Tag: confrontaties

Alle zegen komt van boven

Een zakenrelatie van me ─ het klinkt heel wat, maar het betreft gewoon een overgewaardeerde politicus, die ook in drukwerk doet en voor wie ik zo nu en dan wat tekst mag redigeren ─ hield een zogeheten informele bijeenkomst naar aanleiding van een gedenkwaardige aangelegenheid. Ik had een uitnodiging gekregen met de zeer door mij verafschuwde formule dat er me ‘een hapje en een drankje’ te wachten stond, maar dit keer zou men de aanwezigen zowaar ook op ‘een muziekje’ vergasten. Tja, het was niet meteen een aanvulling waardoor ik in laaiend enthousiasme ontstak.

Ik begaf me op weg en ik zag er lang niet verkeerd uit. Nu ja, van een schopsteentje maak je geen diamant natuurlijk, maar in feestverpakking vermag ik op elegante wijze de charmes van mijn leeftijd rond te dragen. Gekooid in m’n goeie goed en een gekleed pak liep ik door de hoofdstraat van een vertierloos dorp. Plots hoorde ik een mannenstem roepen:
─”Pas op, hoor!”

Ik keek omhoog naar de plek waar de waarschuwing vandaan kwam en kreeg op hetzelfde moment een niet te onderschatten lading natte bladeren en modder over me heen. Het leek alsof ik onder een steen vandaan kwam en vervolgens door een haag gesleurd was.

─”Ben jij nu helemaal van de ratten besnuffeld?!” foeterde ik tegen de man die blijkbaar bezig was een dakgoot van overtolligheden te ontoen.
─”Ik heb toch geroepen dat je op moest passen”, verdedigde hij zich.
─”En op hetzelfde moment gooi je die bagger naar beneden. Ik ben het niet die moet oppassen. Jij moet uitkijken of de stoep onder je vrij is.”

Er volgde nog een heftige woordenwisseling over wie er voor de kosten van stomerij moest opdraaien, maar toen dat geregeld was, ben ik naar huis teruggekeerd. Door overmacht is het hapje en het drankje me bespaard gebleven. Het muziekje eveneens.

Op jacht

Toen ik vanmorgen mijn keuken betrad, ontdekte ik daar een vreemdsoortig insect met lange voelsprieten, twee paar diafane vlerkjes en talloze poten, dat in een tumbler neergestreken was en vertwijfeld door een bodempje whisky crawlde.
─“Hoe heet je, gedrocht?” vroeg ik.
Het monstertje schakelde over op een lusteloze vlinderslag.
─“Onbeleefd scharminkel! Je moet antwoorden als men je wat vraagt!”

Ik huiverde bij de gedachte dat dergelijk ongedierte mijn woning vermocht binnen te dringen, zich overal kon schuilhouden en dus mogelijkerwijs zelfs tussen mijn beddengoed vertoefde. Omzichtig bracht ik het glas naar het terras en schudde daar het verguisde griezeltje de vrijheid in. Het dwarrelde eerst tollend neerwaarts, verhief zich dan en fladderde rakelings aan me voorbij.
─“Keep my memory green!” murmelde ik.

Het dwaze mormel deinde langs me heen en floepte gezwind terug naar binnen, via de openstaande deur. Een lichte verbijstering maakte zich van me meester en ik keek als een snoek op zolder.
─“Krijg nu wat!” had ik de schurft in. “Je mag het me niet tegen maken of ik zou weleens heel slecht nieuws voor je kunnen hebben.”

Het kennelijk honkvaste schepsel dartelde blijhartig door de keuken. Met een handdoek probeerde ik het de wijde wereld in te wapperen en dat lukte nog vrij aardig ook: in scheervlucht verliet het mijn woning, drukte ten afscheid nog wat flukse zoenen op de ruit en verdween. Ik begon puin te ruimen. Tijdens het vendelzwaaien had een lus van de handdoek zich vastgehaakt aan een uitsteeksel van de dure fruitschaal ─ Venetiaans glas ─ die op tafel stond en …

Ik rotzooi wat aan als ik in vorm ben.

Dubbelgangers

Ik moest bij ze in de buurt wezen, dus wipte ik even binnen bij een stel met wie ik niet echt nauw gelieerd ben, maar toch contact houd.

Ik daalde neer in een van hun vleesetende fauteuils en raakte in een gesprek verwikkeld over de dingen des levens. Opeens begon de vrouw des huizes driftig door een tijdschrift te bladeren en gooide dat toen geopend voor me neer.
─“Dat heb je wel mooi voor ons verzwegen”, ginnegapte ze.
─“Wat dan?” vroeg ik.
─“Kijk!” gebood ze en ze wees me de plek aan. “Je hebt ons niet eens een kaartje gestuurd.”

Een van de foto’s die een artikel over Boedapest verluchtten, vertoonde het fraaie interieur van de aldaar gevestigde Hongaarse Staatsopera. Er greep kennelijk een voorstelling plaats, want de bonbonnière was tot de nok gevuld met allemaal keurig uitgedoste dames en heren. En wie zat daar op de eerste rij, gehuld in een smetteloze smoking en voorzien van een speels vlinderdasje? Ik!

Nu is er echter een probleem. Ik ben nog nooit van m’n leven in Hongarije geweest, laat staan in Boedapest en laat nog meer staan in de Opera van die stad. Er moet daar dus iemand anders zitten, maar dan wel iemand die zo frappant op me lijkt, dat ik me zelf zou kunnen vergissen. Ik geloofde werkelijk niet wat ik zag.

Ik ben vroeger ook al eens door kennissen in Wenen opgemerkt, terwijl ik helemaal aan de andere kant van de wereld vertoefde. Die waren me zelfs vrolijk tegemoet gesneld om me te begroeten, waarna bleek dat ik geen woord verstond van wat ze zegden. En niet veel later werd ik herkend op het Franse getijdeneiland Mont Saint-Michel, terwijl ik me op dat moment honderden kilometer zuidwaartser aan boord van een muildier heupwiegend naar het Cirque de Gavarnie in de Pyreneeën begaf. Volgens mij moet dat een soortement fata morgana geweest zijn.

Ik heb nooit veel geloof gehecht aan de bewering dat er van ons allemaal een of meerdere dubbelgangers over de aardkloot hossen, maar een mens zou toch beginnen twijfelen. Als jullie me dus ooit ontmoeten, dan ben ik het waarschijnlijk niet. Het is maar dat jullie het weten.

De dodensprong

De aflevering van CSI (Crime Scene Investigation) begon op nogal macabere wijze. Op een kerkhof zeulden kloeke mannen een doodkist richting graf, toen de bodem van dat ding het plots met veel gekraak begaf en niet één, maar twee lijken op de grond tuimelden. Dat wil een mens toch niet meemaken! En toch heb ik in een onzalig vroeger iets gelijkaardigs beleefd en daar wil ik jullie graag kond van doen. Ga vooral even zitten, want dit is niet mis. Gevoelige zielen kunnen nu misschien beter even het hoofd afwenden, of gewoon doorklikken naar een van mijn leukere schrijfsels.

Toen ik het flatgebouw betrad, kon ik niet meteen naar boven, naar de woonst waar vrienden van me huisden. Een van de bewoners — wellicht oud en der dagen zat — was aan algehele slijtage overleden en men probeerde hem net naar het dorp van de eeuwige vakantie te kruien. Dat ging niet van een leien dakje.

Wie zich met een doodkist in een trappenhuis waagt, vraagt immers om problemen. De begrafenisondernemer en zijn assistenten zagen er ook niet bepaald potige kerels uit. Maar goed … na wat gepruimel raakten ze voorbij de overloop en daalden ze niet zonder plechtstatigheid af. Je mag van ze zeggen wat je wil, maar lijkbezorgers hebben gevoel voor pathetiek. Ik stond beneden in de hal en boog ingetogen het hoofd, mediterend over de vergankelijkheid van het leven. Een rechtgeaarde vloek — godverdomme! — haalde me brutaal uit mijn vrome overpeinzingen. Ik keek omhoog.

Wat zich toen voor mijn ogen voltrok, overtrof mijn stoutste fantasie en mijn verbeelding durft nochtans vleugelen aan te schieten als ik in vorm ben. Een van de dragers had vermoedelijk een letterlijke misstap begaan en maakte aanstalten om neer te storten. Wat doet een normaal mens in zo’n geval? Men laat de last los, teneinde armenzwaaiend het evenwicht te bewaren. Hij dus ook. Zijn collega’s, verrast door de plotse gewichtstoename, begonnen eveneens te wankelen. En zie … de kist maakte eerst een onzachte landing op de arduinen treden en dokkerde vervolgens met sneltreinvaart naar beneden. Er was geen houden meer aan. Met een doodsmak botste ze op de vloer en kantelde. Van de weeromstuit knalde het deksel open en … het dode heertje schoot als een duivel uit een doosje tevoorschijn en gleed in zijn zondagse pak naar me toe. Ik gilde als een konijn in de beet van een wezel en deinsde naar ik weet niet waar.
─”Zijn jullie nu helemaal van god los!?” riep ik verontwaardigd. ‘Gaan we d’r een beetje mee gooien, ja?’
Het opperhoofd der lijkdragers keek me aan, haalde de schouders op en sprak onbewogen:
─”Hij is dood, dus kan hij het hebben.”

Terwijl ik de trap oprende, bracht mijn hart een ode aan de mensen die gestorven zijn en te weinig applaus kregen. Het heertje had in zijn leven vermoedelijk niets opzienbarends verricht, maar … hij vertrok niet zonder slag of stoot. Alle worstjes op een stokje!

Van liefde verstoken

Ik kom bijna dagelijks voorbij een woning, waarin naar verluidt een vrijgezel huist. Hoewel ik de man niet persoonlijk ken, heb ik al veel over hem vernomen, want hij duikt regelmatig op in de gesprekken die men in de lokale neringen voert. Zo gaat dat immers in een dorpje dat nog net niet dood is en waar zelden wereldschokkende dingen gebeuren.

Op een keer, toen ik bij de groenteboer mijn beurt afwachtte, waren twee klapeksters onomwonden bezig zijn doodzonden van de bomen te schudden. Volgens hun zeggen leek zijn huis op een ommuurde vuilnisbelt en was hij dom, en achterbaks, en brutaal, en … Plots mengde de man die voor me stond zich in het onderhunsje. Hij zei op geërgerde toon:
─”Zijn jullie zeker dat jullie niets vergeten? Een alcoholprobleem of zo?”
Het was een nogal drieste en niet geheel ongevaarlijke aanpak, maar hij snoerde ze er wel de mond mee en oogstte mijn stille bewondering voor zijn dapperheid.

Aan het huis kan je eigenlijk niet zien dat een vrijgezel er hoofdkwartier houdt. Nu ja, de ruiten zijn nogal smoezelig en de berookte vitrage heeft niet de juiste afmetingen, maar daar kan men geen conclusies aan vergooien. Onlangs prijkte er zelfs een appetijtelijke fruitmand op de vensterbank.
─”Zie je wel dat het zo’n vaart niet loopt!”, dacht ik bij mezelf. “Een vrijgezel die gezonde vruchten in huis haalt, heeft besloten om te zwemmen en niet gewoon met het leven mee te drijven.”

Inmiddels zijn we drie weken later en de fruitmand staat nog steeds onaangeroerd op die vensterbank, al biedt de inhoud ervan niet meer zo’n fraaie aanblik. De bananen zijn vrijwel helemaal vergaan en ook bij de andere vruchten is de aftakeling duidelijk zichtbaar. Volgens mij kan het daarbinnen toch niet bijzonder fris ruiken, maar ieder zijn meug natuurlijk. Ik heb me daar niet mee te bemoeien.

Hij zal daar toch niet dood liggen, wel?

Primaat

Sommige mensen staan ongehoord bot in het leven.

Hoewel ik een afspraak bij de tandarts had, diende ik toch mijn beurt af te wachten in een daartoe bestemd lokaaltje. Nu beschik ik niet over het geduld van een oester en wachten is, wat mij betreft, iets voor de zielen in het vagevuur, maar soms moet een mens van de nood een deugd maken. Ik installeerde me derhalve op een ongemakkelijk stoeltje en bladerde door een beduimeld tijdschrift dat daar voor het grijpen lag.

Toen kreeg ik onverhoeds het gezelschap van een wel heel frisse jongen: het soort gast dat je beter niet snijdt op de autoweg. De zeven paarden die hem uit de klei getrokken hadden, stonden daarvan nog na te hijgen. Hij had kauwgom in zijn bek en zijn geknabbel veroorzaakte smakkende geluiden en gemurmel van speeksel. Christene zielen! Wat is dat toch een afschuwelijke gewoonte. Plots begon die klotenbibber ook nog fluimen op te halen, hetgeen vanzelfsprekend met veel gerochel gepaard ging. Ik zat al bokkig te kijken, want ik voelde me daar in hoge mate onbehaaglijk bij, maar ik was nog niet aan het einde van mijn beproeving. Dat wrattenzwijn verhief immers de ene kant van zijn kont en gaf ongegeneerd de vrijheid aan een knallende scheet.
─“Hèhè!” grijnsde hij. “D’r worden hier harde noten gekraakt.”

Mensen kinderen! Daar zou je toch een kunstkop van krijgen! Ik kon er waarachtig niet mee lachen, zelfs niet als een boer met kiespijn. De dinosaurusdrol wist echter niet van ophouden. Even later haakte hij een kunstgebit uit zijn bakkes, want de kauwgom was blijkbaar vast komen te zitten tussen zijn echte en zijn valse verhemelte. De hele kokenage begon me danig te beknellen. Bewaar me, zeg!

Net toen ik op het punt stond hem te vragen of hij misschien nog in grotten leefde, opende de tandarts de deur en mocht ik naar de pijnbank.

Ze moesten zulke mensen met een kotszakje leveren. Ik bedoel die onbehouwen horken. Niet de tandartsen. Hoewel …

Dat ze mijn zak opblazen!

Het gebeurde vannacht, iets over enen. Samen met mijn auto bevond ik me op Vlaamse heirbanen. Nee, ik zal jullie niet vertellen waarom ik me op dat moede uur nog op straat waagde, want dat is vertrouwelijke informatie en ik ben heel goed in staat om een geheim te bewaren. Als jullie dus via via zouden vernemen dat ik op weg was om een gestrande automobiliste, tevens vriendin van me, van een gewisse dood te redden — ’s nachts dolen er in deze contreien immers niet enkel everzwijnen, maar ook niets ontziende roversbenden rond — dan hebben jullie dat zeker niet van mij gehoord, maar dan heeft iemand anders zijn mond voorbijgepraat.

Laat ik nu toevallig op zo’n bende schavuiten stuiten. De leden ervan droegen allemaal fluorescerende jassen, hetgeen in het licht van mijn koplampen een spookachtig spektakel opleverde. Bovendien hadden ze de weg versperd met laaiende fakkels en zwaaiden ze met het soort vurige zwaarden dat men soms ook in sciencefictionfilms ziet. Er was geen ontkomen aan. Ik zou moeten blazen. Ik zou eindelijk eens mogen blazen, want men heeft me nooit eerder verzocht om een ademtest af te leggen, hetgeen ik als een groot gemis beschouw, want ik wil dolgraag zo’n BOB-sleutelhanger verwerven. Ik hoopte er eigenlijk al niet meer op.

─“Hebt u gedronken, meneer?” vroeg men.
─“Neen”, antwoordde ik met één woord en daar was geen woord van gelogen.
─“Wilt u misschien even blazen?”
─“Graag zelfs!” sprak ik verheugd en ik zat al verlekkerd naar het toestel te kijken dat de man in zijn handen hield.

Er kwam echter iets tussen. Een van de andere spoken kwam naar ons toe en zei tegen het mijne:
─“Kom eens assisteren. Die daar is zo zat als een Zwitser, heeft geen paspoort, geen verzekering, geen rijbewijs en spreekt geen gebenedijd woord Nederlands …”
Hij had het over de chauffeur die ze net voor mij aan de kant gezet hadden. Die stak met zijn hoofd uit het portierraampje en ging de agenten met schimpende woorden te lijf.
─“Nazi’s! Gestapo’s!” fulmineerde hij.

─“Rijen maar!” gebood mijn spook en hij gebaarde dat ik moest maken dat ik wegkwam. Daar stond ik dan met mijn goeie gedrag.

En zo komt het dat ik nog steeds geen sleutelhanger heb kunnen bemachtigen. Wat een krijtende onrechtvaardigheid! Ik voel me echt tekortgedaan. Ik betaal toch ook belastingen. Weet je wat? Ze kunnen mijn zak opblazen!

We blijven hoffelijk

Een van de dingen waarover ik me omstandig kan opwinden ─ en dat is hoegenaamd niet bevorderlijk voor mijn algehele welbevinden ─ is de nonchalance van sommige hondenbezitters, die het niet nodig vinden om hun viervoeter aan te lijnen als ze zich op de openbare weg begeven.

Op een pad dat enkel voetgangers en fietsers duldde, stond ik op het punt om een moeder met dochter in te halen, toen uit de tegenovergestelde richting opeens een loslopende hond verscheen, van een model waarop een zadel niet zou misstaan. De eigenaar ervan volgde op vijftig meter.
Het meisje bleek een mongooltje te zijn. Naar verluidt hoort een weldenkend mens het woord ‘mongooltje’ niet meer te gebruiken, maar dat vind ik net zo’n flauwekul als het taboe dat vandaag de dag op bijvoorbeeld neger en dientengevolge op Zwarte Piet rust. Mijn zusje ─ zij ruste in vrede ─ was een mongooltje en zo hebben mijn ouders en ik haar ‘afwijking’ altijd genoemd. Ik weet dus uit ondervinding dat veel mongooltjes een heilige schrik voor honden hebben. Dat was ook het geval met het meisje in kwestie. Ze sloeg in paniek en begon te schreeuwen alsof ze in een mes hing. Het kostte de moeder alle moeite van de wereld om haar tot bedaren te brengen.

─”Misschien kunt u toch beter die hond aanlijnen”, vermaande ik de eigenaar van dat beest, niet eens op onvriendelijke toon.
─”Ge ligt gie oak nie vaste, zeveroare!” riep de man in onvervalst West-Vlaams. (Jij ligt ook niet vast, zeveraar!)

Tja, waar bemoei ik me eigenlijk mee? Ik lag inderdaad niet vast.

Nauwelijks vijfhonderd meter verderop stond ik plots oog in oog met tien ingespannen sledehonden, die bij gebrek aan zowel sneeuw als aan een slede in razende vaart een bemand tuig met wielen over het smalle pad sleurden en zodoende alle andere weggebruikers in de bermen joegen. De verwijten waren dan ook niet uit de lucht, want het gevaarte hoorde daar absoluut niet thuis en veroorzaakte ronduit gevaarlijke toestanden, maar de menner stoorde zich absoluut niet aan die protesten. Hij bleef die honden aanvuren en de hele breedte van het pad in beslag nemen.

Tja, waar bemoeiden wij ons eigenlijk mee?

Ik hoop dat de moeder en haar dochtertje de ontmoeting met deze schuimbekkende husky’s zonder al te veel misère overleefd hebben.

Wat smijten ze nu weer op mijn pad?!

Sinds ik enkele jaren geleden, op een niet zo fraaie lentemorgen, op een dode man stuitte, die in het bos aan een boomtak hing, ben ik ervoor beducht dat mijn overlevingstocht door het bestaan me nog een keer met zo’n bloedstollend tafereel zal confronteren. Ik waag me immers vaak langs waterlopen, of op van God en alle heiligen verlaten wegen en laat dat nu ook de uitverkoren plekken zijn van lieden die halsmisdaden gepleegd hebben en hun slachtoffers moeten dumpen, of van individuen die om soms onnaspeurbare redenen uit het leven willen stappen.

En ja hoor, gisteren werd mijn vrees bewaarheid. Toen ik in de verte een vormeloze, op het asfalt liggende opeenhoping ontwaarde, voorvoelde ik meteen dat er stront aan de knikker was en dat ik daar een neergevelde mens zou aantreffen. Met een knoop in mijn maag staarde ik wezenloos naar het onheilspellende stilleven.
“Laat het alsjeblieft geen massacre zijn”, prevelde ik tegen mezelf.
Terwijl ik mijn fiets ontsteeg, bereidde ik me voor op een gorgonisch tafereel: een gekloofde schedel met uitstulpende hersenkwabben, versplinterde botten die uit gapende wonden priemen, de bloederige brij van in flarden gescheurd vlees, lillende darmen … Aarzelend en huiverig — men kon mijn reet wellicht als doppenwipper gebruiken — naderde ik het slachtoffer van … ja, van wat? Een aanrijding? Van de sokken gekieperd door een gevluchte onverlaat? Voor dood achtergelaten na een gewelddadig treffen? Of was hij van het huizenhoge viaduct dat naast de weg oprees gesprongen? Als er een delict gepleegd was, kon ik hem beter niet aanraken, besefte ik, maar men mocht evenmin hulp ontzeggen aan wie in nood verkeerde.

Behoedzaam trad ik naderbij. Eerst hoorde ik hoe er muziek uit hem opsteeg, afkomstig van een onzichtbaar toestelletje. Daarna zag ik het bierblikje dat als het ware parmantig naast hem stond. Het begon mij te dagen.
“Heilaba! Hoor je me?” ontfutselde ik een pover geluid aan mijn gorgel. Ik vermande me echter en riep met luider stemme: “Hallo! Jij daar! Kun je me horen?” Men hoorde me vermoedelijk in Kazachstan, of zelfs op het eiland Puka Puka in de Stille Zuidzee.
“Kus een beetje m’n vette kloten!” lalde hij en zijn al even vette tong verklaarde veel: hij was zo zat als een moeras. “Laat mijn hoofd gerust en blaas m’n zak op!”
“Jij je zin!” was ik in mijn kuif gepikt. “Dan wens ik je nog een aangename middag.”

Ik beende naar mijn rijwiel, nam nog snel een paar foto’s van dat ondankbaar stuk potvreten en fietste vervolgens nieuwe avonturen tegemoet.

De paardenfluisteraar

Ik koester al vele jaren het verlangen om een paard te bezitten, wellicht vanwege het gauchobloed dat door mijn aders zwerft, zij het ietwat aangelengd. Ik ben trouwens een uitstekende ruiter. De paar keren dat me het geluk beschoren was om naar hartenlust de teugels te vieren en over de pampa te draven, zijn het zout in de pap van mijn leven.

Helaas heeft niet enkel de Argentijnse cowboy sporen bij me achtergelaten. Ik vertoon helaas ook enkele trekjes van Harpagon, de stuitende vrek die Molière in een van zijn theaterstukken opvoert. Ik zit met andere woorden op mijn centen als een duivel op een ziel. Een paard kost klauwen geld en ─ we blijven even bij het onderwerp ─ dat kan Bruintje niet trekken.

Gisteren passeerde ik langs een uitgestrekte weide, waarin een merrie eenzaam stond te wezen. Ik kneep de remmen dicht ─ ik was namelijk aan het fietsen ─ want ik had nooit een fraaier paard gezien. Ze kwam gelijk naar me toe en boog zich over de afsluiting.
─”Dag schoonheid!”, zei ik. “Heeft iemand je al eens verteld hoe mooi je bent?”
Ze knikte heftig en produceerde snuivende geluiden. Toen maakte ze plots een steigerende beweging en ze ging er ijlings vandoor. Iets verderop waren immers twee mannen verschenen, vermoedelijk vader en zoon, die zich toegang tot de weide verschaften en aanstalten maakten om haar te vangen. Ze hield blijkbaar niet van toom en zadel. Ze dreven haar weliswaar in een hoek, maar dan slaagde ze er telkens in om luid hinnikend te ontsnappen.

De paardenvangers bleven van de ene kant naar de andere hollen, de merrie bleef ze verschalken en ik bleef geamuseerd het tafereel gadeslaan, terwijl ik haar onhoorbaar aanmoedigde. Twintig minuten later waren de mannen compleet afgepeigerd, terwijl het paard nog maar net in vorm begon te komen.
─”Ben je bang van paarden?” vroeg de vader me.
─”Absoluut niet!” zei ik ietwat verongelijkt.
─”We komen duidelijk een mannetje te kort. Ze glipt telkens tussen ons door. Kun je misschien even helpen?”

Ik hees mijn fiets op de steun en betrad de weide. Toen de merrie me opmerkte, kwam ze schoorvoetend naar me toe, bleef pal voor me staan en liet zich rustig aanlijnen.
─”Kun jij toveren misschien?” sprak de zoon.
─”Dat heb ik nu nog nooit gezien”, hijgde de vader, opgelucht dat er een einde aan het hollen kwam.

Ik raakte zienderogen met trots vervuld. Ik wist dat ik iets in me had, al weet ik nog steeds niet wat. Dat paard wist het blijkbaar wel.