Tag: voedsel

Wel heb je van je leven!

In de groenteafdeling van Colruyt dobberde ik in het kielzog van een vrouwmens met een oosters uiterlijk, die nogal sloddervossig aangetodderd was met een uitgelubberde joggingbroek, een boelewaaibloes die onstuimig bedrukt was met het soort woeste bloemen dat in de jungle naar argeloze vogeltjes hapt en deerniswekkende teenslippers. Ze parkeerde haar winkelkar naast de bakken met citrusvruchten, versperde zodoende de doorgang en dwong me tot wachten.

Ze begon de limoenen een voor een te betasten, om ze vervolgens terug te gooien, en ze bleef dat doen tot ik mijn geduld verloor.
─”Bent u van plan om ze allemaal te bepotelen?” vroeg ik ietwat geërgerd.
─”Huh?!” mompelde ze en ze staarde me aan alsof ik haar een oneerbaar voorstel had gedaan.
─”We leven in coronatijden”, verduidelijkte ik. “Maak uw keuze en blijf erbij.” Ze kogelde me neer met haar blik en toen … spuwde ze toch wel twee keer in de bak met limoenen zeker! Je wil er toch niet bij zijn! “Bent u nu helemaal van de ratten besnuffeld!?” foeterde ik, maar ze negeerde me straal en vervolgde doodgemoedereerd haar weg, zonder limoenen.

Ik heb wijselijk citroenen gekocht in plaats van limoenen en bracht een winkelbediende op de hoogte van hetgeen ik gezien had.

Het zal nog eens zo gaan dat ik racist word.

Een smeuïge appeltaart

Zaterdagmorgen lag er in de koelvitrine van de bakker een appeltaart verleidelijk, ja, bijna uitdagend naar me te lonken. Nu ben ik van nature nauwelijks in staat om aan verleidingen, op wat voor gebied dan ook, te weerstaan, dus veranderde het gebak ras van eigenaar.

Ik zette het op een glunderen dat aan extase grensde en begaf me met een jarig gezicht, want vervuld van voorpret, naar huis ─ zien jullie me lopen? ─ waar groot onheil op me wachtte.

Ik had namelijk bij de achterdeur een doos met oud papier klaargezet, teneinde die met de ophaling mee te geven. Die versperde halvelings de route die ik bij het betreden van mijn woning pleeg te gebruiken, hetgeen ik vergeten was en in het halfdonker en mijn verstrooide haast ook niet opmerkte.

Zien jullie me aan dat obstakel haperen, struikelen en een smak maken? Ik gooide mijn taart in de lucht, toeterde zwaar op mijn bek, lag even met de zeilen tegen de mast en toen ik weer bij mijn positieven kwam, gutste er op enthousiaste wijze bloed uit mijn kop.

Lang verhaal kort: ik ben uit die kneuzenkermis gekomen met een gebroken neus, een gekloofde bovenlip, een dubbeldikke, bont en blauwe knie, twee gebroken ribben en een gat in mijn voorhoofd. Dan ben je lekker bezig! Ik voel me bovendien geradbraakt, alsof ik door een kanon afgeschoten ben.

En mijn appeltaart? Die was natuurlijk helemaal door elkaar gehutseld en zag eruit als geboetseerd afval, dus verre van appetijtelijk … maar ik heb die toch opgevreten.

Eén ding kan ik jullie verzekeren: wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezicht. Ik betreur mijn spiegelbeeld ten zeerste. Er zit een toekomst als kermisattractie in.

Smikkelen en smullen

In Belgenland is twee februari ─ Lichtmis ─ traditiegetrouw de nationale pannenkoekendag. Onze noorderburen dienen daar nog even mee te wachten, meer bepaald tot negentien maart.

pannenkoekenbakkerIk neem vanzelfsprekend deel en ja, ik zal ze zelf bakken, want daar ben ik goed in. Bovendien doe ik dat op grootmoeders wijze, met gist en volgens het recept in Ons Kookboek van de Boerinnenbond. Ik kan die dingen zelfs opgooien en weer opvangen. Nu ja, meestal toch.

Gewoonlijk nodig ik een paar mensen uit voor het boulimisch schransfestijn dat ik aanricht, maar dit jaar kan en mag dat niet, dus zal ik noodgedwongen helemaal in mijn uppie aanschikken en het op een geweldig eten zetten.

Mijn pannenkoeken besmeer ik rijkelijk met aardbeienjam, of chocopasta, of ahornsiroop, maar eigenlijk verorber ik ze nog het liefst met echte Diksmuidse hoeveboter en blonde Graeffesuiker uit Tienen.

Christene zielen! Is dat even eigenwijs en onbedaarlijk lekker! Het water loopt me nu al uit de bek. Het zal nog eens zo gaan dat ik me naar een hartinfarct toevreet.

pannenkoeken

Foerageren

Ik beschouw het boodschappen lopen allerminst als een genoeglijke tijdkorting en nu ik dat ook nog gemaskerd moet doen, is de lol er voor mij helemaal af.

Voor het winkelen wend ik me meestal tot Colruyt en laten we wel wezen: hun supermarkten zijn niet echt oorden waar het gezellig toeven is. Bovendien hebben ze er de uitermate verfoeilijke hebbelijkheid om dingen te verhuizen, meer bepaald om artikelen plots op een andere plaats onder te brengen. Dat zal ongetwijfeld commerciële redenen hebben, maar ik heb wel wat nuttigers te doen dan het organiseren van een speurtocht om aan mijn trekken te komen, want meestal valt er dan ook in geen velden of wegen een personeelslid te bespeuren bij wie ik informatie kan inwinnen.

Ik moet me inhouden of ik ga voortaan naar Delhaize, of naar Carrefour, of naar Lidl, of zelfs naar Aldi, maar naar ik verneem is men daar in hetzelfde bedje ziek.

Nu ik het over boodschappen heb … Ik zoek me ongeveer het ongans naar muskaatdruiven, die ik veruit de lekkerste variëteit van deze vrucht vind, maar die ik tegenwoordig nergens meer aantref.

En terwijl ik toch bezig ben … Ik heb me laten vertellen dat de tomaten ‘Rose de Bern’ met voorsprong de smakelijkste zijn die men op deze aardkloot kan proeven. Ik zou me daar gaarne persoonlijk van vergewissen, maar waar ik me in vredesnaam die fameuze vruchten aanschaffen? Die zijn kennelijk nog zeldzamer dan … eh … muskaatdruiven.

Krijg nu tieten! ─ 2

neegrinnetette

In een zalig vroeger, toen ik klein en boosaardig was en iedereen die er voor mij toe deed nog leefde, was dit een ‘neegrinnetette’. Je lacht wat af als je jong bent.

Nu ik oud genoeg ben om me een aura van wijsheid te kunnen veroorloven en sommigen nodig op alle slakken zout moeten leggen, is dit voor mij nog steeds een ‘neegrinnetette’.

Wie zich eraan stoort, mag wat mij betreft het slingerschijt krijgen, of anders het zeepokkenlazarus.

nunnebillen

Wat ik me afvraag

Ik viste een strooibiljet uit de brievenbus, afkomstig van een familiebedrijfje, dat op het marktplein van mijn dorp onder meer aan het spit geroosterde kippen placht te slijten, maar zich door de coronastrubbelingen genoodzaakt zag die werkzaamheden te onderbreken.

Nu wagen ze zich aan een nieuwe start en dat zullen we geweten hebben. Ze willen me graag terugzien bij hun kraam en opdat ik gevolg zou geven aan die uitnodiging proberen ze me te verleiden met de belofte dat ze me bij mijn eerste bezoek een gratis geschenk zullen overhandigen.

Ik ben uitermate gevoelig voor geschenken, vooral als die gratis zijn, maar anderzijds leg ik graag zout op slakken, dus zit ik me nu af te vragen of er ook geschenken bestaan die niet gratis zijn. Ik denk het niet.

geschenk

Valentijn(tje)

Ik heb kind noch kraai en er is ook niemand die mij in die mate gaarne ziet, dat ze me ter gelegenheid van Valentijn gezelschap houden, of me met een liefdevolle attentie bedenken. Het zal jullie duidelijk zijn dat ik daardoor ten prooi val aan grote eenzaamheid, hetgeen me evenwel geen ene moer kan verblotekonten.

Om het mes nog wat dieper in de wond te steken, sturen de restaurants, waar ik af en toe niet alleen mijn neus maar ook de rest van mijn lichaam laat zien, me folders toe, waarmee ze me tot het nuttigen van de liefdemalen die ze met Valentijn aanbieden proberen te verleiden.

Wat me daarbij opvalt en zelfs enige irritatie bij me opwekt, is het nogal kinderachtige en alleszins overdreven gebruik van verkleinwoorden, waarmee die voedselverstrekkende etablissementen hun menu’s larderen. Ze hebben het over kikkerbilletjes, visschelpjes, eitjes, varkenshaasjes, gerechtjes, frietjes, kroketjes, groentjes, worteltjes, erwtjes, aardappeltjes, boontjes, hapjes, dessertjes, mosseltjes, sausjes … en nog veel meer van die pietluttigheden. Om het met de woorden van Greta Thunberg te zeggen: Hoe durven ze?!

Als ik zo’n menu onder ogen krijg, denk ik altijd dat er slechts heel weinig voedsel op mijn bord zal belanden. Gelukkig heeft niemand me met Valentijn voor een romantisch eten uitgenodigd, zodat ik me daaromtrent geen zorgen hoeft te maken.

Ik zal me thuis, helemaal in mijn eentje, aan het verorberen van een biefstuk wijden, een lap vlees die zo groot is dat men er een pak kan van maken, of me anders verlustigen aan een pizza met het formaat van een vrachtwagenwiel.

Te mijnent is schraalhans geen keukenmeester.

Ik vraag maar raak

Ik houd me al bijna mijn hele leven onledig met het uitzoeken van prangende kwesties: vragen waarop ik pas na flink wat vijven en zessen en dan nog mondjesmaat een enigszins afdoend antwoord vermag te verzinnen.

Zo heb ik me bijvoorbeeld het ongans gezocht naar de verschillen tussen een gans en een eend, tussen een boot en een schip, of tussen een rivier en een stroom. Tegenwoordig probeer ik uit te vogelen wanneer ik tijdens het koken in een gerecht uien dan wel sjalotten dien te gebruiken. Ik raak er maar niet wijs uit.

Naar verluidt zou een sjalot over een delicatere smaak beschikken, maar eerlijk gezegd merk ik daar weinig van en dat veroorzaakt een flinke deuk in het imago van fijnproever dat ik mezelf graag aanmeet. Het verschil voel ik vooral in mijn portemonnee, want sjalotten zijn aanzienlijk duurder dan uien.

Ik had mijn moeder tekst en uitleg moeten vragen toen ze nog leefde. Zij was dusdanig bedreven in de kunst van het koken, dat ze er haar beroep van maakte en met fraai gecomponeerde gerechten duizenden mensen tot het aanheffen van jubelzangen dreef. Ze zou het me ongetwijfeld haarfijn uitgelegd hebben, want ze wist haar weetje wel.

Ik tast dus vooralsnog in het duister en blijf sjalot een koddige naam vinden voor een groente. Nu ja, dat is artisjok ook. En komkommer. En pompoen. En rammenas. En … basta!

Aangezien ik nog nooit van sjalottensoep gehoord heb, begeef ik me nu naar de keuken om daar uiensoep klaar te stomen, met alle gevolgen van dien. Zoals Erasmus al schreef in zijn Adagia: Suus cuique crepitus bene olet. Iedereen vindt zijn eigen winden prima ruiken.

Waarin ik een hoofdzonde bedrijf

De televisie vergastte me op een promotiefilmpje voor ─ blijkbaar is Engels bij ons tegenwoordig de voertaal ─ Bake Off Vlaanderen. Dat is een programma van VIER, waarin amateurbakkers het tegen elkaar opnemen, teneinde de titel van meest getalenteerde thuisbakker van Vlaanderen te verwerven.

De vrouwelijke commentaarstem bij deze trailer ─ ik herhaal dat Engels vandaag de dag hier de voertaal is ─ stuurde meteen de hiernavolgende kwakkel de wereld in:

“Bakken is altijd een feest, want niemand bakt alleen voor zichzelf.”

kersentaartIk kan met de hand op het hart verklaren dat dit een uitermate stomme bewering is, die kant noch wal raakt. Ik heb gisteren namelijk een nochtans zeer bewerkelijke Schwarzwälder Kirschtorte gebakken en ik ben bezig om die helemaal in mijn eentje op te vreten, hetgeen me vandaag of morgen ongetwijfeld zal lukken. Dat is smikkelen en smullen, hoor!

Ja, ik weet dat gulzigheid een hoofdzonde is, maar als ik moet branden in de hel, dan liefst met een volle maag en van lekkers verzadigd.

Foute hap

De meeste supermarkten plegen hun klanten proevertjes aan te bieden: koffie, wijn, charcuterie, borrelhapjes, snoep, kaas, fruit … en wat weet ik al niet meer.

Ik maak daar bijna nooit gebruik van, omdat ik aan een heel lichte graad aan smetvrees onderhevig ben. Mijn mysofobie beperkt zich tot het niet nuttigen van voedsel dat door Jan en alleman aangeraakt kan worden. Een kok in een restaurant valt wat mij betreft buiten deze categorie – gelukkig maar! – maar Jut en Jul die zich in winkels ophouden, boezemen me geen vertrouwen in.

Verleden zaterdag dobberde ik tijdens het winkelen in het kielzog van een met een khimar getooide vrouw. De drie kinderen die haar vergezelden, waren in hoge mate ongemanierd en ze ratsten bovendien doodgemoedereerd alle schotels en borden met proevertjes leeg, zonder dat men ze terechtwees.

In de groenteafdeling stortten de huftertjes in wording zich als aasgieren op de schijfjes kiwi die daar voor het grijpen lagen. Ze propten die in hun gulzige bekjes, maar vonden ze kennelijk niet lekker, want ze spuwden die gelijk weer uit en legden ze terug op de plek waar ze vandaan kwamen.

Bewaar me, zeg! Ik had zin om even te kotsen, maar besloot toch om er zelf niks van te zeggen. Ik weet uit ondervinding dat gesluierde vrouwen veelal geen kritiek verdragen en niet zelden in luidkeelse scheldpartijen uitbarsten als men het waagt ze te vermanen. In plaats daarvan bracht ik een winkelbediende op de hoogte van hetgeen ik aanschouwd had. Die kerel was van geen kleintje vervaard. Hij haalde de bezoedelde kiwi’s weg en waarschuwde zowel de kinderen als de moeder.

Die moeder was dus zo’n vrouw met een hoofddoek, die luidkeels lucht gaf aan haar protest. Ze voelde zich in haar eer gekrenkt en zette de hele supermarkt in rep en roer. Christene zielen!

Van mij mogen ze dat aanbieden van proevertjes meteen afschaffen. Er komt niets heuglijks van.