Tag: ontmoetingen

Olijke stukken vlees

fietsenToen ik door het dorp fietste, ontmoette ik een meisje en een jongetje. Ze waren een jaar of acht, schat ik, en ze liepen keurig op het voetpad. Hand in hand. Ik reed ze voorbij en hoorde dat een van hen me iets nariep, maar omdat er net een luidruchtig voertuig aankwam, kon ik dat niet verstaan. Ik kneep de remmen dicht en wachtte. Aarzelend keutelden ze naderbij.

─“Riep je wat?” vroeg ik.
─“Ik niet”, prevelde het meisje.
Ze had verschrikte ogen opgezet en schudde heftig van nee.
─“Ik heb geroepen”, bekende de jongen ruiterlijk en met een branieachtige snoet, die geen spoor van angst vertoonde.
─“Wat dan?” wilde ik weten.
Hij gnuifde, keek even naar het meisje en zei toen:
─“Je wielen draaien!”

Ik proestte het uit, vervolgde lachend mijn weg en zit nu eigenlijk nog steeds met die snaak te lachen. Mijn wielen draaien als ik fiets. Wie had dat ooit kunnen denken?

Nog niet zo lang geleden spurtte ik voorbij een in een deurgat vertoevend oud mannetje en weten jullie wat die me nariep?
─“Doe maar rustig! Ze hebben hem al!”

Uitstapje

Op de parkeerplaats van het ziekenhuis kachelde een brekelijk oud vrouwtje naar me toe. Ze maakte een beetje een rafelige indruk en zag er wat versjofeld uit. Er stonden generaties wereldleed in haar gelaat geëtst en haar kapsel leek omgescharreld door opgewonden vogeltjes. Haar lichaamstaal drukte een gesmoord hulpgeroep uit. Of ik haar alsjeblieft naar huis kon brengen?
“Waar is dat dan?” vroeg ik.
Ze reciteerde het adres met de zangerige modulatie waarmee kinderen de tafels van vermenigvuldiging afdreunen.

Het zou slechts een kleine omweg van me vergen. Bovendien heb ik wat met wie zich in zijn nadagen bevindt. Ik laat ze nooit aan hun lot over en heb er alle begrip voor dat ze zich wat verloren voelen in deze computergestuurde tijden. Ik opende hoffelijk het portier van mijn auto en liet haar plaatsnemen. Toen herinnerde ik me opeens een voorval …

… op een warme zomerdag bracht mijn vader een bejaarde man naar huis, die vlak voor onze deur een soort appelflauwte gekregen had. Ze waren koud de straat uit toen de passagier een langgerekte zucht slaakte … en daarna niets meer, want hij zat dood naast mijn pa. Dat is op zich al geen aangename gebeurtenis, maar wat volgde was nog minder prettig. Men catalogiseerde het overlijden als zijnde verdacht en mijn vader onderging een verhoor. Had hij dat mannetje al dan niet om het leven gebracht?

Het vervoeren van onbekenden bergt dus een risico in zich en dat risico vergroot recht evenredig met het aantal levensjaren dat de onbekende achter de rug heeft. Niettemin bracht ik het vrouwtje naar het adres dat ze opgegeven had … en daar bleek niemand haar te kennen of ooit gezien te hebben. Dan sta je toch even paf, hoor. Ik probeerde haar meer informatie te ontfutselen, maar ze begon opeens te raaskallen, zodat ik me noodgedwongen tot de politie moest wenden. Daar was men al op de hoogte van haar verdwijning. De dolende ziel was ontsnapt uit het ziekenhuis waar ze me om een lift gevraagd had.

Ik had het nochtans kunnen weten of toch zeker vermoeden. Mijn grootmoeder liet zich ook niet africhten of aanlijnen en slaagde er telkens weer in uit het verpleeghuis weg te lopen. Dat is haar op een keer fataal geworden, want ze stak een straat over en kwam onder een auto terecht.

Er rest me dan ook niets meer dan het uitspreken van de weinig historische woorden: “Zo, dat hebben we ook weer gehad.”
Wie weet wat het leven voor ons nog allemaal in petto heeft?

De barmhartige Samaritaan

In Nergenshuizen stond ik op het punt om het pad van een moeder met drie kinderen te kruisen. Twee daarvan reden zelfstandig op fietsjes; het derde zat bij haar achterop in een stoeltje.

Net voor we elkaar zouden voorbijrijden sprong ze van haar rijwiel en met luider stem instrueerde ze haar kroost om hetzelfde te doen.
─”Ik ben plat!” jammerde ze.
Haar blik drukte een soort dierlijke radeloosheid uit: de wanhoop van de stervende kat.

Ik kneep de remmen dicht, hield halt en constateerde dat ze lang niet zo plat was als ze van zichzelf dacht, zodat ik vermoedde dat de platte toestand niet haarzelf, maar haar fiets betrof. Daar stond ze dan: moeder van drie, ver van de bewoonde wereld, zonder telefoon en met een onbruikbaar wiel. Ik bood haar mijn mobieltje aan, maar ze kon zich met de beste wil van de wereld geen enkel nummer herinneren van iemand die haar uit de nood kon helpen.
─”Ik heb gerief bij me om u te depanneren,” zei ik, “maar het kan wel even duren voor ik het klusje geklaard heb.”
Ik was me immers zeer bewust van mijn onhandigheid op het gebied van fietsreparaties … en eigenlijk op velerlei gebied, maar dat leek haar overkomelijk.

Ik ging dus aan de slag en tot mijn eigen verbazing ging dat vlotter dan verwacht. Al na twintig minuten had ik de binnenband luchtdicht bepleisterd en kon ik haar uitwuiven, nadat ze mij onder dankbetuigingen en loftuitingen bedolven had.

Als ik ooit het moede hoofd neerleg en het tijdelijke met het eeuwige verwissel, zal ik ongetwijfeld regelrecht en met de grootste onderscheiding ten hemel opstijgen, alwaar me zeventig maagden … eh … rijstpap met bruine suiker en gouden lepeltjes te wachten staan.

Het weze me vergeven dat ik hier mijn eigen lof laat stinken. Als men zichzelf niet kietelt, lacht men nooit.

De dag van de loslopende dieren

Op het jaagpad langs het kanaal, in de buurt van Stalhillebrug, stormden plots drie koeien op me af, waardoor ik van de fiets moest om me achter een boom in de berm te verschansen. Ze waren blijkbaar ontsnapt en leken vast van plan om van de verworven vrijheid te genieten. Ze draafden me huppelend voorbij, met vrolijk heen en weer klotsende uiers en zwiepende staarten. Ik meende zelfs een triomfantelijke glimlach op hun muil te ontwaren, maar dat heb ik me vast ingebeeld, want deze uiting van vreugde is immers voorbehouden aan La Vache Qui Rit.

Tien kilometer verder, in de bossen van het Vloethemveld galoppeerde er plots een paard naar me toe: een schuimbekkende en ongezadelde schimmel, waarin ik het ros van Sinterklaas meende te herkennen, maar ook dat zal wellicht inbeelding van me geweest zijn, want volgens de kalender is zowel de goedheilig man als zijn vervoermiddel al naar Spanje teruggekeerd. Omdat zo’n op hol geslagen dier zich niet aan verkeersregels pleegt te houden diende ik me opnieuw achter een boom op te stellen.

Nog eens drie kilometer later stond er plots een loebas van een hond voor me in het midden van de weg. Ik kon bezwaarlijk van hem verwachten dat hij een vin zou verroeren, aangezien hij niet over zo’n lichaamsdeel beschikte, maar hij leek me ook niet van plan om een poot uit te steken, dus stapte ik ten derde male van mijn fiets, om hem uiterst behoedzaam te passeren. Hij zette weliswaar een smoel op alsof hij iets smerigs rook, maar hij liet me gelukkig ongemoeid.

Zou het vandaag de dag van de loslopende dieren zijn?

Daarna zag ik ook nog een sportieve fietser ─ nu ja, sportief? ─ die zich als loslopend wild, meer bepaald als een gefrustreerd konijn, gedroeg. Hij slingerde een autobestuurster op jaren, die zich nochtans aan geen enkele overtreding schuldig maakte, allerlei verwijten naar het hoofd omdat ze Zijne Doorluchtigheid enigszins hinderde. Waarschijnlijk wilde hij zich laten gelden omdat hij zich door het leven tekortgedaan voelde en slechts over een heel klein lulletje beschikte. De loeistrakke uitmonstering die hij voor het uitoefenen van zijn hobby meende te moeten dragen, verried immers wat hij in huis had en bij hem was dat alleszins niet veel zaaks.

Meneer spreekt talen ─ 3

Mijn lezers zullen zich ongetwijfeld de jongeman herinneren, waarmee ik hier gisteren de draak stak, omdat hij indruk wilde maken op een meisje en te dien einde zijn uitgebreide talenkennis tentoonspreidde, maar zich hopeloos belachelijk maakte door een Engelse vleermuis een floddermouse te noemen.

In een zalig vroeger was ik op stap met Reinhold, een vriend van me, en we kwamen nogal onverhoeds in ons binnenlandse buitenland terecht ─ ik bedoel Wallonië ─ zodat we genoodzaakt waren om ons elegante Vlaams door het veel boersere Frans te vervangen … of is het omgekeerd? We knoopten een gesprek aan met een man die zijn tijd stond te verdoen in een tuin, waar talloze molshopen het gazon ontsierden.
─”Quelle invasion d’intrus!” merkte Michael op. Wat een invasie van ongenode gasten!
─”Vous voulez dire?” fronste de man. Wat bedoelt u?
─”Les moules”, verduidelijkte mijn vriend.
─”Moules zijn mosselen”, haastte ik me hem te verbeteren en ik schoot in de lach.
─”Betweter!” foeterde hij gegriefd. “Wat zijn mollen dan?”
Da’k het niet meteen wist!
─”Allez! ’t Ligt op het puntje van mijn tong …” probeerde ik mijn gezicht te redden.
─”Des taupes”, zei de inwoner van ons binnenlandse buitenland.
─”Juist!” riep ik.
─”Totentrekker!” gromde Michael.
─”C’est quoi ça, un totentrekker?” vroeg de man. Wat is een totentrekker?

En zo begon een gesprek waarvan het einde niet meteen in zicht was.

Meneer spreekt talen ─ 2

De gelagkamer van het restaurant behelsde slechts vier klanten, als ik mezelf en mijn vriend Reinhold even buiten beschouwing laat, of toch als ombres chinoises naar de achtergrond verdring.

Naast een venster hadden twee in het Engels converserende dames plaatsgenomen, die zich zo te zien danig aan maquillage vergrepen hadden en er daardoor nogal gemummificeerd uitzagen. Aan een tafeltje in mijn buurt hield zich een jong en door Amor bevleugeld stel op, dat gelijk sympathie bij me losweekte.

Het was duidelijk dat ze op elkaars lijstje van prettige dingen stonden, ook al hielden ze niet bepaald een kwieke stroom van opgeruimd gebabbel gaande. Zij vertoonde het wezenloze lachje en de ietwat schaapachtige gelaatsuitdrukking die verliefde mensen vaak tentoonspreiden. Hij, van zijn kant, bedacht haar af en toe met een olijke knipoog, zoals men doet tegen iemand waarmee men dartele herinneringen deelt.

Toen verscheen de kelnerin en die gaf meteen te verstaan dat ze het Nederlands zo’n minne taal vond, dat ze zich liever van het Frans bediende. De jongen, die niet gesierd was met een vlotte babbel, bestelde op bedremmelde toon een whisky voor zichzelf en een jus d’orange voor zijn meisje.
─”… et un jus d’orange”, noteerde de dienster de bestelling met een volslagen gebrek aan belangstelling.
─”Van appelsienen”, klampte hij nog even aan, teneinde misverstanden te vermijden en te verhinderen dat men de jus d’orange aan foute vruchten zou ontwringen.

Zijn meisje had besloten dat ze zich met een tomate-crevettes wilde vermeien. Hoewel de benaming van dat gerecht in sierlijke letters op de kaart prijkte, bezorgde de jongen zichzelf een allemachtige hoop ongemak.
─”Une tomate avec des garnales”, kwam het er wat knullig uit en hij keek de kelnerin aan alsof die een geweer op hem richtte, hetgeen ze wellicht ook gedaan zou hebben als ze over zo’n wapen had beschikt.
Ik zat meewarig te glimlachen, want iedereen die een beetje Frans spreekt, weet natuurlijk dat het une tomate avec des garnaux moet zijn.

Later zaten de Engelstalige lady’s naar een vleermuis te kijken, die herhaaldelijk door de straat scheerde.
─”It’s a floddermouse”, verduidelijkte de jongen behulpzaam.
De dames zetten zo’n verbaasde gezichten, dat hun make-up ervan craqueleerde.

“Wel wel!” gnuifde Reinhold, die volgens zijn zeggen talen spreekt. “Zou je geloven dat ik nog nooit een floddermouse gezien heb?”

Zwerfvuil

Lusteloos stuur ik mijn auto door de heldere nacht. Een koele maan vertoont zich op haar volst en hangt als een meloen tussen hemel en aarde. Sterren glunderen. Ze zijn met belachelijk veel. Het strakke licht van de koplampen kruipt voor me uit over het kaduke asfalt van een smal weggetje. In talloze bochten kronkelt het zich doorheen een bedaard landschap.

Ik ben van koers geraakt … en geen klein beetje. Een op zijn janboerenfluitjes aangeduide omleiding heeft me op een dwaalspoor gebracht. Trefzekere bewegwijzering was nimmer het fort van Vlaamse wegenbouwers. Ik voel me een kat in een vreemd pakhuis, want ook de GPS-apparatuur springt telkens op tilt en raaskalt. De alles en iedereen in goede banen leidende satellieten laten mij klakkeloos in de steek. Aan de horizon zwaait een vuurtoren zijn signaal door de kwaadaardig gekleurde gloed van een aurora metropolis, alsof hij op wervende wijze naar me wenkt. Ik herken het karakter als dat van Lange Nelle in Oostende en probeer op haar invitatie in te gaan, want in haar buurt moet ik wezen. Ondertussen mompel ik bedenkingen tegen het verkwanselen van sloten poen aan vermeend onontbeerlijke gadgets, zoals navigatiesystemen. Geld over de balk! Wanneer het eropaan komt, dienen dolende ridders in arren moede een beroep te doen op door vroede voorvaderen gebouwde bakens, die ons onverstoorbaar en gratis behulpzaam zijn.

Lange weg maakt moede man. Slaap plooit branderige randen aan mijn oogleden. Ik zit al uren tussen de wielen en voel me door dorst beschadigd. Mijn keel is dor en mijn mond smaakt naar een paardenreet. Ik geeuw met de onwelvoeglijkheid van een nijlpaard, hoest me door mijn zoveelste sigaret, verleen een forse ruft de langverbeide vrijheid en snuif nieuwsgierig het belegen aroma ervan op. Uien allicht, met vermoedelijk een vleugje keizersalade. Hoe stinkt een gezond en verstandig mens het bij mekaar? Merkwaardig toch, dat men zelf gekweekte odeurtjes enigermate apprecieert, maar volstrekt verafschuwt wat een ander aan lichaamsgeuren bekokstooft. Weinig mensen weten dit, maar het graag ruiken van de eigen broekhoest en het tevreden aanschouwen van je kromme eieren in de toiletpot zou wat met het oerinstinct te maken hebben. Andermans overtolligheden en putlucht vinden we walgelijk. Tjonge, wat ben ik toch een fijne teen. Ik strooi met kalenderwijsheden als zwarte Piet met pepernoten. Hoe noemen Chinezen een veest ook weer? Wang-snee-wang-pang. Ik glimlach zowaar. Hun minister van geboortebeperking heet Lat-Je-Pietjang, zijn Russische collega Snyzakov en hun Griekse ambtgenoot Kanipoupolos. Het tijdsein van twee uur biept uit de boordradio, gevolgd door Gladys Knight met haar smooth bastard van een stem: Help me make it through the night. ‘t Zal nodig zijn, meisje! Ik slik een brokje ontroering weg, masseer mijn nek en stamp het rempedaal bijna door de vloer. Onder me weeklaagt gemarteld rubber. Er ligt iemand in de berm! Ligt er iemand in de berm? Ik ontgeef het me. Wat zou er hier iemand in de berm liggen? Kan men hallucineren van vermoeidheid? Toch zet ik voor alle zekerheid en absit omen de auto in zijn achteruit.

Ik heb helaas geen last van zinsbegoochelingen. Bezijden de weg ontwaar ik inderdaad een in het gras uitgestrekte gedaante. Met een knoop in mijn maag staar ik wezenloos naar het onheilspellende stilleven.
─”Mensen toch! Laat het alsjeblieft geen massacre zijn.”
Niemand hoort mijn gefluisterde bede. Terwijl ik de wagen ontstijg, bereid ik me voor op de confrontatie met een gorgonisch tafereel: een gekloofde schedel met uitstulpende hersenkwabben, versplinterde botten die uit gapende wonden priemen, de bloederige brij van in flarden gescheurd vlees, lillende darmen … Aarzelend en huiverig — men kan mijn reet wellicht als doppenwipper gebruiken — nader ik het slachtoffer van … ja, van wat?
─”Toe maar, jongen! Even aangorden. Er zitten geen wolven in het bos.”
Ik prevel mezelf moed in met de woorden waarmee mijn moeder zaliger me ooit geruststelde. Ritselde daar wat? Bewoog er iets? Of beeld ik me dat … Een schimmig geval springt naar me toe. Ik slaak een gesmoorde gil. Een beest! Een reusachtige rat — nu ja, laten we niet overdrijven en het bij een tamelijk groot exemplaar houden — klampt zich vast aan de zoom van mijn pantalon. Joelend geef ik een snelvoetige breakdance ten beste. Het mormel is daar niet goed van, laat me los en glist ijlings weg. Grote hemel, hel en vagevuur! Welke achterlijke dakhaas heeft me wijsgemaakt dat ratten nooit mensen aanvallen? Een ram kan hij krijgen!

De schijnwerpers betasten een in spijkergoed verpakt lijf en het smoezelige gelaat van wat me een nog jeugdige manspersoon lijkt. De ogen zijn gesloten en hij verroert geen vin. Tot mijn grote opluchting bespeur ik nergens de gevreesde horrortoestanden. Ligt hij in zwijm? Of zou hij … Ik word er naar van! En hoe komt hij in vredesnaam in deze buitenpolder terecht? We bevinden ons niet echt in the middle of nowhere, maar van hieraf kan ik die zien. Een aanrijding? Van de sokken gekieperd door een gevluchte onverlaat? Gedumpt en voor dood achtergelaten na een gewelddadig treffen? Als er een delict gepleegd is, kan ik hem beter niet aanraken, besef ik, maar men mag evenmin hulp ontzeggen aan wie in nood verkeert. Ik hurk derhalve behoedzaam bij hem neer.
─”Heilaba! Hoor je me?” ontfutsel ik een pover geluid aan mijn gorgel. Ik verman me echter en roep met luider stemme: “Hallo! Jij daar! Kun je me horen?” Men hoort me vermoedelijk in Kazachstan of zelfs op het eiland Puka Puka in de Stille Zuidzee, maar onze bermklever voelt zich niet aangesproken. Hij vertoont niet de minste reactie, dus waag ik het hem voorzichtig bij de schouder te schudden. Hij beweegt zich met zo’n heftige en onverwachte ruk, dat ik van de weeromstuit het evenwicht verlies en op mijn kont tuimel. Ik verrijs en hij tracht me na te volgen, doch zijn coördinatie laat het afweten, zodat hij zwaar op zijn reet gaat. “Wat is er met je gebeurd?” vraag ik bezorgd. “Ben je gewond?”
Dan lijkt mijn aanwezigheid tot hem door te dringen. Hij versteent even van verrassing, maar hervat direct zijn pogingen om overeind te krabbelen. Met een driftig gebaar weert hij mijn hulpvaardig uitgestoken hand af.
─”Kus een beetje m’n vette kloten!” lalt hij en zijn al even vette tong verklaart veel: hij is zo zat als een moeras. “Stop een plumeau in je gat en ga uit een boom schijten!” wauwelt hij onverschrokken verder. Gezellig wiebelend zit hij in het gras. Het tragische tableau van daarnet — Danse macabre au clair de la lune — ruimt het veld voor een zedige variatie op ‘Le déjeuner sur l’herbe’ van Manet. “Il y a deux sortes d’apes”, deelt hij me vervolgens in keukenmeidenfrans en op wijsgerige toon mee. “Des brulapes et des slingerapes.”
Ik moet onwillekeurig lachen met de kafpraatjes die hij uitslaat.
─”Et des zatlapes”, meesmuil ik.
Daar heeft hij niet meteen van terug. Hij loost een zucht. Zijn z’n babbels nu al op?
─”De kele kost vele”, oreert hij dan, denkelijk uit ondervinding.

Hij is nog een groen sprietje. Wat moet ik met hem aanvangen? Als ik hem in die staat aan zijn lot overlaat, plompt hij binnen de kortste keren gegarandeerd een sloot in of sukkelt hij effectief onder een voertuig. Geef ik hem daarentegen een lift, dan gaat dat misschien ten koste van het interieur van mijn rij-ijzer. Zelfs een geroutineerde keiler is niet immuun voor de kelderziekte en kan onverhoeds een kotsnummertje opvoeren. Ten prooi aan grote twijfel vraag ik niettemin:
─”Kan ik iets voor je betekenen, vriend? Zal ik je ergens afleveren?”
─”Is er een frietkraam in de buurt?” wil hij weten.
─”Ik ben bang van niet”, schuddekop ik meewarig.
─”Niet bang zijn”, spreekt hij troostend. “Kijk me aan en doe er je voordeel mee. Ik ben nooit bang. Jamais! Van niets en van niemand.”
─”Blij toe!” zeg ik ietwat onderkoeld. Dergelijke faribolen zijn even nutteloos als het kammen van een bronzen paard. “Waar woon je?”
─”Daar heb jij geen affaires mee!” krijg ik opnieuw een brutale bek. “Bemoei je met je eigen zaken en laat mijn kop met rust!”
─”Jij je zin!” ben ik in mijn kuif gepikt. “Dan wens ik je nog een aangename wandeling en een behouden thuiskomst.” Ik been naar de auto en neem met enig vertoon achter het stuur plaats. Mijn nakende aftocht kan hem klaarblijkelijk geen sikkepit mieteren. Hij brengt zijn futloze lichaam op onelegante wijze in een min of meer verticale houding, concentreert zich, raakt aan de gang met de motoriek van een parkinsonlijder en schuifelt vervolgens onstuitbaar naar de overkant, zwaaiend als het wierookvat van Santiago de Compostela. “Het zal toch niet waar zijn!” hik ik ongelovig, maar jawel hoor! Als bij toverslag verdwijnt hij uit mijn gezichtsveld. Daar ben ik hoegenaamd niet blij mee. Op hoge poten snel ik hem te hulp en takel hem uit een lager gelegen weide, gadegeslagen door een aantal verbaasde koeien die wij met onze farce de nacht van hun leven bezorgen. “Godsgloeiende idioot!” foeter ik verbolgen. “Ik doe dit ook niet voor mijn lol, kerel! Je zegt me nu meteen waar ik je heen moet kruien, hoor je dat? Het is laat, ik ben compleet uitgewoond en ik zou graag naar bed gaan.”
─”Ik ga in geen geval met jou naar bed”, klinkt het gedecideerd. “Il ne faut pas pousser bobonne dans les orties! We kennen elkaar nog maar net en ik zal me daar een beetje met een stranger in the night kooien. Il y a la tante Sida, hein! Misschien heb jij de enge vierletterziekte wel.”
─”Lieve deugd!” kreunt mijn wanhoop.
─”Ik ben veel te zat om er deugd aan te beleven”, brabbelt hij en hij laat een knorrend geluid horen. “Flags at half-mast and barrels depressed! Ik zal mijn floche niet eens omhoog krijgen en dat is toch zeker de bedoeling?” Hij grinnikt over zijn eigen geestigheid. Een der uiertorsende toeschouwsters begint ongegeneerd te stroelen. Ingetogen luisteren we beiden naar het klateren van de door haar bewerkstelligde waterval. “Da’s nog eens een flinke meid, zie!” krijgt ze na afloop een tien met een griffel van mijn gezel en dat borstelt andermaal een glimlach op mijn gezicht.
─”Vertel me nu maar waar je woont, dat ik je keurig thuis kan brengen.”
─”Tussen de sterren”, bazelt hij tot mijn teleurstelling. “In het centrum van de melkweg rechtsaf, richting Sirius. Villa Douloureuse. Je kunt het niet missen, maar als het je beter uitkomt, mag je me in de eerste de beste afvalcontainer kieperen of bij de kraak zetten.”
─”Ik heb er echt geen aardigheid in”, verzeker ik hem droogjes. “Wat ben jij een dwarsligger. Goed! Geef me je portefeuille even!”
─”An me nooit niet!” protesteert hij verontwaardigd. “Ik mijn portefeuille aan je geven? Zodra die koeien een broek dragen! Of van die luierdinges … eh … Allez! Hoe heten zulke papieren kakdoeken ook weer? Pampermoezen! Geef me even je portefeuille, zegt hij tegen me! Het zal aan je fundament zijn. Aan je kromme zeikfutte! Ben jij soms een stoute mens? El bandido? Een soortement struikrover? Een voetgangster? Al Capote? Help!” Hij krijst als een konijn in de beet van een wezel. “Au secours! Ik word hier aangerand en beestachtig verkracht door een hitsige jeannette! Help me toch!” Zijn gekrijs bezeert de stilte en snijdt door de geschrokken nacht. Er slaat een hond aan. “Kom hier, Bobby!” toetert de kwakkel in de richting van het geblaf. “Pak de beestjes! Attaque! Bijt hem in zijn telende ballen! Verscheur die klootzak, stomme preutlikker!”
Ik kan hem wel aanvliegen en zijn brulboei van een kop eraf trekken. Hij moet vooral geen potje voetbal met me spelen, want bij mij veroorzaakt dat dolle drift en gillende kwaadheid.
─”Is ‘t nu gedaan, ja?” fulmineer ik. “Hou op met die fratsen en gedraag je eens wat minder bezopen! Je mag kiezen en er is geen woord Frans bij wat ik zeg: of je stapt stante pede in die auto, of ik bel de flikken. Ik wil het niet op mijn geweten hebben dat je verongelukt. Wat wordt het?”
─”Kwek kwek kwek!” treitert hij en zijn moeilijk te besturen hand imiteert een kwakende snavel. “Pardon, meester! Ik zal het echt nooit meer doen en voortaan heel braaf zijn, monseigneur. Gelieve mij te verexcuseren voor mijn aanstellerij, Uwe Edelachtbaarheid. Je moet godverdomme niet zo tegen me keffen, bullebak! Ik ben ook iemands kindje.” Struikelend kajemt hij bijna op zijn smoel, dus grijp ik hem bij de arm vast. Toornig rukt hij zich los en schuimbekt: “Wil je weleens met je schurftige fikken van mijn lijf blijven, smeerlap! Als je me nog een keer durft aan te raken, spuug ik je doormidden en heb je morgen een raar loopje.”
─”Sorry dat ik leef!” pruttel ik verongelijkt.
Ik ben evenwel op mijn hoede. Na hetgeen ik in mijn niet samen te vatten leven meegemaakt heb, kent men zijn pappenheimers. Voor hetzelfde geld veranderen kroegtijgers in amokmakers en slaan ze je regelrecht het ziekenhuis in. Hij waggelt in wankel evenwicht naar de wagen en rukt aan het handvat alsof het eraf moet.
─”Drop me maar in de bewoonde wereld!” mompelt hij nijdasserig. “Dan zoek ik het verder zelf wel uit.”
─”De bewoonde wereld”, herhaal ik hoofdschuddend. “Nu ben ik nog even wijs als de os die in de bijbel keek.”
─”Ik kan het ook niet helpen dat jij de hersens van een papegaai hebt. Waar zijn we eigenlijk?”
─”Da’k het niet precies weet! Ik probeer Oostende te bereiken …”
─”Ik ook,” grimt hij, “maar ik vind het niet. Het heeft zich verstopt.”
─”Nu schieten we tenminste op.” Tevreden open ik het portier. “Adelante! Gaan met de banaan! Plof maar neer!”
─”Jaag me niet op!” ergert hij zich. “Ik moet me hier eerst nog losweken en een geurvlag planten. Big Jim and the twins were here!”
Met ogen als schoteltjes aanschouw ik hoe hij doodgemoedereerd en zo voortvarend in zijn broek plast, dat het geloosde water dwars door de stof heen op zijn sokken sijpelt, want nu pas ontdek ik dat hij geen schoeisel draagt. Ik zet een lelijk bakkes en gooi vertwijfeld mijn armen in de lucht.
─”Ben jij helemaal van de pot geplukt? Je staat je te bezeiken, goorlap!”
─”De rits zit klem.”
─”Draag voortaan ook maar pampermoezen!” sneer ik. “Je verwacht toch niet dat ik je in mijn auto laat zitten met die stinkende pisvodden aan je lijf?”
─”Heb je een kabel?” ginnegapt hij. “Kan ik drogen aan de wind terwijl je me met die belachelijke proletenbak op sleeptouw neemt, maar kijk uit of ik je soms wil inhalen, want mijn knippers werken niet. Weet je wat jij moet doen, zeurpiet? Minder memmen! Zet jou in een bos en er zullen slechts weinig bomen overeind blijven. Lik tussen de benen van een dooie griet en stop met zagen. Ga wieberen! Loop naar de Fransen! Ik red me best zonder bemoeiallen.”

Ik drapeer een plaid over de passagiersstoel en tracht hem te overreden om alsnog met me mee te gaan. Hij zwicht en maakt aanstalten om zich neer te laten.
─”À propos … Hoor je bij de kloosterorde van de ongeschoeide karmelieten of loop je om een andere reden op kousenvoeten?” Hij staart naar zijn onderdanen, haalt de schouders op en wil zich opnieuw naar de berm begeven. “Af!” probeer ik erger te voorkomen.
Met een zucht geef ik lucht aan mijn ongenoegen. Ik voorzie me van een lamp en vertrek op speurtocht, terwijl hij zich met de knoppen van de muziekinstallatie amuseert en ras een oorverdovend kabaal teweegbrengt, alsof een symfonieorkest met veelhoofdig koor ter plekke een extatische finale ten beste geeft. Zijn stappers — afgedragen joggingschoenen van Nike — staan verweesd tussen wat geloken madeliefjes. Ik ontferm me over de achtergelatenen en keer inderhaast op mijn schreden terug, om met woedende vingers het volume van de radio te temperen.
─”Blijf daar met je ongewijde klavieren af!” snuift hij boos. “Dat is O welche Lust uit Fidelio van Beethoven. Een heel steil nummer.”
─”Al is het le beau vélo van Ravel,” bits ik. “Beetkowski was zo doof als een pot, maar deze jongen nog lang niet.”
─”Le beau vélo van Ravel”, beleeft hij hoorbaar pret aan mijn woordgrapje. “Jij moet ook niet zat zijn om te zeveren.”
─”Nee”, zeg ik. “Een zatlap ruiken is bij mij al voldoende.”
Terwijl ik de schoenen naast zijn voeten deponeer, snuffelt hij schaamteloos aan mijn wang.
─”Je stinkt als een hoer”, merkt hij weinig hoffelijk op.
─”En jij als een meurende bunzing”, riposteer ik.
─”Wat is dat nu weer voor een ingewikkelde astrabanseling?” gniffelt hij. “Een geurende botsing … daar heb ik nog nooit van gehoord.”

We begeven ons op weg. De radio-omroeper deelt op zeurderige toon mee dat we geluisterd hebben naar O welche Lust uit Fidelio, Beethovens enige opera, uitgevoerd door het Chicago Symphony Orchestra and Chorus, onder de leiding van Georg Solti en met Robert Johnson en Philip Kraus als solisten. Geëpateerd kijk ik naar mijn blijkbaar deskundige passagier. Die hangt als een lappenpop in de riem en produceert onbestemde geluiden.
─”Alles kits?” pols ik.
─”Vliegen hebben korte pootjes”, zwamt hij.
─”En zeer kleine klootjes”, geeft de doezelige muze me een weinig anacreontisch ex-tempore in.
─”Dat staat nog te bezien”, meent hij, tegendraads als hij is. “En hou nu maar op met je smeerkezerij. Ik ben er niet van gediend.”
─”Jij vuilbekt nochtans ook niet slecht’, oordeel ik.
Net voor we de ietwat verlepte koningin der badsteden binnenrijden, dien ik inderhaast halt te houden omdat hij kokhalzend onheil aankondigt. Hij duikt uit mijn koekblik het struikgewas in … en keert niet terug. Hij verdwijnt in de nacht. Stank voor dank. Meer mag men in dit leven niet van mensen verwachten. Ships that pass in the night, and speak each other in passing … maar alles wat voorbij is, raakt men nooit meer kwijt.

Zijn portefeuille bleek in mijn auto te liggen. Ik heb hem gezocht en gevonden. Hij heette Reinhold en we werden vrienden.

Windbuil met kapsones

Toen ik uit mijn auto klom, gleed naast me een jet met nummerborden in het parkeervak. De chauffeur — een buitengaatse kerel die eruitzag alsof hij net overgegeven had en van plan was om dat binnenkort weer te gaan doen — maakte zich snel uit de voeten. “Waar bemoei ik me eigenlijk mee?” dacht ik nog, maar niettemin riep ik hem beleefd terug:
─“Meneer!” Hij draaide zich om en keek me ongeduldig aan, dus vervolgde ik snel: “U vergeet het misschien, maar u kunt toch maar beter een kaartje uit de automaat trekken. Ze zijn hier namelijk bijzonder gul met parkeerboetes.”
Hij keerde op zijn stappen terug, rukte het portier van zijn patserkar open, scharrelde wat in het handschoenenkastje en gooide vervolgens iets op het dashboard.
─“Ik heb een permanente vergunning”, zei hij nog en hij vertrok.
Ik had die niet, maar ook geen haast, dus nam ik rustig de tijd om het sublieme, nerveus gesneden rij-ijzer te bewonderen. Terwijl ik dat deed, kreeg ik opeens zijn permanente vergunning in de gaten. Tegen de voorruit lag een kaartje van felgeel fluokarton, waarop in rode oorlogsletters geschreven stond: KUST ZE!
Volgens mij moet die man heel lange armen hebben, want ik kan echt niet geloven dat alle parkeerwachters te paaien zijn met een vooruitzicht op een betaling in natura.

Kus nu mijn klooster!

Vanmorgen klom ik op de fiets en stampte mezelf naar de bakker. Omdat ik meestal van ’s ochtends tot ’s nachts aan een bureaustoel gekluisterd zit, beschouw ik dat peddelen als een uitermate aangename afwisseling, zelfs als het regent of waait. Ik genoot met dusdanig volle teugen van mijn tochtje, dat ik bijna in een vrolijk lied uitbarstte. Om mijn geestelijke toestand niet nog meer in twijfel te trekken, beperkte ik me evenwel tot het nauwelijks hoorbaar mummelen van: “wij gaan naar buiten, waar de vogeltjes fluiten”.

Ik bewoon een gebied dat heuvelachtige neigingen vertoont. Daardoor dien ik af en toe een hoogteverschil te overwinnen en een nijdig klimmetje aan te vatten, waarna de weg me meestal met een frivool afdalinkje beloont. Het leven is nemen en geven en dat geldt ook voor de paden die dat leven doorkruisen. Meestal neem ik zo’n hindernis met gezwinde tred, maar vandaag was dat niet het geval, omdat een egoïstische automobilist me tijdens de aanloop de pas afsneed. Ik remde me tot bijna stilstand en zag me genoodzaakt de kont van het zadel te verheffen, teneinde recht op de trappers de helling te bestormen … en danseuse zoals dat in het wielerjargon heet.

Ik sleurde me omhoog en toen … knapte opeens de ketting van mijn rijwiel. Ik schoot neerwaarts en mijn munitiedepootje maakte een onzachte landing op de bovenbuis van mijn fiets. Het sakkerse duo — de broertjes von Klingelklongel — was daar toch even niet goed van en ik ook niet. De pijn was zo vliemend dat het me zwart voor de ogen werd en ik op het punt stond van mijn stokje te gaan. Ik plooide dubbel en liet me in de berm neer.
─“Heb je je bezeerd?” vroeg de bezorgde stem van iemand die zich over me heen boog.
─“Wat dacht je?” hapte ik naar adem. “‘k Ben godverdomme met mijn boules d’amour op die stang terechtgekomen.”

Ik opende de ogen en keek in het vriendelijke gezicht van een eerbiedwaardige non uit het plaatselijke klooster. Ik zag aan haar blik dat ze me niet begreep. Als er in hun gemeenschap iets feestelijks gebeurde, aten ze weleens boules de Berlin, maar boules d’amour … nee, daar had ze nog nooit van gehoord.