Tag: winkelen

De paden op, de lanen in

Alles liet veronderstellen dat er ons een schitterende lentedag te wachten stond, zodat ik al vroeg in de ochtend besloot een fietstocht te ondernemen.
“Werwaarts?” vroeg ik aan mezelf, want op sommige dagen durf ik al eens mijn toevlucht te nemen tot archaïsch taalgebruik, teneinde ouderwetse woorden nieuw leven in te blazen, indien al niet voor uitsterven te behoeden.

Mijn keuze viel op Veurne. Een paar dagen eerder had ik immers een folder over streekproducten in handen gekregen en daarin maakte men melding van de Veurnse babelutten: boterkaramellen, waarvan ik er in mijn jeugd kilo’s verslonden heb. Alleen al de naam deed me watertanden en ik had me voorgenomen om me bij de eerste de beste gelegenheid naar Veurne te begeven, om daar een voorraadje van dat snoepgoed in te slaan. Nu ligt dat stadje niet bepaald dicht bij mijn deur. Derwaarts ─ oud woord ─ moet dat ongeveer veertig kilometer zijn en herwaarts ─ nog een oud woord ─ natuurlijk ook, of wat hadden jullie gedacht? Om niet langer dan nodig onderweg te zijn en vooral ook om niet te verdwalen, gaf ik de op mijn fietsstuur bevestigde gps de opdracht om mij te begeleiden.

Het toestelletje bracht me tegen de middag in een dommelig dorp met de merkwaardige, edoch ─ oud woord ─ enigszins poëtische naam, Mannekensvere ─ wat slordig neergelegde huizen die beschutting zoeken onder een kerktoren ─ waar ik zowaar een restaurant aantrof. Ik nam plaats op het terras en had nog maar net mijn aperitief voorgezet gekregen, of een nogal luidruchtig stel palmde de belendende tafel in en zowel zij als hij zogen gelijk de brand in een forse sigaar. Mijn eetlust kringelde weg, samen met de stinkende rookwalmen die ze produceerden. Ik heb me koest gehouden, maar het heeft niet veel gescheeld.

Ik fietste verder en kwam bijna in Nieuwpoort terecht, maar mijn gps liet me links afslaan en binnen de kortste keren bevond ik me op het jaagpad van de waterweg die Veurne met de kust verbond. Ik prees me gelukkig dat alle honden die ik op mijn weg ontmoette, en dat waren er niet weinig, keurig aan de lijn liepen, maar toen werd ik opeens door twee enorme ganzen aangevallen, zodat ik even een sprintje moest trekken om aan ze te ontsnappen. Niet veel later reed ik me vast in een kudde schapen, die doodgemoedereerd over het jaagpad laveerden. Een herder was in geen velden of wegen te bespeuren.

Op kasseienstraatjes hobbelde ik Veurne binnen. Ik heb in mijn leven nooit een doodser en vertierlozer stadje gezien. Er was daar geen levende ziel op straat. Alleen de terrassen op het marktplein hadden wat klandizie kunnen verwerven, maar verder viel er niets te beleven. Ik zocht me ongeveer de pleuris naar babelutten, maar ik heb die nergens kunnen vinden. Wat is dat toch met al die streekproducten en specialiteiten? Je moet eens proberen om in Diksmuide Diksmuidse boter te vinden. Ik heb het, geloof ik, al honderd keer geprobeerd. Zonder resultaat. Ik zal mijn babelutten via internet moeten kopen.

Daar kun je mee lachen

Ik heb een vriendin, Ingrid, die met een buitengewoon vlotte babbel gesierd is. Bovendien heeft ze altijd wel een grapje klaarzitten. Als je in haar gezelschap vertoeft, vliegen de kwinkslagen je klitsklats om de oren en deelt ze woordspelingen uit als waren het strooibiljetten.

We waren samen in Colruyt. De kassabediende die ons aan de kassa bediende ─ hoe verzin ik het? ─ leek me een nogal afgesloten type. Er kwam immers geen woord over zijn lippen, laat staan dat hij een glimlachje in stelling bracht.
“Die heeft vannacht niet gemogen”, fluisterde Ingrid me toe.
Iets later vertrok ze met de winkelwaar naar de auto op de parkeerplaats, terwijl ik achterbleef om die te betalen. De kassier leek plots te ontdooien. Opeens had hij wel een aardige manier van doen. Dat vertelde ik aan mijn vriendin toen ik me bij haar voegde.
“’t Zal een homo zijn”, luidde haar commentaar.

Kort daarna bevonden we ons in een apotheek, waar Ingrid onder meer een tube triAnal bestelde: een zalf die personen met aanleg voor aambeien graag in de groeve tussen hun kadetjes aanbrengen.
─”Er bestaan aangenamere producten”, zei het vrouwmens dat daar op dat moment de dienst uitmaakte.
Aangezien dat gebeurde ten aanhoren van allen daar aanwezig vond ik dat een hogelijk ongepaste opmerking.
─”Ik vind de smaak ervan nochtans heel lekker”, repliceerde Ingrid laconiek.
Ik lag in een deuk. Het scheelde niet veel of men moest me reanimeren. Je had dat vrouwmens moeten zien kijken. Alsof ze snot zag branden.

Terwijl ze toch bezig was, diste Ingrid me vervolgens nog een vermakelijke anekdote op. Toen ze op een keer zeer tegen haar zin in een ziekenhuisbed vertoefde, had haar kamergenote een zetpil aangereikt gekregen. Pas toen zij er zich over beklaagde dat het ding wel heel vies smaakte en bovendien hardnekkig aan haar verhemelte bleef kleven, bleek dat ze het tuigje in de verkeerde lichaamsopening ondergebracht had.

Ingrid was toen bijna uit haar bed gerold van het lachen.

Beter een kleine plezante …

Ik passeerde een kraam waar men pizza’s verkocht en zie: hoewel ik hoegenaamd niet zwanger ben, kreeg ik opeens rare trek en wel in die mate dat het water me zowat in de mond liep.

Ik raadpleegde een wijle het prentenkabinet van hetgeen ze me konden aanbieden en toen ik aan de beurt was, bestelde ik:
─”Een pizza met chorizo en champignons om thuis te bakken.”
─”Een grote of een kleine?” vroeg men mij.
─”Een grote!” antwoordde ik stellig, want mijn ogen durven nogal eens groter te zijn dan mijn buik.

Kreeg ik me daar een pizza met de diameter van een Grieks eiland. Ik bracht die naar huis en kwam daar tot de ontdekking dat niet enkel mijn ogen groter dan mijn buik waren, maar dat ook de pizza groter was dan de oven waarin ik die wou bakken. Ik zag me genoodzaakt om die in een ouderwets fornuis in de garage onder te brengen.

Een tiental minuten later zette ik het op een geweldig eten, maar ik ben er niet in geslaagd om die mastodont in één keer op te vreten, niettegenstaande mijn kerelshonger. Bovendien was het ding veel minder lekker dan ik verwacht, of toch zeker gehoopt had. Ik kreeg er gemarineerde oprispingen van.

Als ik nog eens rare trek heb, zal ik zelf wel wat samengooien.

Beter een kleine plezante dan een grote ambetante.

Als de vliegende reetscheet

Vanmorgen om 08.03 uur bij de warme bakker:
Ik: Een Waldkornbrood alstublieft.
De bakkersvrouw: Die zijn er nog niet. Om 9 uur pas.

Vanmorgen om 09.01 uur bij dezelfde warme bakker:
Ik: Een Waldkornbrood alstublieft.
De bakkersvrouw: Die zijn al uitverkocht, meneer.

Ik heb alvast een mailtje gestuurd naar het Guinness Book, want het kan haast niet anders of dit moet een wereldrecord zijn. ‘Verkopen als warme broodjes’ luidt de zegswijze in Van Dale. Van mij mogen ze die warme broodjes in de volgende editie door Waldkorn vervangen.

Blikschade en gekwetste trots

Tegen beter weten in heb ik me vanmorgen toch nog een keer naar de Colruyt gewaagd. Ze hebben me geschreven dat ik nergens goedkopere leeftocht kan vinden en het overkomt me vaker dat ik me door reclameslogans laat beïnvloeden. Ik ben ook maar een mens.

winkelwagenIk heb hier denkelijk al eens vermeld dat ik me tijdens het winkelen geregeld aan opzienbarend gedrag overgeef. Het besturen van een winkelkarretje krijg ik maar niet onder de knie. Ik bots overal tegenaan en dan prijs ik me gelukkig als ik tegen een robuust voorwerp oprijd, want voor hetzelfde geld kegel ik een wankele toren conservenblikken omver of maai ik een labiele constructie keukenrollen tegen de vlakte. In de Colruyt waar ik klant ben, weten ze dat. Het is dan ook niet te verwonderen dat er bij het personeel enige nerveusheid, indien al niet wat animositeit te bespeuren valt als ik op de parkeerplaats verschijn. Ik vermoed dat men, terwijl ik mijn auto verlaat en naar de ingang keutel, nog snel wat voorbereidingen treft om mijn passage door de gangen ongehinderd te laten verlopen. Als ik binnentreed, gebaren ze natuurlijk van krommenaas, maar ik merk het wel dat ze een beetje staan na te hijgen. Ik ben ook niet van gisteren.

Vandaag zat het me echter mee. Ik slaagde erin zonder akkefietjes de hele winkel te doorkruisen. Ook mijn doortocht aan de kassa verliep vlekkeloos. Toen stond ik buiten en ik voelde me zo uitgelaten, dat ik zin kreeg om een alombekend lied aan te heffen: Ik heb mijn wagen volgeladen, vol met oude wijven … Ik deed het niet, want dat zou belachelijk geweest zijn, omdat er zich geen enkel oud wijf in mijn karretje bevond. Ook geen jonge overigens.

Ik wou mijn waren in de koffer opbergen, doch diende eerste wat mappen en documenten op te ruimen. Terwijl ik me daarmee onledig hield, hoorde ik opeens een klap. Ik keek op … Mijn wagentje was op het ietwat hellende asfalt helemaal vanzelf op de loop gegaan en tien meter verderop tegen een auto gesmakt.

Ik heb net mijn wedervaren aan een vriendin verteld en besloot mismoedig:
─”Het heeft helaas niet lang mogen duren, maar ik ben toch heel even gelukkig geweest.”
─”Jij hebt duidelijk een minderwaardigheidscomplex”, zei ze, “en dat is volkomen terecht.”

Een West-Vlaamse ‘kobbe’

In de afdeling groente en fruit van de supermarkt weerklonk eensklaps een ijzingwekkende kreet, die zo te horen aan de boezem en de keel van een vrouw ontsnapte.

Gelijk viel alle bedrijvigheid stil. Allen daar aanwezig hielden de tred en de adem in, richtten het hoofd op, spitsten de oren … en vervolgens kreeg nieuwsgierigheid de overhand. Men repte zich naar de plaats waar de hallucinante gil vandaan kwam. Twee winkelbedienden in blauwe jassen hadden zich reeds over het ontredderde slachtoffer ontfermd. Bleek als merg en met een huiver in de stem deed ze kond van haar wedervaren.

Ze had zich een kam bananen toegeëigend en terwijl ze die in haar wagentje deponeerde, dook plots een enorme spin op. Het formaat dat ze aanduidde, stemde ongeveer overeen met dat van een volwassen tarantula. Ze voelde en zag het beest over haar hand kruipen … Toen slaakte ze die gil en zwiepte ze zo woest met de arm, dat het ongedierte het luchtruim koos en met een keizerlijke boog in een krat met aardappelen terechtkwam. De omstanders staarden met eensgezinde afschuw naar die ordinaire knollen.

Het personeel liet er geen gras over groeien en begon onverwijld het beest op te sporen, tot iemand opmerkte dat ze maar beter uit konden kijken.
─“Straks is ‘t zo’n giftig exemplaar dat met het schip uit de tropen is meegereisd”, zei de man.

Daar hadden de bedienden niet van terug. Ze keken elkaar onzeker aan en besloten toen handschoenen aan te trekken. Hetgeen geschiedde. Omzichtig maakten ze vervolgens de bak leeg, maar de spin liet zich niet verschalken.

Hoewel ik van plan was om zowel aardappelen als bananen in te slaan, heb ik dat maar niet gedaan. Met die spin op vrije poten kun je er donder op zeggen dat die zich uitgerekend in mijn tros zal verschuilen. Me van geen kwaad bewust zou ik vanavond een banaantje plukken, een gemene beet krijgen en schielijk het tijdelijke met het eeuwige verwisselen.