Tag: horeca

Een vreemd fatsoentje ─ 2

Op strompelafstand van de plek waar ik hoofdkwartier houd, bevindt er zich een kraaknet ‘doeninkje’, dat weliswaar vriendelijkheid en rust uitstraalt, maar op nogal voortvarende wijze met de benaming restaurant een beetje uit zijn heupen loopt, want eigenlijk is het niet meer dan een café dat ook wel te eten schaft. Men zet er je met andere woorden geen onvergetelijke happen voor, wat niet belet dat ik er vrij regelmatig aanschik, als ik honger, maar geen zin om te koken heb.

Laatst had ik daar niet bepaald voortreffelijk gegeten ─ de scampi waren niet gaar en de diabolische saus waarin ze zwommen, had in de verste verte geen duivel gezien ─ maar desalniettemin ontstak ik toch in een gulle bui ─ het overkomt me nochtans zelden ─ en besloot ik het personeel (de bazin, een kelner, de kok en een keukenhulpje) een drankje aan te bieden.

Toen ik de rekening gepresenteerd kreeg, vertoonde die evenwel geen spoor van mijn vrijgevige geste, dus meende ik er goed aan te doen die vergetelheid te melden.
─ “‘t Is de kok!” stamelde de bazin. “Hij zegt dat we geen traktaties van klanten mogen aannemen.”
─ “‘t Is nochtans geen oneerbaar voorstel”, liet ik het duidelijk blijken dat ik danig in mijn West-Vlaamse gat gebeten was. “Soit. Zeg maar aan die kok dat hij een onbeschoft stuk potvreten is. Hij zal me daar een beetje beslissen wat ik met mijn centen doe.”

Op strompelafstand van mijn hoofdkwartier bevindt er zich een ordinair eetbarakje, waarin zich een bemoeizieke en onbehouwen kok ophoudt. Mij zullen ze daar niet meer zien. Nooit meer! Zelfs niet als ze daar het laatste broodje in Hongerstad verkopen.

Culinaire aardigheidjes

Onlangs hebben enkele achterlijke dakhazen ─ ze denken bijvoorbeeld dat clitoris een Grieks eiland en fellatio een karakter van Shakespeare-is ─ het in jolig groepsverband bestaan om de garnaal ─ de crangon crangon ─ tot vis van het jaar te bombarderen, terwijl dat schepseltje niet eens een vis is, maar een schaaldier.

Hèhè, ik weet kennelijk nog steeds de weg in samengestelde zinnen.

Hun flater belet geenszins dat ik het monstertje absoluut niet versmaad en het zelfs een regelrecht lekkerbeetje vind. Garnalen eet men niet, die degusteert en savoureert men.

Toen mijn moeder nog leefde en ze zich als kokkin/traiteur nuttig maakte, begaven we ons regelmatig gedrieën ─ zij, vader en ik ─ naar een handelaar in het Nederlandse, net over de grens gelegen propperige stadje, Sluis ─ een samenscholing van koopziende winkels ─ waar we onder meer zo’n dertig kilogram grijze garnalen insloegen. Terug thuis waren we gezamenlijk uren bezig om die kleinodiën te ontbolsteren ─ pellen noemt men dat ─ waarna moeder die tot nader order zorgzaam in onze falanx diepvrieskisten onderbracht. Ik ben trouwens nog steeds buitengewoon handig in het ontkleden van garnalen, tot grote verbazing en afgunst van zij die me tijdens die bezigheid gadeslaan.

Garnalenkroketten (met gebakken peterselie), tomaat-garnaal (beter bekend als tomate-crevettes) en garnalencocktails … ze zijn onbedaarlijk lekker en zonder enige twijfel  mijn kostje. Ik stouw ze wat graag in mijn voerklep.

Als jongeman heb ik zonder overdrijven en zonder twijfel duizenden garnalencocktails samengesteld, want dat was een klusje ─ nu ja ─ dat moeder mij toevertrouwde, zelfs als ze een maaltijd voor pakweg honderd vijftig personen moest klaarstomen. Spaar me! Iedere coupe diende negentig gram garnalen te bevatten en ze stond erop dat ik dat nauwgezet afwoog, teneinde de afgunstige woordenwisselingen te vermijden, die zich soms bij het nuttigen van tomatensoep met balletjes voltrekken: jij hebt drie balletjes meer dan ik.

Mijn moeder zwoer ook bij cocktailsaus als garnering en begeleiding van het gerecht en ik sluit me daar volmondig bij aan: een garnalencocktail smeekt om whiskysaus en niets anders. Het verbaast me dan ook in niet geringe mate dat ik die in talloze eethuizen voorgezet krijg met een ordinaire mayonaise. Foei!

Laten we wel wezen: restaurants zijn niet meer wat ze geweest zijn. De koks een kokkinnen evenmin. Wat ze tegenwoordig samengooien en in mekaar te frotten, is vaak beneden alle kritiek en soms zelfs een onverhoedse aanval op de smaakpapillen.

Ik kook nog liever zelf!

Kwalijkgezien

Ik stel met enige ergernis vast dat nogal wat neringdoenden, en niet in het minst die van de horeca, zich niet de moeite getroosten om er een eigen website op na te houden, maar op internet enkel bereikbaar zijn via het zeer door mij verfoeide Facebook.

Wel, dat gedrocht komt bij mij de computer niet in. Ik vind het niet de moeite om er levensduur aan op te offeren. Aangezien ik er geen deel van uitmaak en ook niet van plan ben om dat ooit te doen, verkeer ik dus vaak in het ongewisse omtrent het doen en laten van deze bedrijfjes.

Zo plande ik een paar dagen geleden een bezoek aan een restaurant en wilde er me op voorhand van vergewissen of ik er mijn gading zou vinden, maar die informatie kon men me dus enkel via dat smoelenboek verstrekken. Wie niet in de netten van die zogeheten sociaalnetwerksite verstrikt zit, zoals ik, heeft daar dus het raden naar, want zonder lidmaatschap raak je bij hen niet binnen.

Ik heb derhalve dat restaurant geschrapt en mijn heil gezocht bij een eethuis dat ik wel per gewoon internet kon bereiken. Voortaan zal ik alles en iedereen liquideren die zich niet via een normale weg kenbaar maakt en me iets anders in de strot probeert te duwen. Mij zien ze daar niet meer!

Foert Facebook! Ik maak mijn handen niet vuil aan een fluim.

In Vlaamse velden … 18

bloemenweide2

Met de Vlaamse feestdag hadden we er uitzonderlijk mooi weer bij. De zon scheen met noeste vlijt, warmte jubelde om me heen en de wind hield zich koest, dus klom ik op het rijwiel en trapte mezelf gezwind de wijde wereld in.

De natuur waar ik me doorheen peddelde ─ lommerrijke bossen, weiden als wiegende zeeën, akkers en velden ─ was een verzachtende omstandigheid. Ik voelde me echt in mijn fleur, om niet te zeggen godsgruwelijk gelukkig, en genoot met volledige inzet van mijn zintuigen.

Nu pleeg ik me tijdens het fietsen gewillig met nogal onzinnige dingen onledig te houden. Zo besloot ik om de vlinders te tellen die ik op mijn weg ontmoette. Tja, je hoort me niet beweren dat ik daar hartstikke druk mee was. Ik heb bijna zeventig kilometer gefietst en alles samen hebben drie vlinders mijn pad gekruist. Drie! Ordinaire koolwitjes bovendien.

Ik wil me, wat het klimaat betreft, allerminst als doemdenker opstellen, maar, hoe men het ook wendt of keert, we kunnen niet langer uitpoetsen dat er in de natuur stront aan de knikker is. Zo heb ik al jaren nergens een meikever aangetroffen. Op zwoele avonden ontbreekt ook het concerteren van krekels, terwijl ik het in de zomers van mijn jeugd soms danig op mijn teringtietjes kreeg door hun pokkenherrie. En hoe lang is het wel niet geleden dat ik nog een leeuwerik lierlauwend ten hemel zag stijgen, om vervolgens tierelierend in duikvlucht neer te storten?

Ik kwam vanmorgen ook in een dorp dat naar de naam Lichtervelde luistert en waar ik onderstaande drankgelegenheid aantrof.

boksneuze

Café De Boksneuze … Zoiets verzint een zinnig mens toch niet!

Kwakwerk

De menukaart van het restaurant waar ik voor het eerst aanschikte, prees onder meer een op het vel gebakken kabeljauwhaasje aan dat gelardeerd zou zijn met een blanke botersaus en bieslook. Het lekkerbeetje kostte vijfentwintig euro, maar het leek me wel wat en ik pleeg niet op voedsel te beknibbelen, dus bestelde ik het.

–”Vandaag is het wel geen kabeljauw”, deelde de commis de rang me mee. “Het is skrei.”
–”‘Skrei?” fronste ik, want niettegenstaande mijn vrij grote onderlegdheid op culinair gebied had ik daar nog nooit van gehoord.
–”Jonge kabeljauw”, verduidelijkte hij.
–”Dus toch kabeljauw”, stelde ik. “Doe mij maar zo’n jong ding.”

Skrei, zo las ik achteraf op internet, is een soort kabeljauw, afkomstig van de Lofoten, die enkel in de winter verkrijgbaar is.

Wat ik even later voorgezet kreeg, was kwakwerk: een smerig hapje als het ware en absoluut niet wat ik van kabeljauw verwachtte, ook al heette die skrei en was die jong en onervaren. De vis was vergezeld van ik weet niet welke sufgekookte groentes, waarvan de smaak mijn tong verontrustte, die ik dus met lange tanden proefde en links liet liggen. Ook de skrei was niet bepaald mijn kostje, laat staan een onvergetelijke hap.

Lang verhaal kort: het gerecht was een onverhoedse aanval op de smaakpapillen en nauwelijks te vreten. Als ik een skrei was, zou ik halsstarrig weigeren om daar in de keuken geslachtofferd te worden om er in deerniswekkende toestand op tafel te komen.

Toen ik een paar uur later thuis van mijn maaltijd zat te bekomen, of dat althans probeerde, heb ik in een uiterst onaangename opwelling de skrei aan het riool toevertrouwd door het boven de toiletpot op een klaterend braken te zetten.

Ik ben over het algemeen een welvoeglijk mens, dus zal ik de naam van het etablissement in kwestie hier niet vermelden, maar mij zien ze daar alleszins niet meer. Nooit meer.

Massaproductie ↔ ambachtskunst

Wat heb ik me vanmiddag toch weer op een voortreffelijke cocktail getrakteerd, die ik bovendien eigenhandig heb samengeflanst: een mojto. Het is en blijft mijn favoriet. Als ik die opdrink, verwijl ik meteen in Havanna, Cuba, maar niet in de in mijn ogen zeer ten onrechte opgehemelde Bodeguita del Medio, waar men het brouwsel in 1942 uitvond en waar het sindsdien velen tot lafenis diende, waaronder talloze beroemdheden, zoals ikzelf natuurlijk en de schrijver Nobelprijswinnaar Ernest Hemingway, die het tot zijn lijfdrank promoveerde.

Hoewel ik het authentieke recept gebruik, dat jullie hieronder terugvinden, kunnen jullie ─ als jullie ooit het geluk beschoren is om naar Havanna te reizen, hetgeen ik jullie van harte toewens ─ beter geen mojito in dat etablissement bestellen, want daar gaan er naar verluidt dagelijks ongeveer duizend over de tapkast en dus maken ze er tegenwoordig een aanfluiting van, die je bovendien veel te duur betaalt. Ook het voedsel dat men je daar voorzet, is bijna niet te vreten. Jullie kunnen het drankje dus beter in een andere bar drinken, of het zelf maken. Dat doen jullie zo:

1
Schep twee koffielepels kristalsuiker in een longdrinkglas. Er bestaan ook ‘mojitoglazen’, vervaardigd van dik en sterk glas, maar die zijn geen conditio sine qua non. In de plaats van kristalsuiker kan men ook rietsuiker gebruiken, zoals sommigen voorschrijven, maar die lost minder snel op en geeft de mojito het aspect van slootwater, wat minder appetijtelijk is.

2
Vul aan met het sap van een halve limoen, twee flinke takken munt en honderd milliliter spuitwater.

3
Bewerk alles op niet al te onstuimige wijze met een ‘muddler’. Bij ontstentenis van zo’n cocktailstamper gebruike men een ander stomp voorwerp.

4
Vul aan met vijftig milliliter rum. Het originele recept beveelt de ‘Havanna Club anejo 3 años’ aan, maar met een ander merk zal het ook wel lukken.

5
Voeg vier tot zes hele ijsblokjes toe. Sommigen verkiezen gemalen ijs, maar het resultaat is dan geen echte mojito, maar een mojito criollo.

6
Meng alles goed dooreen met een cocktaillepel of een roerstaafje en laat de cocktail vervolgens een paar minuten rusten. Santé en salud!

mojito2

Het smoelenboek

Niettegenstaande deze warrige, om niet te zeggen beroerde tijden, waarin men over een uitermate schrander stel hersens moet beschikken om uit te vogelen wat vandaag de dag nog toegestaan is, of juist niet meer mag, besloot ik me toch aan een restaurantbezoek te wagen, in het gezelschap van een paar vrienden en bewapend met een coronapas, teneinde daar mes en vork in stelling te brengen en het op een geweldig eten te zetten.

Nu bevindt er zich op spuugafstand van mijn woning een door de horeca opgeknapt boerderijtje, waar het naar verluidt ─ zelf ben ik er nooit geweest ─ goed toeven en tafelen is, als je tenminste niet op pauwentongetjes uit bent … en dat ben ik niet, al kan ik niet ontkennen dat ik op een nogal verwend verhemelte kan bogen.

Nu sta ik nogal wantrouwig tegenover alles wat men me via ‘naar verluidt’ probeert wijs te maken, dus begaf ik me op internet, teneinde er me van te vergewissen dat hetgeen men in dat etablissement klaarstoomde en in de aanbieding had aan mijn verwachtingen ─ zowel gastronomische als financiële ─ zou beantwoorden, want voor je het weet ben je er klauwen geld kwijt, of schotelen ze je gerechten voor die je mond niet graag eet.

Lang verhaal kort: de wetenswaardigheden van het voedselverstrekkend bedrijfje in kwestie kon men enkel via Facebook inkijken. Aangezien ik geen lid ben van dat onnozele smoelenboek en halsstarrig weiger om dat te worden ─ ik loop niet te koop met wat ik doe, denk, eet en voel en reserveer dat voor de lezers van mijn blog ─ ving ik bot en diende ik noodgedwongen een ander restaurant te kiezen, om er met mijn vrienden een boulimisch schransfestijn aan te richten.

Middenstanders aller pluimage: met Facebook kunnen jullie mij niet strikken … en ik ben zeer zeker geen uitzondering. Wees dat indachtig en zorg dus voor een eigen website.

Van den frisse!

Onlangs had ik geen zin om voedsel in mekaar te frotten, laat staan om koninklijk te koken. Nu heb ik een godsgruwelijke schurfthekel aan het coronapaspoort en het verplicht gebruik ervan. De opgewekte muziek van Vivaldi staat in schril contrast met de treurmarsen die de regering met dezelfde naam ─ hoe durven ze!? ─ ons blijft opsolferen. Van mij mogen de dames en heren gezagdragers allemaal korte armpjes krijgen, zodat ze zich niet kunnen krabben als er mieren in hun edele delen bijten. Maar goed, laat me nu vooral in galop ter zake komen.

Gewapend met een van dat vermaledijde paspoort voorziene aaifoon begaf ik me naar een in een bospark gelegen en door de horeca geëxploiteerd kasteeltje, waarin ik af en toe mes en vork in stelling breng en pleeg te gedijen. Daar vestigde ik me aan een raam en terwijl ik me aan iets pittigs in een tumbler verlustigde, volgde ik het doen en laten van de schaarse passanten.

Hoewel de zon haar beste straaltje voorzette en thermometers twaalf celsiusgraden besnuffelden, viel het me op dat de meeste wandelaars ingeduffeld waren alsof er een nieuwe ijstijd naakte. Ik vraag me af hoe ze zich zullen aantodderen als het eerlang, misschien zelfs binnenkort, een steen dik zal verliezen.

Het viel me eveneens op dat velen van hen veel meer belangstelling voor hun mobieltjes aan den dag legden, dan voor de mysterieus om hen heen woekerende natuur. De bomen zijn dit jaar weliswaar treuzelig aan de herfst begonnen, maar nu zijn ze volop slordig met hun blaren, om zich binnenkort in de feesttooi van de dood te hullen.

Ach, in de herfst val ik nogal licht ten prooi aan melancholie, een soort verdrietigheid waarover men niet klaagt, en dan is het eventjes weer vroeger: een vroeger dat inmiddels een zee van tijd is, waarin ik met steeds meer overgave verdrink. Naar verluidt, is nostalgie de eerste ouderdomskwaal die zich in je nadagen aandient.

Twee forse koebeesten van vrouwen ─ hun uiterlijk verried dat ze wel vaker lekker gegeten hadden, want ze waren woedend opgesloten in hun vet ─ rukten me uit mijn gemijmer toen ze hun niet geringe hoeveelheid kilogrammen aan een belendende tafel neerlieten. Ze hadden geen van beiden nog olie in de lamp en zaten na te hijgen als postpaarden. Het duurde dan ook even voor ze in staat waren om het woord tot de kelner te richten.
─”Voor mij een cola zorro!” zei de ene.
─”Je zult een zero bedoelen”, verbeterde de andere haar.
─”Een zero!” was haar gezellin het met haar eens. “Ik heb een kat gehad die Zorro heette en ik blijf die opvoeren.”

Iets verderop waren zes krasse knarren van beiderlei kunne neergestreken en ze glunderden in jolig groepsverband hun ouderdom weg. O, wat hadden die een gein met elkaar. Toen een Knokse wielerclub, De Kletse Kieten ─ de kale kuiten ─ onverhoeds ter sprake kwam, beleefden ze daar met zijn allen monumentaal veel plezier aan en ze kwamen er haast niet meer overheen. Het werkte zo aanstekelijk dat ik onverwacht in een goed humeur sukkelde en nogal verheerlijkt zat te kijken, hetgeen door de voorbijkomende eigenares van het etablissement opgemerkt werd.
─”Heb je binnenpretjes?” vroeg ze.
Ik maakte een hoofdbeweging in de richting van het vrolijke gezelschap.
─”Die zijn duidelijk van de ketting”, gnuifde ik. “Het scheelt niet veel of we zullen ze moeten reanimeren.”
─”Het zijn mijn ouders”, biechtte ze op, met behoud van een weliswaar niet echt gemeende glimlach.

En zo werd het toch nog een heel aardige en gedenkwaardige middag, al had ik misschien toch beter mijn klep kunnen houden.

KletseKieten

Carmiggelt achterna

In navolging van de nochtans onnavolgbare Simon Carmiggelt, die op superieure wijze de gesproken werkelijkheid vermocht te betrappen, heb ik de ietwat bedenkelijke gewoonte om mijn aanwezigheid in horecabedrijven op te leuken met het stiekem beluisteren van de conversaties die zich rondom mij voltrekken.

Het is een verrijkende bezigheid, want zo hoor je nog eens wat en de interessantheden die ik hoor, pleeg ik toe te vertrouwen aan het beruchte ‘calepingske’, dat ik hier al meerdere keren opvoerde.

Hieronder trakteer ik jullie op een bloemlezing van wat ik in de voorbije maanden tijdens het luistervinken bijeen sprokkelde en oogstte:

─”Doe je dat thuis ook?” foeterde de vrouw toen haar disgenoot een niet bepaald delicaat scheetje liet.
─”Vanavond ga ik uit!” poneerde het meisje met grote stelligheid. “Dan steken we je morgen weer aan”, antwoordde de man die vermoedelijk haar vader was.
─”Wil je het licht uitdoen als je bovenkomt?” mopperde de vrouw tegen haar gezel die verwoed in zijn neus zat te peuteren.
─”Nu moet ik toch even mijn hersens interviewen”, zei de man die een lastige vraag voorgeschoteld kreeg.
─”Men zou geld voor je moeten inzamelen,” vond ze, “want je bent gehandicapt.”
─”Wie het lang heeft, laat het lang hangen en wie het nog langer heeft, laat het slepen.”
─”Oud worden vind ik niet erg. Het is dat lelijk worden.”
─”Ik hou van hem, maar ik hoef geen nieuwe als hij stuk is.”
─”Ik kook niet vaak en als ik het wel doe, dan is het van woede.”
─”Ik zal mijn mond maar houden”, zei de man. “Doe dat!” zei de vrouw. “Ik wil hem toch niet.”

Asociale stukken chagrijn

Terwijl ik me op VIER in De Slimste Mens zat te verkneukelen, probeerde dat televisiezendertje me per lokfilmpje te verleiden om vanaf volgende week hun nieuwe docureeks ─ Ja, chef! ─ met mijn aandacht te vereren. Het programma zal naar verluidt de keukens van vijf ambitieuze chef-koks induiken en registreren wat zich daar allemaal afspeelt.

Een van die vijf is ene Patjim Bajrami, van Kosovaarse afkomst en een plomp en onbehouwen heerschap. Hij is de mening toegedaan dat men met een brutale bek al een heel eind komt en hij banjert derhalve ongehoord bot door het leven en door zijn keuken. De zeven paarden die hem uit de klei getrokken hebben, staan daarvan nog na te hijgen. De manier waarop die hemeltergende bullebak met zijn personeel omspringt, is wraakroepend. Een bulldozer heeft meer charme.

Volgens zijn eigen ‘bescheiden’ zeggen wil die hork de beste chef van België worden en drie Michelinsterren veroveren. Van mij kan hij alvast drie West-Vlaamse schoppen onder zijn Kosovaarse kloten krijgen, want ik maak mijn handen niet vuil aan een fluim. Misschien dat hij dan weliswaar geen drie sterren verovert, maar hij zal ze toch zeker zien en zelfs meer dan drie.

Ik crepeer nog liever van de honger dan dat ik me naar het etablissement van zo’n primaat ─ De Stadt van Luijk in Sint-Truiden ─ zou begeven.