Tag: ooggetuige

De dodensprong

De aflevering van CSI (Crime Scene Investigation) begon op nogal macabere wijze. Op een kerkhof zeulden kloeke mannen een doodkist richting graf, toen de bodem van dat ding het plots met veel gekraak begaf en niet één, maar twee lijken op de grond tuimelden. Dat wil een mens toch niet meemaken! En toch heb ik in een onzalig vroeger iets gelijkaardigs beleefd en daar wil ik jullie graag kond van doen. Ga vooral even zitten, want dit is niet mis. Gevoelige zielen kunnen nu misschien beter even het hoofd afwenden, of gewoon doorklikken naar een van mijn leukere schrijfsels.

Toen ik het flatgebouw betrad, kon ik niet meteen naar boven, naar de woonst waar vrienden van me huisden. Een van de bewoners — wellicht oud en der dagen zat — was aan algehele slijtage overleden en men probeerde hem net naar het dorp van de eeuwige vakantie te kruien. Dat ging niet van een leien dakje.

Wie zich met een doodkist in een trappenhuis waagt, vraagt immers om problemen. De begrafenisondernemer en zijn assistenten zagen er ook niet bepaald potige kerels uit. Maar goed … na wat gepruimel raakten ze voorbij de overloop en daalden ze niet zonder plechtstatigheid af. Je mag van ze zeggen wat je wil, maar lijkbezorgers hebben gevoel voor pathetiek. Ik stond beneden in de hal en boog ingetogen het hoofd, mediterend over de vergankelijkheid van het leven. Een rechtgeaarde vloek — godverdomme! — haalde me brutaal uit mijn vrome overpeinzingen. Ik keek omhoog.

Wat zich toen voor mijn ogen voltrok, overtrof mijn stoutste fantasie en mijn verbeelding durft nochtans vleugelen aan te schieten als ik in vorm ben. Een van de dragers had vermoedelijk een letterlijke misstap begaan en maakte aanstalten om neer te storten. Wat doet een normaal mens in zo’n geval? Men laat de last los, teneinde armenzwaaiend het evenwicht te bewaren. Hij dus ook. Zijn collega’s, verrast door de plotse gewichtstoename, begonnen eveneens te wankelen. En zie … de kist maakte eerst een onzachte landing op de arduinen treden en dokkerde vervolgens met sneltreinvaart naar beneden. Er was geen houden meer aan. Met een doodsmak botste ze op de vloer en kantelde. Van de weeromstuit knalde het deksel open en … het dode heertje schoot als een duivel uit een doosje tevoorschijn en gleed in zijn zondagse pak naar me toe. Ik gilde als een konijn in de beet van een wezel en deinsde naar ik weet niet waar.
─”Zijn jullie nu helemaal van god los!?” riep ik verontwaardigd. ‘Gaan we d’r een beetje mee gooien, ja?’
Het opperhoofd der lijkdragers keek me aan, haalde de schouders op en sprak onbewogen:
─”Hij is dood, dus kan hij het hebben.”

Terwijl ik de trap oprende, bracht mijn hart een ode aan de mensen die gestorven zijn en te weinig applaus kregen. Het heertje had in zijn leven vermoedelijk niets opzienbarends verricht, maar … hij vertrok niet zonder slag of stoot. Alle worstjes op een stokje!

Van liefde verstoken

Ik kom bijna dagelijks voorbij een woning, waarin naar verluidt een vrijgezel huist. Hoewel ik de man niet persoonlijk ken, heb ik al veel over hem vernomen, want hij duikt regelmatig op in de gesprekken die men in de lokale neringen voert. Zo gaat dat immers in een dorpje dat nog net niet dood is en waar zelden wereldschokkende dingen gebeuren.

Op een keer, toen ik bij de groenteboer mijn beurt afwachtte, waren twee klapeksters onomwonden bezig zijn doodzonden van de bomen te schudden. Volgens hun zeggen leek zijn huis op een ommuurde vuilnisbelt en was hij dom, en achterbaks, en brutaal, en … Plots mengde de man die voor me stond zich in het onderhunsje. Hij zei op geërgerde toon:
─”Zijn jullie zeker dat jullie niets vergeten? Een alcoholprobleem of zo?”
Het was een nogal drieste en niet geheel ongevaarlijke aanpak, maar hij snoerde ze er wel de mond mee en oogstte mijn stille bewondering voor zijn dapperheid.

Aan het huis kan je eigenlijk niet zien dat een vrijgezel er hoofdkwartier houdt. Nu ja, de ruiten zijn nogal smoezelig en de berookte vitrage heeft niet de juiste afmetingen, maar daar kan men geen conclusies aan vergooien. Onlangs prijkte er zelfs een appetijtelijke fruitmand op de vensterbank.
─”Zie je wel dat het zo’n vaart niet loopt!”, dacht ik bij mezelf. “Een vrijgezel die gezonde vruchten in huis haalt, heeft besloten om te zwemmen en niet gewoon met het leven mee te drijven.”

Inmiddels zijn we drie weken later en de fruitmand staat nog steeds onaangeroerd op die vensterbank, al biedt de inhoud ervan niet meer zo’n fraaie aanblik. De bananen zijn vrijwel helemaal vergaan en ook bij de andere vruchten is de aftakeling duidelijk zichtbaar. Volgens mij kan het daarbinnen toch niet bijzonder fris ruiken, maar ieder zijn meug natuurlijk. Ik heb me daar niet mee te bemoeien.

Hij zal daar toch niet dood liggen, wel?

Uitbundig kijkspel

Er kan geen twijfel over bestaan: de zomer is nakend. We hebben er mooi weer bij en vanwege de weldadige temperaturen duiken de mensen in kleren waarin ze zich comfortabel voelen. Bij vrouwen zijn dat vaak luchtige, tot de verbeelding sprekende niemendalletjes: tietse truitjes, of onstuimig gebloemde jurken, die we in Vlaanderen koppig bain de soleils blijven noemen, spreiden decolletés tentoon waarin men makkelijk kopje-onder kan gaan. Of zij ook oog hebben voor de sloddervossige boelewaaihemden en de op de groei gekochte shorts waarmee de herenafdeling zich tooit, indien al niet voor schandaal loopt, laat ik hier in het midden, maar ik heb er weinig fiducie in.

Die verregaande staat van ontkleding en het uitstallen van fijne vleeswaren geven natuurlijk aanleiding tot onderbuikgevoelens, die men vooral in cafés en kroegen onder woorden brengt. Ons kent ons, mannen onder elkaar en ouwe-jongens-krentenbrood! Ik heb gisteren wat van mijn tijd in zo’n drenkplaats verkwanseld.

Aan de kist zat een zeer verzopen kerel, die het drinken afwisselde met het observeren van de straat.
─”Stoot gesignaleerd!” riep hij als er daar een bezienswaardigheid opdook.
Dan draaiden alle koppen in de richting die hij uitkeek, waarna men commentaar leverde op de stoot in kwestie.

Het viel mij op dat het Engels danig in opmars is. Jongelui hebben het niet meer over barokke boezems, prachtige prammen of lekkere tieten, maar over een happy canyon, love pillows en sweet sisters. Mannen die al iets langer meegaan, hebben meer belangstelling voor de lagere regionen en hetgeen ze constateren, beschrijven ze niet bepaald op subtiele wijze. Een van de vrouwelijke passanten had immers ‘ferme stampers onder haar zeikbak’ en van een hoogbenige dame vonden ze dat “haar ekster heel hoog nestelde”.

Er bevond zich slechts één oudere man in het café. Die beklaagde er zich over dat de korte broek ─ nu ja, wat heet kort? ─ die hij droeg best wel tochtig was. Hij kreeg te horen dat je makkelijk een stijve nek of een stijve schouder kunt krijgen als je op de tocht zit. Misschien dat hij dankzij die tochtige broek …

Ja, kroegen … Net als de betreurde Simon Carmiggelt mag ik er bijzonder graag komen. Je hoort en je ziet er nog eens wat.

Accident de parcours

Ze waren beiden heel erg oud, dat zag je er zo aan af. Hij zat in een rolstoel en zij duwde die voort met de moeite die eigen is aan de ouderdom. Het leven had veel leed in haar gelaat geëtst, maar desalniettemin bleef ze kranig glimlachen en glunderde ze haar leeftijd weg. Hij daarentegen had het gezicht van een buldog die op een wesp kauwde.

Ze duwde hem het restaurant binnen, maar maakte een kleine stuurfout, zodat ze even tegen de deurstijl aanbotste.
“Kijk toch uit, stom kalf!” snauwde hij schompermuilend. “Jouw geklungel is nooit overtroffen.”

Een kelner schoot toe om te helpen en ik keek haar meewarig aan toen ze mij passeerde. Ze schokschouderde even, schudde het hoofd en glimlachte, maar het was een beetje een treurige glimlach. Hij sudderde nog na en mompelde binnensmonds allerhande verwijten aan haar adres.

Mijn verbeelding schoot gelijk vleugelen aan en mijn hersens verzonnen snel een scenario om haar van die bullebak te verlossen. Ik liet ze derhalve met voorbedachten rade een reis maken, meer bepaald naar Bretagne, aan de rand waarvan zich hoge kliffen verheffen. Terwijl ze daar zogezegd het natuurschoon bewondert, geeft ze die rolstoel stiekem een zetje, zodat die gang krijgt en er dan op niet te stuiten wijze de sokken in zet, om vervolgens plompverloren van zo’n klif te kukelen, waardoor de inzittende schielijk het tijdelijke met het eeuwige verwisselt, waarop de dame in kwestie een triomfantelijke glimlach inslikt, een zucht van verlichting slaakt en – een geboren tragédienne – een klaagzang aanheft:
“O, mijn teergeliefde echtgenoot is het hoekje omgegaan, vermoedelijk om zeep.”
Neergedaald ter helle zal ze ongetwijfeld bedoelen.

Ja ik zie het allemaal zo voor me gebeuren. Ik denk dat ik er een verhaal aan zal wijden, of misschien zit er zelfs een film in.

Zwerfvuil

Lusteloos stuur ik mijn auto door de heldere nacht. Een koele maan vertoont zich op haar volst en hangt als een meloen tussen hemel en aarde. Sterren glunderen. Ze zijn met belachelijk veel. Het strakke licht van de koplampen kruipt voor me uit over het kaduke asfalt van een smal weggetje. In talloze bochten kronkelt het zich doorheen een bedaard landschap.

Ik ben van koers geraakt … en geen klein beetje. Een op zijn janboerenfluitjes aangeduide omleiding heeft me op een dwaalspoor gebracht. Trefzekere bewegwijzering was nimmer het fort van Vlaamse wegenbouwers. Ik voel me een kat in een vreemd pakhuis, want ook de GPS-apparatuur springt telkens op tilt en raaskalt. De alles en iedereen in goede banen leidende satellieten laten mij klakkeloos in de steek. Aan de horizon zwaait een vuurtoren zijn signaal door de kwaadaardig gekleurde gloed van een aurora metropolis, alsof hij op wervende wijze naar me wenkt. Ik herken het karakter als dat van Lange Nelle in Oostende en probeer op haar invitatie in te gaan, want in haar buurt moet ik wezen. Ondertussen mompel ik bedenkingen tegen het verkwanselen van sloten poen aan vermeend onontbeerlijke gadgets, zoals navigatiesystemen. Geld over de balk! Wanneer het eropaan komt, dienen dolende ridders in arren moede een beroep te doen op door vroede voorvaderen gebouwde bakens, die ons onverstoorbaar en gratis behulpzaam zijn.

Lange weg maakt moede man. Slaap plooit branderige randen aan mijn oogleden. Ik zit al uren tussen de wielen en voel me door dorst beschadigd. Mijn keel is dor en mijn mond smaakt naar een paardenreet. Ik geeuw met de onwelvoeglijkheid van een nijlpaard, hoest me door mijn zoveelste sigaret, verleen een forse ruft de langverbeide vrijheid en snuif nieuwsgierig het belegen aroma ervan op. Uien allicht, met vermoedelijk een vleugje keizersalade. Hoe stinkt een gezond en verstandig mens het bij mekaar? Merkwaardig toch, dat men zelf gekweekte odeurtjes enigermate apprecieert, maar volstrekt verafschuwt wat een ander aan lichaamsgeuren bekokstooft. Weinig mensen weten dit, maar het graag ruiken van de eigen broekhoest en het tevreden aanschouwen van je kromme eieren in de toiletpot zou wat met het oerinstinct te maken hebben. Andermans overtolligheden en putlucht vinden we walgelijk. Tjonge, wat ben ik toch een fijne teen. Ik strooi met kalenderwijsheden als zwarte Piet met pepernoten. Hoe noemen Chinezen een veest ook weer? Wang-snee-wang-pang. Ik glimlach zowaar. Hun minister van geboortebeperking heet Lat-Je-Pietjang, zijn Russische collega Snyzakov en hun Griekse ambtgenoot Kanipoupolos. Het tijdsein van twee uur biept uit de boordradio, gevolgd door Gladys Knight met haar smooth bastard van een stem: Help me make it through the night. ‘t Zal nodig zijn, meisje! Ik slik een brokje ontroering weg, masseer mijn nek en stamp het rempedaal bijna door de vloer. Onder me weeklaagt gemarteld rubber. Er ligt iemand in de berm! Ligt er iemand in de berm? Ik ontgeef het me. Wat zou er hier iemand in de berm liggen? Kan men hallucineren van vermoeidheid? Toch zet ik voor alle zekerheid en absit omen de auto in zijn achteruit.

Ik heb helaas geen last van zinsbegoochelingen. Bezijden de weg ontwaar ik inderdaad een in het gras uitgestrekte gedaante. Met een knoop in mijn maag staar ik wezenloos naar het onheilspellende stilleven.
─”Mensen toch! Laat het alsjeblieft geen massacre zijn.”
Niemand hoort mijn gefluisterde bede. Terwijl ik de wagen ontstijg, bereid ik me voor op de confrontatie met een gorgonisch tafereel: een gekloofde schedel met uitstulpende hersenkwabben, versplinterde botten die uit gapende wonden priemen, de bloederige brij van in flarden gescheurd vlees, lillende darmen … Aarzelend en huiverig — men kan mijn reet wellicht als doppenwipper gebruiken — nader ik het slachtoffer van … ja, van wat?
─”Toe maar, jongen! Even aangorden. Er zitten geen wolven in het bos.”
Ik prevel mezelf moed in met de woorden waarmee mijn moeder zaliger me ooit geruststelde. Ritselde daar wat? Bewoog er iets? Of beeld ik me dat … Een schimmig geval springt naar me toe. Ik slaak een gesmoorde gil. Een beest! Een reusachtige rat — nu ja, laten we niet overdrijven en het bij een tamelijk groot exemplaar houden — klampt zich vast aan de zoom van mijn pantalon. Joelend geef ik een snelvoetige breakdance ten beste. Het mormel is daar niet goed van, laat me los en glist ijlings weg. Grote hemel, hel en vagevuur! Welke achterlijke dakhaas heeft me wijsgemaakt dat ratten nooit mensen aanvallen? Een ram kan hij krijgen!

De schijnwerpers betasten een in spijkergoed verpakt lijf en het smoezelige gelaat van wat me een nog jeugdige manspersoon lijkt. De ogen zijn gesloten en hij verroert geen vin. Tot mijn grote opluchting bespeur ik nergens de gevreesde horrortoestanden. Ligt hij in zwijm? Of zou hij … Ik word er naar van! En hoe komt hij in vredesnaam in deze buitenpolder terecht? We bevinden ons niet echt in the middle of nowhere, maar van hieraf kan ik die zien. Een aanrijding? Van de sokken gekieperd door een gevluchte onverlaat? Gedumpt en voor dood achtergelaten na een gewelddadig treffen? Als er een delict gepleegd is, kan ik hem beter niet aanraken, besef ik, maar men mag evenmin hulp ontzeggen aan wie in nood verkeert. Ik hurk derhalve behoedzaam bij hem neer.
─”Heilaba! Hoor je me?” ontfutsel ik een pover geluid aan mijn gorgel. Ik verman me echter en roep met luider stemme: “Hallo! Jij daar! Kun je me horen?” Men hoort me vermoedelijk in Kazachstan of zelfs op het eiland Puka Puka in de Stille Zuidzee, maar onze bermklever voelt zich niet aangesproken. Hij vertoont niet de minste reactie, dus waag ik het hem voorzichtig bij de schouder te schudden. Hij beweegt zich met zo’n heftige en onverwachte ruk, dat ik van de weeromstuit het evenwicht verlies en op mijn kont tuimel. Ik verrijs en hij tracht me na te volgen, doch zijn coördinatie laat het afweten, zodat hij zwaar op zijn reet gaat. “Wat is er met je gebeurd?” vraag ik bezorgd. “Ben je gewond?”
Dan lijkt mijn aanwezigheid tot hem door te dringen. Hij versteent even van verrassing, maar hervat direct zijn pogingen om overeind te krabbelen. Met een driftig gebaar weert hij mijn hulpvaardig uitgestoken hand af.
─”Kus een beetje m’n vette kloten!” lalt hij en zijn al even vette tong verklaart veel: hij is zo zat als een moeras. “Stop een plumeau in je gat en ga uit een boom schijten!” wauwelt hij onverschrokken verder. Gezellig wiebelend zit hij in het gras. Het tragische tableau van daarnet — Danse macabre au clair de la lune — ruimt het veld voor een zedige variatie op ‘Le déjeuner sur l’herbe’ van Manet. “Il y a deux sortes d’apes”, deelt hij me vervolgens in keukenmeidenfrans en op wijsgerige toon mee. “Des brulapes et des slingerapes.”
Ik moet onwillekeurig lachen met de kafpraatjes die hij uitslaat.
─”Et des zatlapes”, meesmuil ik.
Daar heeft hij niet meteen van terug. Hij loost een zucht. Zijn z’n babbels nu al op?
─”De kele kost vele”, oreert hij dan, denkelijk uit ondervinding.

Hij is nog een groen sprietje. Wat moet ik met hem aanvangen? Als ik hem in die staat aan zijn lot overlaat, plompt hij binnen de kortste keren gegarandeerd een sloot in of sukkelt hij effectief onder een voertuig. Geef ik hem daarentegen een lift, dan gaat dat misschien ten koste van het interieur van mijn rij-ijzer. Zelfs een geroutineerde keiler is niet immuun voor de kelderziekte en kan onverhoeds een kotsnummertje opvoeren. Ten prooi aan grote twijfel vraag ik niettemin:
─”Kan ik iets voor je betekenen, vriend? Zal ik je ergens afleveren?”
─”Is er een frietkraam in de buurt?” wil hij weten.
─”Ik ben bang van niet”, schuddekop ik meewarig.
─”Niet bang zijn”, spreekt hij troostend. “Kijk me aan en doe er je voordeel mee. Ik ben nooit bang. Jamais! Van niets en van niemand.”
─”Blij toe!” zeg ik ietwat onderkoeld. Dergelijke faribolen zijn even nutteloos als het kammen van een bronzen paard. “Waar woon je?”
─”Daar heb jij geen affaires mee!” krijg ik opnieuw een brutale bek. “Bemoei je met je eigen zaken en laat mijn kop met rust!”
─”Jij je zin!” ben ik in mijn kuif gepikt. “Dan wens ik je nog een aangename wandeling en een behouden thuiskomst.” Ik been naar de auto en neem met enig vertoon achter het stuur plaats. Mijn nakende aftocht kan hem klaarblijkelijk geen sikkepit mieteren. Hij brengt zijn futloze lichaam op onelegante wijze in een min of meer verticale houding, concentreert zich, raakt aan de gang met de motoriek van een parkinsonlijder en schuifelt vervolgens onstuitbaar naar de overkant, zwaaiend als het wierookvat van Santiago de Compostela. “Het zal toch niet waar zijn!” hik ik ongelovig, maar jawel hoor! Als bij toverslag verdwijnt hij uit mijn gezichtsveld. Daar ben ik hoegenaamd niet blij mee. Op hoge poten snel ik hem te hulp en takel hem uit een lager gelegen weide, gadegeslagen door een aantal verbaasde koeien die wij met onze farce de nacht van hun leven bezorgen. “Godsgloeiende idioot!” foeter ik verbolgen. “Ik doe dit ook niet voor mijn lol, kerel! Je zegt me nu meteen waar ik je heen moet kruien, hoor je dat? Het is laat, ik ben compleet uitgewoond en ik zou graag naar bed gaan.”
─”Ik ga in geen geval met jou naar bed”, klinkt het gedecideerd. “Il ne faut pas pousser bobonne dans les orties! We kennen elkaar nog maar net en ik zal me daar een beetje met een stranger in the night kooien. Il y a la tante Sida, hein! Misschien heb jij de enge vierletterziekte wel.”
─”Lieve deugd!” kreunt mijn wanhoop.
─”Ik ben veel te zat om er deugd aan te beleven”, brabbelt hij en hij laat een knorrend geluid horen. “Flags at half-mast and barrels depressed! Ik zal mijn floche niet eens omhoog krijgen en dat is toch zeker de bedoeling?” Hij grinnikt over zijn eigen geestigheid. Een der uiertorsende toeschouwsters begint ongegeneerd te stroelen. Ingetogen luisteren we beiden naar het klateren van de door haar bewerkstelligde waterval. “Da’s nog eens een flinke meid, zie!” krijgt ze na afloop een tien met een griffel van mijn gezel en dat borstelt andermaal een glimlach op mijn gezicht.
─”Vertel me nu maar waar je woont, dat ik je keurig thuis kan brengen.”
─”Tussen de sterren”, bazelt hij tot mijn teleurstelling. “In het centrum van de melkweg rechtsaf, richting Sirius. Villa Douloureuse. Je kunt het niet missen, maar als het je beter uitkomt, mag je me in de eerste de beste afvalcontainer kieperen of bij de kraak zetten.”
─”Ik heb er echt geen aardigheid in”, verzeker ik hem droogjes. “Wat ben jij een dwarsligger. Goed! Geef me je portefeuille even!”
─”An me nooit niet!” protesteert hij verontwaardigd. “Ik mijn portefeuille aan je geven? Zodra die koeien een broek dragen! Of van die luierdinges … eh … Allez! Hoe heten zulke papieren kakdoeken ook weer? Pampermoezen! Geef me even je portefeuille, zegt hij tegen me! Het zal aan je fundament zijn. Aan je kromme zeikfutte! Ben jij soms een stoute mens? El bandido? Een soortement struikrover? Een voetgangster? Al Capote? Help!” Hij krijst als een konijn in de beet van een wezel. “Au secours! Ik word hier aangerand en beestachtig verkracht door een hitsige jeannette! Help me toch!” Zijn gekrijs bezeert de stilte en snijdt door de geschrokken nacht. Er slaat een hond aan. “Kom hier, Bobby!” toetert de kwakkel in de richting van het geblaf. “Pak de beestjes! Attaque! Bijt hem in zijn telende ballen! Verscheur die klootzak, stomme preutlikker!”
Ik kan hem wel aanvliegen en zijn brulboei van een kop eraf trekken. Hij moet vooral geen potje voetbal met me spelen, want bij mij veroorzaakt dat dolle drift en gillende kwaadheid.
─”Is ‘t nu gedaan, ja?” fulmineer ik. “Hou op met die fratsen en gedraag je eens wat minder bezopen! Je mag kiezen en er is geen woord Frans bij wat ik zeg: of je stapt stante pede in die auto, of ik bel de flikken. Ik wil het niet op mijn geweten hebben dat je verongelukt. Wat wordt het?”
─”Kwek kwek kwek!” treitert hij en zijn moeilijk te besturen hand imiteert een kwakende snavel. “Pardon, meester! Ik zal het echt nooit meer doen en voortaan heel braaf zijn, monseigneur. Gelieve mij te verexcuseren voor mijn aanstellerij, Uwe Edelachtbaarheid. Je moet godverdomme niet zo tegen me keffen, bullebak! Ik ben ook iemands kindje.” Struikelend kajemt hij bijna op zijn smoel, dus grijp ik hem bij de arm vast. Toornig rukt hij zich los en schuimbekt: “Wil je weleens met je schurftige fikken van mijn lijf blijven, smeerlap! Als je me nog een keer durft aan te raken, spuug ik je doormidden en heb je morgen een raar loopje.”
─”Sorry dat ik leef!” pruttel ik verongelijkt.
Ik ben evenwel op mijn hoede. Na hetgeen ik in mijn niet samen te vatten leven meegemaakt heb, kent men zijn pappenheimers. Voor hetzelfde geld veranderen kroegtijgers in amokmakers en slaan ze je regelrecht het ziekenhuis in. Hij waggelt in wankel evenwicht naar de wagen en rukt aan het handvat alsof het eraf moet.
─”Drop me maar in de bewoonde wereld!” mompelt hij nijdasserig. “Dan zoek ik het verder zelf wel uit.”
─”De bewoonde wereld”, herhaal ik hoofdschuddend. “Nu ben ik nog even wijs als de os die in de bijbel keek.”
─”Ik kan het ook niet helpen dat jij de hersens van een papegaai hebt. Waar zijn we eigenlijk?”
─”Da’k het niet precies weet! Ik probeer Oostende te bereiken …”
─”Ik ook,” grimt hij, “maar ik vind het niet. Het heeft zich verstopt.”
─”Nu schieten we tenminste op.” Tevreden open ik het portier. “Adelante! Gaan met de banaan! Plof maar neer!”
─”Jaag me niet op!” ergert hij zich. “Ik moet me hier eerst nog losweken en een geurvlag planten. Big Jim and the twins were here!”
Met ogen als schoteltjes aanschouw ik hoe hij doodgemoedereerd en zo voortvarend in zijn broek plast, dat het geloosde water dwars door de stof heen op zijn sokken sijpelt, want nu pas ontdek ik dat hij geen schoeisel draagt. Ik zet een lelijk bakkes en gooi vertwijfeld mijn armen in de lucht.
─”Ben jij helemaal van de pot geplukt? Je staat je te bezeiken, goorlap!”
─”De rits zit klem.”
─”Draag voortaan ook maar pampermoezen!” sneer ik. “Je verwacht toch niet dat ik je in mijn auto laat zitten met die stinkende pisvodden aan je lijf?”
─”Heb je een kabel?” ginnegapt hij. “Kan ik drogen aan de wind terwijl je me met die belachelijke proletenbak op sleeptouw neemt, maar kijk uit of ik je soms wil inhalen, want mijn knippers werken niet. Weet je wat jij moet doen, zeurpiet? Minder memmen! Zet jou in een bos en er zullen slechts weinig bomen overeind blijven. Lik tussen de benen van een dooie griet en stop met zagen. Ga wieberen! Loop naar de Fransen! Ik red me best zonder bemoeiallen.”

Ik drapeer een plaid over de passagiersstoel en tracht hem te overreden om alsnog met me mee te gaan. Hij zwicht en maakt aanstalten om zich neer te laten.
─”À propos … Hoor je bij de kloosterorde van de ongeschoeide karmelieten of loop je om een andere reden op kousenvoeten?” Hij staart naar zijn onderdanen, haalt de schouders op en wil zich opnieuw naar de berm begeven. “Af!” probeer ik erger te voorkomen.
Met een zucht geef ik lucht aan mijn ongenoegen. Ik voorzie me van een lamp en vertrek op speurtocht, terwijl hij zich met de knoppen van de muziekinstallatie amuseert en ras een oorverdovend kabaal teweegbrengt, alsof een symfonieorkest met veelhoofdig koor ter plekke een extatische finale ten beste geeft. Zijn stappers — afgedragen joggingschoenen van Nike — staan verweesd tussen wat geloken madeliefjes. Ik ontferm me over de achtergelatenen en keer inderhaast op mijn schreden terug, om met woedende vingers het volume van de radio te temperen.
─”Blijf daar met je ongewijde klavieren af!” snuift hij boos. “Dat is O welche Lust uit Fidelio van Beethoven. Een heel steil nummer.”
─”Al is het le beau vélo van Ravel,” bits ik. “Beetkowski was zo doof als een pot, maar deze jongen nog lang niet.”
─”Le beau vélo van Ravel”, beleeft hij hoorbaar pret aan mijn woordgrapje. “Jij moet ook niet zat zijn om te zeveren.”
─”Nee”, zeg ik. “Een zatlap ruiken is bij mij al voldoende.”
Terwijl ik de schoenen naast zijn voeten deponeer, snuffelt hij schaamteloos aan mijn wang.
─”Je stinkt als een hoer”, merkt hij weinig hoffelijk op.
─”En jij als een meurende bunzing”, riposteer ik.
─”Wat is dat nu weer voor een ingewikkelde astrabanseling?” gniffelt hij. “Een geurende botsing … daar heb ik nog nooit van gehoord.”

We begeven ons op weg. De radio-omroeper deelt op zeurderige toon mee dat we geluisterd hebben naar O welche Lust uit Fidelio, Beethovens enige opera, uitgevoerd door het Chicago Symphony Orchestra and Chorus, onder de leiding van Georg Solti en met Robert Johnson en Philip Kraus als solisten. Geëpateerd kijk ik naar mijn blijkbaar deskundige passagier. Die hangt als een lappenpop in de riem en produceert onbestemde geluiden.
─”Alles kits?” pols ik.
─”Vliegen hebben korte pootjes”, zwamt hij.
─”En zeer kleine klootjes”, geeft de doezelige muze me een weinig anacreontisch ex-tempore in.
─”Dat staat nog te bezien”, meent hij, tegendraads als hij is. “En hou nu maar op met je smeerkezerij. Ik ben er niet van gediend.”
─”Jij vuilbekt nochtans ook niet slecht’, oordeel ik.
Net voor we de ietwat verlepte koningin der badsteden binnenrijden, dien ik inderhaast halt te houden omdat hij kokhalzend onheil aankondigt. Hij duikt uit mijn koekblik het struikgewas in … en keert niet terug. Hij verdwijnt in de nacht. Stank voor dank. Meer mag men in dit leven niet van mensen verwachten. Ships that pass in the night, and speak each other in passing … maar alles wat voorbij is, raakt men nooit meer kwijt.

Zijn portefeuille bleek in mijn auto te liggen. Ik heb hem gezocht en gevonden. Hij heette Reinhold en we werden vrienden.

Haast en spoed …

Omdat ik mijn televisietoestel iets te vroeg op een door mij als bezienswaardig beschouwd programma afstemde, belandde ik onverhoeds in een kerkgebouw, een synagoge, een moskee of een tempel, waar zich een eredienst ontvouwde. Deze heuglijke gebeurtenis werd opgeluisterd door een koor ─ of wat daarvoor moest doorgaan ─ dat zich aan het kwelen van een ongetwijfeld stichtelijk lied bezondigde, daarbij begeleid ─ nu ja, begeleid ─ door een manspersoon die vol overgave op een soortement harmonium jengelde.

God van de hoge hemel, christene zielen en heremijntijd! Wat veroorzaakte die samengang een kakafonie van je welste.

Ik heb trouwens nog maar zelden, of eigenlijk nooit, een samenscholing van lelijkere, oude wijven aanschouwd …

… en zingen konden ze ook al niet.

Kijk mama, zonder handen!

Wat kunnen sommige mensen toch schromelijk overdrijven! Toen Ingrid die morgen voorbij de dorpskroeg fietste, bleef haar passage niet onopgemerkt. Wel integendeel! De lolbroeken die zich in de buurt van de tapkast ophielden, poogden elkaar met treffende beschrijvingen van haar figuur de loef af te steken. De homerische vergelijkingen waren niet van de lucht:
─”Da’s nog eens een fors koebeest van een vrouw”, zei de ene. “Die zal je ook niet in een plooi van het laken verliezen.”
─”Ze zou een prima inbreekster zijn,” meende een andere, “want haar kont zou haar voetsporen uitwissen.”
─”Er zit een toekomst als kermisattractie in”, vond een derde.

Bessie Turf, vette spekreet, kamerolifant, machol … Wisten zij veel dat Ingrid in haar jeugd iedere morgen mistroostig op de weegschaal gestaan had, om telkens weer vast te stellen dat ze tot een struise boerenmeid uitballonde. Tegenwoordig was ze zo vet dat ze klodderde, maar nog gaf ze de moed niet op. Teneinde haar wobbelende lichaam enigszins in conditie te houden en vooral ook omdat ze niet over een automobiel beschikte, klom ze regelmatig op haar fiets, die gelukkig in lang vervlogen tijden gebouwd was, toen men nog echt staal en andere robuuste materialen gebruikte, en derhalve tegen een stootje kon.

Ze peddelde het dorp uit en kwam zodoende op het platteland terecht, waar de om zich heen woekerende natuur het voor het zeggen had. De zon zette haar beste straaltje voor, bomen en struiken toonden trots hun pril gebladerte, vogels repeteerden eindeloos en in een grazige weide stonden niet enkel vier stomgeslagen koeien, maar tevens een aantal lachende, met losse hand uitgestrooide veldbloemen.
─”Tiens,” dacht Ingrid en ze gooide de remmen dicht, waardoor ze ongeveer dertig meter verderop tot stilstand kwam, “wat zouden die mijn nederige stulpje kunnen opfleuren.”
Ja, ze bezat een nogal poëtische inborst en tijdens het lezen van de bloemen — plukken vond ze geen fraai woord — reciteerde ze zelfs een ulevellenrijmpje:

Ik was verbaasd, verliefd, verrukt;
ik heb je als een bloem geplukt;
eeuwig zul je bloeien, want
ik heb je in mijn hart geplant.

Of toch iets van die strekking. Ze hield het tere boeket in haar ene hand en met de andere mende ze het stalen ros huistoe. Ongetwijfeld zou ze daar zonder ongelukken aangekomen zijn als het dorp waar ze woonde zich niet op een heuveltop had bevonden. Nu ja, heuveltop … Het was eigenlijk niet meer dan een flink uit de kluiten gewassen muggenbeet, pakweg een molshoop, maar dat belette niet dat de weg wat opliep. Volgens de mannen in de kroeg bevonden er zich echter een paar ‘ferme stampers onder haar zeikbak’ en die kon ze tijdens het klimmen terdege gebruiken. Wie ooit per fiets tegen een helling opklauterde, zal weten dat dit bijwijlen met enig geruk aan het stuur gepaard gaat. Dat deed Ingrid dus ook, tot plots het handvat losliet en ze, vanwege de ruiker die ze zorgzaam in haar andere hand meevoerde, willens nillens het beroemde adagium ‘kijk mama, zonder handen!’ uitbeeldde.

Honderd meter landinwaarts viel er een hoeve te bespeuren. Daar zat een oude boerin door het venster te turen. Veel zag ze niet, omdat ze wegens een vergevorderde blindheid enkel wat contouren vermocht te onderscheiden en dan nog vaag.
─”Maurice!” krijste het ze plots. En daarna nog eens: “Maurice!”
De drager van die naam dacht dat zijn moeder in doodsnood verkeerde en ontsteeg ijlings het ledikant. Hij schoot wat kleren aan en zei tot zijn bedgenoot:
─ “Blijf nog even hier. Ik geef je wel een seintje als de kust veilig is.”

De avond voordien had hij buiten medeweten van de vrouw des huizes een jongen van fraai postuur en lichte zeden in zijn slaapvertrek ondergebracht, om tijdens de nacht herhaaldelijk seksuele betrekkingen met hem aan te knopen. Aangezien zijn moeder naast haar oogkwaal ook nog aan multiple sclerose leed en geen trappen meer kon lopen, vond hij het vooralsnog niet nodig om haar omtrent zijn gelijkslachtige geaardheid in te lichten. Ach, het mens verkeerde allicht in het ongewisse omtrent het feit dat piemeldragers het soms met elkaar deden, laat staan dat ongeveer vijf percent zich nimmer met een vrouw inliet. Jaren geleden, toen haar ogen nog niet uitgedoofd waren en ze op een avond Jurassic Park aanschouwde, sloeg ze opeens een kruis en mompelde:
─ ‘In mijn tijd bestond dat nog niet hoor, zulke monsters!’

Van iemand die aan de bron der intelligentie slechts de lippen bevochtigd had en bovendien wat last kreeg van herfst in het hoofd, kon men bezwaarlijk verwachten dat ze gekipt en gebroed was met de frivoliteiten van de lagere hartstochten en de finesses van de Griekse beginselen. Maar goed … ze riep haar met zijn seksualiteit experimenterende zoon en toen die verscheen, sprak ze:
─ “Loop eens snel naar de straat! Er is daar een auto in de sloot gereden.”
Maurice wierp een blik naar buiten, zag daar kennelijk niets ongewoons en antwoordde:
─ “Ik zie daar niets ongewoons.”
─ “Er is een auto in de sloot gereden!” herhaalde de moeder op een toon die geen verdere tegenspraak zou dulden.

Maurice haalde de schouders op en keutelde even later via de met bomen afgelijnde dreef richting openbare weg. Wat zich daar voor zijn ogen ontvouwde, overtrof zijn stoutste verwachtingen. Op het moment dat het handvat losliet en Ingrid een deadstick landing maakte, suisde ze als een een Jan van Gent in duikvlucht slootwaarts. Was die greppel te bekrompen of haar lichaam te volumineus? Wie zou het zeggen? Zeker was dat ze geen kant meer opkon. Ze zat, of beter gezegd ze stond muurvast op haar hoofd geplugd en vermocht enkel nog wat met de benen te spartelen. Top down heet dat tegenwoordig in het Nederlands. In het West-Vlaams is dat top over kloten, of pere(n)boom staan.

Maurice besteedde weinig tijd aan het bewonderen van de niet te onderschatten dijen en het fondantrose, zeer tot de verbeelding sprekende dessousartikel dat als het ware met bolle zeilen haar indrukwekkende wereldkaart omspande. Nee, hij schoot onverwijld in actie. Het lostornen van dat imposante lijf bleek geen sinecure. Hoe hij ook trok, wrikte of sleurde, er kwam geen beweging in de mastodont. Hij speelde dan ook met de gedachte om drastische middelen aan te wenden en haar met behulp van de tractor op te vijzelen, ergo uit haar benarde positie te bevrijden. Gelukkig daagde er toen een hoffelijke weggebruiker op en samen klaarden ze de klus, want veel handen maken licht werk.

Maurice hing het verslag van Ingrids farcicale bollenmakertje met smakelijk enthousiasme aan de klokkenreep en ontkurkte talloze keren de anekdote. De dorpsbewoners omhelsden vanzelfsprekend gretig het akkefietje en beleefden er monumentaal veel plezier aan. Het verhaal werd aangedikt — alsof dat nog nodig was — opgeleukt en aangesponnen met komische à-côtés. Daar kon je mee lachen. Ambiance! Nee, ze gingen niet bepaald zorgvuldig met Ingrid om, maar over een ding was men het roerend eens: ze hadden eigenlijk nog geboft, want voor hetzelfde geld had er water in die sloot gestaan en waren ze met zijn allen door een tsunami verzwolgen.

Bloemetjes en bijtjes; haantjes en hennetjes

Vandaag neem ik jullie mee naar een landelijk dorp in West-Vlaanderen. We duiken er een kleine supermarkt binnen, waar zich onlangs een Griekse tragedie heeft afgespeeld. Daar ontmoeten we Jefke, die zich zonder erg en dus op argeloze wijze tot een hoofdrolspeler van dat drama ontpopte.
Jefke heeft het helaas niet met zichzelf getroffen. Hij is bijzonder karig door de natuur bedeeld, om niet te zeggen lelijk door haar in de steek gelaten. Enkele aanlegstoornissen hebben hem lichamelijk benadeeld. Hij loopt niet enkel kwalijk, maar ook zijn hersens kunnen het allemaal niet bijsloffen en spreken komt bij hem neer op het uitstoten van een afgrondelijk gekreun, waarin sporadisch iets herkenbaars gevangen zit. Desalniettemin dabbert hij dagelijks door de supermarkt in kwestie, want hij mag er wat klusjes opknappen en zal er vermoedelijk ook wel wat voor vangen.

Toen hij laatst wat lege kratten naar het magazijn kruide, was hij bij aankomst aldaar getuige van een bloedstollend tafereel. Hij sukkeldraafde halje travalje naar het kantoortje, waar hij zijn bazin aantrof, tegen wie hij zich in een stroom van opgewonden klanken onverstaanbaar maakte. Toch meende zij in die kanonnade herhaaldelijk het woord vechten waar te nemen.
─”Zijn ze aan ’t vechten?” vroeg ze.
Het gekreun van Jefke kreeg de allure van een triomfantelijk gejubel en ze volgde hem naar de plaats waar de handtastelijkheden plaatsgrepen.

Haar echtgenoot was inderdaad bezig een vrouwelijke winkelbediende een geduchte schrobbering te geven. Hij was daar dusdanig door in beslag genomen, dat hij niet eens gemerkt had dat Jefke hem betrapte. Pas toen zijn vrouw in gillende kwaadheid ontstak, stond hij plots weer met beide benen op de grond. Het meisje eveneens.

Sindsdien zijn ze geen van beiden nog in de supermarkt opgemerkt. Ik denk dat ze herstellen van de verwondingen die ze tijdens de vechtpartij hebben opgelopen.

Windbuil met kapsones

Toen ik uit mijn auto klom, gleed naast me een jet met nummerborden in het parkeervak. De chauffeur — een buitengaatse kerel die eruitzag alsof hij net overgegeven had en van plan was om dat binnenkort weer te gaan doen — maakte zich snel uit de voeten. “Waar bemoei ik me eigenlijk mee?” dacht ik nog, maar niettemin riep ik hem beleefd terug:
─“Meneer!” Hij draaide zich om en keek me ongeduldig aan, dus vervolgde ik snel: “U vergeet het misschien, maar u kunt toch maar beter een kaartje uit de automaat trekken. Ze zijn hier namelijk bijzonder gul met parkeerboetes.”
Hij keerde op zijn stappen terug, rukte het portier van zijn patserkar open, scharrelde wat in het handschoenenkastje en gooide vervolgens iets op het dashboard.
─“Ik heb een permanente vergunning”, zei hij nog en hij vertrok.
Ik had die niet, maar ook geen haast, dus nam ik rustig de tijd om het sublieme, nerveus gesneden rij-ijzer te bewonderen. Terwijl ik dat deed, kreeg ik opeens zijn permanente vergunning in de gaten. Tegen de voorruit lag een kaartje van felgeel fluokarton, waarop in rode oorlogsletters geschreven stond: KUST ZE!
Volgens mij moet die man heel lange armen hebben, want ik kan echt niet geloven dat alle parkeerwachters te paaien zijn met een vooruitzicht op een betaling in natura.

Meneer spreekt talen

De gelagkamer van het restaurant behelsde slechts vier klanten, als ik mezelf even buiten beschouwing laat, of toch als een ombre chinoise naar de achtergrond verdring. Naast een venster hadden twee in het Engels converserende dames plaatsgenomen, die zich zo te zien danig aan maquillage vergrepen hadden en er daardoor nogal gemummificeerd uitzagen. Aan een tafeltje in mijn buurt hield zich een jong en door Amor bevleugeld stel op, dat gelijk sympathie bij me losweekte.

Het was duidelijk dat ze op elkaars lijstje van prettige dingen stonden, ook al hielden ze niet bepaald een kwieke stroom van opgeruimd gebabbel gaande. Zij vertoonde het wezenloze lachje en de ietwat schaapachtige gelaatsuitdrukking die verliefde mensen vaak tentoonspreiden. Hij, van zijn kant, bedacht haar af en toe met een olijke knipoog, zoals men doet tegen iemand waarmee men dartele herinneringen deelt.

Toen verscheen de kelnerin en die gaf meteen te verstaan dat ze het Nederlands zo’n minne taal vond, dat ze zich liever van het Frans bediende. De jongen, die niet gesierd was met een vlotte babbel, bestelde op bedremmelde toon een whisky voor zichzelf en een jus d’orange voor zijn meisje.
─”… et un jus d’orange”, noteerde de dienster de bestelling met een volslagen gebrek aan belangstelling.
─”Van appelsienen”, klampte hij nog even aan, teneinde misverstanden te vermijden en te verhinderen dat men de jus d’orange aan foute vruchten zou ontwringen.

Het meisje had besloten dat ze zich met een tomate-crevettes wilde vermeien. Hoewel de benaming van dat gerecht in sierlijke letters op de kaart prijkte, bezorgde de jongen zichzelf een allemachtige hoop ongemak.
─”Une tomate avec des garnales”, kwam het er wat knullig uit en hij keek de kelnerin aan alsof die een geweer op hem richtte, hetgeen ze wellicht ook gedaan zou hebben als ze over zo’n wapen had beschikt.
Ik zat meewarig te glimlachen, want iedereen die een beetje Frans spreekt, weet natuurlijk dat het une tomate avec des garnaux moet zijn.

Later zaten de Engelstalige lady’s naar een vleermuis te kijken, die herhaaldelijk door de straat scheerde.
─”It’s a floddermouse”, verduidelijkte de jongen.
De dames zetten zo’n verbaasde gezichten, dat hun make-up craqueleerde.