Tag: ooggetuige

Nooit opgeven

Iedere morgen strijk-en-zet, om tien uur ─ je kan er een klok op gelijkzetten ─ verlaat de man zijn woning, om met het optimisme van een missiepater naar de brievenbus te keutelen en die op inhoud te controleren.

Hij zal zo’n jaar of zestig zijn, schat ik, en hij zit niet alleen een woedend opgesloten in zijn vet, maar de natuur heeft hem ook qua schoonheid lelijk in de steek gelaten. Ik mocht en mag van mijn moeder eigenlijk niemand op het uiterlijk beoordelen, maar niettemin vermoed ik dat hij aan de bron der intelligentie slechts de lippen bevochtigd heeft. Hij heeft een gezicht van sla me dood maar ik weet het niet en zijn oogopslag doet slechts een minimum aan hersenactiviteit vermoeden. Ooit heeft hij wellicht grote dromen gekoesterd, maar het echte leven heeft hem niet veel gebracht. Zou hij bemind geweest zijn? Zou hij zelf iemand liefgehad hebben?

Hij drentelt dus iedere morgen naar zijn brievenbus. Welke boodschap hoopt hij daar aan te treffen en van wie zou die moeten komen? Groot en zichtbaar is telkens zijn teleurstelling als hij opnieuw en nog maar eens bot vangt en hooguit met een onnozele reclamefolder huiswaarts keert.

Ik speel met de gedachte om ter gelegenheid van het nieuwe jaar op anonieme wijze een kaartje met een vriendelijke wens in zijn bus te droppen. Zou hij daar blij mee zijn? Of zou hij talloze dagen en nachten prakkeseren over wie hem die onverwachte attentie bezorgd heeft?

Niet doen dus.

Pechvogel 3

Zoals jullie uit mijn twee vorige blogberichten vernamen, had ik die morgen verhinderd dat een oudere man verzoop en aanschouwde ik hoe een jongen zich onopzettelijk van het dagelijkse brood ontdeed.

Om van de doorstane emoties te bekomen, hield ik halt op een plek waar het landschap zich onafzienbaar uitstrekte en de natuur een verzachtende omstandigheid was. Daar zat ik op een bank en gaf me over aan wat men in het Duits zo welsprekend als freischwebende Intelligenz omschrijft, maar het in het Nederlands met het ietwat armetierige gemijmer moet stellen.

Deze bezigheid werd nogal brutaal verstoord toen er plots een luidruchtige matrone verscheen. Ze was in het gezelschap van een knaap, vermoedelijk haar zoon, die zich in een lamlendige houding over een fietsje drapeerde en kennelijk bezig was zijn eerste stapjes … eh … ─ hoe moet ik dat zeggen? ─ zijn eerste peddelingen op een rijwiel uit te voeren. Het vrouwmens stond hem alleszins op toezichthoudende wijze terzijde. Zij hield hem bij het zadel overeind en gaf een spervuur aan instructies ten beste, in de taal van Voltaire en op een toon die geen enkele tegenspraak duldde.

Toen liet ze opeens dat zadel los en ze gaf dat joch een zetje, waardoor hij onverhoeds het ruime sop koos en kledder tegen een afsluiting botste die daar eigengereid in de weg stond, althans voor de onervaren fietser die hij was.

“T’as oublié que t’as des freins!?” riep de vrouw verontwaardigd en ze probeerde haar armen weg te gooien.
Het kon die knul aan de reet roesten dat hij over remmen beschikte. Hij had zich bezeerd en zette het op een smartelijk huilen.

Ik weet het niet zeker, hoor, maar ik denk dat hij geen Frans begreep.

In Vlaanderen, Vlaams!

Pechvogel 2

Nadat ik in mijn vorige schrijfsel een zeer meerderjarige man uit het water had gevist, vervolgde ik vervuld van trots mijn weg. Spoedig belandde ik in een dommelig dorp, waar een slordig neergelegd hoopje huizen beschutting zocht onder een kerktoren.

Daar zag ik een knaap van tien, elf, twaalf, dertien, ja, misschien zelfs veertien jaar ─ ik ben nog steeds buitengewoon slecht in het schatten van leeftijden ─ die zich aan vrij hoge snelheid voortbewoog op hetgeen men vroeger een ‘trottinette’ noemde, maar tegenwoordig een step heet. Het Nederlands schiet kennelijk woorden tekort. We blijven er graag Engels doorheen roeren. Wat schort er eigenlijk aan autoped?

De jongen voerde op nogal slordige wijze een papieren zak met zich mee, waarin zich een brood bevond, want toen dat ding plots aan het scheuren ging, struikelden er boterhammen op het asfalt, als was het hemels manna. De gozer stond er verwezen naar te kijken. Tja, ga dat maar eens aan je moeder uitleggen.

Het mag en moet gezegd: de zakken die men tegenwoordig bij een bakker krijgt, zijn inderdaad lang niet meer wat ze geweest zijn. Ik spreek uit ondervinding. Het is heus nog niet zo lang geleden dat mijn ballen … eh … mijn boules de Berlin uit zo’n zak ontsnapten en vrolijk over de straat buitelden.

Aangezien driemaal scheepsrecht is en niet alleen de goede, maar ook de slechte dingen uit drie bestaan, zullen jullie hier binnenkort het wedervaren lezen van de derde pechvogel die ik die dag op mijn weg ontmoette.

Er zijn van die dagen …

Pechvogel 1

Er zijn van die dagen …

Ik fietste doodgemoedereerd langs een met bomen afgelijnd weggetje, dat nauwgezet het gekronkel van een al even bedaard waterloopje volgde. Het pad verkeerde in kaduke toestand en was op sommige plaatsen zelfs ronduit gevaarlijk, omdat boomwortels zich eigengereid uit het asfalt wurmden en meedogenloze uitstulpingen vormden.

Eerst was er in geen velden of wegen een levend wezen te bespeuren, maar toen kreeg ik een man in het vizier, die waarschijnlijk bejaard was, want hij fietste slow motion voor me uit op de rand van evenwichtsverlies. Ik zag het weliswaar aankomen, maar kon niet verhinderen dat het gebeurde, zelfs niet met de beste wil van de wereld.

De man hobbelde over zo’n bult in het wegdek en raakte daardoor helemaal uit de koers. Hij ging aan de zwerf, zwabberde richting berm, doorkliefde daar een partij verlekkerd kijkende brandnetels en vervolgens een falanx hoogbenig riet, om daarna doodleuk in het water te tjoempen.

Het had nog heel wat voeten in de aarde en nog meer in het water om hem op het droge te takelen, want hij spartelde hevig tegen, maar ik heb hem van een gewisse verdrinkingsdood kunnen redden en daar ben ik al met al een beetje fier op. De brave man mag zich gelukkig prijzen dat onze levenspaden zich uitgerekend op dat moment kruisten, want anders …

Ja, er zijn van die dagen …

… en wat er zich die dag nog meer voor mijn ogen voltrok, zullen jullie hier eerstdaags lezen.

Net gemist

broedgebied

Toen ik op deze plek halt hield, stonden er minstens ─ ik overdrijf geenszins ─ een dozijn blauwe reigers in dat veld. Zodra ze mij opmerkten, kozen ze met zijn allen het hazenpad … eh … het luchtruim. Daar stond ik dan met mijn kodakske. Zie ik er werkelijk zo afschrikwekkend uit?

gekraai

Toen ik op deze plek halt hield, was er in geen velden of wegen een haan te bespeuren … maar ook geen zwerfvuil. Vandaar allicht.

Jatmozen

“Alle beetjes helpen”, zei de mug en ze piste in de zee.

Ik was in de groenteafdeling van Colruyt en begaf me naar de plek waar aardbeien naar me lagen te lonken. Het zijn en blijven mijn favoriete fruitjes, vooral als ze uit de volle grond geboren zijn.

In nog niet zo lang vervlogen tijden kocht ik mijn aardbeien altijd op strompelafstand van mijn woning, meer bepaald in de hofstede van de abdij van Zevenkerken in Sint Andries bij Brugge, maar daar kwam een brutaal einde aan toen de teler ervan door een tragisch ongeval schielijk naar de Elysese velden afreisde. Naar verluidt wilden de vrome paters ─ benedictijnen ─ daarna hun akkers niet meer ter beschikking stellen van leken en zelf waren ze kennelijk te lui om te boeren, dus bleven die braak liggen en stierf ook de aardbeienverkoop aldaar na meer dan zestig jaar een schielijke dood, hetgeen ik en velen met mij ten zeerste betreur.

Ik dwaal echter af en keer nu gezwind terug naar de groenteafdeling van Colruyt, waar zich voor mijn ogen een merkwaardig tafereel ontvouwde. Een morsig vrouwmens, die zich zo te zien aan de verkeerde kant van de middelbare leeftijd bevond, eigende zich een bakje aardbeien toe en vulde de inhoud ervan aan met een viertal vruchten die ze doodgemoedereerd uit andere bakjes ontvreemdde.
“Krijg nu tieten!” mompelde ik binnensmonds en ik was nog niet helemaal van mijn verbazing bekomen, toen een andere vrouw op het toneel verscheen.

Die tilde de bovenste twee kratten op, koos een bakje uit het derde exemplaar, plaatste dat ter controle in de weegschaal die daar hing te hangen en vervolgens in haar winkelkar. Toen ze zag dat ik haar gadesloeg, haalde ze de schouders op en zei:
“Als je ‘t niet zo doet, krijg je geen waar voor je geld. Ze roven die bovenste krat leeg als waren ze merels en spreeuwen.”

Het spreekt vanzelf dat ik, gierig pietje-precies dat ik ben, haar voorbeeld volgde. De weegschaal verklapte dat ik iets meer dan vijfhonderd gram meenam naar de kassa, dus kreeg ik waar ik recht op had en waar voor mijn in het zweet mijns aanschijns en derhalve zuurverdiende centen.

De kwelbuis

Het ruitje ─ tegenwoordig is dat al een flink uit de kluiten gewassen ruit ─ toonde een zaal vol applaudisserende mensen. Hoewel het beeld voor zichzelf sprak, meende de commentator daaraan te moeten toevoegen: “Ze klappen enthousiast in hun handen.”
Kan men ook in iets anders klappen dan? Ik dacht het niet. Met de voorzetsels ‘uit’ en ‘met’ lukt het dan weer wel. In Vlaanderen klapt men immers uit de biecht en in Nederland uit de school. En in beide regio’s kan men met de tong klappen, al vind ik klakken een geschikter werkwoord voor deze bedrijvigheid.

De televisie toonde een documentaire van Stacey Dooley, getiteld “Face to face with the IS brides” en ik keek ernaar. Tja, van dat ‘face to face’ was er evenwel nauwelijks of zelfs geen sprake, want die bruiden verstopten hun gezichten achter grote lappen textiel. De vlag dekte bijgevolg de lading niet, of eigenlijk juist wel.

drelinOp het scherm speelde zich een aflevering van een soap af, maar ik besteedde er niet de minste aandacht aan, want ik had wel wat anders te doen.  Plots weerklonk de bel, dingdong, en ik spoedde me naar de hal, om daar de deur te openen en er tot mijn verbazing niemand aan te treffen.
“Is ‘t weer van dat?” mopperde ik en ik keerde terug naar mijn zitkamer, waar ik per afstandsbediening het televisieprogramma terugspoelde. En ja hoor! In de soap drukte iemand op een bel, die precies hetzelfde geluid produceerde als die van mij. Het was lang niet de eerste keer dat ik me liet vangen, want de bellen in films en feuilletons zijn vrijwel altijd dingdongs. Misschien kan ik mijn deur beter van een nieuw exemplaar voorzien. Eentje met een heel apart geluid. Drelin drelin bijvoorbeeld. Ik herinner me dat ik, toen ik heel lang geleden mijn broek versleet op collegebanken, Franse teksten voorgeschoteld kreeg, waarin bellen steevast het onomatopoëtische ─ eh … laten we het niet ingewikkelder maken dan het al is ─ het klanknabootsende tussenwerpsel ‘drelin drelin’ meekregen. Dat leek nergens op, vond ik toen en dat vind ik nu nog steeds. Ik heb nog nooit een bel gehoord die zich van drelin drelin bediende. Als die al zouden bestaan, wil ik er mijn voordeur mee toerusten teneinde voorgoed die verwarring zaaiende dingdong uit mijn leven bannen. Een vriend van me heeft een deurbel die het geluid van een scheetkussen voortbrengt. Origineel, dat wel, maar ik vrees dat ik die niet zou horen.

Struikrovers anno nu

Op de Groene 62 ─ de voormalige treinbedding tussen Torhout en Oostende, die nu gereserveerd is voor wandelaars en fietsers ─ reed een vrouw zo’n vijftig meter voor me uit. Ze was in het gezelschap van een zeer minderjarig meisje, vermoedelijk haar dochter, dat slow motion en op de rand van evenwichtsverlies een klein, frivool versierd fietsje bestuurde.

Ik werd ingehaald en voorbijgereden door een bromfietser, vermoedelijk van mannelijke kunne, die een integraalhelm droeg en derhalve onherkenbaar was. Even later bereikte hij mijn voorgangster en daar vertraagde hij om vervolgens, en passant, een portemonnee op te vissen uit haar fietstas, waarvan de klep openstond. Daarna ging hij er als de wiedeweerga vandoor.

─”Heb je dat gezien!?” riep de vrouw onthutst, terwijl ik naast haar halt hield.
Haar dochter maakte aanstalten om het op een huilen te zetten, maar ze hield zich kranig en beperkte zich tot een pruilmondje.
─”‘t Is godgeklaagd!” schuddekopte ik. “We beleven een rare tijden. Bent u veel kwijt?”
─”Wat geld, mijn identiteitskaart en mijn bankkaart”, zei ze.
─”Die moet je meteen laten blokkeren bij Card Stop”, had ik goede raad in de aanbieding. “Met een beetje geluk gooit hij je portemonnee weg als hij zich het geld toegeëigend heeft, maar als ik jou was zou ik toch naar de politie gaan.”
─”Geluk is me niet bepaald goedgezind”, murmureerde ze en ze bekeek de fietstassen met een vernietigende blik. “Die velcrosluitingen zijn eigenlijk geen knop waard. Bij het minste zuchtje gapen die kleppen als ovendeuren.”
─”Er gaat inderdaad niets boven ouderwetse gespen”, was ik het met haar eens en ik wees naar mijn exemplaren die ermee toegerust waren.

Ik heb haar mijn kaartje gegeven. Als ze ooit een ooggetuige nodig heeft, ben ik haar man. Het is een schamele troost. Ik weet het. Ze moesten zulke schurftluizen zo’n pandoering geven dat hun kleren uit de mode zijn als ze bijkomen. Als men ze bij de kladden kan grijpen natuurlijk.

Foute hap

De meeste supermarkten plegen hun klanten proevertjes aan te bieden: koffie, wijn, charcuterie, borrelhapjes, snoep, kaas, fruit … en wat weet ik al niet meer.

Ik maak daar bijna nooit gebruik van, omdat ik aan een heel lichte graad aan smetvrees onderhevig ben. Mijn mysofobie beperkt zich tot het niet nuttigen van voedsel dat door Jan en alleman aangeraakt kan worden. Een kok in een restaurant valt wat mij betreft buiten deze categorie – gelukkig maar! – maar Jut en Jul die zich in winkels ophouden, boezemen me geen vertrouwen in.

Verleden zaterdag dobberde ik tijdens het winkelen in het kielzog van een met een khimar getooide vrouw. De drie kinderen die haar vergezelden, waren in hoge mate ongemanierd en ze ratsten bovendien doodgemoedereerd alle schotels en borden met proevertjes leeg, zonder dat men ze terechtwees.

In de groenteafdeling stortten de huftertjes in wording zich als aasgieren op de schijfjes kiwi die daar voor het grijpen lagen. Ze propten die in hun gulzige bekjes, maar vonden ze kennelijk niet lekker, want ze spuwden die gelijk weer uit en legden ze terug op de plek waar ze vandaan kwamen.

Bewaar me, zeg! Ik had zin om even te kotsen, maar besloot toch om er zelf niks van te zeggen. Ik weet uit ondervinding dat gesluierde vrouwen veelal geen kritiek verdragen en niet zelden in luidkeelse scheldpartijen uitbarsten als men het waagt ze te vermanen. In plaats daarvan bracht ik een winkelbediende op de hoogte van hetgeen ik aanschouwd had. Die kerel was van geen kleintje vervaard. Hij haalde de bezoedelde kiwi’s weg en waarschuwde zowel de kinderen als de moeder.

Die moeder was dus zo’n vrouw met een hoofddoek, die luidkeels lucht gaf aan haar protest. Ze voelde zich in haar eer gekrenkt en zette de hele supermarkt in rep en roer. Christene zielen!

Van mij mogen ze dat aanbieden van proevertjes meteen afschaffen. Er komt niets heuglijks van.