Tag: horror

Spannend!

Ik bevond me in het krekengebied ten zuidoosten van Oostende en ging er voor anker op de bank, die men daar ten behoeve van natuurvrienden op een terp neergepoot had en waarvandaan men de wijde omgeving kon overschouwen.

Eenden spelevaarden op het water en gaven zich, beschut door rietkragen, over aan met luidruchtig gesnater gepaard gaande stoeipartijen en vermoedelijk ook aan seksuele omgang. Een reiger streek zwierig neer, een klucht ganzen zocht heil in de vlucht en een karekiet gaf ‘m van jetje. Het kan ook een andere vogel geweest zijn, want ik ben geen ornitholoog en een zanger in het riet is voor mij automatisch een karekiet, vanwege het lied waar ik als kind mee doodgegooid ben: karekiet, kiet, kiet, in het riet, riet, riet.

Toen zag ik opeens … ja, wat zag ik eigenlijk? Ik dook in mijn fietstassen, diepte ras een verrekijker op, waarmee ik het rozekleurige object dat in de verte tussen lisdodden dobberde naderbij haalde en … Ik versteende. Mijn adem stokte. Mijn hart miste een paar slagen en repte zich toen om de achterstand in te halen. Wat daar dreef, was een poedelnaakt mensenlichaam. Terwijl ik bedacht wat me te doen stond, kon men mijn reet wellicht als doppenwipper gebruiken. Ik trok mijn mobieltje, zette voor alle zekerheid nog eens de verrekijker aan mijn ogen en zag hoe het hoofd van de drenkeling tussen de plantenstengels opdook, met de wijd opengesperde mond en de hartstochtelijk rode lippen van … een opblaaspop.

Ik heb toen maar mijn mobieltje opgeborgen, blij dat ik het niet gebruikt had. Je zult de hulpdiensten maar mobiliseren voor een door een flauwe, op seksueel gebied gefrustreerde grappenmaker achtergelaten opblaaspop.

De dodensprong

De aflevering van CSI (Crime Scene Investigation) begon op nogal macabere wijze. Op een kerkhof zeulden kloeke mannen een doodkist richting graf, toen de bodem van dat ding het plots met veel gekraak begaf en niet één, maar twee lijken op de grond tuimelden. Dat wil een mens toch niet meemaken! En toch heb ik in een onzalig vroeger iets gelijkaardigs beleefd en daar wil ik jullie graag kond van doen. Ga vooral even zitten, want dit is niet mis. Gevoelige zielen kunnen nu misschien beter even het hoofd afwenden, of gewoon doorklikken naar een van mijn leukere schrijfsels.

Toen ik het flatgebouw betrad, kon ik niet meteen naar boven, naar de woonst waar vrienden van me huisden. Een van de bewoners — wellicht oud en der dagen zat — was aan algehele slijtage overleden en men probeerde hem net naar het dorp van de eeuwige vakantie te kruien. Dat ging niet van een leien dakje.

Wie zich met een doodkist in een trappenhuis waagt, vraagt immers om problemen. De begrafenisondernemer en zijn assistenten zagen er ook niet bepaald potige kerels uit. Maar goed … na wat gepruimel raakten ze voorbij de overloop en daalden ze niet zonder plechtstatigheid af. Je mag van ze zeggen wat je wil, maar lijkbezorgers hebben gevoel voor pathetiek. Ik stond beneden in de hal en boog ingetogen het hoofd, mediterend over de vergankelijkheid van het leven. Een rechtgeaarde vloek — godverdomme! — haalde me brutaal uit mijn vrome overpeinzingen. Ik keek omhoog.

Wat zich toen voor mijn ogen voltrok, overtrof mijn stoutste fantasie en mijn verbeelding durft nochtans vleugelen aan te schieten als ik in vorm ben. Een van de dragers had vermoedelijk een letterlijke misstap begaan en maakte aanstalten om neer te storten. Wat doet een normaal mens in zo’n geval? Men laat de last los, teneinde armenzwaaiend het evenwicht te bewaren. Hij dus ook. Zijn collega’s, verrast door de plotse gewichtstoename, begonnen eveneens te wankelen. En zie … de kist maakte eerst een onzachte landing op de arduinen treden en dokkerde vervolgens met sneltreinvaart naar beneden. Er was geen houden meer aan. Met een doodsmak botste ze op de vloer en kantelde. Van de weeromstuit knalde het deksel open en … het dode heertje schoot als een duivel uit een doosje tevoorschijn en gleed in zijn zondagse pak naar me toe. Ik gilde als een konijn in de beet van een wezel en deinsde naar ik weet niet waar.
─”Zijn jullie nu helemaal van god los!?” riep ik verontwaardigd. ‘Gaan we d’r een beetje mee gooien, ja?’
Het opperhoofd der lijkdragers keek me aan, haalde de schouders op en sprak onbewogen:
─”Hij is dood, dus kan hij het hebben.”

Terwijl ik de trap oprende, bracht mijn hart een ode aan de mensen die gestorven zijn en te weinig applaus kregen. Het heertje had in zijn leven vermoedelijk niets opzienbarends verricht, maar … hij vertrok niet zonder slag of stoot. Alle worstjes op een stokje!

Smeulend onder de gordel

Ik doe het er echt niet om, maar ik zal het vandaag nog maar eens over een van mijn hebbelijkheden hebben. In de loop der jaren heb ik me daar toch een zootje rare aanwensels op de hals gehaald.

Toen ik nog klein en ontvankelijk was ─ hoelang is dat wel niet geleden? ─ hoorde ik het kringspiervernauwende verhaal van een vrouw, die zich op een toilet neerliet om er aan een natuurlijke behoefte te voldoen. Terwijl ze zich van die taak kweet, gebeurde het ondenkbare: ze voelde hoe iets langs haar … eh … wereldkaart gleed. Onder het slaken van een gil sprong ze overeind en toen zag ze een rat uit de pot glippen. Kus nu mijn klooster! Daar wil je toch niet bij zijn! Ik mag van harte hopen dat ik zoiets nooit hoef mee te maken.

Sindsdien benader ik wc’s met de grootste omzichtigheid. Als ik een bout moet uitdraaien, onderwerp ik de ontvanger ervan eerst aan een nauwgezette controle en voor ik me op de troon nestel, breng ik het spoelmechanisme in werking. Ik weet dat ik zodoende water verspil, maar in mijn geval is het een conditio sine qua non.

In onze contreien zijn sanitaire toestellen meestal in hoge mate zindelijk. Prijs de hemelen! Anders is het gesteld in de achtergebleven gebieden, die zich bovendien vaak in de tropen bevinden, waar allerhande gevaarlijk en giftig gespuis goed gedijt. De geit gaan verzetten of een knijpbriefje afvaardigen zijn daarginds risicovolle bezigheden, want zelfs het kleinste scharminkeltje beschikt mogelijkerwijze over een beet of een angel, waarmee het groot onheil kan stichten.

Vooral de Lactrodectus mactans, beter bekend als de zwarte weduwe en nauwelijks anderhalve centimeter groot, houdt zich graag in de buurt van toiletten op en verschuilt zich niet zelden onder de bril. Hoewel de beet van deze dame niet zo extreem gevaarlijk is als men vaak beweert, kan die toch voor heel wat narigheid zorgen, zoals bijvoorbeeld verlammingsverschijnselen, en zelfs fataal zijn als men niet tijdig ingrijpt.

Nu hebben wetenschappers iets merkwaardigs ontdekt: mannen die ooit door een zwarte weduwe gebeten zijn, hebben vaak last van persistente erecties. Nu ja … last? Persoonlijk zou ik er absoluut geen bezwaar tegen hebben als het leven me zo nu en dan met een hardnekkige kruisraket opzadelt, maar of ik bereid ben om me daarvoor een zwarte weduwe aan te schaffen … Nee, dat denk ik niet.


viagra

Apocalyptische slachtpartijen

De nachtvertoningen tijdens mijn slaap beginnen me te beknellen. De ongenode wezens die mijn dromen bevolken, zijn vaak echte griezels. Soms ben ik getuige van gorgonische taferelen. Dat benauwt flink. Bovendien ontpop ik me regelmatig tot een grotere schoft dan Attila de Hun ─ de Gesel Gods ─ die verstoken van elke moraal het absolute kwaad belichaamt.

Zo maakte ik onlangs een oud vrouwtje van kant. Ik meen het! Ik herinner me niet welk strobreed ze me in de weg legde, maar toch heb ik haar gewurgd. De beelden ervan staan ten eeuwigen dage op mijn netvlies gegrift en neem gerust van me aan dat het geen verheffend schouwspel is. Vervolgens verstopte ik het lijk achter een houtmijt, die zich in het echt op nog geen kilometer van mijn deur bevindt en waar ik dus regelmatig aan voorbijkom. Sinds die droom durf ik nog nauwelijks naar de opeengestapelde stammetjes te kijken en voel ik telkens hoe een koude klauw me in de nek grijpt.

Vannacht heb ik een terroristische aanslag gepleegd. Ik bracht een bezoek aan het Atomium ─ de Brusselse Eiffeltoren met ballen ─ en plantte daar een bom. Op veilige afstand sloeg ik de ontploffing ervan gade. Nou moe, dat was niet gering … maar toen rolde opeens een van die reusachtige bollen in sneltreinvaart mijn richting uit. Ik kon die niet ontwijken …

Nu ben ik dus dood. En wakker!

Een West-Vlaamse ‘kobbe’

In de afdeling groente en fruit van de supermarkt weerklonk eensklaps een ijzingwekkende kreet, die zo te horen aan de boezem en de keel van een vrouw ontsnapte.

Gelijk viel alle bedrijvigheid stil. Allen daar aanwezig hielden de tred en de adem in, richtten het hoofd op, spitsten de oren … en vervolgens kreeg nieuwsgierigheid de overhand. Men repte zich naar de plaats waar de hallucinante gil vandaan kwam. Twee winkelbedienden in blauwe jassen hadden zich reeds over het ontredderde slachtoffer ontfermd. Bleek als merg en met een huiver in de stem deed ze kond van haar wedervaren.

Ze had zich een kam bananen toegeëigend en terwijl ze die in haar wagentje deponeerde, dook plots een enorme spin op. Het formaat dat ze aanduidde, stemde ongeveer overeen met dat van een volwassen tarantula. Ze voelde en zag het beest over haar hand kruipen … Toen slaakte ze die gil en zwiepte ze zo woest met de arm, dat het ongedierte het luchtruim koos en met een keizerlijke boog in een krat met aardappelen terechtkwam. De omstanders staarden met eensgezinde afschuw naar die ordinaire knollen.

Het personeel liet er geen gras over groeien en begon onverwijld het beest op te sporen, tot iemand opmerkte dat ze maar beter uit konden kijken.
─“Straks is ‘t zo’n giftig exemplaar dat met het schip uit de tropen is meegereisd”, zei de man.

Daar hadden de bedienden niet van terug. Ze keken elkaar onzeker aan en besloten toen handschoenen aan te trekken. Hetgeen geschiedde. Omzichtig maakten ze vervolgens de bak leeg, maar de spin liet zich niet verschalken.

Hoewel ik van plan was om zowel aardappelen als bananen in te slaan, heb ik dat maar niet gedaan. Met die spin op vrije poten kun je er donder op zeggen dat die zich uitgerekend in mijn tros zal verschuilen. Me van geen kwaad bewust zou ik vanavond een banaantje plukken, een gemene beet krijgen en schielijk het tijdelijke met het eeuwige verwisselen.

Het rouwende woud

De documentaire nam me op sleeptouw en bracht me gezwind naar een plaats hier ver vandaan, waar wouden en struiken in zulke dichte drommen samentroepten, dat die op kroezige broccoli leken als men ze in vogelperspectief bekeek. Ik bevond me in het regenwoud op de oevers van de machtige Amazone.

Daar huisvestte een hoge boom een drietenige luiaard van vrouwelijke kunne, die men voor het gemak met de in mijn oren welluidende naam Luana bedacht. Luana zat daar een beetje te zitten en hing daar wat te hangen, want meer mag men van een luiaard niet verwachten. Of toch? Iedere week daalde ze een keer op uiterst slome wijze af naar de begane grond, om daar een plasje te plegen en een bout uit te draaien, waarna ze opnieuw en nog trager dan een luis op een teerton omhoogklauterde. Dat bleef duren. Nee, luiaards hebben gewis hun naam niet gestolen en doen die bovendien alle eer aan.

Desalniettemin was luie Luana op de een of andere manier zwanger geraakt. Je houdt het haast niet voor mogelijk.

Men liet me in het ongewisse omtrent de juiste toedracht van haar bevruchting, dus liet ik mijn fantasie maar even de vrije loop. Tijdens een van haar sanitaire uitstapjes was er wellicht onverhoeds een seksuele delinquent uit het struikgewas gesprongen … Nu ja, een springende luiaard vond ik nogal vergezocht, dus hield ik het op een verkrachter die haar uiterst behoedzaam besloop, om zich vervolgens op slome wijze aan liederlijke uitspattingen over te geven. Het was immers geen aangenomen werk.

Dientengevolge kocht Luana een kindje — een luiaardje — en gemakshalve deed ze dat op een toch wel zeer oncomfortabele plek, namelijk op een tak in de boomkruin. Ik geef het jullie te doen! Voor hetzelfde geld plofte die vrucht van haar schoot gelijk de dieperik in, doch gelukkig was dat niet het geval. We zagen vervolgens hoe ze haar dochtertje, Xada, karnoffelde en liefdevol verzorgde, maar op een dag … Ach, het is eigenlijk te treurig voor woorden.

Luana kwam naar beneden, omdat ze naar het toilet moest, en ze had nog maar net de terugtocht aangevat toen er jonge poema op het toneel verscheen. Aangezien er reeds onheilszwangere muziek weerklonk, hield ik mijn hart vast.
─“Zet toch een tandje bij!” spoorde ik Luana aan, maar ze liet zich niet haasten en bleef zich tergend traag naar boven hijsen.
De poema nam een aanloop en klauterde haar achterna, maar slaagde er niet in bij haar te komen.
─“Morgen brengen!” riep ik treiterend en vervolgens richtte ik me weer tot Luana: “Allez, moeven meisje! Trek even een sprintje!”
Ook de tweede poging van de poema mislukte, maar de derde …

Ik had het hoofd afgewend en zag dus niet hoe Luana verslonden werd. Ik hoorde enkel wat smakkende geluiden en het sinistere geluid van scheurend vlees en krakende beenderen.

Hoog in de boomkruin wachtte Luana’s dochtertje heel lang en geduldig op haar moeder. Toen die niet opdaagde, begaf Xada zich naar beneden, scharrelde daar hulpeloos rond en slaakte door merg en been dringende piepgeluidjes. Van aandoening snoot ik mijn neus en staarde door ogenzilt naar het lieftallige snoetje van dat weesje, want luiaards dragen een eeuwige glimlach, zelfs als verdriet ze overmant.
─“Och, welhere dat dutsje!” lispelde ik.
Dat hakte er zo in! Het scheelde echt niet veel of ik gaf me over aan het zoet genot der tranen, maar ik ben een man en hield het droog.

Kijk, ik moet me werkelijk inhouden, of ik koop een ticket en begeef me als de vliegende reetscheet naar de Amazone, om daar eigenhandig die godverse poema te wurgen.