Tag: gezondheid

Afknijptijdjes

Vrijwel alle kinderen zijn gek op reclamespots. De meeste volwassenen hebben er een hekel aan. Bejaarden genieten er dan weer van, vooral als er zich wat nevelslierten over hun hersens draperen en de herfst in hun hoofd een aanvang neemt.

Over het hoe en waarom van deze merkwaardige overgangen van leuk naar saai en vice versa moet ik jullie het antwoord schuldig blijven. Er bestaan ongetwijfeld mensen die zich in deze materie verdiept hebben en dit verschijnsel van pasklare tekst en uitleg kunnen voorzien. Voor mij niet gelaten.

Zelf houd ik niet van reclameboodschappen. Akkoord, af en toe zit er wel een leuk filmpje bij, waarmee men een glimlach op mijn gelaat vermag te toveren, maar meestal is het huilen met de pet op.

Veel van die spots zijn op schabouwelijke wijze nagesynchroniseerd. Je ziet monden praten en lippen bewegen, maar wat je hoort, stemt geenszins overeen met wat ze zeggen. Aanvankelijk vond ik dat koddig. Daarna begon het me te ontstemmen. Tegenwoordig vervult het mij met een tegen razernij aanleunende wrevel. Dan veer ik als door een wesp gestoken uit mijn fauteuil omhoog en roep dat ik nooit ofte nimmer een product of een artikel zal kopen, dat men op zo’n schutterige manier aanprijst.

Het onderbreken van films en andere programma’s voor reclamespots is meestal een bron van ergernis, al is het eigenlijk best wel handig als ze niet overdrijven. Zo krijg je immers de kans om wat mondvoorraad of lafenis bij te slepen, zonder dat je bij je terugkeer voor het scherm moet constateren dat je een belangrijke passage gemist hebt, waardoor je de draad bent kwijtgeraakt. Bovendien biedt het uitkomst voor vrouwen die met een kleine blaas bedacht zijn, of voor mannen die met de prostaat sukkelen, of voor mensen die last van buikgriep hebben, al kunnen zij die over een digicorder beschikken dergelijke hiaten tegenwoordig ook met behulp van dat toestel opvullen.

Laten jullie zich in jullie aankopen door reclameboodschappen beïnvloeden? Ik niet hoor! Als ik voor de afwas Dreft gebruik, als mijn porseleinen pony zich door een hygiënische steen van Harpic laat opfleuren, als de bananen in mijn fruitschaal het keurmerk Chiquita voeren, als mijn wasmachine wasgel van Dixan verkiest …

… dan is dat allemaal louter toevallig.

Dit gezegd zijnde, beleef ik tegenwoordig buitengewoon veel plezier aan een reclamespot van de Zwitserse keelpastilles: Ricola.

We zien een man die op lustige wijze doorheen een landschap vol geografische ongemakken ─ te weten een magnifieke bergwereld ─ banjert en ondertussen lucht geeft aan zijn met weidse gebaren gepaard gaand enthousiasme via een verbale musette: blablablabla. In zijn kielzog dobbert een vrouw ─ waarschijnlijk zijn echtgenote ─ die zich, afgaand op haar gelaatsuitdrukking, hoegenaamd niet in haar sas voelt. Ze probeert zich enigszins op te monteren door het innemen van een Ricola-pastille, hetgeen opgemerkt wordt door de bazige man die haar voorafgaat.
“Bonbon?” vraagt hij schokschouderend, waarna hij gesticulerend zijn weg vervolgt, maar zijn blablabla door bonbonbon vervangt.

Prachtig in al zijn eenvoud. Ik kan er niets aan doen, maar telkens als ik dit tafereel aanschouw, lig ik in een deuk. Ricola krijgt derhalve een tien met een griffel van me.

Een gemeen hapje

Mijn mond lust graag verse ananas. Helaas is dat niet zo’n fortuinlijke voorkeur, want deze exoot laat zich niet bepaald gemakkelijk soldaat maken.

In de allereerste plaats valt het moeilijk te bepalen wanneer de vrucht in staat van rijpheid verkeert. Internet biedt daaromtrent diverse hulpmiddeltjes aan, maar ik heb ondervonden dat die lang niet altijd betrouwbaar zijn. Bovendien is het ontkleden, of beter gezegd het ontbolsteren van dit tropisch fruit allerminst een sinecure. De koks en kokessen van de televisie, zoals bijvoorbeeld Jeroen Meus, hebben daar kennelijk weinig moeite mee, maar ik beschik hoegenaamd niet over de handigheid die zij tentoonspreiden.

Om deze reden heb ik me onlangs een apparaat aangeschaft, dat naar de naam ananassnijder luistert en over ingenieuze eigenschappen zou beschikken. Het is een soortement boor, waarmee je in één min of meer vloeiende draaibeweging zowel het ananasomhulsel verwijdert, als de vrucht in een spiraalvormige schijf snijdt en van de kern, het klokhuis als het ware, ontdoet. Je houdt het niet voor mogelijk! Je moet het maar verzinnen.

Er is echter een niet te onderschatten nadeel aan dat toestel. Het klokhuis in kwestie blijft namelijk in de boorcilinder steken en dien je dus manueel te verwijderen. Dat blijkt een gevaarlijk karwei te zijn, want voor je het weet, schiet die prop onverhoeds los en kunnen je vingers met een smak op een snijdend gedeelte terechtkomen, wat meestal niet zonder gevolgen blijft. Dat overkwam me ondertussen al een paar keer, want ik ben zoals ik zei een uitermate onhandig mens, tot ik besloot om het verraderlijke klokhuis met de steel van een houten lepel uit te stoten.

Gisteren lette ik even niet op, want ik ben naast onhandig ook buitengewoon verstrooid, en toen de vruchtkern bezweek onder de druk van de lepelsteel en als een raket uit die cilinder schoot, belandde mijn duim met doodsverachting op het getande mes …

Je hoort me niet beweren dat ik bloedde als een rund, maar toch zeker als een kalfje. Ik herstelde enigszins de schade, maar toen bleek de Touch ID van mijn iPad niet meer te gehoorzamen aan de afdruk van die gehavende vinger.

Blijkbaar ben ik naast onhandig en verstrooid ook niet bepaald snugger, want het heeft even geduurd voor ik ontdekte dat ik op mijn iPad ook een tweede afdruk kon instellen. Nu zit ik me af te vragen welke vinger bij mij het minst kans loopt op beschadiging, want zoals ik zei, ben ik een uitermate onhandig, verstrooid en dom persoon.

Buikspreken

Als ik krachtig in de weer ben met iets, of ook nog als ik gewoon geen zin heb in melodieus gekokkerel, durf ik weleens mijn toevlucht te nemen tot een snelle hap van brood met witte bonen in tomatensaus. Je gooit die in een pannetje, zet ze gedurende een paar oogwenken op het vuur of in de microgolfoven en … binnen de kortste keren staan ze in je maag en kun je er weer even tegen.

Het grote nadeel van dergelijke bonenprut is — ik vertel jullie waarschijnlijk geen nieuws — dat die aanleiding geeft tot buitengewoon veel achterklap. Gotsammekrakkepitte! Wat krijg je daar een gigantische broekhoest van! Dat is op zich natuurlijk geen probleem … als je alleen bent. Effe lekker knallen, onbeheerst winden uit je kont kegelen, het op een klaterend scheten laten zetten … ik mag het graag doen en ik kan het jullie van harte aanbevelen … als niemand zich in je directe omgeving ophoudt.

In het andere geval, wanneer je in gezelschap vertoeft, zou ik het ten stelligste afraden, want het wordt uiterst zelden gewaardeerd en jullie zullen er zich vermoedelijk niet sympathiek mee maken, behalve dan misschien tijdens een vergadering van een petomanenclub, maar die zijn dun gezaaid.

Wie zich binnen de gehoorsafstand van anderen bevindt — de reukafstand laat ik hier even in het midden, want ik wil het voegzaam houden — dient zich tot kousenlopers en sluipveesten te beperken. We zijn allemaal in staat tot het laten van enkele delicate scheetjes, maar als je bezig bent witte bonen in tomatensaus te verteren, zijn dat er tientallen, indien al niet honderden … en dan zit het er dik in dat er een aantal mislukken, door toch op luidruchtige wijze het luchtruim te kiezen.

Nadat ik eergisteren een logeergast afgehaald had en van de luchthaven, Schiphol, huiswaarts keerde, bleven de winden zich in mijn darmen opstapelen. Ik kon die onmogelijk laten ontsnappen, zelfs niet op discrete wijze, want in de beslotenheid van een auto vermag je geen geuren te verdoezelen. Het duurde dan ook niet lang of mijn ingewanden begonnen te protesteren met een stemmetje dat in een tekenfilm bij een grieperig knaagdiertje van onbestemd ras zou horen. Het gekreun zwol aan en klonk weldra alsof er zich in mijn buik een heuse pornofilm afspeelde. Het was mijn Argentijnse passagier en tijdelijke huisgenoot die deze vergelijking maakte, want zelf heb ik natuurlijk nog nooit zo’n film gezien.

We hielden halt bij een wegrestaurant. Ik verwijderde me even, trok me in een toilet terug en gaf ‘m van jetje, in de veronderstelling dat ik daar alleen was.
─”Het is niet waar, hè!” riep de man die zich kennelijk onopgemerkt in het hokje naast me ophield. “Is er oorlog in ’t spel?

Daar kun je mee lachen

Ik heb een vriendin, Ingrid, die met een buitengewoon vlotte babbel gesierd is. Bovendien heeft ze altijd wel een grapje klaarzitten. Als je in haar gezelschap vertoeft, vliegen de kwinkslagen je klitsklats om de oren en deelt ze woordspelingen uit als waren het strooibiljetten.

We waren samen in Colruyt. De kassabediende die ons aan de kassa bediende ─ hoe verzin ik het? ─ leek me een nogal afgesloten type. Er kwam immers geen woord over zijn lippen, laat staan dat hij een glimlachje in stelling bracht.
“Die heeft vannacht niet gemogen”, fluisterde Ingrid me toe.
Iets later vertrok ze met de winkelwaar naar de auto op de parkeerplaats, terwijl ik achterbleef om die te betalen. De kassier leek plots te ontdooien. Opeens had hij wel een aardige manier van doen. Dat vertelde ik aan mijn vriendin toen ik me bij haar voegde.
“’t Zal een homo zijn”, luidde haar commentaar.

Kort daarna bevonden we ons in een apotheek, waar Ingrid onder meer een tube triAnal bestelde: een zalf die personen met aanleg voor aambeien graag in de groeve tussen hun kadetjes aanbrengen.
─”Er bestaan aangenamere producten”, zei het vrouwmens dat daar op dat moment de dienst uitmaakte.
Aangezien dat gebeurde ten aanhoren van allen daar aanwezig vond ik dat een hogelijk ongepaste opmerking.
─”Ik vind de smaak ervan nochtans heel lekker”, repliceerde Ingrid laconiek.
Ik lag in een deuk. Het scheelde niet veel of men moest me reanimeren. Je had dat vrouwmens moeten zien kijken. Alsof ze snot zag branden.

Terwijl ze toch bezig was, diste Ingrid me vervolgens nog een vermakelijke anekdote op. Toen ze op een keer zeer tegen haar zin in een ziekenhuisbed vertoefde, had haar kamergenote een zetpil aangereikt gekregen. Pas toen zij er zich over beklaagde dat het ding wel heel vies smaakte en bovendien hardnekkig aan haar verhemelte bleef kleven, bleek dat ze het tuigje in de verkeerde lichaamsopening ondergebracht had.

Ingrid was toen bijna uit haar bed gerold van het lachen.

Uitstapje

Op de parkeerplaats van het ziekenhuis kachelde een brekelijk oud vrouwtje naar me toe. Ze maakte een beetje een rafelige indruk en zag er wat versjofeld uit. Er stonden generaties wereldleed in haar gelaat geëtst en haar kapsel leek omgescharreld door opgewonden vogeltjes. Haar lichaamstaal drukte een gesmoord hulpgeroep uit. Of ik haar alsjeblieft naar huis kon brengen?
“Waar is dat dan?” vroeg ik.
Ze reciteerde het adres met de zangerige modulatie waarmee kinderen de tafels van vermenigvuldiging afdreunen.

Het zou slechts een kleine omweg van me vergen. Bovendien heb ik wat met wie zich in zijn nadagen bevindt. Ik laat ze nooit aan hun lot over en heb er alle begrip voor dat ze zich wat verloren voelen in deze computergestuurde tijden. Ik opende hoffelijk het portier van mijn auto en liet haar plaatsnemen. Toen herinnerde ik me opeens een voorval …

… op een warme zomerdag bracht mijn vader een bejaarde man naar huis, die vlak voor onze deur een soort appelflauwte gekregen had. Ze waren koud de straat uit toen de passagier een langgerekte zucht slaakte … en daarna niets meer, want hij zat dood naast mijn pa. Dat is op zich al geen aangename gebeurtenis, maar wat volgde was nog minder prettig. Men catalogiseerde het overlijden als zijnde verdacht en mijn vader onderging een verhoor. Had hij dat mannetje al dan niet om het leven gebracht?

Het vervoeren van onbekenden bergt dus een risico in zich en dat risico vergroot recht evenredig met het aantal levensjaren dat de onbekende achter de rug heeft. Niettemin bracht ik het vrouwtje naar het adres dat ze opgegeven had … en daar bleek niemand haar te kennen of ooit gezien te hebben. Dan sta je toch even paf, hoor. Ik probeerde haar meer informatie te ontfutselen, maar ze begon opeens te raaskallen, zodat ik me noodgedwongen tot de politie moest wenden. Daar was men al op de hoogte van haar verdwijning. De dolende ziel was ontsnapt uit het ziekenhuis waar ze me om een lift gevraagd had.

Ik had het nochtans kunnen weten of toch zeker vermoeden. Mijn grootmoeder liet zich ook niet africhten of aanlijnen en slaagde er telkens weer in uit het verpleeghuis weg te lopen. Dat is haar op een keer fataal geworden, want ze stak een straat over en kwam onder een auto terecht.

Er rest me dan ook niets meer dan het uitspreken van de weinig historische woorden: “Zo, dat hebben we ook weer gehad.”
Wie weet wat het leven voor ons nog allemaal in petto heeft?

Is driemaal scheepsrecht?

Jaren geleden maakte mijn toenmalige huisarts aan een koord bungelend een einde aan zijn leven.

Onlangs haalde mijn huidige lijfarts het in zijn hoofd, om vooralsnog om onnaspeurbare redenen onder een trein te springen, om zodoende schielijk het tijdelijke met het eeuwige te verwisselen en al zijn patiënten aan hun lot over te laten.

Men beweert dat driemaal scheepsrecht is.

Het zal toch niet aan mij liggen zeker?

Ik weet het niet hoor, maar kun je er als arts op geen minder spectaculaire, confronterende wijze de brui aan geven? Ik denk aan een spuitje of zo.

Aan de pil

Het kon haast niet anders: het zou ooit gebeuren. Ik heb niets ondernomen om te verhinderen dat het zou gebeuren. Nu het gebeurd is, ben ik hogelijk verwonderd dat het kon gebeuren.
─”Waar heb je ’t in vredesnaam over?” hoor ik jullie ietwat geërgerd vragen.

Geduld, beste lezer, is een benijdenswaardige deugd en de moeder van … eh … Allez vooruit! Geduld is de moeder van … de porseleinkast? Neen, dat is voorzichtigheid. En ledigheid is des duivels oorkussen. Is geduld eigenlijk de moeder van iets? Ik begin eraan te twijfelen. Mijn hersens lummelen nog in pyjama rond. Hoewel … Ik draag nooit pyjama’s. Geduld is … eh … Da’k het niet weet! Ik zal mijn doel op een andere manier proberen te bereiken en William Shakespeare onder het stof vandaan halen door hem te citeren: “How poor are they that have no patience”.

Om gezondheidsredenen dien ik iedere middag een geneesmiddel in te nemen. Het pilletje dat ik moet slikken is minuscuul, allicht omdat het kleinood geen ernstige kwaal of een levensbedreigende ziekte hoeft te bestrijden, maar er enkel voor zorgen dat mijn … eh … mijn reutemeteut op peil blijft. Vraag me vooral niet wat. Ik ben geen dokter en ik beheers de door de volgelingen van Hippocrates gebruikte nomenclatuur niet. In mijn hoedanigheid van ordelijk mens bewaar ik al mijn medicijnen ─ potjes, flesjes, doosjes, tubes ─ in de badkamer, meer bepaald in een meubeltje dat ik om voor de hand liggende redenen mijn medicijnkast noem, of een zeldzame keer ook mijn farmacotheek, als ik op iemand indruk wil maken.

Iedere middag keutel ik naar de badkamer, teneinde daar mijn pilletje te verorberen en mijn gezondheid te plezieren. Meestal verkeer ik op dat uur in hogere sferen en loop ik te suffen. Mijn verbeelding heeft dan al vleugelen aangeschoten en het kost mij moeite om mijn gedachten bij elkaar te harken, hetgeen grote verstrooidheid veroorzaakt: een gesteldheid waar ik heel vaak last van heb.

megecatHet kon haast niet anders of het zou ooit gebeuren en gisteren is het gebeurd: ik heb een verkeerd pilletje geslikt. Ik merkte het pas toen het vervloekte ding al in mijn maag dobberde. Ik blikte naar de blisterverpakking in mijn hand en las: Megecat. Ik stond te kijken alsof ik opeens ontdekte dat ik over een vagina beschikte. Megecat! Dat is het middel waarmee ik zwangerschappen bij mijn ondertussen ter ziele gegaande huisgenoten probeerde te voorkomen. Het is de pil voor poezen.

Dat kon niet goed zijn voor mijn algemene welbevinden, dus belde ik mijn lijfarts.
─”Zal het wonder der opstanding des vlezes zich nog aan me voltrekken?” vroeg ik met een huiver in mijn stem. 
Hij kent me ondertussen al een hele tijd en weet dat ik me nogal plastisch pleeg uit te drukken.
─”Ik denk niet dat het je zal beletten om je beste beentje voor te zetten,” diende hij me van antwoord, “maar misschien kun je voortaan toch wat beter opletten.”

Daar kan je vergif op nemen!