Tag: seizoenen

Hotdogs

De scheurkalender verklapt dat we er vandaag aan beginnen en dat we maar beter onze voorzorgen kunnen nemen. Ontwaar ik daar enig gefrons op jullie voorhoofden, omdat jullie het even niet kunnen bijsloffen? Wel, ik heb het over de hondsdagen, the dogdays, la canicule, die Hundstage, la canícula … Kijk an, meneer spreekt talen! En niet zo’n klein beetje!

De term dateert uit tamelijk lang vervlogen tijden, toen de bewoners van de lage en veelal tochtige contreien aan de rand van de Noordzee nog gespierd Nederlands praatten en het Engels ─ het gezwatel dat klinkt alsof je onder het spreken door een walvis staat te pijpen ─ onze elegante taal nog niet verziekte.

─”Begin je nu weer met je gemeier?!” hoor ik jullie foeteren. “Kom op met je kommetje! Vertel ons wat die hondsdagen zijn.”
Wel, om zeer tegen mijn gewoonte in een lang verhaal kort te maken, kan ik jullie mededelen dat de hondsdagen de periode tussen 19 juli en 18 augustus aanduiden, hetgeen eigenlijk het hoogtepunt van de zomer en dus de warmste tijd van het jaar hoort te zijn, maar bij ons meestal niet is, al hebben we, denk ik, qua temperaturen ondertussen al ruimschoots onze bekomst gekregen. Waarschijnlijk is ons wispelturige klimaat ook de reden waarom die toch wel fraaie benaming in onbruik is geraakt.

Willen jullie ook nog weten waar het woord vandaan komt? Ja, ik zal het kort maken. Sirius, de helderste ster van de hemel, verschijnt in deze periode tegelijk met de zon boven de kim. Sirius behoort tot het sterrenbeeld de Hond en laat zich daarom graag de Hondsster noemen. De naam hondsdagen … Ach, jullie hebben het ongetwijfeld al gesnapt, want jullie zijn niet dom.

Ik wens jullie gillend hete hondsdagen, a long hot summer und viel Vergnügen in the heat of the night.

Kijk an, meneer spreekt talen! En niet zo’n klein beetje.

Averullen

We schrijven mei en als ik onderweg ben, en dat ben ik vaak, durf ik nogal eens over te gaan tot het schudden aan beukengroeisels, zoals daar zijn hagen en boomtakken, in de hoop dat ik er eindelijk nog eens een meikever zal aan ontfutselen, want dat is, geloof ik, honderdduizend jaar geleden. Ik ben er nog steeds niet in geslaagd. Zijn die beestjes uitgestorven misschien?

De averulle van mijn titel is trouwens een dialectwoord voor meikever, dat slechts in een heel klein gebied tussen Kortrijk en Roeselare gangbaar is. Het is een samenvoeging van het West-Vlaamse aven (avond) en rullen (ronken). Aangezien meikevers enkel ’s avonds vliegen en daarbij een brommend geluid produceren is averulle (avondronker) best wel een aardig bedenksel. Blijkbaar vond Guido Gezelle, onze legendarische dichter en talengenie, dat ook, in een zeer door mij gesmaakt gedicht dat hij aan de kever wijdde, niettegenstaande de lullige, ietwat betuttelende zedenles van het slot.

De Averulle en de Blomme

Daer zat ‘nen keer een Averulle
En lekte met ‘nen zom,
Zom, zom,
Den dauw van op de bla
Die klaer bedreupeld waren
Lyk met ‘nen dreupel Rhom,
Rom rom.

Wanneer zy fraei gedronken had,
Zoo vloog ze schreef en krom,
Rom, rom,
Al neuzlen en half dronken,
Tot waer de kleêrkes blonken
Van eene schoone blom,
Lom, lom.

De blomme die ze kommen zag
En viel niet al te dom,
Dom, dom,
Maer riep zoo, loos van zinnen,
Hei! Kobbe, kom my spinnen
Een kobbenet rondom,
Om, om.

En Kobbe, die was seffens g’reed,
En steld’ heur pootjes krom,
Rom, rom;
Zy spon heur looze netten
Om haer daer in te zetten,
En zat daer stille en stom,
Tom, tom.

En als de Rulle kwam naby
Geflodderd krom en slom,
Lom, lom,
Zoo is ze in ‘t net gevlogen,
En deerlyk uitgezogen,
Of schoon zy jankte: zom
Zom zom!

De looze blomme loech er meê
Die looze booze blom,
Lom, lom,
Eilaes! zoo menig jonkher
Wordt – uitgezogen pronker,
Om eene schoone blom:
Dom! dom!

Guido Gezelle