Tag: natuur

In Vlaamse velden … 18

bloemenweide2

Met de Vlaamse feestdag hadden we er uitzonderlijk mooi weer bij. De zon scheen met noeste vlijt, warmte jubelde om me heen en de wind hield zich koest, dus klom ik op het rijwiel en trapte mezelf gezwind de wijde wereld in.

De natuur waar ik me doorheen peddelde ─ lommerrijke bossen, weiden als wiegende zeeën, akkers en velden ─ was een verzachtende omstandigheid. Ik voelde me echt in mijn fleur, om niet te zeggen godsgruwelijk gelukkig, en genoot met volledige inzet van mijn zintuigen.

Nu pleeg ik me tijdens het fietsen gewillig met nogal onzinnige dingen onledig te houden. Zo besloot ik om de vlinders te tellen die ik op mijn weg ontmoette. Tja, je hoort me niet beweren dat ik daar hartstikke druk mee was. Ik heb bijna zeventig kilometer gefietst en alles samen hebben drie vlinders mijn pad gekruist. Drie! Ordinaire koolwitjes bovendien.

Ik wil me, wat het klimaat betreft, allerminst als doemdenker opstellen, maar, hoe men het ook wendt of keert, we kunnen niet langer uitpoetsen dat er in de natuur stront aan de knikker is. Zo heb ik al jaren nergens een meikever aangetroffen. Op zwoele avonden ontbreekt ook het concerteren van krekels, terwijl ik het in de zomers van mijn jeugd soms danig op mijn teringtietjes kreeg door hun pokkenherrie. En hoe lang is het wel niet geleden dat ik nog een leeuwerik lierlauwend ten hemel zag stijgen, om vervolgens tierelierend in duikvlucht neer te storten?

Ik kwam vanmorgen ook in een dorp dat naar de naam Lichtervelde luistert en waar ik onderstaande drankgelegenheid aantrof.

boksneuze

Café De Boksneuze … Zoiets verzint een zinnig mens toch niet!

Dat ruimt lekker op

Jopididoe! Wat keken we blij gisterenmorgen. Mijn hart zong op van vreugde toen ik me gezapig, want fietsend, door het bedaarde West-Vlaamse landschap voortbewoog, want ze zijn er eindelijk aan begonnen, zij het op treuzelige wijze.

Ik heb het over het rooien, het oogsten, het hakselen … ja, hoe heet dat kortwieken van mais eigenlijk? Tijdens mijn fietstocht zag ik namelijk twee niets ontziende machines, die zich meedogenloos een weg door dat gewas baanden en de hoogbenige stengels neermaaiden als waren het lucifershoutjes. Opgekrast staat netjes, al kan men het stoppelveld dat achterblijft bezwaarlijk met een schoonheidsprijs bedenken.

Ik haat mais vanuit mijn tenen. Die beplanting belemmert in niet geringe mate mijn kijk op de wereld en op kruispunten is het een ronduit gevaarlijke uitzichtbelemmering.

Nu nog het suikerriet en het bamboe … en ik ben helemaal in mijn knollentuin.

maisoogst

Meeslepende geuren

Kennen jullie de aangename geur die opstijgt tijdens en na het maaien van een gazon? Vergissen jullie zich niet: het is namelijk een chemische noodkreet, waarmee het gras de naburige planten waarschuwt dat er een verwoestende aanval ophanden is.
Het is de geur van angst.

Kennen jullie de verkwikkende geur die kortstondig opstijgt tijdens een regenbui na hitte of lange droogte?
Die geur heeft een naam: petrichor.

Kennen jullie de wonderlijke geur die een bloem verspreidt als men haar vermorzelt?
Dat is vergevingsgezindheid.

Weten jullie wat Erasmus schreef in zijn Adagia? Hij deed dat op wijsneuzige wijze in het Latijn:
Suus cuique crepitus bene olet.
Ik vermoed dat sommigen van jullie geen Latijn begrijpen, dus vertaal ik het even:
Iedereen vindt zijn eigen winden prima ruiken.
Nu ja, iedereen? Ik in alle geval.

Schijndood

herfstboom

… begint de natuur noodgedwongen, zij het treuzelig aan de herfst.

Binnenkort zullen bomen en struiken slordig met hun blaren omspringen;
het zal wieroken in de bossen, die zich vermommen als gobelins vol bestorven kleuren en goud;
foulards van nevel zullen op weiden, akkers en velden spelevaren;
de wind zal jolige buitelingen maken en in zwierige rokken rond de huizen dansen;
uit de grond zal verderf walmen;
we zullen rozevingerige dageraden en schilderkunstige avondluchten te zien krijgen …

… maar zoals Karel van de Woestijne al schreef: Het is (en blijft) triestig dat het regent in den herfst.

Graag meer van dit

bloemenweide

Op een boogscheut van mijn woning ─ en ik hoef niet eens heel ver te schieten ─ trof ik bovenstaand glorieus plekje aan: een weide die met uitbundige boeketten van lachende bloemen pronkt. Ik was daardoor dusdanig verrukt dat ik in een versregel van Horatius uitbarstte:

Ille terrarum mihi praeter omnes
angulus ridet.*

Als de hemel er zo uitziet, zondig ik nooit meer.

*Dat hoekje grond lacht mij boven alle andere toe.