Tag: horeca

Een sanitaire stop

Ik zou een vriendin naar een opslagruimte voor bejaarden brengen, niet omdat ze er wenste te verblijven, want daar is ze veel te jong voor, maar omdat ze haar moeder wilde verblijden met een bezoek.

We waren nog niet helemaal vertrokken, of ze moest al hoog naar de wc, hetgeen bij haar vaste prik is, want ze heeft naar verluidt last van een overactieve blaas. Wie ben ik dat ik haar dit euvel zou ontzeggen?

We hielden halt en betraden een theesalon waar iedereen bejaard was. Terwijl mijn vriendin zich ergens van overtollig vocht ontdeed, zat ik wat om me heen te kijken en was zodoende getuige van een toch wel vreemd tafereel. Niet ver bij me vandaan zaten een man en een vrouw oud en der dagen zat te zijn en thee te drinken. Opeens, toen de vrouw zich onbespied waande, diepte ze twee theebuiltjes en een kleine thermos uit haar handtas op, om er stiekem haar man en zichzelf mee te bedienen.

Kom daar nu eens om! Ik weet niet of dit gebeurde uit geldnood of uit gierigheid en eigenlijk hoef ik het ook niet te weten, maar zoiets heb ik nog nooit gezien en ik heb nochtans al heel veel gezien.

Nu ja, zoals ik al zei: ik bemoei me met m’n eigen zaken.

Pootjebaden

Ik fietste fluitend door het bos, al mag je dat fluiten gerust met een korrel zout nemen, want ik breng er niet veel van terecht. Ik was, het zal jullie duidelijk zijn, godsgruwelijk gelukkig, om niet te zeggen zo blij als een varken in de stront. Ik heb zo van die dagen.

Bezijden het pad, enigszins beschut door een hoge heg, verrees een drenkplaats, die ook te eten schafte en voorzien was van een ruim terras, waarop zich enkel een poetsende vrouw bevond.

Dat mens ontdeed zich van een volle emmer sop, door die met driest geweld in de haag te kwakken, uitgerekend op het moment dat er aan de andere kant van dat gewas iemand voorbijfietste. Jullie mogen drie keer raden wie dat was. Knap hoor! Jullie hebben het meteen juist.

Ik was nat tot onder mijn oksels, of toch zeker van mijn voeten tot aan mijn knieën en hield halt om een beetje te mopperen. De bazin van het etablissement hoorde dat wellicht en kwam poolshoogte nemen, maar wist niet waar ze heen moesten rennen van het lachen. Ik was daardoor danig op mijn tenen getrapt, want ik verwachtte eigenlijk dat ze mij een koffie zou aanbieden, of zelfs iets sterkers, maar dat deed ze niet, de gierige pin.

Ik vervolgde in morsige toestand mijn weg, luidkeels naar Dettol ruikend. Ik moest zowaar met mijn armen de schoolslag maken, anders kwam ik niet door die walm heen.

Voor wat, hoort wat

Het kunnen niet iedere dag pauwentongetjes zijn, om van kaviaar nog te zwijgen. Ik zat en at een sobere maaltijd in een Brugs restaurant, waar een kameraad van me de scepter zwaait en de baas speelt.

De tafel aan mijn linkerzijde werd ingenomen door twee heren, die vrijwel onafgebroken met mobieltjes bezig waren. Iets verderop zat een dame op een tablet te tokkelen alsof haar leven er van afhing. Het zijn me de tijden wel, deze moderne exemplaren. Ik doe er niet aan mee. Als ik een restaurant betreed, laat ik zowel mijn telefoon als mijn tablet achter. Laat me alsjeblieft ongestoord eten!

Het bejaarde echtpaar dat zich rechts van me ophield, liet zich ook door geen snufjes afleiden. Ik zag hoe de man mes en vork in stelling bracht, om op niet al te sierlijke wijze een kip te bevechten. Hij beroofde de vogel van een poot, die hij vervolgens bij zijn in haar bord peurende disgenote deponeerde. Die stortte er zich op als een roofdier op een prooi en begon er verwoed op te kluiven, drassig smakkend, slobberig kauwend en klokkend zwelgend.
“Je hoeft het bot niet op te eten, hoor!” zei de man goedig en hij glimlachte meewarig naar me, waardoor ik begreep dat de vrouw wellicht verdwaald was in het Alzheimer Wald.

Mijn de scepter zwaaiende kameraad bevestigde dat even later en maakte van de gelegenheid gebruik om me nog enkele anekdotes op te dissen. Zo had hij een trouwe klant, die altijd twee dagschotels bestelde en die nog opvrat ook. En dan was er dat echtpaar op leeftijd, dat steevast twee keer de plat du jour liet aanrukken. De man verorberde de zijne, maar de vrouw bracht die van haar over in een brooddoos en nam die mee.

Ik had restaurateur moeten worden. Het uitbaten van zo’n etablissement lijkt me een inspirerende en onuitputtelijke bron van vermaak, af en toe doorspekt met een zielig tafereel.

“Nu je toch hier bent”, sprak mijn kameraad zo boterlijk dat ik meteen op mijn qui-vive was. “Ik ben met een nieuwe menukaart bezig. Zou jij die kunnen vertalen in het Frans, het Engels, het Duits … en misschien ook in het Spaans? Kwestie van de toeristen wat in de watten te leggen.”
Hij liet eigenlijk die watten links liggen en zei ‘kwestie van de toeristen in hun gat te wonen’, maar dat vind ik zo’n vulgaire uitdrukking dat ik ze hier liever niet gebruik. Ik heb het druk zat en sta midden in de matses, maar denken jullie dat ik nee zei? Om de dooie dood niet!

Toen ik de rekening vroeg, wuifde hij die vraag met een gul handgebaar weg.
“For old times’ sake”, zei hij, want hij roert graag wat Engels door zijn Nederlands.
Nu verwacht hij natuurlijk dat ik zijn meertalige menukaart gratis en voor niks op poten zal zetten. Waarschijnlijk zal ik dat nog doen ook. Ik ben nu eenmaal zo’n malloot.

Achteraf beschouwd had ik toch beter pauwentongetjes kunnen bestellen. Of kaviaar.

Het kind van de rekening

Terwijl ik door het Houtland fietste, namen terroristen mijn maag over en ze eisten voedsel. Ik hield derhalve noodgedwongen halt bij een café dat ook wel te eten schafte en zich daarom het predicaat eet- en praatcafé toe-eigende, al vermoed ik dat ook de niet tot praten in staat zijnde medemens er aan zijn trekken zou komen, al weet je dat natuurlijk nooit met rurale haptenten.

Ik raadpleegde de kaart en vernam dat men er tijdens de week een dagschotel aanbood voor amper € 13. Op zaterdag en zondag was er een weekendmenu beschikbaar voor € 25. Aangezien het zondag was, wenkte ik de juffrouw die daar rondliep en beroepsbezigheden verrichtte. Ik informeerde wat dat weekendmenu precies inhield. Dat bleek een gerookte zalmkroket te zijn ─ ze bedoelde wellicht een kroket van gerookte zalm ─ gevolgd door een ribstuk met been ─ in onze contreien gewoonlijk côte à l’os genoemd ─ met een sausje naar keuze, frietjes en koude groentjes. Ik blijf me mateloos ergeren aan die knullige verkleinwoorden waarmee men voedsel appetijtelijk tracht voor te stellen. Tot besluit was er koffie met friandises voorzien, hetgeen een ijdeltuitig woord voor versnaperingen is. Alles samen leek het me wel wat en voor die prijs kon ik het niet laten lopen, dus bestelde ik het weekendmenu en bracht mes en vork in stelling.

Het voorafje, de zalmkroket, was niet vervelend. Vervolgens kreeg ik de hoofdschotel voorgezet en dat gerecht zag eruit als een vreselijk ongeluk in de dierenwereld. Geen mens had me gevraagd in welke bakgradatie ik mijn vlees verwachtte, dus lag de lap vlees op mijn bord te bloeden als een rund. Het verorberen ervan vereiste de tanden van een hyena, want het ding, geflankeerd door een blubbersaus en wat konijnenvoer, bleek zo taai als een lederen portefeuille.

Ik was in een goed humeur en betaalde zonder morren, maar toen ik de rekening controleerde – dat pleeg ik altijd te doen – ontdekte ik dat men me voor dat fameuze weekendmenu niet de op de kaart vermelde € 25 aangerekend had, maar € 30. Ik wenkte de persoon die vermoedelijk de baas van de tent was, of daar toch zeker wat in de melk te brokken had, en vroeg hem om tekst en uitleg.

Ik vernam dat men de prijs van het weekendmenu bij uitzondering tot € 30 € opgetrokken had, vanwege hetgeen men aanbood. Een côte à l’os was niet bepaald een goedkope flard vlees en met € 25 kwam je geeneens uit de kosten.
─”Staat dat ergens vermeld?” vroeg ik nogal kortaangebonden.
─”Je hoeft niet zo’n toon aan te slaan”, mekkerde die gozer. “Als ik me hoffelijk gedraag, verwacht ik van jou hetzelfde.”
─”En als ik iets bestel dat volgens de kaart € 25 kost, verwacht ik dat u me daar € 25 voor aanrekent”, diende ik hem nog barser dan eerst van weerwoord. “Staat die meerprijs ergens vermeld? De menukaart maakt er alleszins geen gewag van.”
─”Het heeft op het stoepbord bij de deur gestaan,” vernam ik, “maar mijn vriendin heeft het per ongeluk gewist.”
─”Daar ben ik dan mooi klaar mee”, foeterde ik. “Men had me op zijn minst die meerprijs moeten mededelen toen ik mijn bestelling plaatste. Nu ruikt het verdacht naar afzetterij.”
─”Er zijn al wel twintig klanten die het weekendmenu gekozen hebben”, overdreef hij. “Jij bent de eerste die erover klaagt.”
─”Vermoedelijk hebben die twintig anderen besteld voor je vriendin aan het wissen geslagen is”, meesmuilde ik. “Soit. Mij heb je hier in alle geval voor het laatst gezien.”

De slogan op de website van het etablissement in kwestie, Drie Koningen, luidt: Waar de klant nog echt koning is. Daar heb ik weinig van gemerkt. Mij zien ze daar niet meer. Er zijn genoeg restaurants waar ik niet bij de bok gezet word.

Oprispingen

De vindingrijkheid van de dynamische middenstand kent geen grenzen, maar ook particulieren laten zich niet onbetuigd.
– Usuz: jeugdhuis in Gistel (West-Vlaams voor ons huis).
– De goe smete: bowling in Koekelare (West-Vlaams voor de goeie gooi).
– De Bolzak: café-feestzaal in Beernem. Vooralsnog geen idee waar de naam zijn oorsprong vindt. Misschien heeft de Franse schrijver Honoré de Balzac er ooit aangelegd.
– Hakuna Patata: friettent in Oudenburg. Variant op de term Hakuna matata uit het Swahili, hetgeen ‘geen zorgen’ betekent.
– Uuze stulpe: naam van een particuliere woning in Torhout (West-Vlaams voor onze stulp).

Ik fietste voorbij een hoeve die de naam “Schapenhof” droeg. Er viel daar evenwel geen enkel schaap te bespeuren. Wel heel veel runderen.

De dagschotel van het restaurant waar ik op het terras aanschikte om een sobere maaltijd te nuttigen, behelsde een kotelet met rodekool en gekookte aardappelen, gevolgd door een ijsje of een koffie. Een bejaard echtpaar streek neer aan een belendende tafel en bekeek het uithangbord, waarop de vrouwelijke helft van het gezelschap de mond opende en sprak:
“Wie eet er nu rodekool in zo’n hitte?”
‘t Is ook nooit goed voor sommigen. Wat verwachten ze eigenlijk voor € 13? Pauwentongetjes?

Over restaurants en terrassen gesproken … Ik zou graag eens rustig op een terras mijn voerklep willen volstouwen, zonder dat men in mijn directe omgeving de brand in kankerstokken zuigt of, erger nog, me onderdompelt in mistbanken, afkomstig van walmende elektronische sigaretten.

Het valt me op dat een niet gering aantal wielertoeristen last van overgewicht heeft, om niet te zeggen dat ze op hangbuikzwijnen lijken, die zich met verkrampte gezichten en zwetend als otters afbeulen, om toch maar in het spoor van hun metgezellen te blijven. Ik vraag me af wat daar de lol van is. Zouden die luiden eigenlijk genieten van hun uitje?

En zo duiken we met zijn allen de hondsdagen in. We hebben er alleszins mooi weer bij.

Afknapper

kokshandenNaar aanleiding van ‘Jong keukengeweld’ ─ een actie van toerisme Vlaanderen, om jongeren tot dertig jaar aan te zetten om door jonge chefs uitgebate restaurants te bezoeken ─ lees ik op een website van de VRT een tekst, die opgesmukt is met een foto. Het woord ‘opgesmukt’ is hier eigenlijk niet op zijn plaats. Het prentje toont namelijk twee handen die zich met een soort ravioli onledig houden en die ik onbesproken zou laten, ware het niet dat een van die handen op brutale en in mijn ogen afzichtelijke wijze getatoeëerd is.

Ik hou al niet van dergelijke versierselen en als die dan ook nog aangebracht zijn op lichaamsdelen die zich met voedsel bemoeien, vergaat mij compleet de appetijt. Chefs ─ zij het nu jonge of oude ─ die aldus … eh … toegetakeld zijn, zal ik niet met mijn klandizie begunstigen, zelfs niet als ik op apegapen lig van de honger. Ik vind het niet netjes en ik krijg er kippenvel van. Mag ik?

Het moet me trouwens van het hart dat de televisie veel te veel kookprogramma’s vertoont en chefs van zowel het eerste, het tweede en zelfs het derde échelon met overdreven egards behandelt.

Schijten die marsepein misschien? Of kunnen ze blinde vinken doen zien?

Vuile manieren – 2

Binnenkort reis ik opnieuw en nog maar eens naar mijn geboorteland: Argentinië. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Dit keer doe ik het echter niet in mijn eentje. Een getrouwe vriend, met wie ik al heel lang kan lezen en schrijven, zal me vergezellen. Om alvast wat te oefenen begaven we ons gisteren naar een Argentijns restaurant. Daar lieten we ons een typisch, want uit de criollokeuken afkomstig, gerecht voorzetten: de locro.

Wat we opgedist kregen, zag eruit als een vreselijk ongeluk in de dierenwereld en getuigde van gekruide agressie. Na één hap moest je je inhouden om niet tegen het plafond te vliegen, of van een rots te springen, verondersteld natuurlijk dat je je in de buurt van zo’n geografisch ongemak bevond. Ik heb me in mijn leven al vaak aan locro vergrepen en … ik heb er haar van op mijn borst gekregen.

Het duurde dan ook niet lang of we hadden beiden dooie katten in de mond. We vergingen van de dorst en zagen ons genoodzaakt een drenkplaats op te zoeken, waar we ons elk over een braaf glas agrum van Schweppes ontfermden. Als ik over een pracht van een dorst beschik, durf ik nogal eens mijn toevlucht te zoeken tot en mijn keel te smeren met een koele agrum, want dat is volgens mij de dorstlesser bij uitstek.

Nu heeft mijn vriend zich in de loop der jaren een aantal hebbelijkheden eigen gemaakt. Ik trouwens ook, maar daar gaat het vandaag niet over. Een van zijn eigenaardigheden is het uit een glas opvissen van citroen- of sinaasappelschijfjes, om het vruchtvlees ervan weg te knagen en de schil vervolgens opnieuw in het glas te deponeren. Het is me een gezicht!

Onze dorst bleek groter dan gedacht, dus bestelde ik een tweede agrum, terwijl mijn gezel op pils overschakelde. Jullie kunnen nooit raden wat er toen gebeurde. Mijn vriend kreeg zijn blonde rakker en ik een agrum … waarin de schillen dreven, die kort daarvoor door hem van hun vruchtvlees beroofd waren. Ik diende de kelner vanzelfsprekend een uitbrander toe. Stond hij nog te lachen ook.
“Zal ik me van kant maken?” vroeg hij, maar toen ik hem mesblikken toewierp, besloot hij toch maar de  agrum te vervangen.

Ik liet die onaangeroerd en ben even later op hoge poten vertrokken. Mij zien ze daar alleszins niet meer.

En toen … kwam er sleet op

Zo’n acht maanden geleden ontstond er op strompelafstand van mijn woning een nieuw eethuis.

Door nieuwsgierigheid gedreven, begaf ik me op weg om deze nieuwkomer te bezienswaardigen en er mijn licht op te steken. Er brandde daar al licht en omdat ik een hekel aan verloren moeite heb, besloot ik me neer te vlijen en wat te nuttigen. Ik meen me te herinneren dat ik de scampi van het huis koos. Aangezien die nogal bij me in de smaak vielen en ook de bediening mijn goedkeuring kon wegdragen, wijdde ik hier op mijn blog een lovende paragraaf aan dat etablissement, dat ik vervolgens wekelijks met een bezoek vereerde.

Zoals dat vaker gebeurt, snijden nieuwe messen scherp, maar komt er al spoedig wat sleet op. Soms kreeg ik bij het aperitief geen peuzelhapje meer; men schotelde me iets voor dat ik niet besteld had; de biefstuk die ik in doorbakken toestand wenste, bloedde als een rund; men serveerde me witte wijn op kamertemperatuur … en meer van dat soort … eh … laten we het schoonheidsfoutjes noemen. Ik pleeg niet op alle slakken zout te leggen.

Verleden week zat ik er bijna een half uur op het door mij bestelde nagerecht ─ een crema catalana ─ te wachten, hoewel het daar hoegenaamd niet druk was, dus wenkte ik het meisje dat daar rondliep en kleine beroepsbezigheden verrichtte.
─”Is het vliegtuig uit Catalonië nog niet geland?” vroeg ik.
─”Pardon?” fronste ze en ze keek me aan alsof er snotkevers uit mijn neus kropen.
─”Ik heb een half uur geleden een crema catalana besteld,” verduidelijkte ik, “maar die duikt niet op. Nu hoeft het niet meer, want ik heb er geen tijd meer voor. Breng me de rekening maar.”

Natuurlijk stond het dessert op mijn nota vermeld, of wat hadden jullie gedacht? Toen ik haar op die fout wees, besloot ze er de ‘bazin’ bij te halen. De bazin kwam en presenteerde me de verbeterde rekening.
─”Ik heb de crema geschrapt”, zei ze en ze wees naar de plaats op het papiertje waar dat gebeurd was. “We hadden trouwens vergeten de wijn aan te rekenen, dus heb ik die toegevoegd.”
Ze wees ook die correctie aan.
─”Sinds wanneer kost een halve liter witte wijn elf euro?” vroeg ik. “De kaart vermeldt die aan negen euro.”
─”Ach”, zuchtte ze en ze verminderde snel het eindbedrag met twee euro.

Omdat er geen enkel excuusje over haar lippen kwam, stak er onbehagen in me op, al liet ik dat niet merken. Ik betaalde en vertrok en terwijl ik vertrok, besloot ik dat ze mij daar nooit meer zullen zien. Iedere week spendeerde ik daar minstens vijftig euro: 52 weken x 50 euro. Tel uit mijn winst! Tel uit wat ze verliezen. Dat scheelt een slok op een borrel.

De truken van de foor

Het mosselseizoen heeft een aanvang genomen en daar heb ik mijn fleur in, want dat wonderlijk gedierte is mijn kostje. Ik lust ze wel, die gepantserde frivoliteiten.

Meestal maak ik ze zelf klaar, zoals mijn moeder het me heeft voorgedaan, maar af en toe laat ik me verleiden om die in een restaurant te bestellen en te nuttigen. Soms valt dat mee; soms valt dat tegen.

Gisteravond zat ik aan de tapkast van de plaatselijke drenkplaats een biertje te likken, toen een heerschap zijn grote hoeveelheid kilogrammen naast me neerliet en een gesprek met me aanknoopte. Hij was behoorlijk aan de vracht, leek het me, en in de milde schemer van alcohol durft een mens er al eens wat uit te lappen, of iets aan de klokkenreep te hangen.

mosselenDe man bleek in een restaurant te werken. Hij klapte dus letterlijk uit de keuken toen hij me op samenzweerderige toon mededeelde dat men daar – en volgens zijn zeggen in de meeste eethuizen – een loopje placht te nemen met de mosselen die men aanbood. Men gooide namelijk steevast een aantal lege schelpen in de pot, waardoor de porties groter leken en men bij de klanten de verkeerde indruk wekte dat ze heel veel waar voor hun geld kregen.

Ik heb inderdaad al een paar keer vastgesteld dat ik veel meer lege schelpen aantrof dan dat er losse mosselen in het kookvocht onderaan de pot dreven. Voortaan zal ik dat nauwgezet controleren en wee het restaurant waar ik meer schelpen dan mosselen krijg. Ik zal ze aan de schandpaal nagelen.

Men eet er de pannen van het dak

Ik ben allerminst een bezoeker van sterrenrestaurants. Het geld dat men er verkwanselt, vind ik absoluut niet in verhouding staan tot hetgeen men in ruil daarvoor op zijn bord krijgt, maar dat is vanzelfsprekend mijn persoonlijke mening. Jullie hoeven het absoluut niet met me eens te zijn.

Ooit was me het geluk beschoren ─ nu ja, geluk? ─ om aan te schikken in de Brusselse La Villa Lorraine, toen dat etablissement nog gebukt ging onder drie Michelinsterren. Ik ben nog steeds blij dat ik daar op uitnodiging was en dus de rekening niet hoefde te betalen, want die liep aardig in de papieren.

Vandaag de dag woon ik op spuugafstand van een door de horeca geëxploiteerde en derhalve danig opgekalefaterde boerderij, waarin een van de twee resterende Belgische, met drie sterren getooide restaurants goede sier maakt. Ik passeer er bijna dagelijks maar voel me niet geroepen om er binnen te treden. Mijn portemonnee evenmin.

Er hoort een oude,vooralsnog niet gerestaureerde schuur bij dat hoevecomplex die tegen de straat aanleunt. Zoals jullie op de onderstaande foto’s kunnen zien, verkeert het bouwsel in zo’n deerniswekkende staat dat het een gevaar vormt voor al wie zich daar in de buurt ophoudt. Toen ik er gisteren met de fiets voorbijkwam, waren er zelfs enkele dakpannen neergedaald en aan gruzelementen gevallen op het fietspad. Voor hetzelfde geld had ik, of iemand anders, die op zijn kop gekregen, met alle gevolgen van dien.

Het is een regelrechte schande dat een driesterrenrestaurant met faam, waar men honderden euro’s voor een maaltijd moeten neertellen, zich niet eens de moeite getroost om voor de veiligheid van passanten te zorgen. Ze moesten zich de pannen van het dak schamen.

HertogJan1

HertogJan2

Copyright Uilenvlucht 2018 Frontier Theme