Tag: ontmoetingen

Krasse knarren

Door Jut en Jul verlaten zat ik in een restaurant, waardoor ik ten prooi viel aan grote eenzaamheid. Aangezien ik geen conversatie hoefde gaande te houden, had ik ruimschoots de tijd om allen daar aanwezig te observeren.

In een hoek van de gelagkamer hadden een man en een vrouw tegenover elkaar aan een tafel plaatsgenomen. Ze waren beiden oud en der dagen zat en aten niet zozeer met lange, dan wel met trage tanden. Ze wisselden geen woord en slaagden er niet in hun bord leeg te eten, dus verzochten ze de serveerster, tevens eigenares van het etablissement, om de overschotten dusdanig te verpakken dat ze die mee konden nemen, verzoek waar de bazin in alle vriendelijkheid gevolg aan gaf.

De man dronk nog een biertje en de vrouw verlustigde zich aan een kop koffie. Terwijl ze die vloeistoffen stilzwijgend tot zich namen, leken ze bijwijlen zelfs in te dommelen. Toen ze ontwaakten, maakten ze gelijk aanstalten om te vertrekken. Met de moeite die eigen is aan de ouderdom en met deprimerend gesjok naast een wandelstok verlieten ze het pand.

─”Hoe oud zijn die mensen eigenlijk?” vroeg ik aan de waardin.
─”Hij is vierennegentig en zij achtentachtig,” vernam ik, “maar ze verzetten zich wel hardnekkig tegen het oud worden.”
─”Hoezo?” fronste ik.
─”Kijk maar!” zei ze en ze wees naar een raam, waar op dat moment een dakloze, maar niettemin zeer dure sportwagen in mijn vizier verscheen.
Aan het stuur zat de oude dame. Naast haar werd haar nog bejaardere echtgenoot ietwat schabouwelijk overeind gehouden door een veiligheidsgordel.

De chauffeuse gaf een flinke dot gas en weg waren ze!

Het zoet genot van tranen

Ergens in ons tochtgat aan de Noordzee, waar er nog veel horizon is en vertes zich aaneenrijgen, stapte ik van mijn fiets om te bermstengelen. Jullie weten ongetwijfeld wat ik bedoel, ook al zul je deze bezigheid niet in een woordenboek aantreffen, zelfs niet in dat dikke geval van Van Dale, want die lopen wel vaker achter.

Als jullie het woord even door Google mangelen, zullen jullie nochtans ontdekken dat ik er al meer dan acht jaar geleden mee op de proppen kwam. Ik ben er me van bewust dat ik me in mijn schrijfsels vaak aan ouderwets en plechtstatig taalgebruik bezondigd, maar dat doe ik expres, omdat ik het archaïsche Nederlands prachtig vind. Ik aarzel evenwel ook niet om nieuwe woorden te verzinnen en te gebruiken, zoals bijvoorbeeld bermstengelen, maar daar heeft Van Dale kennelijk geen oren naar. Als ze het ‘ochtendgrijs’ van weerman Frank Deboosere de moeite van het vermelden waard vinden, dan heeft bermstengelen volgens mij ook een plaatsje verdiend, net als de andere vondsten waarmee ik het Nederlands lardeer en opsmuk … maar ik zit hier af te lopen. Even terug naar het onderwerp dat ik net bij de kop had.

sjaaltjeIk had dus de geit verzet en stond wat na te genieten van deze verlossende daad, toen er naast me een blitse en dus zeer dure cabriolet stopte. Aan het stuur van die jet met nummerborden zat een uitvoerig opgemaakte dame. Haar haardos leek omgescharreld door opgewonden vogeltjes en ze had de hals omgord met het soort sjaaltje, dat diva’s in oude films plegen te dragen als ze aan boord van een dakloze auto klimmen.

─”Kunt u me op weg helpen naar ‘Het Tranendal?” vroeg ze.
Als ik tot handgemeen overging en haar een teringloeier van een oorvijg gaf, zou dat wellicht een tranendal veroorzaken, maar ik had niet de indruk dat dit haar bedoeling was.
─”Is dat de naam van een straat of een gehucht?” informeerde ik, want er ging niet meteen een lampje bij me branden.
Ze raadpleegde een document dat naast haar op de passagiersstoel lag.
─”Oei!” schrok ze. “Ik heb me getrompeerd. Het is ‘De Waterlander’.”
─”Men heeft inderdaad waterlanders nodig om in een tranendal terecht te komen”, grapte ik, maar die spitsvondigheid ging bij haar compleet de mist in.

Ik had tijdens mijn zwerftochten al een paar keer die Waterlander ontmoet, dus kon ik haar op het goede spoor zitten. Ze speerde van me weg. Haar sjaaltje wapperde vrolijk in de wind.

waterlander

Kijk, kijk, een homo!

HomoUniversalisIk was in de supermarkt met een vriendin. Toen een jongeman met blakend blonde en nogal chaotische manen – coupe windhoos – die een agrarische stevigheid over zich had in het gangpad verscheen en aanstalten maakte om ons te kruisen, hief mijn gezellin plots een soortement jubelzang aan, waarna ze zich tot die potige gozer wendde:
“Ha Selattin! Proficiat wei! ‘t Ee nie vele geschild hè? ‘k Zoaten te schudd’n en te kluttern in miene zetel beist dajje bizzig woart, moa jeddet hoald.”

Ik zie me genoodzaakt omdat voor de meeste van jullie even te vertalen:
“Ha Selattin! Proficiat hoor! Het heeft niet veel gescheeld hè? Ik zat te schudden en te beven in mijn fauteuil terwijl je bezig was, maar je hebt het gehaald.”

Door het horen van de in onze contreien toch wel zeldzame naam, Selattin, ging er bij mij een belletje rinkelen en opeens wist ik wie er voor me stond. Hij was namelijk de jongste kandidaat (18) en de winnaar van de wedstrijd Homo Universalis: een onderdeel van het programma Iedereen Beroemd op de Vlaamse televisie. Honderd kandidaten moesten iedere dag een behendigheidsproef afleggen, waarbij telkens iemand afviel, tot als laatste de Homo Universalis overbleef, die als beloning een heel jaar lang gratis mocht reizen.

Die Homo Universalis blijkt zich dus in mijn dorp op te houden. Meer zelfs: deze veelzijdige Vlaming woont amper een kilometer bij me vandaan. Ik voel me vereerd.

Anderzijds is het natuurlijk mooi meegenomen dat zo’n handige harry … eeh … zo’n handige Selattin, zo’n manusje-van-alles, bij me in de buurt woont. Je weet maar nooit waar dat goed voor kan zijn.

Chaperonneren

Ik koos het fietspad dat zich als een aal in doodsnood doorheen een woud kronkelt, om ongeveer twee kilometer verderop opnieuw in de bewoonde wereld terecht te komen. Net voor ik het bos binnendrong, werd ik halt toegeroepen door twee zeer minderjarige schoolmeisjes.
–”Meneer, meneer!” mekkerden ze in koor met de zangerige modulatie die kinderen gebruiken als ze samen spelen.
–”Waarmee kan ik de dames van dienst zijn?” probeerde ik me een air te geven, nadat ik op allesbehalve elegante wijze mijn rijwiel ontstegen was en bijna op mijn bek toeterde.
–”Mogen we met u meerijden naar de overkant?” vroegen ze.
–”Er zitten nochtans geen wolven in het bos …” gnuifde ik, want ik ben niet alleen thuis de grappigste, maar soms ook als ik onderweg ben.
–”… maar wel louche venten”, vernam ik. “We zijn hier gisteren door zo’n ongure makaak achtervolgd en nu durven we niet meer alleen dat bos in.”

Als een onversaagde ridder beklom ik dus mijn stalen ros, nam de twee vermoedelijk nog maagdelijke deernen onder mijn hoede en bracht ze ongerept naar de overkant van het bos.

Waar is de tijd dat we ons met zijn allen onbezorgd in de vrije natuur konden uitleven? We zijn duidelijk niet lekker bezig nu. Hoe zou dat komen? Ik denk dat ik het weet, maar ik mag het niet hardop zeggen.

Wat zien ik?!

Een vriend stuurde me onlangs deze e-mail:

Tijdens een nachtelijke rit langs een in een Egyptische duisternis gedompelde weg word je plots geconfronteerd met hetgeen je op de afbeelding hieronder ziet. Hoe reageer je?

confrontaties

Enerzijds ben ik natuurlijk zo nieuwsgierig als een ekster. Ik weet graag van alles en iedereen het fijne. Ik wil dus gewis haring of kuit hebben van wat zich daar voltrekt.

Anderzijds ben ik ook een onversneden schijtlaars als mijn verstand geen raad weet met hetgeen mijn zintuigen waarnemen. Vooral dat tweede ‘ogenpaar’ linksboven boezemt me argwaan in. ‘Ze’ zijn blijkbaar met meerderen.

Ik denk dat ik stante pede rechtsomkeert maak en me als de vliegende reetscheet van dat onheilspellende tafereel wegspoed.

En jullie?

Berichten naar de overkant

Ik mag graag wat tijd zoekmaken op een begraafplaats. Noem het voor mijn part een afwijking, maar vraag me niet naar het hoe, het wat of het waarom, want ik moet jullie het antwoord schuldig blijven. Ik denk nochtans niet dat ik een nostalgicus ben. Nu ja, misschien een beetje. De rust van allen daar aanwezig, die ons voorgegaan zijn naar het grote onbekende, heeft een weldadig effect op mijn gemoedstoestand en meer valt daar niet over te zeggen.

Ik had het graf van mijn ouders en mijn zus bezocht en wandelde vervolgens doorheen een berceau, waarvoor het Nederlandse loofgang me een uitstekend equivalent lijkt. Ik trof daar een zitbank aan, daalde erop neer en liet mijn gedachten afdwalen naar een afgelegen plek in mijn binnenwereld, waar ik helemaal niemand toelaat. Jullie dus ook niet.

Die overpeinzingen werden onderbroken door een geritsel aan de overkant van de hoge heg, die zich achter mijn rug bevond.
“Dag pa!” zei een stem, die duidelijk bij een jongen met de baard in de keel hoorde.
Vervolgens gaf hij een uitgebreid relaas van zijn wederwaardigheden en resultaten op school, waarna hij zijn vader toevertrouwde dat hij de vriend van zijn moeder eigenlijk niet echt mocht, maar toch zijn best deed om hem vriendelijk te bejegenen, omdat zijn ma dat graag wilde.

Omdat ik daar zat de luistervinken kreeg ik last van schaamte, of een ander onbehagen van die strekking, dus maakte ik aanstalten om stilletjes weg te sluipen, maar nog voor ik dat kon doen, hoorde ik de jongen opnieuw ‘dag pa!’ zeggen en van het toneel verdwijnen.

Aangezien ik nog nieuwsgieriger ben dan een ekster ging ik toch even kijken naar het graf dat de jongen bezocht had. Zijn vader was slechts vierendertig geworden, maar als hij nog geleefd had, zou hij ongetwijfeld apetrots geweest zijn op zijn zoon.

Ik trouwens ook.

Aan de oever van de vliet

Op een idyllische plek, waar enkel zwakke weggebruikers konden komen en waar het water, niettegenstaande de aanhoudende droogte, overvloedig aanwezig was, had men een aantal robuuste picknicktafels en banken neergepoot. Een fietsende moeder, in wiens kielzog een aanhangwagen met inhoud dobberde – een meisje van naar schatting een jaar of drie – hield halt en streek samen met haar dochter neer op zo’n zitmeubel.

Ze dronken wat, ze verorberden een kleinigheid en hielden een kwieke stroom van opgeruimd gebabbel gaande. Nou moe, dat kind had een stemmetje dat zilveren geluidjes uitstootte en klingelde als een kristallen windgong. Ze had bovendien allerhande snibbige praatjes in de aanbieding en was derhalve een levend voorbeeld van wat we in West-Vlaanderen een snetsebelle noemen.

Toen de vrouw zich wat later opnieuw in gang trapte, dook het hoofd van het meisje op uit haar voertuig.
“Mama, niet in het water vallen, hoor!” riep ze bezorgd.
De moeder beloofde dat ze dat niet zou doen en de prinses schurkte zich gerustgesteld en tevreden in haar koets. Ze wuifde nog even naar me, met een handgebaar dat de Engelse queen haar ongetwijfeld zou benijden.

Kijk, met zulke lieflijke taferelen kan men een glimlach op mijn gezicht borstelen, of me doen grijnzen als een huzaar op vrijersvoeten. Meer zelfs: het maakt mijn dag!

Sommige mensen verblijden de wereld en dat meisje was zo iemand.

Sommige mensen zijn met weinig tevreden en ik ben zo iemand.

Kak met rozijnen

Mijn Harley Trapson bracht me naar een vrijwel vertierloos dorp: Zedelgem. Men spreekt er kennelijk talen. Op het asfalt van een vaak door fietsers gebruikte landweg trof ik immers onderstaande boodschap aan:

zedelgem

In het Engels nog aan toe! Starve the bardies! Ik heb hier een paar dagen geleden nog maar net mijn ongenoegen geuit over de Engelstalige slogan van de Vlaamse brouwerij Rodenbach en nu gaat Zedelgem wat achterlijk doen en mij, in de taal van Shakespeare, een onnozelheid verkopen. Tja, dat weggetje wordt natuurlijk dagelijks door miljoenen, indien al niet miljarden Engelstaligen gebruikt en het is belangrijk dat die beseffen dat ze niet zweten, maar sprankelen. De paar honderd Vlamingen die er voorbijkomen moeten het maar snuiven.

Bijster origineel is het alleszins niet, want op internet krioelt het van kledingstukken en gebruiksvoorwerpen, die van deze kernspreuk voorzien zijn. Dat gebrek aan originaliteit komt trouwens ook tot uiting in het nochtans nagelnieuwe logo van Zedelgem, dat overduidelijk een afgietsel is van het alomtegenwoordige apenstaartje.

In Zedelgem mogen ze dan misschien talen spreken, origineel zijn ze daar allerminst.

Om toch een beetje op een positieve noot te eindigen, stuur ik van hieruit een hartelijke groet naar de vriendelijke moeder (met zoon), met wie ik in de ‘zithoek’ van het sluizencomplex Plassendale een leuke babbel had. Tot nog eens!

Hondenleed

De man wandelde vrijwel iedere dag voorbij mijn woning, steevast in het gezelschap van een buitengewoon sierlijke windhond, meer bepaald een Galgo Español. Als ik toevallig buiten was als hij passeerde, wisselden we niet meer uit dan een eenvoudige groet, al herinner ik me dat ik één keer tegen hem gezegd heb dat ik hem een bijzonder fraaie hond vond hebben: compliment waarvoor hij me vriendelijk bedankte.

Enkele maanden geleden kwam er plots een eind aan hun dagelijkse passage. Zeggen dat ik me daaromtrent zorgen maakte, zou overdreven zijn, maar toch vroeg ik me soms af waar ze gebleven waren. Gisteren kreeg ik opheldering.

Ik stond buiten bij de brievenbus toen ik ze in de verte zag aankomen, de hond huppelend van blijdschap. Spoedig bleek echter dat het huppelen niet door blijdschap veroorzaakt werd, maar door het ontbreken van een voorpoot.
– “Oei!” schrok ik. “Hoe is dat zo gekomen?”
– “Een kwaadaardige tumor,” verduidelijkte de man, “maar hij houdt zich kranig, hoor.”
– “Doet u dat dan ook maar”, zei ik, want ik zag dat hij zich even verloor.
– “Ze zijn niet met velen die me dierbaar zijn,” vertrouwde hij me toe en er wankelde vertedering in zijn stem, “maar hij staat helemaal bovenaan dat lijstje.”

Ze vervolgden hun weg en ik keek ze na, scheel van emotie. Tja, die weekhartigheid van me … Het is een kwaaltje dat met de jaren verergert.

Nauwelijks drie uur later … maar dat vertel ik jullie eerstdaags. Voor vandaag is het welletjes geweest met de ellende.

De hond die niet blafte

Hoewel het een vrij smal pad betrof, zagen twee heren op leeftijd er geen been in om het bijna over de volle breedte in te palmen, teneinde een boom op te zetten en de doorgang te versperren. Een van de mannen was bovendien toegerust met een hond, die ik niet bepaald bij de categorie van de kutlikkertjes of de West-Vlaamse preutelekkertjes zou indelen. Het loeder zat weliswaar aan een lijn vast, maar leek toch over vrij veel speelruimte te beschikken.

Ik vertrouwde het zaakje niet, kneep de remmen van mijn fiets dicht en hield dientengevolge halt.
─”Zal ik er heelhuids voorbij raken?” vroeg ik.
─”Dat staat nog te bezien”, kreeg ik als antwoord. “Hij bijt enkel naar stoute mensen. Ben jij een stoute mens?”
─”In de verste verte niet”, stelde ik resoluut.
─”Dan kan er je niets overkomen”, vernam ik.

Ik stapte dus schoorvoetend voorbij het tot de tanden gewapende beest en wat denken jullie dat er gebeurde? Het monster haalde uit, hapte naar me, kreeg mijn broekspijp te pakken en bezorgde die een kloeke winkelhaak.
─”Godvermiljaardedju!” riep ik geschrokken en woedend. “Je moet nog eens zeggen dat hij niet zal bijten.”
─”Jij bent kennelijk minder braaf dan je van jezelf denkt”, kon de eigenaar van de viervoeter er nog mee lachen ook.

Hij slikte zijn gelach in toen ik eiste dat hij de schade aan mijn pantalon zou vergoeden. Aanvankelijk weigerde hij dat, maar toen ik met politie dreigde, kwam hij toch over de brug, zij het met zichtbare tegenzin.

Zou het onderhand niet eens tijd worden dat hondeneigenaars begrijpen dat ze hun metgezellen moeten aanlijnen, dat die zelfs in aangelijnde toestand verrassend uit de hoek kunnen komen en dat ze hun uitwerpselen dienen op te ruimen?