Tag: confrontaties

Mag ik even de kuif opsteken?

Dit bericht is bestemd voor de aanstellerige troela, aan boord van een protserige, waarschijnlijk nog lang niet betaalde SUV, die vanmorgen, toen ik met de fiets volledig reglementair voorsorteerde, achter mijn rug op waanzinnige wijze op haar claxon ramde, zodat horen en zien me verging en ik me de tering schrok, waarna ze me dusdanig in het nauw dreef dat ik mijn evenwicht verloor, ten val kwam en me flink bezeerde, terwijl madame van kromme haas gebaarde en doodgemoedereerd haar weg vervolgde.

Klipgeit! Appelteef! Zurkeltrut! Klapkut! Pekelteef! Afgebefte del! Truttebol! Stomme gleuf! Boerentrien! Kankerslet! Kakmadam!

Ga op een landmijn zitten!
Drink stront door een rietje!
Eet een kakkerlak!
Lik mijn roze reet!
Krijg de donkerbruine touwtering!
Ga rondjes vliegen rond een vliegenvanger!

Hèhè, dat lucht op.

Struikrovers anno nu

Op de Groene 62 ─ de voormalige treinbedding tussen Torhout en Oostende, die nu gereserveerd is voor wandelaars en fietsers ─ reed een vrouw zo’n vijftig meter voor me uit. Ze was in het gezelschap van een zeer minderjarig meisje, vermoedelijk haar dochter, dat slow motion en op de rand van evenwichtsverlies een klein, frivool versierd fietsje bestuurde.

Ik werd ingehaald en voorbijgereden door een bromfietser, vermoedelijk van mannelijke kunne, die een integraalhelm droeg en derhalve onherkenbaar was. Even later bereikte hij mijn voorgangster en daar vertraagde hij om vervolgens, en passant, een portemonnee op te vissen uit haar fietstas, waarvan de klep openstond. Daarna ging hij er als de wiedeweerga vandoor.

─”Heb je dat gezien!?” riep de vrouw onthutst, terwijl ik naast haar halt hield.
Haar dochter maakte aanstalten om het op een huilen te zetten, maar ze hield zich kranig en beperkte zich tot een pruilmondje.
─”‘t Is godgeklaagd!” schuddekopte ik. “We beleven een rare tijden. Bent u veel kwijt?”
─”Wat geld, mijn identiteitskaart en mijn bankkaart”, zei ze.
─”Die moet je meteen laten blokkeren bij Card Stop”, had ik goede raad in de aanbieding. “Met een beetje geluk gooit hij je portemonnee weg als hij zich het geld toegeëigend heeft, maar als ik jou was zou ik toch naar de politie gaan.”
─”Geluk is me niet bepaald goedgezind”, murmureerde ze en ze bekeek de fietstassen met een vernietigende blik. “Die velcrosluitingen zijn eigenlijk geen knop waard. Bij het minste zuchtje gapen die kleppen als ovendeuren.”
─”Er gaat inderdaad niets boven ouderwetse gespen”, was ik het met haar eens en ik wees naar mijn exemplaren die ermee toegerust waren.

Ik heb haar mijn kaartje gegeven. Als ze ooit een ooggetuige nodig heeft, ben ik haar man. Het is een schamele troost. Ik weet het. Ze moesten zulke schurftluizen zo’n pandoering geven dat hun kleren uit de mode zijn als ze bijkomen. Als men ze bij de kladden kan grijpen natuurlijk.

Als de rozen bloeien …

Hoewel ik me niet in de stille Kempen bevond, en al helemaal niet op de purp’ren hei, trof ik toch een eenzaam huisje op mijn weg aan, zij het zonder berk erbij.

Geen berk dus, maar wel een boerenblommentuintje dat uitbundig met Flora’s kinderen pronkte en een terras, dat volgeladen was met allerhande snuisterijen en prullaria, waaronder een gietijzeren uil, die zoals het een uil betaamt wijsneuzig op een soortement pilaar prijkte.

Nu heb ik al mijn hele leven een raadselachtige affiniteit met uilen, zoals de titel van mijn blog al laten uitschijnen. Ik hield dus halt, om de vogel wat nader te bestuderen en eventueel te informeren of ik die voor een zachte prijs kon verwerven, teneinde die aan mijn verzameling toe te voegen, want ik heb inmiddels al tientallen uilen in mijn bezit.

Er moet zich daar ergens een luidspreker opgehouden hebben, want ik hoorde muziek, meer bepaald de omfloerste stem van Adamo. “Quand les roses fleurissaient, sortaient les filles”, zong hij en alsof de duvel ermee speelde, of een ander wezen dat over bovennatuurlijke krachten beschikt, verscheen op dat moment een stokoud vrouwtje ─ ze bediende zich inderdaad van een stok ─ in de met rozenguirlandes omkranste deuropening. Ze hing deerniswekkend aan de arm van een man, die haar op een bankje in de zon neerpootte en zich vervolgens tot mij wendde.

Ik deelde hem mee dat ik in hoge mate geïnteresseerd was in zijn uil en hoopte dat hij die enigszins goedkoop aan me wilde verkopen. Ik ben en blijf immers een zeer spaarzaam persoon. Sommigen overdrijven en noemen mij gierig, ja, zelfs vrekkig en ik ben daar eigenlijk niet van gediend, maar ze kunnen me de moord pruimen.

Terwijl we in ons zakelijk gesprek verwikkeld waren, voerde het oude vrouwtje dat zijn moeder bleek te zijn, zowel doof als blind was en dus niks hoorde en niks zag, een mompelende en onverstaanbare conversatie met iemand die wij niet konden zien, maar zij blijkbaar wel. Mens toch!

De hemel verhoede dat ik in zo’n toestand terechtkom als ik oud ben en der dagen zat.

Ik heb de uil van haar zoon cadeau gekregen. Jawel, gratis en voor niks. Ik zal hem één dezer dagen een ballotin pralines brengen, want ik ben helemaal niet vrekkig. Misschien vindt zijn oude moeder die ook lekker.

Een spion?

Toen ik mijn woning verliet, stond ik plots oog in oog met een wildvreemde man die doodgemoedereerd, de handen diep in de broekzakken, langs mijn terras drentelde.
─ “Hebt u hier wat verloren?” vroeg ik dus, niet bepaald op vriendelijke toon.
─ “Ik ben even naar het huis aan het kijken”, kreeg ik te horen.
─ “Je pleegt wel inbreuk op mijn privacy”, laadde ik mijn woorden met protest.
─ “Ben je soms dingen aan het doen die niet mogen?” opperde hij laconiek en hij kuierde sereen als gebotteld water van me weg.

Ik stond even met mijn mond vol tanden, schudde ongelovig het hoofd … en liep toen snel naar mijn clandestiene jeneverstokerij annex cannabisplantage, om die nog beter te camoufleren.

Bemoeial

De bel gaf lament; het rode licht begon te knipogen en de slagboom zeeg neerwaarts. Het kon haast niet anders of er zat een trein aan te komen, dus vond ik het raadzaam om de remmen dicht te knijpen en halt te houden. Een nogal luidruchtige groep wielertoeristen, die luidkeels naar massageolie stonken, volgde mijn voorbeeld.

De trein raasde voorbij, maar het rode licht knipoogde lustig verder en ook de slagboom week geen voetbreed, wellicht omdat er een tweede exemplaar in aantocht was.
─”Ja, zo gaat ons gemiddelde natuurlijk steil de dieperik in”, gaf een van de recreatieve fietsers lucht aan zijn misnoegen daaromtrent en hij staarde naar een op zijn stuur bevestigd instrumentje, waarop zijn prestaties in cijfers omgezet werden.
─”Als ik jou was,” meesmuilde ik, “zou ik die bel en die slagboom straal negeren en doorrijden. Veel kans dat je gemiddelde dan steil de hoogte inschiet.”

Hij kon daar niet mee lachen, maar slaagde er niet in om een gepast weerwoord te verzinnen. In plaats daarvan keek hij me aan alsof ik een giftig reptiel was. Zijn gezicht verried dat ik een kopstoot van hem kon krijgen. Zelfs meer dan een.

Ik zal nu toch eindelijk eens moeten leren om mijn klep te houden. We beleven immers wrede tijden en de mensen hebben tegenwoordig steeds langere tenen. Het zal nog eens zo gaan dat ik de krantenkoppen haal, wegens een confrontatie met dodelijke afloop.

Asperges me! ─ 2

De morgenstond had geen goud in de mond, maar was gehuld in regenflarden. Tussen twee vlagen door spurtte ik met de fiets naar de supermarkt, omdat hetgeen ik ‘s middags wilde klaarmaken om te eten een essentieel ingrediënt behoefde, dat ik niet in mijn voorraadkasten aantrof.

Niettegenstaande er zich boven me wolkenpakken in hevig gedrang bleven ophouden, zag het ernaar uit dat ik het ook op de terugweg droog zou houden …

… maar toen reed ik voorbij zo’n vervaarlijk wegkasteel: een betonmixer die langs de kant van de weg geparkeerd stond. Terwijl ik dat deed, kreeg ik onverhoeds een niet te onderschatten gulp water over me heen, die met zo’n kracht op me neergutste dat ik bijna van mijn fiets kukelde.

De chauffeur van het vehikel had namelijk plots last van schoonmaakwoede gekregen. Gewapend met een sproeilans was hij op zijn voertuig geklommen om vanaf die verheven positie uitbundig aan het spuiten te gaan, evenwel zonder rekening te houden met toevallige passanten, zoals ik. Hij kon kennelijk ook niet goed mikken.

Hoewel de regen het nog geruime tijd liet afweten, hield ik het toch niet droog. Ik kwam zo nat als een dweil thuis en zag eruit als een verzopen kat. Bovendien bleken een aantal kledingstukken van me onherroepelijk beschadigd te zijn door dat agressieve betonwater.

Zal ik een klacht indienen? Of is het (beton)sop de kool niet waard?

Chaperonneren

Ik koos het fietspad dat zich als een aal in doodsnood doorheen een woud kronkelt, om ongeveer twee kilometer verderop opnieuw in de bewoonde wereld terecht te komen. Net voor ik het bos binnendrong, werd ik halt toegeroepen door twee zeer minderjarige schoolmeisjes.
–”Meneer, meneer!” mekkerden ze in koor met de zangerige modulatie die kinderen gebruiken als ze samen spelen.
–”Waarmee kan ik de dames van dienst zijn?” probeerde ik me een air te geven, nadat ik op allesbehalve elegante wijze mijn rijwiel ontstegen was en bijna op mijn bek toeterde.
–”Mogen we met u meerijden naar de overkant?” vroegen ze.
–”Er zitten nochtans geen wolven in het bos …” gnuifde ik, want ik ben niet alleen thuis de grappigste, maar soms ook als ik onderweg ben.
–”… maar wel louche venten”, vernam ik. “We zijn hier gisteren door zo’n ongure makaak achtervolgd en nu durven we niet meer alleen dat bos in.”

Als een onversaagde ridder beklom ik dus mijn stalen ros, nam de twee vermoedelijk nog maagdelijke deernen onder mijn hoede en bracht ze ongerept naar de overkant van het bos.

Waar is de tijd dat we ons met zijn allen onbezorgd in de vrije natuur konden uitleven? We zijn duidelijk niet lekker bezig nu. Hoe zou dat komen? Ik denk dat ik het weet, maar ik mag het niet hardop zeggen.

Kluizen

Ik ben al niet bijzonder happig op bezoek en als men het dan ook nog waagt om onaangekondigd te mijnent te verschijnen – ze zijn slechts met weinigen die zich dat mogen veroorloven – steekt er onvermijdelijk onbehagen in me op. Als die visite dan ook nog op groen koren te velde heeft, heb ik helemaal de kanker en ontzettend de tering in. Mag ik?

Er bestaat zo iets als een ongeschreven wet, die stelt dat men willens nillens van kinderen moeten houden. Wel, ik houd hoegenaamd niet van kinderen. Het zijn immers heel vaak lawaaierige lastpakken, die zich niet laten africhten. Ouders van tegenwoordig vinden dergelijk gedrag blijkbaar best, maar ik niet. Ik heb liever geen koters om me heen.

Ik kreeg gisteren totaal onverwacht een koppel op bezoek. Ze waren toevallig in de streek verzeild geraakt en wipten even binnen. Hun oponthoud op onze planeet was niet zonder gevolg gebleven en ze brachten dat resultaat mee: een meisje van zes en een jongen van vier.

Het heeft echt niet veel gescheeld of ze braken mijn kot af, zoals we dat in West-Vlaanderen zeggen. Telefoons, tablet, toetsenborden, afstandsbedieningen, boeken, schrijfgerief … alles moest eraan geloven. De schade is niet te overzien dat het totale gebrek aan discipline en manieren vonden ma en pa kennelijk de normaalste zaak van de wereld. Geen enkele keer wezen ze hun kroost terecht. Dat deed ik dus wel ─ ja zeg, maak het een beetje! ─ en het werd me niet bepaald in dank afgenomen.

Mijn ouders hebben een gentleman grootgebracht. Ik ben keurig en netjes opgevoed en dat kun je nog steeds aan me zien, al zijn mensen natuurlijk nooit zo goed als ze van zichzelf denken. Ik dus ook niet.

Een ruig stelletje

Een boer en een beer … het scheelt slechts één letter, maar ook niet meer dan dat. Van mij mag dat zelfs een ongelikte beer zijn.

Vooral in deze tijd van het jaar worden de wegen, en niet in het minst de landwegen, onveilig gemaakt door landbouwvoertuigen en vooral door tractoren met aanhangsels van diverse pluimage, zoals daar zijn verlekkerd blinkende ploegmessen, venijnig scherpe hooischudders, imposante mesttanks en meer van dat meedogenloos gerief.

Hebben de maniakken die dergelijke vehikels beteugelen er eigenlijk een idee van hoe angstaanjagend het voor een fietser of een wandelaar is om door zo’n gevaarte aan drieste snelheid ingehaald of gekruist te worden?

Veel van die boeren (beren) vinden het immers niet nodig om hun snelheid wat te matigen als ze een zwakke weggebruiker ontmoeten. Ze rijden je doodgemoedereerd de bermen in.

Ik heb al met de gedachte gespeeld om niet meer voor die gedrochten uit de weg te gaan en ze zodoende tot stoppen te dwingen. Vooralsnog waag ik dat echter niet. Die boerenpummels zijn in staat om je genadeloos van de sokken te rijden. Het heeft geen haar gescheeld of ik werd vanmorgen klakkelings van de sokken gereden.

Ik vertrouw ze niet, die kinkels.