Tag: senioren

Lief schroothoopje van me

Ze waren beiden heel erg oud, dat zag je er zo aan af. Hun niet samen te vatten leven had opnieuw en nog maar eens een heuglijke datum bereikt, waarvan men vond dat daar een feest bij hoorde. Ietwat verwezen zaten ze in vleesetende fauteuils, op toezichthoudende wijze terzijde gestaan door nakomelingen.

Er deinde een dienblad met champagnefluiten voorbij en dat had hij gezien. Met een niet bij zijn leeftijd horende trefzekerheid graaiden zijn handen en maakten twee glazen buit. Het ene hield hij voor zichzelf. Het andere gaf hij aan de vrouw die naast hem zat en met wie hij ongetwijfeld talloze gedenkwaardige momenten bij mekaar gesprokkeld had.
─”Me goan e kè tikk’n”, zei hij in goddelijk West-Vlaams. We gaan eens tikken.

En ze klonken. Terwijl het kristal een zilveren geluidje uitstootte, keek hij haar aan alsof hij haar uitgevonden had. Liefde op het zoveelste gezicht. Zij was het cadeau van zijn leven en hij nog steeds het zonnetje van haar kindertekeningen.

De klimgeit

Ze waren met z’n zessen: vier dames die meer verleden dan toekomst hadden en twee heren, wiens leven ook geen zee van tijd meer was. Ze ondernamen een fietstocht ─ voor sommigen is zo’n uitstap inderdaad een heuse onderneming ─ en toen ik ze op mijn weg ontmoette, hielden ze net een sanitaire stop. Nu ja, de halte gold voor alle zes, maar aan het sanitaire hoofdstuk namen enkel de mannen deel. Terwijl die zich wijdbeens in de berm opstelden en hun jongeheer een handje gaven, begonnen de vrouwen tegen elkaar aan te kakelen in sappig West-Vlaams.

“Ik moet’n diene berg zère pakk’n wei”, zei een van hen en ze wees naar de viaduct die zich voor hen uitstrekte en zich over een autoweg welfde.
Er zijn mensen die van iedere mug een olifant maken, maar Vlamingen zijn licht geneigd om elke verhevenheid in het landschap een berg te noemen.
“Ge meuh ’t mie nie kwolik pakk’n ok juldre verbiesteek’n”, vervolgde ze en ze kon haar eigendunk nauwelijks tillen.
Voor mijn lezers die het West-Vlaams als Chinees beschouwen, vertaal ik even wat ze zei:
Ik moet die helling met hoge snelheid oprijden. Jullie mogen het mij niet kwalijk nemen als ik jullie voorbijrijd.

Nou moe, die prestatie wilde ik toch even gezien hebben, dus hield ik iets verderop halt om kwansuis de glazen van mijn zonnebril te poetsen en mijn neus te snuiten. Het duurde niet lang of het zestal vervolgde zijn weg en begon aan de beklimming van de berg.

De dame in kwestie reed niemand voorbij. Ze bereikte zowaar helemaal als laatste de top, niettegenstaande de elektrische ondersteuning van haar fiets. Er werd haar niets kwalijk genomen. Ze zal allicht een hongerklop gekregen hebben, of hoe heet zo’n Franse fringale in het Nederlandstalige wielerjargon? De man met de hamer?

Uitstapje

Op de parkeerplaats van het ziekenhuis kachelde een brekelijk oud vrouwtje naar me toe. Ze maakte een beetje een rafelige indruk en zag er wat versjofeld uit. Er stonden generaties wereldleed in haar gelaat geëtst en haar kapsel leek omgescharreld door opgewonden vogeltjes. Haar lichaamstaal drukte een gesmoord hulpgeroep uit. Of ik haar alsjeblieft naar huis kon brengen?
“Waar is dat dan?” vroeg ik.
Ze reciteerde het adres met de zangerige modulatie waarmee kinderen de tafels van vermenigvuldiging afdreunen.

Het zou slechts een kleine omweg van me vergen. Bovendien heb ik wat met wie zich in zijn nadagen bevindt. Ik laat ze nooit aan hun lot over en heb er alle begrip voor dat ze zich wat verloren voelen in deze computergestuurde tijden. Ik opende hoffelijk het portier van mijn auto en liet haar plaatsnemen. Toen herinnerde ik me opeens een voorval …

… op een warme zomerdag bracht mijn vader een bejaarde man naar huis, die vlak voor onze deur een soort appelflauwte gekregen had. Ze waren koud de straat uit toen de passagier een langgerekte zucht slaakte … en daarna niets meer, want hij zat dood naast mijn pa. Dat is op zich al geen aangename gebeurtenis, maar wat volgde was nog minder prettig. Men catalogiseerde het overlijden als zijnde verdacht en mijn vader onderging een verhoor. Had hij dat mannetje al dan niet om het leven gebracht?

Het vervoeren van onbekenden bergt dus een risico in zich en dat risico vergroot recht evenredig met het aantal levensjaren dat de onbekende achter de rug heeft. Niettemin bracht ik het vrouwtje naar het adres dat ze opgegeven had … en daar bleek niemand haar te kennen of ooit gezien te hebben. Dan sta je toch even paf, hoor. Ik probeerde haar meer informatie te ontfutselen, maar ze begon opeens te raaskallen, zodat ik me noodgedwongen tot de politie moest wenden. Daar was men al op de hoogte van haar verdwijning. De dolende ziel was ontsnapt uit het ziekenhuis waar ze me om een lift gevraagd had.

Ik had het nochtans kunnen weten of toch zeker vermoeden. Mijn grootmoeder liet zich ook niet africhten of aanlijnen en slaagde er telkens weer in uit het verpleeghuis weg te lopen. Dat is haar op een keer fataal geworden, want ze stak een straat over en kwam onder een auto terecht.

Er rest me dan ook niets meer dan het uitspreken van de weinig historische woorden: “Zo, dat hebben we ook weer gehad.”
Wie weet wat het leven voor ons nog allemaal in petto heeft?

Accident de parcours

Ze waren beiden heel erg oud, dat zag je er zo aan af. Hij zat in een rolstoel en zij duwde die voort met de moeite die eigen is aan de ouderdom. Het leven had veel leed in haar gelaat geëtst, maar desalniettemin bleef ze kranig glimlachen en glunderde ze haar leeftijd weg. Hij daarentegen had het gezicht van een buldog die op een wesp kauwde.

Ze duwde hem het restaurant binnen, maar maakte een kleine stuurfout, zodat ze even tegen de deurstijl aanbotste.
“Kijk toch uit, stom kalf!” snauwde hij schompermuilend. “Jouw geklungel is nooit overtroffen.”

Een kelner schoot toe om te helpen en ik keek haar meewarig aan toen ze mij passeerde. Ze schokschouderde even, schudde het hoofd en glimlachte, maar het was een beetje een treurige glimlach. Hij sudderde nog na en mompelde binnensmonds allerhande verwijten aan haar adres.

Mijn verbeelding schoot gelijk vleugelen aan en mijn hersens verzonnen snel een scenario om haar van die bullebak te verlossen. Ik liet ze derhalve met voorbedachten rade een reis maken, meer bepaald naar Bretagne, aan de rand waarvan zich hoge kliffen verheffen. Terwijl ze daar zogezegd het natuurschoon bewondert, geeft ze die rolstoel stiekem een zetje, zodat die gang krijgt en er dan op niet te stuiten wijze de sokken in zet, om vervolgens plompverloren van zo’n klif te kukelen, waardoor de inzittende schielijk het tijdelijke met het eeuwige verwisselt, waarop de dame in kwestie een triomfantelijke glimlach inslikt, een zucht van verlichting slaakt en – een geboren tragédienne – een klaagzang aanheft:
“O, mijn teergeliefde echtgenoot is het hoekje omgegaan, vermoedelijk om zeep.”
Neergedaald ter helle zal ze ongetwijfeld bedoelen.

Ja ik zie het allemaal zo voor me gebeuren. Ik denk dat ik er een verhaal aan zal wijden, of misschien zit er zelfs een film in.

Een onvoltooid magnum opus

puzzelstukjeTijdens een digestieve avondwandeling werd mijn oog getroffen door een onderdeeltje van een legpuzzel, dat ooit veelkleurig was geweest, maar zich nu ietwat verflenst en ten prooi aan grote eenzaamheid op het asfalt neergevlijd had.
“Ach”, zei ik en ik loosde een ietwat meewarige zucht.

Jullie zullen het ongetwijfeld onnozel van me vinden dat ik bij zoiets stilsta, me de moeite getroost om daar een foto van te nemen en er nu zelfs een pennenvruchtje aan wijd. Ik kan het ook niet helpen dat zo’n kleine kleinigheid me in het gemoed grijpt. Het is een soort aanlegstoornis van me. Ik dacht namelijk meteen aan de persoon – opa Alzheimer of oma Dementieva – die met engelengeduld, heel veel enthousiasme en de moeite die eigen is aan de ouderdom een puzzel van wel honderd miljoen miljard stukjes probeerde ineen te flansen, om pas helemaal op het eind, na talloze jaren, vast te stellen dat er een stukje ontbrak. Als afknapper kan dat tellen.

“Jouw inlevingsvermogen is te groot”, beweerde mijn moeder altijd. “Dat zal je nog vaak vies tegenvallen.”
Ze had nog gelijk ook, maar dat kan ik haar helaas niet meer zeggen.

Weten jullie wat ik me nu ook nog zit af te vragen? Waarom denk ik bij een puzzel eigenlijk nooit aan kinderen?