven.
“Laat het alsjeblieft geen massacre zijn”, prevelde ik tegen mezelf.
Terwijl ik mijn fiets ontsteeg, bereidde ik me voor op een gorgonisch tafereel: een gekloofde schedel met uitstulpende hersenkwabben, versplinterde botten die uit gapende wonden priemen, de bloederige brij van in flarden gescheurd vlees, lillende darmen … Aarzelend en huiverig — men kon mijn reet wellicht als doppenwipper gebruiken — naderde ik het slachtoffer van … ja, van wat? Een aanrijding? Van de sokken gekieperd door een gevluchte onverlaat? Voor dood achtergelaten na een gewelddadig treffen? Of was hij van het huizenhoge viaduct dat naast de weg oprees gesprongen? Als er een delict gepleegd was, kon ik hem beter niet aanraken, besefte ik, maar men mocht evenmin hulp ontzeggen aan wie in nood verkeerde.

Behoedzaam trad ik naderbij. Eerst hoorde ik hoe er muziek uit hem opsteeg, afkomstig van een onzichtbaar toestelletje. Daarna zag ik het bierblikje dat als het ware parmantig naast hem stond. Het begon mij te dagen.
“Heilaba! Hoor je me?” ontfutselde ik een pover geluid aan mijn gorgel. Ik vermande me echter en riep met luider stemme: “Hallo! Jij daar! Kun je me horen?” Men hoorde me vermoedelijk in Kazachstan, of zelfs op het eiland Puka Puka in de Stille Zuidzee.
“Kus een beetje m’n vette kloten!” lalde hij en zijn al even vette tong verklaarde veel: hij was zo zat als een moeras. “Laat mijn hoofd gerust en blaas m’n zak op!”
“Jij je zin!” was ik in mijn kuif gepikt. “Dan wens ik je nog een aangename middag.”

Ik beende naar mijn rijwiel, nam nog snel een paar foto’s van dat ondankbaar stuk potvreten en fietste vervolgens nieuwe avonturen tegemoet.

Praatje voor de vaak

Ik ben nogal geblutst uit een relatie gekomen. Hoewel ik me sindsdien zo min mogelijk met anderen bemoei en zelf ook liever mijn goddelijke driehoek ga, kan het toch gebeuren dat ik plots een aanspraakje nodig heb. Dat was ook gisteren het geval, dus spoedde ik me naar de lokale tempel des vertiers, op zoek naar het soort luchtige kroegpraat waaraan ik me in prettig gezelschap graag mag bezondigen. Weet ik veel wat me bezielde!

Aan de tapkast kwam ik in aanraking met een geeuwend vervelend gotsammelazarustype. Binnen de kortste keren vroeg ik me af waarom ik niet thuisgebleven was. Hij zat de hele tijd te krasborstelen over het klimmen der jaren en het daarmee gepaard gaande krimpen van de toekomst. Ik wilde dat niet onweersproken laten:
─”Ach, je houdbaarheidsdatum is nog lang niet verstreken”, lapzalfde ik. “Bovendien worden mensen interessanter met de jaren: er zijn meer lagen af te pellen”.
─”Je mag me overtuigen, maar niet vleien”, mompelde hij nogal onderkoeld. “Een kreeft in een kookpot heeft betere toekomstperspectieven.”
─”Hoe oud ben je eigenlijk?” vroeg ik, op het gevaar af dat hij me om een schatting zou vragen. Daar ben ik namelijk heel slecht in en meestal gooi ik er zo’n tien jaar bovenop.
─”Ik heb de Dode Zee nog gekend toen die nog leefde”, zei hij.

Ik liet een lach op mijn gezicht los, want een geslaagde oneliner valt er bij mij altijd lekker in. Helaas gebeurde er verder niets meer dat ik de moeite van het vermelden waard vind, zodat ik er hier maar een punt achter zet.

Olijke stukken vlees

fietsenToen ik door het dorp fietste, ontmoette ik een meisje en een jongetje. Ze waren een jaar of acht, schat ik, en ze liepen keurig op het voetpad. Hand in hand. Ik reed ze voorbij en hoorde dat een van hen me iets nariep, maar omdat er net een luidruchtig voertuig aankwam, kon ik dat niet verstaan. Ik kneep de remmen dicht en wachtte. Aarzelend keutelden ze naderbij.

─“Riep je wat?” vroeg ik.
─“Ik niet”, prevelde het meisje.
Ze had verschrikte ogen opgezet en schudde heftig van nee.
─“Ik heb geroepen”, bekende de jongen ruiterlijk en met een branieachtige snoet, die geen spoor van angst vertoonde.
─“Wat dan?” wilde ik weten.
Hij gnuifde, keek even naar het meisje en zei toen:
─“Je wielen draaien!”

Ik proestte het uit, vervolgde lachend mijn weg en zit nu eigenlijk nog steeds met die snaak te lachen. Mijn wielen draaien als ik fiets. Wie had dat ooit kunnen denken?

Nog niet zo lang geleden spurtte ik voorbij een in een deurgat vertoevend oud mannetje en weten jullie wat die me nariep?
─“Doe maar rustig! Ze hebben hem al!”

Uitstapje

Op de parkeerplaats van het ziekenhuis kachelde een brekelijk oud vrouwtje naar me toe. Ze maakte een beetje een rafelige indruk en zag er wat versjofeld uit. Er stonden generaties wereldleed in haar gelaat geëtst en haar kapsel leek omgescharreld door opgewonden vogeltjes. Haar lichaamstaal drukte een gesmoord hulpgeroep uit. Of ik haar alsjeblieft naar huis kon brengen?
“Waar is dat dan?” vroeg ik.
Ze reciteerde het adres met de zangerige modulatie waarmee kinderen de tafels van vermenigvuldiging afdreunen.

Het zou slechts een kleine omweg van me vergen. Bovendien heb ik wat met wie zich in zijn nadagen bevindt. Ik laat ze nooit aan hun lot over en heb er alle begrip voor dat ze zich wat verloren voelen in deze computergestuurde tijden. Ik opende hoffelijk het portier van mijn auto en liet haar plaatsnemen. Toen herinnerde ik me opeens een voorval …

… op een warme zomerdag bracht mijn vader een bejaarde man naar huis, die vlak voor onze deur een soort appelflauwte gekregen had. Ze waren koud de straat uit toen de passagier een langgerekte zucht slaakte … en daarna niets meer, want hij zat dood naast mijn pa. Dat is op zich al geen aangename gebeurtenis, maar wat volgde was nog minder prettig. Men catalogiseerde het overlijden als zijnde verdacht en mijn vader onderging een verhoor. Had hij dat mannetje al dan niet om het leven gebracht?

Het vervoeren van onbekenden bergt dus een risico in zich en dat risico vergroot recht evenredig met het aantal levensjaren dat de onbekende achter de rug heeft. Niettemin bracht ik het vrouwtje naar het adres dat ze opgegeven had … en daar bleek niemand haar te kennen of ooit gezien te hebben. Dan sta je toch even paf, hoor. Ik probeerde haar meer informatie te ontfutselen, maar ze begon opeens te raaskallen, zodat ik me noodgedwongen tot de politie moest wenden. Daar was men al op de hoogte van haar verdwijning. De dolende ziel was ontsnapt uit het ziekenhuis waar ze me om een lift gevraagd had.

Ik had het nochtans kunnen weten of toch zeker vermoeden. Mijn grootmoeder liet zich ook niet africhten of aanlijnen en slaagde er telkens weer in uit het verpleeghuis weg te lopen. Dat is haar op een keer fataal geworden, want ze stak een straat over en kwam onder een auto terecht.

Er rest me dan ook niets meer dan het uitspreken van de weinig historische woorden: “Zo, dat hebben we ook weer gehad.”
Wie weet wat het leven voor ons nog allemaal in petto heeft?

De barmhartige Samaritaan

In Nergenshuizen stond ik op het punt om het pad van een moeder met drie kinderen te kruisen. Twee daarvan reden zelfstandig op fietsjes; het derde zat bij haar achterop in een stoeltje.

Net voor we elkaar zouden voorbijrijden sprong ze van haar rijwiel en met luider stem instrueerde ze haar kroost om hetzelfde te doen.
─”Ik ben plat!” jammerde ze.
Haar blik drukte een soort dierlijke radeloosheid uit: de wanhoop van de stervende kat.

Ik kneep de remmen dicht, hield halt en constateerde dat ze lang niet zo plat was als ze van zichzelf dacht, zodat ik vermoedde dat de platte toestand niet haarzelf, maar haar fiets betrof. Daar stond ze dan: moeder van drie, ver van de bewoonde wereld, zonder telefoon en met een onbruikbaar wiel. Ik bood haar mijn mobieltje aan, maar ze kon zich met de beste wil van de wereld geen enkel nummer herinneren van iemand die haar uit de nood kon helpen.
─”Ik heb gerief bij me om u te depanneren,” zei ik, “maar het kan wel even duren voor ik het klusje geklaard heb.”
Ik was me immers zeer bewust van mijn onhandigheid op het gebied van fietsreparaties … en eigenlijk op velerlei gebied, maar dat leek haar overkomelijk.

Ik ging dus aan de slag en tot mijn eigen verbazing ging dat vlotter dan verwacht. Al na twintig minuten had ik de binnenband luchtdicht bepleisterd en kon ik haar uitwuiven, nadat ze mij onder dankbetuigingen en loftuitingen bedolven had.

Als ik ooit het moede hoofd neerleg en het tijdelijke met het eeuwige verwissel, zal ik ongetwijfeld regelrecht en met de grootste onderscheiding ten hemel opstijgen, alwaar me zeventig maagden … eh … rijstpap met bruine suiker en gouden lepeltjes te wachten staan.

Het weze me vergeven dat ik hier mijn eigen lof laat stinken. Als men zichzelf niet kietelt, lacht men nooit.

De dag van de loslopende dieren

Op het jaagpad langs het kanaal, in de buurt van Stalhillebrug, stormden plots drie koeien op me af, waardoor ik van de fiets moest om me achter een boom in de berm te verschansen. Ze waren blijkbaar ontsnapt en leken vast van plan om van de verworven vrijheid te genieten. Ze draafden me huppelend voorbij, met vrolijk heen en weer klotsende uiers en zwiepende staarten. Ik meende zelfs een triomfantelijke glimlach op hun muil te ontwaren, maar dat heb ik me vast ingebeeld, want deze uiting van vreugde is immers voorbehouden aan La Vache Qui Rit.

Tien kilometer verder, in de bossen van het Vloethemveld galoppeerde er plots een paard naar me toe: een schuimbekkende en ongezadelde schimmel, waarin ik het ros van Sinterklaas meende te herkennen, maar ook dat zal wellicht inbeelding van me geweest zijn, want volgens de kalender is zowel de goedheilig man als zijn vervoermiddel al naar Spanje teruggekeerd. Omdat zo’n op hol geslagen dier zich niet aan verkeersregels pleegt te houden diende ik me opnieuw achter een boom op te stellen.

Nog eens drie kilometer later stond er plots een loebas van een hond voor me in het midden van de weg. Ik kon bezwaarlijk van hem verwachten dat hij een vin zou verroeren, aangezien hij niet over zo’n lichaamsdeel beschikte, maar hij leek me ook niet van plan om een poot uit te steken, dus stapte ik ten derde male van mijn fiets, om hem uiterst behoedzaam te passeren. Hij zette weliswaar een smoel op alsof hij iets smerigs rook, maar hij liet me gelukkig ongemoeid.

Zou het vandaag de dag van de loslopende dieren zijn?

Daarna zag ik ook nog een sportieve fietser ─ nu ja, sportief? ─ die zich als loslopend wild, meer bepaald als een gefrustreerd konijn, gedroeg. Hij slingerde een autobestuurster op jaren, die zich nochtans aan geen enkele overtreding schuldig maakte, allerlei verwijten naar het hoofd omdat ze Zijne Doorluchtigheid enigszins hinderde. Waarschijnlijk wilde hij zich laten gelden omdat hij zich door het leven tekortgedaan voelde en slechts over een heel klein lulletje beschikte. De loeistrakke uitmonstering die hij voor het uitoefenen van zijn hobby meende te moeten dragen, verried immers wat hij in huis had en bij hem was dat alleszins niet veel zaaks.

Meneer spreekt talen ─ 3

Mijn lezers zullen zich ongetwijfeld de jongeman herinneren, waarmee ik hier gisteren de draak stak, omdat hij indruk wilde maken op een meisje en te dien einde zijn uitgebreide talenkennis tentoonspreidde, maar zich hopeloos belachelijk maakte door een Engelse vleermuis een floddermouse te noemen.

In een zalig vroeger was ik op stap met Reinhold, een vriend van me, en we kwamen nogal onverhoeds in ons binnenlandse buitenland terecht ─ ik bedoel Wallonië ─ zodat we genoodzaakt waren om ons elegante Vlaams door het veel boersere Frans te vervangen … of is het omgekeerd? We knoopten een gesprek aan met een man die zijn tijd stond te verdoen in een tuin, waar talloze molshopen het gazon ontsierden.
─”Quelle invasion d’intrus!” merkte Michael op. Wat een invasie van ongenode gasten!
─”Vous voulez dire?” fronste de man. Wat bedoelt u?
─”Les moules”, verduidelijkte mijn vriend.
─”Moules zijn mosselen”, haastte ik me hem te verbeteren en ik schoot in de lach.
─”Betweter!” foeterde hij gegriefd. “Wat zijn mollen dan?”
Da’k het niet meteen wist!
─”Allez! ’t Ligt op het puntje van mijn tong …” probeerde ik mijn gezicht te redden.
─”Des taupes”, zei de inwoner van ons binnenlandse buitenland.
─”Juist!” riep ik.
─”Totentrekker!” gromde Michael.
─”C’est quoi ça, un totentrekker?” vroeg de man. Wat is een totentrekker?

En zo begon een gesprek waarvan het einde niet meteen in zicht was.