Tag: horeca

Van den frisse!

Onlangs had ik geen zin om voedsel in mekaar te frotten, laat staan om koninklijk te koken. Nu heb ik een godsgruwelijke schurfthekel aan het coronapaspoort en het verplicht gebruik ervan. De opgewekte muziek van Vivaldi staat in schril contrast met de treurmarsen die de regering met dezelfde naam ─ hoe durven ze!? ─ ons blijft opsolferen. Van mij mogen de dames en heren gezagdragers allemaal korte armpjes krijgen, zodat ze zich niet kunnen krabben als er mieren in hun edele delen bijten. Maar goed, laat me nu vooral in galop ter zake komen.

Gewapend met een van dat vermaledijde paspoort voorziene aaifoon begaf ik me naar een in een bospark gelegen en door de horeca geëxploiteerd kasteeltje, waarin ik af en toe mes en vork in stelling breng en pleeg te gedijen. Daar vestigde ik me aan een raam en terwijl ik me aan iets pittigs in een tumbler verlustigde, volgde ik het doen en laten van de schaarse passanten.

Hoewel de zon haar beste straaltje voorzette en thermometers twaalf celsiusgraden besnuffelden, viel het me op dat de meeste wandelaars ingeduffeld waren alsof er een nieuwe ijstijd naakte. Ik vraag me af hoe ze zich zullen aantodderen als het eerlang, misschien zelfs binnenkort, een steen dik zal verliezen.

Het viel me eveneens op dat velen van hen veel meer belangstelling voor hun mobieltjes aan den dag legden, dan voor de mysterieus om hen heen woekerende natuur. De bomen zijn dit jaar weliswaar treuzelig aan de herfst begonnen, maar nu zijn ze volop slordig met hun blaren, om zich binnenkort in de feesttooi van de dood te hullen.

Ach, in de herfst val ik nogal licht ten prooi aan melancholie, een soort verdrietigheid waarover men niet klaagt, en dan is het eventjes weer vroeger: een vroeger dat inmiddels een zee van tijd is, waarin ik met steeds meer overgave verdrink. Naar verluidt, is nostalgie de eerste ouderdomskwaal die zich in je nadagen aandient.

Twee forse koebeesten van vrouwen ─ hun uiterlijk verried dat ze wel vaker lekker gegeten hadden, want ze waren woedend opgesloten in hun vet ─ rukten me uit mijn gemijmer toen ze hun niet geringe hoeveelheid kilogrammen aan een belendende tafel neerlieten. Ze hadden geen van beiden nog olie in de lamp en zaten na te hijgen als postpaarden. Het duurde dan ook even voor ze in staat waren om het woord tot de kelner te richten.
─”Voor mij een cola zorro!” zei de ene.
─”Je zult een zero bedoelen”, verbeterde de andere haar.
─”Een zero!” was haar gezellin het met haar eens. “Ik heb een kat gehad die Zorro heette en ik blijf die opvoeren.”

Iets verderop waren zes krasse knarren van beiderlei kunne neergestreken en ze glunderden in jolig groepsverband hun ouderdom weg. O, wat hadden die een gein met elkaar. Toen een Knokse wielerclub, De Kletse Kieten ─ de kale kuiten ─ onverhoeds ter sprake kwam, beleefden ze daar met zijn allen monumentaal veel plezier aan en ze kwamen er haast niet meer overheen. Het werkte zo aanstekelijk dat ik onverwacht in een goed humeur sukkelde en nogal verheerlijkt zat te kijken, hetgeen door de voorbijkomende eigenares van het etablissement opgemerkt werd.
─”Heb je binnenpretjes?” vroeg ze.
Ik maakte een hoofdbeweging in de richting van het vrolijke gezelschap.
─”Die zijn duidelijk van de ketting”, gnuifde ik. “Het scheelt niet veel of we zullen ze moeten reanimeren.”
─”Het zijn mijn ouders”, biechtte ze op, met behoud van een weliswaar niet echt gemeende glimlach.

En zo werd het toch nog een heel aardige en gedenkwaardige middag, al had ik misschien toch beter mijn klep kunnen houden.

KletseKieten

Carmiggelt achterna

In navolging van de nochtans onnavolgbare Simon Carmiggelt, die op superieure wijze de gesproken werkelijkheid vermocht te betrappen, heb ik de ietwat bedenkelijke gewoonte om mijn aanwezigheid in horecabedrijven op te leuken met het stiekem beluisteren van de conversaties die zich rondom mij voltrekken.

Het is een verrijkende bezigheid, want zo hoor je nog eens wat en de interessantheden die ik hoor, pleeg ik toe te vertrouwen aan het beruchte ‘calepingske’, dat ik hier al meerdere keren opvoerde.

Hieronder trakteer ik jullie op een bloemlezing van wat ik in de voorbije maanden tijdens het luistervinken bijeen sprokkelde en oogstte:

─”Doe je dat thuis ook?” foeterde de vrouw toen haar disgenoot een niet bepaald delicaat scheetje liet.
─”Vanavond ga ik uit!” poneerde het meisje met grote stelligheid. “Dan steken we je morgen weer aan”, antwoordde de man die vermoedelijk haar vader was.
─”Wil je het licht uitdoen als je bovenkomt?” mopperde de vrouw tegen haar gezel die verwoed in zijn neus zat te peuteren.
─”Nu moet ik toch even mijn hersens interviewen”, zei de man die een lastige vraag voorgeschoteld kreeg.
─”Men zou geld voor je moeten inzamelen,” vond ze, “want je bent gehandicapt.”
─”Wie het lang heeft, laat het lang hangen en wie het nog langer heeft, laat het slepen.”
─”Oud worden vind ik niet erg. Het is dat lelijk worden.”
─”Ik hou van hem, maar ik hoef geen nieuwe als hij stuk is.”
─”Ik kook niet vaak en als ik het wel doe, dan is het van woede.”
─”Ik zal mijn mond maar houden”, zei de man. “Doe dat!” zei de vrouw. “Ik wil hem toch niet.”

Asociale stukken chagrijn

Terwijl ik me op VIER in De Slimste Mens zat te verkneukelen, probeerde dat televisiezendertje me per lokfilmpje te verleiden om vanaf volgende week hun nieuwe docureeks ─ Ja, chef! ─ met mijn aandacht te vereren. Het programma zal naar verluidt de keukens van vijf ambitieuze chef-koks induiken en registreren wat zich daar allemaal afspeelt.

Een van die vijf is ene Patjim Bajrami, van Kosovaarse afkomst en een plomp en onbehouwen heerschap. Hij is de mening toegedaan dat men met een brutale bek al een heel eind komt en hij banjert derhalve ongehoord bot door het leven en door zijn keuken. De zeven paarden die hem uit de klei getrokken hebben, staan daarvan nog na te hijgen. De manier waarop die hemeltergende bullebak met zijn personeel omspringt, is wraakroepend. Een bulldozer heeft meer charme.

Volgens zijn eigen ‘bescheiden’ zeggen wil die hork de beste chef van België worden en drie Michelinsterren veroveren. Van mij kan hij alvast drie West-Vlaamse schoppen onder zijn Kosovaarse kloten krijgen, want ik maak mijn handen niet vuil aan een fluim. Misschien dat hij dan weliswaar geen drie sterren verovert, maar hij zal ze toch zeker zien en zelfs meer dan drie.

Ik crepeer nog liever van de honger dan dat ik me naar het etablissement van zo’n primaat ─ De Stadt van Luijk in Sint-Truiden ─ zou begeven.

Een vergiftigd geschenk

Welke onnozele halzen zijn er in vredesnaam op het onzalige idee gekomen, om ons in deze door corona geteisterde tijden met een dozijn gratis treinritten op te zadelen? Dat kunnen volgens mij enkel geitenwollensokken geweest zijn: de achterlijke troel Almaci, die aan de bron der intelligentie slechts de lippen bevochtigd heeft, of anders de zielenpoot Calvo, wiens oogopslag slechts een minimum aan hersenactiviteit doet vermoeden.

Kennissen van me spoorden gisteren gratis van Brugge naar Hasselt. Dat is ze uitermate slecht bekomen. Ze zaten bijna drie uur in een tot de nok gevulde en derhalve risicovolle trein, beiden uitgerust met de verplichte, maar in niet geringe mate hinderlijke mondmaskers. Toen ze na deze martelgang op hun bestemming arriveerden, bleken ze nergens terecht kunnen om wat te blikken of de keel te smeren. Alles zat potdicht. Dan gaat een mens toch echt wel even balen. Dat deden ze uitgebreid en dan moesten ze nog dat hele eind terug naar huis.

Hier volgt derhalve een goede raad voor zij die, niettegenstaande de benarde omstandigheden, toch van die gratis ritten gebruik willen maken. Wie die niet ter harte neemt, doet dat op eigen risico:
Neem een stapel aangeklede boterhammen en een volle thermosfles mee!

Mij krijgen ze daar alleszins niet voor. Ik doe er niet aan mee en kus nog liever een kakkerlak. Ik heb niet voor het zootje ongeregeld van de Vivaldicoalitie gekozen ─ ga daarmee naar den oorlog! ─ en ik heb slechts weinig, om niet te zeggen geen vertrouwen in wat ze allemaal bekokstoven. Het is allemaal lauwe limonade met een rietje, geserveerd door een stelletje nulliteiten. Ze kunnen de pot op met hun ‘cadeautjes’ waar wij, belastingbetalers, toch voor zullen opdraaien.

Valentijn(tje)

Ik heb kind noch kraai en er is ook niemand die mij in die mate gaarne ziet, dat ze me ter gelegenheid van Valentijn gezelschap houden, of me met een liefdevolle attentie bedenken. Het zal jullie duidelijk zijn dat ik daardoor ten prooi val aan grote eenzaamheid, hetgeen me evenwel geen ene moer kan verblotekonten.

Om het mes nog wat dieper in de wond te steken, sturen de restaurants, waar ik af en toe niet alleen mijn neus maar ook de rest van mijn lichaam laat zien, me folders toe, waarmee ze me tot het nuttigen van de liefdemalen die ze met Valentijn aanbieden proberen te verleiden.

Wat me daarbij opvalt en zelfs enige irritatie bij me opwekt, is het nogal kinderachtige en alleszins overdreven gebruik van verkleinwoorden, waarmee die voedselverstrekkende etablissementen hun menu’s larderen. Ze hebben het over kikkerbilletjes, visschelpjes, eitjes, varkenshaasjes, gerechtjes, frietjes, kroketjes, groentjes, worteltjes, erwtjes, aardappeltjes, boontjes, hapjes, dessertjes, mosseltjes, sausjes … en nog veel meer van die pietluttigheden. Om het met de woorden van Greta Thunberg te zeggen: Hoe durven ze?!

Als ik zo’n menu onder ogen krijg, denk ik altijd dat er slechts heel weinig voedsel op mijn bord zal belanden. Gelukkig heeft niemand me met Valentijn voor een romantisch eten uitgenodigd, zodat ik me daaromtrent geen zorgen hoeft te maken.

Ik zal me thuis, helemaal in mijn eentje, aan het verorberen van een biefstuk wijden, een lap vlees die zo groot is dat men er een pak kan van maken, of me anders verlustigen aan een pizza met het formaat van een vrachtwagenwiel.

Te mijnent is schraalhans geen keukenmeester.

Krasse knarren

Door Jut en Jul verlaten zat ik in een restaurant, waardoor ik ten prooi viel aan grote eenzaamheid. Aangezien ik geen conversatie hoefde gaande te houden, had ik ruimschoots de tijd om allen daar aanwezig te observeren.

In een hoek van de gelagkamer hadden een man en een vrouw tegenover elkaar aan een tafel plaatsgenomen. Ze waren beiden oud en der dagen zat en aten niet zozeer met lange, dan wel met trage tanden. Ze wisselden geen woord en slaagden er niet in hun bord leeg te eten, dus verzochten ze de serveerster, tevens eigenares van het etablissement, om de overschotten dusdanig te verpakken dat ze die mee konden nemen, verzoek waar de bazin in alle vriendelijkheid gevolg aan gaf.

De man dronk nog een biertje en de vrouw verlustigde zich aan een kop koffie. Terwijl ze die vloeistoffen stilzwijgend tot zich namen, leken ze bijwijlen zelfs in te dommelen. Toen ze ontwaakten, maakten ze gelijk aanstalten om te vertrekken. Met de moeite die eigen is aan de ouderdom en met deprimerend gesjok naast een wandelstok verlieten ze het pand.

─”Hoe oud zijn die mensen eigenlijk?” vroeg ik aan de waardin.
─”Hij is vierennegentig en zij achtentachtig,” vernam ik, “maar ze verzetten zich wel hardnekkig tegen het oud worden.”
─”Hoezo?” fronste ik.
─”Kijk maar!” zei ze en ze wees naar een raam, waar op dat moment een dakloze, maar niettemin zeer dure sportwagen in mijn vizier verscheen.
Aan het stuur zat de oude dame. Naast haar werd haar nog bejaardere echtgenoot ietwat schabouwelijk overeind gehouden door een veiligheidsgordel.

De chauffeuse gaf een flinke dot gas en weg waren ze!

Als we maar leut hebben

Ik ben een gulzige, ja zeg maar gerust een schier onverzadigbare gebruiker van de brave vloeistof die koffie heet: het bakje leut met andere woorden.

Om die nooddruft te lenigen pleeg ik een toestel van Senseo in te schakelen. Hoewel ik me al jaren allerhande merken en koffiesoorten aanschaf, heb ik tot op heden nog steeds mijn gading niet gevonden. De pads Moka Royal van Douwe Egberts benaderen nog het meest hetgeen ik zoek, te weten de geurige, appetijtelijke kop koffie die men meestal in drankgelegenheden en restaurants voorgezet krijgt, maar geen enkel koffiekussentje kan die eigenschappen evenaren, wat me bijna tot wanhoop drijft. Zal ik me van kant maken, of moet ik me werkelijk zo’n heel duur apparaat met een Italiaanse naam aanschaffen om aan mijn trekken te komen?

Het zal nog eens zo gaan dat ik noodgedwongen op thee overschakel en ik hou niet van thee. Hoewel … met de melange ─ dat is een chic woord voor mengsel ─ ‘Het Geheim van Toetanchamon’ brouw je niet bepaald een inferieur drankje en zou me eventueel wel kunnen vermurwen.

Het Geheim van Toetanchamon … Zoiets verzin je toch niet! Tja, ieder kind moet een naam hebben natuurlijk.

Eten op een koopje ─ 2

Ik kreeg het verzoek om in het dienstencentrum van mijn woonplaats wat vertaal- en redigeerwerk uit te voeren en ik gaf daar gevolg aan.

Als je niet op pauwentongetjes uit bent, kun je in dat complex ook een middagmaaltijd nuttigen, voor de toch wel zeer democratische prijs van € 8, dus vroeg ik de dag voordien aan internet wat ze me te bieden hadden, want men diende wel te reserveren. Dat was een jardinièresoep, gevolgd door een zeefantasie met spinaziepuree, vergezeld van een drankje naar keuze, en tot slot een niet nader omschreven dessert. Ik deelde ze per telefoon mee dat ze me ‘s anderendaags mochten verwachten.

Die middag begaf ik me naar het restaurant, vestigde met daar aan een tafel en kreeg binnen de kortste keren een soep voorgeschoteld, die weliswaar een groente bevatte, maar in geen geval het salmagundi ingrediënten dat men in een jardinière verwacht aan te treffen. De zeefantasie die ik vervolgens kreeg, was duidelijk een op hol geslagen fantasie, want volgens mij afkomstig van het toch wel zeer zeldzame zeezwijn en de puree bevatte de oranjekleurige brokken van de ook al weinig bekende wortelspinazie.

─”Ik heb tot nu toe niets gekregen van wat het menu op internet vermeldt”, zei ik tegen de vrouw die daar de dienst uitmaakte. “De soep was geen jardinière, het vlees kwam alleszins niet uit zee, maar uit een varken, en de puree bevatte geen greintje spinazie.”
─”Ik weet het”, antwoordde ze schouderophalend. “Het cateringbedrijf heeft zich waarschijnlijk vergist.”

Ik vond dat ze me dat eigenlijk had moeten zeggen voor ze me de maaltijd opdiende, maar ik besloot er verder geen woorden aan te verspillen, produceerde een meewarig lachje en haalde eveneens de schouders op.

Voor acht euro moet je geen onvergetelijke happen verwachten natuurlijk, maar ze moeten me wel geven wat ze beloven. Mij hebben ze daar voor het laatst gezien.

Een sanitaire stop

Ik zou een vriendin naar een opslagruimte voor bejaarden brengen, niet omdat ze er wenste te verblijven, want daar is ze veel te jong voor, maar omdat ze haar moeder wilde verblijden met een bezoek.

We waren nog niet helemaal vertrokken, of ze moest al hoog naar de wc, hetgeen bij haar vaste prik is, want ze heeft naar verluidt last van een overactieve blaas. Wie ben ik dat ik haar dit euvel zou ontzeggen?

We hielden halt en betraden een theesalon waar iedereen bejaard was. Terwijl mijn vriendin zich ergens van overtollig vocht ontdeed, zat ik wat om me heen te kijken en was zodoende getuige van een toch wel vreemd tafereel. Niet ver bij me vandaan zaten een man en een vrouw oud en der dagen zat te zijn en thee te drinken. Opeens, toen de vrouw zich onbespied waande, diepte ze twee theebuiltjes en een kleine thermos uit haar handtas op, om er stiekem haar man en zichzelf mee te bedienen.

Kom daar nu eens om! Ik weet niet of dit gebeurde uit geldnood of uit gierigheid en eigenlijk hoef ik het ook niet te weten, maar zoiets heb ik nog nooit gezien en ik heb nochtans al heel veel gezien.

Nu ja, zoals ik al zei: ik bemoei me met m’n eigen zaken.

Pootjebaden

Ik fietste fluitend door het bos, al mag je dat fluiten gerust met een korrel zout nemen, want ik breng er niet veel van terecht. Ik was, het zal jullie duidelijk zijn, godsgruwelijk gelukkig, om niet te zeggen zo blij als een varken in de stront. Ik heb zo van die dagen.

Bezijden het pad, enigszins beschut door een hoge heg, verrees een drenkplaats, die ook te eten schafte en voorzien was van een ruim terras, waarop zich enkel een poetsende vrouw bevond.

Dat mens ontdeed zich van een volle emmer sop, door die met driest geweld in de haag te kwakken, uitgerekend op het moment dat er aan de andere kant van dat gewas iemand voorbijfietste. Jullie mogen drie keer raden wie dat was. Knap hoor! Jullie hebben het meteen juist.

Ik was nat tot onder mijn oksels, of toch zeker van mijn voeten tot aan mijn knieën en hield halt om een beetje te mopperen. De bazin van het etablissement hoorde dat wellicht en kwam poolshoogte nemen, maar wist niet waar ze heen moesten rennen van het lachen. Ik was daardoor danig op mijn tenen getrapt, want ik verwachtte eigenlijk dat ze mij een koffie zou aanbieden, of zelfs iets sterkers, maar dat deed ze niet, de gierige pin.

Ik vervolgde in morsige toestand mijn weg, luidkeels naar Dettol ruikend. Ik moest zowaar met mijn armen de schoolslag maken, anders kwam ik niet door die walm heen.