Categorie: Handel en wandel

Prijs de hemelen voor keukenrollen!

Ik zal hooguit een halfuur als een zwaluw door de supermarkt gescheerd hebben, maar toch heeft iemand me daar aangestoken en met een loeder van een verkoudheid opgezadeld. Sindsdien heb ik namelijk niemand meer gezien of gesproken, dus moet het onheil zich in Colruyt voltrokken hebben.

Ik laboreer zodoende al twee weken aan een uitermate hinderlijke kwaal, die me weliswaar nogal klam omzwachtelt, maar geen door koorts of noemenswaardige pijn veroorzaakte knauw aan mijn lichaam geeft.

Ik word wel geplaagd door een zeer lastige hoest en een uitermate bedrijvige snotkoker, hetgeen gepaard gaat met een onvoorstelbare productie van kwalsters, rochels, snot en fluimen. Ik ben me ten zeerste bewust van de wansmakelijke draagkracht van mijn woorden, maar ik blijf kokeren, mijn longen verschonen en bovendien slibben mijn oren dicht.

Ik vraag me af hoe mijn nochtans bescheiden lichaam in staat is om dergelijke hoeveelheden smerige overtolligheden te blijven produceren. Internet leert me evenwel dat dit tot ongeveer een liter per dag kan oplopen en daar ben ik vermoedelijk niet ver vandaan.

Ondertussen probeer ik mijn ‘snotvollienge’ te bestrijden met bijvoorbeeld een in melk gekookt teentje knoflook, of het innemen en gebruiken van allerhande sprays en vloeistoffen, waaronder de in vroegere tijden alom geprezen ‘slekkesirope’ ─ slakkensiroop ─ waarvan naar verluidt echt slakkenslijm een onderdeel is. Bah, wat vies!

Het enige wat me in deze barre tijden soelaas biedt, zijn keukenrollen. Ik heb er in deze twee weken al een dozijn naar de vernieling geholpen. De hemel weze geprezen voor keukenrollen …

… en moge ik, in het slechtste geval, nog de moeite van het beademen waard zijn.

Culinaire aardigheidjes

Onlangs hebben enkele achterlijke dakhazen ─ ze denken bijvoorbeeld dat clitoris een Grieks eiland en fellatio een karakter van Shakespeare-is ─ het in jolig groepsverband bestaan om de garnaal ─ de crangon crangon ─ tot vis van het jaar te bombarderen, terwijl dat schepseltje niet eens een vis is, maar een schaaldier.

Hèhè, ik weet kennelijk nog steeds de weg in samengestelde zinnen.

Hun flater belet geenszins dat ik het monstertje absoluut niet versmaad en het zelfs een regelrecht lekkerbeetje vind. Garnalen eet men niet, die degusteert en savoureert men.

Toen mijn moeder nog leefde en ze zich als kokkin/traiteur nuttig maakte, begaven we ons regelmatig gedrieën ─ zij, vader en ik ─ naar een handelaar in het Nederlandse, net over de grens gelegen propperige stadje, Sluis ─ een samenscholing van koopziende winkels ─ waar we onder meer zo’n dertig kilogram grijze garnalen insloegen. Terug thuis waren we gezamenlijk uren bezig om die kleinodiën te ontbolsteren ─ pellen noemt men dat ─ waarna moeder die tot nader order zorgzaam in onze falanx diepvrieskisten onderbracht. Ik ben trouwens nog steeds buitengewoon handig in het ontkleden van garnalen, tot grote verbazing en afgunst van zij die me tijdens die bezigheid gadeslaan.

Garnalenkroketten (met gebakken peterselie), tomaat-garnaal (beter bekend als tomate-crevettes) en garnalencocktails … ze zijn onbedaarlijk lekker en zonder enige twijfel  mijn kostje. Ik stouw ze wat graag in mijn voerklep.

Als jongeman heb ik zonder overdrijven en zonder twijfel duizenden garnalencocktails samengesteld, want dat was een klusje ─ nu ja ─ dat moeder mij toevertrouwde, zelfs als ze een maaltijd voor pakweg honderd vijftig personen moest klaarstomen. Spaar me! Iedere coupe diende negentig gram garnalen te bevatten en ze stond erop dat ik dat nauwgezet afwoog, teneinde de afgunstige woordenwisselingen te vermijden, die zich soms bij het nuttigen van tomatensoep met balletjes voltrekken: jij hebt drie balletjes meer dan ik.

Mijn moeder zwoer ook bij cocktailsaus als garnering en begeleiding van het gerecht en ik sluit me daar volmondig bij aan: een garnalencocktail smeekt om whiskysaus en niets anders. Het verbaast me dan ook in niet geringe mate dat ik die in talloze eethuizen voorgezet krijg met een ordinaire mayonaise. Foei!

Laten we wel wezen: restaurants zijn niet meer wat ze geweest zijn. De koks een kokkinnen evenmin. Wat ze tegenwoordig samengooien en in mekaar te frotten, is vaak beneden alle kritiek en soms zelfs een onverhoedse aanval op de smaakpapillen.

Ik kook nog liever zelf!

Een carillon van ijsblokjes

Vandaag steek ik van wal met een parafrase van een kwinkslag van een in onze contreien overigens illustere onbekende, Sam Knott:
If I have not one at eleven, I must have eleven at one.
Als ik er om elf uur geen inneem (te weten een alcoholische drank), moet ik er om één uur elf innemen.

Iedere morgen – strijk-en-zet rond de klok van elf uur – krijg ik een kinderachtige smaak in de mond en vordert mijn lichaam iets pittigs in een tumbler, zeg maar een onbekrompen aperitief.

Ik hou van afwisseling, dus kan dat appetijtwekkertje een cuba libre zijn, een campari-soda, een gin-tonic of zelfs een mojito … afhankelijk van mijn humeur en van wat ik in huis heb, hetgeen evenwel zelden mijn keuze beïnvloedt of beperkt, als jullie begrijpen wat ik bedoel, want ik heb meestal de drankvoorraad van een klein café in huis.

Het gebruik van een krasse vloeistof zou naar verluid je hersens aantasten en je leven halveren, maar je ziet natuurlijk wel dubbel zoveel. Tja, als ik wat gedronken heb, weet ik nog steeds de weg in samengestelde zinnen en na zo’n slok ben ik zelfs helemaal herbouwd. Bovendien zou alcohol de nucleus accumbens stimuleren. Dat is het deel van het brein dat onder veel meer aantrekkelijkheid beoordeelt, waardoor men iemand leuker vindt als men wat gedronken heeft en dat is toch mooi meegenomen.

Men beweert dat Elizabeth II, de vroegere kween van over het Kanaal, zich iedere dag aan een gin-Dubonnet verlustigde en dat mens is zomaar eventjes 96 jaar geworden. Ook haar moeder, de moederkween, vergreep zich dagelijks aan datzelfde lustmakertje, tot ze er noodgedwongen mee ophield toen ze stierf, 101 jaar oud.

Helaas kan ik voorlopig nergens een essentieel ingrediënt van dat toverdrankje vinden. Gin à volonté in de winkels en supermarkten die ik frequenteer, maar Dubonnet … Ho maar! Edoch, ik blijf zoeken. Ik wil, moet en zal een eeuweling worden, of toch bijna.

dubonnet

Vanmorgen vloog ze nog

Vanmorgen, in de rand van de nacht, zag ik een duif ─ ik denk dat het een meisje was en zal de vogel verder in dit stukje als dusdanig beschouwen ─ op het tuinpad landen … nu ja, eerder neerstruikelen, want ze deed dat op zo’n onorthodoxe wijze dat ik meteen doorhad dat er iets niet pluis was. Ze leek compleet uitgeput en reageerde amper toen ik haar voorzichtig benaderde, om water en gebroken mais in haar buurt neer te poten.

Later, toen de klok naar enen en ik naar buiten kuierde, lag ze dood op het pad, overleden aan algehele slijtage.

Ik stond een wijle in beraad over wat ik met dat stoffelijk overschotje moest aanvangen. Zou ik het stiekem in het bos dumpen? Of gewoon in de vuilniszak kieperen? Aangezien dergelijke achteloosheid niet in mijn aard ligt, schoffelde ik het kadavertje onder in een verloren hoek van de tuin. Ik speelde zelfs even met de gedachte om het graf met een bloemperkje te tooien …

Ach, wat ben ik op sommige gebieden toch een regelrechte sul en alleszins als het dieren betreft. Wie hier regelmatig komt, zal weten tot wat voor onnozelheden dat allemaal kan leiden. Wie dat niet weet, raad ik aan om even deze link aan te klikken: Huisgenootje

Ik ben zo geschift als een pak zure melk en kan zo het gesticht in.

Tevreden strompel ik voort

Niettegenstaande mijn jongensachtig verzet tegen het klimmen der jaren ben ik op een punt gekomen, dat ik zonder enige twijfel meer verleden dan toekomst heb en maakt mijn verbeelding waarschijnlijk alles mooier dan het zich in werkelijkheid heeft voorgedaan.

Optimistische tongen beweren dat wie ouder wordt bewust ruimte maakt voor dingen die van wezenlijk belang zijn in het leven. Tja, ik weet niet of het in dialoog treden met mijn televisietoestel van wezenlijk belang is in mijn leven, maar ik betrap er me tegenwoordig vrijwel dagelijks op. Ik gooi voortdurend bevelen, verwijten, commentaren en opmerkingen naar het scherm. Zielig, dat is het en het heeft geen enkel nut.

ouderlingHet valt me ook op dat ik nog altijd even enthousiast in de keuken aan het fornuis culinaire aardigheidjes in mekaar frot, maar als ik die dan op tafel zet en aanschik, blijk ik plots geen honger meer te hebben. Al die moeite voor niks. Ik meen me te herinneren dat mijn moeder zich daar eveneens over beklaagde en het afdeed met de woorden: verouderen is een ramp die steeds weer toeslaat.

Nu ben ik niet echt geneigd om ouder worden als een ramp te beschouwen, wat niet belet dat ik af en toe tegen mijn leeftijd aanloop. In de loop der jaren heb ik er zo nu en dan een losse gedachte over neergepend. Lezen jullie even mee?

– Mijn leven wordt te kort om voorzichtig te zijn.
– Men wordt oud zodra men goede raad begint te geven in plaats van het slechte voorbeeld.
– Er zijn talloze dromen onvervuld gebleven.
– Ik krijg last van het geraffineerde egoïsme van de oude vrijgezel.
– Jeugdsentiment en nostalgie zijn de eerste ouderdomskwalen die zich in je nadagen aanbieden.
– Ik ben weliswaar gevorderd van leeftijd, maar nog steeds jong van geest.
– Ondertussen ben ik oud genoeg om me een aura van wijsheid te kunnen veroorloven.
– Toenemende weekhartigheid: een kwaaltje dat met de jaren komt.
– Ik ben ondertussen te oud om nog op een geloofwaardige manier aan het begin van iets groots en meeslepends te staan.
– Als je niet oppast, komt alles op den duur voor heimwee in aanmerking.
– Mijn leven is een aaneenrijging van indrukken, één lange overvloeier, gelardeerd met pittige anekdotes.
– Het is ondertussen veel te laat om nog enigszins geloofwaardig mijn levenswandel te betreuren.

Besluit:
Ik wil de leeftijd van de zeer sterken bereiken en toch nog goed bij mijn hoofd zijn.

Wat ben ik toch een kneusje

Ik pleeg heel nauwgezet en behoedzaam met het voedsel dat ik tot me neem om te springen, maar ik ben ook een beetje een komijnsplitser, dus liet ik me verleiden om broodjes te beleggen met gekookte ham, waarvan de houdbaarheidsdatum nog net niet verstreken was.

Ik had beter in mijn broek gescheten, zoals we dat in West-Vlaanderen zeggen. Tja, dat schijten liet niet op zich wachten, al gebeurde dat gelukkig niet in mijn broek. Vanwege spuitpoep was ik gigantisch aan de dunne en bracht ik bijna een hele nacht op de porseleinen pony door.

Telkens als ik, gedane zaken, het ledikant opzocht, diende ik me vrijwel onmiddellijk opnieuw naar het kleinste kamertje te reppen voor het uitermate onaangename vervolg van die racerij. Wel tien keer! Minstens! Mag het ook wat minder zijn?!

Voortaan beleg ik mijn broodjes met … eh … kaas. Jonge kaas. Naar mijn moeder beweerde, zou dat ‘stopachtig’ zijn.

In de wachtkamer van de dood

Ik kan mezelf niet langer voorliegen dat ik jong ben, maar ik heb alle redenen om optimistisch te zijn, want ik heb nog steeds polsslag.

Laten we wel wezen: mijn toekomst is geen lokkende verte meer en ouder worden is een ramp die steeds weer toeslaat: het wereldleed etst zich in je gelaat; je ligt vaker in de lappenmand; er sluipt jicht onder je leden; je ogen en oren laten het wat afweten; op je hoofd komen de kerkhofbloempjes tevoorschijn en begint de binnenband er goed door te komen …

Ik kan er allemaal mee leven, maar wat ik niet klakkeloos accepteer, is dat ouder worden nodig gepaard moet gaan met het verwerven van borstelige, om niet te zeggen krankzinnige wenkbrauwen en de onstuitbare aangroei van stugge haren in zowel neus als oren. Ik krijg er wat van!

Maar goed, we mogen van geluk spreken dat we in ons leven meestal niet weten hoeveel tijd we nog te verliezen hebben. Moge ik, in het slechtste geval, nog de moeite van het reanimeren waard zijn.

In stijgende lijn bergafwaarts

Ik krijg bijna nooit cadeautjes, zelfs niet met nieuwjaar of als ik jarig ben. Het is te treurig voor woorden en soms raak ik in grote droefenis. Daarom bestel ik zo nu en dan iets op internet, zodat ik me op de komst van een pakjesdrager kan verheugen en blij, ja zelfs geveinsd verrast reageer als hij of zij het presentje aanbiedt. Ochgottegot! Hoe zielig is dat?! Ja, een mens doet wat in zijn wanhoop.

De levering van zo’n pakje wordt steevast voorafgegaan door een aankondiging van de koeriersdienst in kwestie. Ze delen je per e-mail mee wanneer je hun bezorger mag verwachten: meestal is dat tussen 8 en 18.45 uur. Christene zielen! Je zal erop zit te wachten!

Meestal vermag ik dat popelen uit te zitten tot een uur of tien, maar dan komt er een eind aan mijn uit ijzig gletsjerwater opgerezen ascese. Dan moet ik opeens nodig naar de wc, of voel ik me plots geroepen om mijn tanden te poetsen, vaat te wassen, pannen met etenswaren op het fornuis te poten, of om wat letters op papier te gooien. Je zult het nooit anders zien: net als ik neergestreken ben op mijn porseleinen pony om de geit te verzetten of een bout uit te draaien, of als ik me schuimbekkend bij de wastafel in de badkamer ophoud, de handen vol heb met vuil keukengerei, of potten bewaak die op het vuur staan klaar te komen, of bezig ben mijn vulpen met inkt vol te zuigen … uitgerekend op zo’n moment weerklinkt de deurbel die de komst van mijn pakje aankondigt.

Dan slaak ik een putdiepe zucht van gespeelde verontwaardiging, omdat ik schijnbaar ten zeerste verongelijkt ben dat men bij me aanbelt op een ongelegen moment, terwijl ik wel wat anders te doen heb dan prutsdingen in ontvangst te nemen. Ik kom immers handen te kort en heb gewoon een natte rug.

Volgens mij doen ze het expres. Ik denk dat ze mij bespioneren.

Daar slaap je lekker op

Ik weet niet of ik het las of hoorde, maar ik liet me in alle geval wijsmaken dat het nuttigen van twee kiwi’s, voor men in de korf kroop, in niet geringe mate de kwaliteit van de slaap bevorderde.

Nu heb ik geenszins te klagen over mijn favoriete nachtelijke bezigheid, maar aangezien ongeveer alles voor verbetering vatbaar is, besloot ik me aan een experiment te wagen en de proef op de som te nemen: gisteravond verorberde ik twee van die exotische vruchten en ging toen naar Kaatje in de Wolstraat.

Het duurde niet lang of ik tuimelde in de armen van Morpheus en opende het grillige prentenboek van mijn dromen.

In de tot de nok gevulde Carnegie Hall in New York ontpopte ik me tot een heuse klavierleeuw en het was geen tangelen wat ik deed, want ik gaf zo maar eventjes een sublieme versie van het aartsmoeilijke derde pianoconcerto van Rachmaninov ten beste. Ik was net met een waarlijk briljante uitvoering van het cadenza bezig ─ er zit een ontspannen drafje in dat onderdeel en mijn vingers bewandelden de toetsen op virtuoze wijze ─ toen het deksel van de concertvleugel die ik bespeelde met een oorverdovende klap naar beneden kwam, waardoor ik ontwaakte. Ik noteerde snel wat ik beleefd had en droomde vervolgens nieuwsgierig verder.

Niettegenstaande mijn hoogtevrees en mijn nogal onstandvastig evenwicht beklom ik de hoogste alp van Oostenrijk, met name de Großglockner. Toen ik uitgeput de top bereikte, verwelkomde men me daar met een niet te onderschatten kanonschot, waar ik dusdanig van schrok dat ik van die berg kukelde en zodoende opnieuw brutaal uit mijn slaap gerukt werd, hoewel ik normaliter met geen kanon wakker te krijgen ben. Ik bleef vervolgens naarstig dromen.

Ik danste tap … eh … ik tapdanste à la Fred Astaire en oogstte daar ergens een laaiende, staande ovatie mee, waarna ik als toemaatje een Ierse stepdance ten beste gaf, waar Riverdance een punt kon aan zuigen. Helaas kreeg ik tijdens dat harkerig huppelen kramp in de kuiten en door die lancinerende pijnscheuten ging ik af als een gieter, want ze haalden me wederom uit mijn dommel.

Niet veel later daalde ik in adamskostuum af in een loeder van een bubbelbad, waarin zich reeds een half dozijn waarlijk bloedmooie huppelkutjes ophielden, die enkel een uitdagende glimlach droegen en er zeer beschikbaar uitzagen. Begeerte suisde door mijn bloed en ik liet gezwind een derde arm groeien, zodat …

… ja, zo kan ik nog wel even doorgaan, maar lang verhaal kort: het nuttigen van kiwi’s voor het slapengaan bezorgt je dromen waaraan geen werkelijkheid kan tippen, maar eveneens een schier rusteloze nacht. Voortaan eet ik een banaan voor ik me te ruste leg. Of twee.

De nationale (k)loterij

Gokken, kansspelen, tombola’s, loterijen en wat dies meer zij, zijn niet aan mij besteed. Er zit geen engeltje op mijn schouder en ik ben dus niet voor het geluk geboren, zodat ik nooit, of toch uiterst zelden, in de prijzen val.

Desalniettemin ben ik ooit een keer de speelzaal van een casino aan de Belgische kust binnengedwarreld, omdat een kennis van me daar als croupier optrad en ik hem graag eens aan het werk wilde zien. Hoe heet die bezigheid? Croupieren? Men kon me die avond door een ringetje halen. Ik zag er bijzonder patent uit, want ik had aan een galadiner deelgenomen, omgord met de smoking die mijn vader zaliger, in zijn hoedanigheid van maestro sastre ─ meester kleermaker ─ op vernuftige wijze voor me vervaardigd had en die me zelfs nu nog als aangegoten zit, hoewel ik vandaag de dag slechts zelden de gelegenheid krijgt om die aan te trekken, want ik word bijna nooit meer op galafestiviteiten uitgenodigd.

Aldus opgebaard sloeg ik enige tijd de intrigerende bezigheden aan een roulettetafel gade en toen voelde ik plots de James Bond  in me ontwaken, waardoor ik besloot om zelf ook een gokje te wagen.

Dat was leuk en het werd nog leuker toen ik enige tijd later een winst van zo maar eventjes meer dan € 1000 mocht incasseren. Jullie horen me niet beweren dat de hierboven vermelde croupier daar een handje in gehad heeft. Hij blijft het in alle geval ten stelligste ontkennen.

Ik ben sindsdien nooit meer in een casino geweest, hoewel ik door die eerste meevaller vaak de verleiding voelde opwellen om het nog een keer te proberen. Ik mag me gelukkig prijzen dat ik een geheel uit voortreffelijkheid opgetrokken persoon ben en merg in de knoken heb, al zijn we natuurlijk nooit zo goed als we zelf denken.

Toen kwam dat boosaardig virus zich met ons leven bemoeien. Het ondingetje beperkte danig mijn bewegingsvrijheid, waardoor ik af en toe ten prooi viel aan virulente verveling. Als tijdpassering nam ik een keer of zeven deel aan Euro Millions, waarmee ik, of iemand anders, zo maar eventjes meer dan € 100.000.000 kon winnen. Honderd miljoen! Krijg dat op je dak en op je bankrekening. Ik verkwanselde in zeven beurten € 179 aan dat spel en mocht slechts € 22,60 aan winst opstrijken. In arren moede schakelde ik over op de ‘gewone’ lotto, verkwistte daar in vijf beurten € 104 aan en kon € 39,60 binnenrijven. Samengevat heb ik dus in totaal € 283 ingezet en slechts € 62,20 gerecupereerd. Dat betekent een verlies van € 220,80. Ik had beter in mijn broek gescheten.

Ik heb derhalve een kloek besluit genomen, want ik ben daar goed in: ik stop met die ongein, voor het een gewoonte of een verslaving wordt. Tel uit mijn winst!

Wat zal ik nu eens gaan doen om wat tijd te vermorsen en de verveling te verdrijven? Met mijn tenen spelen? De luiaardsboog spannen? Kringetjes spugen? Of epibreren ─ even aanklikken voor tekst en uitleg ─ zoals Simon Carmiggelt?

loterij