Sinds jaar en dag hangt er een plafondventilator boven mijn schrijftafel. Ik heb het ding wentelteefje gedoopt, waarschijnlijk in een vlaag van zinsverbijstering, of anders tijdens een poëtische opwelling. Tja, je bent normaal of je bent het niet. Bij het hittegolfje van vandaag de dag biedt dit toestel evenwel weinig soelaas. Het teefje wentelde te traag om effect te sorteren en als ik de snelheid ervan verhoogde, fladderden al mijn paperassen in de rondte als waren het van een haas gepoepte vlinders.
Ik zou mijn woning van klimaatregeling kunnen voorzien – airconditioning in keurig Nederlands – maar dat kan mijn Bruintje niet trekken en als ik al over de nodige middelen beschikte, ben ik eigenlijk veel te gierig om die aan airco te spenderen. Nu ben ik weliswaar geen verlicht genie en zelfs geen wonder van intelligentie, maar evenmin een achterlijk ezelsveulen. Ik heb me dus even aan het denken gezet. Toen ik daarmee klaar was, voorzag ik de diepvries van een aantal petflessen met water. Toen die bevroren waren, haalde ik een vloerventilator uit de kast, zette die op een strategische plek in mijn bureau en plaatste een paar van die ijsflessen in de luchtstroming. Het wonder geschiedde. Het duurde niet lang of de temperatuur in het vertrek daalde met zo maar eventjes drie graden Celsius.
Het spreekt vanzelf dat ik buitengewoon fier was op mijn uitvinding, maar toen ik die aan internet wilde toevertrouwen, kwam ik tot de ontdekking dat tientallen anderen me voor geweest waren. Rijk zal ik er dus niet van worden. Beroemd evenmin. We blijven proberen.
Categorie: Angulus ridet
Uitslaande feestvreugde
Hunkerend naar een vergezicht en de stilte ben ik een jaar of vijf geleden de stadsgruwel ontvlucht. Mijn Arcadië was een slordig neergelegd hoopje huizen, dat beschutting zocht onder een zegevierende kerktoren. Een sluwe makelaar verzekerde me dat ik in een dommelig dorpje, dat nog net niet dood was, zou terechtkomen. Je kon er, althans bij wijze van spreken, zonder noemenswaardig risico een kogel door de straat schieten en bovendien keek het balkon van mijn optrekje uit op de zonsondergang die, dat is algemeen geweten, in de kuststreek vaak zeer bekijkenswaardig is. Ik, Jantje zonder erg, geloofde dat allemaal.
Toen ik daar mijn eerste nacht doorbracht, lag ik al om vier uur ’s morgens wakker. Ergens in de buurt hield een pauw hoofdkwartier. Dat is — ook dat weet vrijwel iedereen — een erg fiere vogel met een bijzonder fraaie staart, die helaas over een meer dan vérreikende stem beschikt en zich beperkt tot het roepen van Leo. Leo! Gotsammekrakkepitte! Iedereen wordt verondersteld te komen als je Leo roept, maar toch niet in het holst van de nacht. Waarom zette dat beest in vredesnaam voor dag en dauw een keel op alsof het in een mes hing? Niet dat het onwelluidende gezang geen bijval oogstte. Wel integendeel! Telkens als het door merg en been dringende Leo de stilte verbrijzelde, begonnen alle ganzen en eenden in de wijde omgeving eensgezind te snateren, te tateren, te kwekken en te kwaken. Het was niet om aan te horen.
Rond de klok van zeven verschenen er dan stoere mannen in de straat. Die haalden allemaal indrukwekkende werktuigen te voorschijn, zoals daar zijn hamers en beitels, maar dan wel van het pneumatische soort, waarmee ze het plaveisel openreten en van de weeromstuit een herrie als een oordeel maakten. Ondertussen deden ook de kerkklokken hun duit in het zakje, want de katholieken hadden kennelijk wat te vieren. Het dorp ontwaakte allengs en zou zich de hele dag luidruchtig roeren: blaffende honden, een mix van claxonnades, luidruchtig grazende maaiers, nijdige heggenscharen, vraatzuchtige hakselaars, auto’s met de muziekinstallaties van een discotheek, ambulante ijsventers die een eindeloos beiaardconcert ten beste gaven …
Een week later was het kermis in het dorp. Heremijntijd! De feestelijkheden begonnen op vrijdagavond rond een uur of zeven met een optocht van de plaatselijke fanfare. En van je hoempa, hoempa, hoempa, tetterè! Een lichte paniek maakte zich meester van de in mijn woning aanwezige huisdieren ─ zijnde enkele katten ─ want die waren allerminst in hun sas met het gebonk van de grote trom, die we in Vlaanderen al vele decennia tevergeefs een groskes noemen, want het woord heeft nog steeds geen vermelding in de Van Dale gekregen. Foei!
Vervolgens was de straat het toneel van een vrolijke stoet. Een stel uilskuikens lummelde voorbij en dat ging gepaard met een herrie als een oordeel: toeterende auto’s, loeiende sirenes en schreeuwende kelen. Mijn huisdieren zochten opnieuw hun heil in de vlucht.
’s Avonds, om kwart voor tien, klonk er een luide knal. Mijn huisdieren, die nog maar net schoorvoetend hun schuilplaatsen verlaten hadden, schrokken zich wezenloos en sjeesden weg als duivels die een veeg met een wijwaterkwast krijgen. Dertig minuten later volgde een tweede ontploffing. Voor de vierde keer naaiden mijn huisdieren er tussenuit, gegijzeld door jagende angst. Iets over halfelf stak men dan eindelijk het grandioos vuurwerk af: het nogal onbeheerste startschot van de jaarlijkse dorpskermis. Tja, wat heet grandioos? Er suisden wat gillende keukenmeiden door de lucht, achternagezeten door een tweetal superscreamers, geflankeerd door wat hot crashes en enkele thundering boucquets. Na tien minuten was het bedroevende spektakeltje afgelopen en het onheil gesticht. Ik plukte een poes uit de gordijnen. De tweede had zich op een hoge kast verschanst en is pas de daaropvolgende morgen aarzelend neergedaald.
Het hele weekend lang stond de kermis welgemoed te draaien op het ritme van snoeiharde scheldmuziek, die uit boxen met het formaat van doodkisten daverde. Trammelanten en puinbakken! Ondertussen grepen er nog meer lawaaimolest veroorzakende activiteiten plaats. Op zaterdagmiddag was dat de onvermijdelijke kermiskoers. Nu is wielrennen geenszins een oorverdovende sport en men kan de beoefenaars ervan derhalve niets verwijten, maar de entourage durft nogal eens tekeer te gaan. Men had een aan furor loquendi lijdende commentator ingehuurd en in alle straten luidsprekers opgehangen, waardoor elk en een iegelijk willens nillens zijn getater moest aanhoren. De man debiteerde de gebruikelijke lullaria met een stem als een bak grind die wordt opgeschud en was spoedig een drenkeling in zijn woordenstroom. De onzin vloog me in kingsize porties om de oren. “Mijn god, hou je nooit je kop?” riep ik vertwijfeld. “Kan dat gezeur even ophouden?” Enkele uren later gaf hij gevolg aan mijn verzoek, maar toen kwam er ras een hoempafanfare aanzeilen, in wiens kielzog een dweilorkestje dreef. In de dorpskroeg omgordde iemand een accordeon om herkenbare melodieën te spelen. Tot diep in de nacht werd er driest gezongen … en op zondagmorgen, op een onchristelijk uur, begonnen standwerkers hun klatjes op te trekken voor de rommelmarkt. Dat evenement duurde de godganselijke dag en al die tijd dwarrelde hemeltergende muzak over me neer …
Nu is het weer kermis in het dorp en dat zullen we geweten hebben, maar ik heb mijn voorzorgen genomen. Ik ben verhuisd. Nu woon ik in het hol van Pluto, verscholen in een bos op de putrand van de stilte. Bof ik even!
Schijthuizen kun je ermee dekken
Mijn onvermoeibaar globetrottende televisie nam me mee naar de Belgische Ardennen, meer bepaald naar het aan de voet van een indrukwekkende burcht hurkende en daardoor in hoge mate schilderachtige Bouillon. Daar bezochten we een Nederlands echtpaar. Zij hadden in een tamelijk recent verleden een optrekje gekocht en dat, na het opkalefateren ervan, als Bed & Breakfast voor het publiek opengesteld. Een mens zou zich afvragen wat er eigenlijk verkeerd is aan de benaming Kamers met ontbijt, al mag dat van mij in ons binnenlandse buitenland vanzelfsprekend ook Chambres d’hôtes, of zelfs Zimmer frei zijn.
De nogal hautaine drijvers van de nering misbruikten vanzelfsprekend hun televisieoptreden om de eigenbelangen te behartigen. Je kunt het ze niet kwalijk nemen.
─”En wat kun je hier allemaal doen?” vroeg de verslaggeefster, die in afwachting van het vermoedelijke niets kennelijk plezier wilde beleven aan het voorlopige iets.
─”Er zijn hier enorm veel wandelpaden”, zei de man.
Enorm veel? Ik denk niet dat er zich in de buurt van Bouillon miljoenen wandelpaden door het landschap slingeren, dus zal dat bijwoord van graad, enorm, zonder twijfel enorm overdreven zijn. Dezelfde reportage lardeerde men ook nog met:
– het was er enorm druk
– een enorm groot kasteel
– ik heb enorm afgezien
– je kunt er van enorme gastvrijheid genieten
Ik had al een ‘enorme’ hekel aan het buitensporige gebruik van ‘uiteraard’ en van ‘voor een stuk’. Ik ben geneigd om daar ‘enorm’ aan toe te voegen. De vlag dekt immers zelden de lading. Mag het misschien ietsje minder zijn?
De wind onder hun vleugels
Hetgeen hier in enkele schrijfsels aan bod kwam, was een eerbetoon aan Reinhold: een bloemlezing van de vaak dolle avonturen die ik samen met hem mocht beleven. Ondertussen is hij tot stof en as teruggekeerd, zoals dat heet, en ik heb het bijzonder moeilijk om daar vrede mee te hebben. Hij was immers een heel lieve mens, een galantuomo en een gentleman, en ik genoot het grote voorrecht om hem mijn vriend te noemen en zijn vriend te zijn.
In een zalig vroeger, toen mijn ouwelui, mijn zusje en Reinhold nog op aarde vertoefden en wij elkaar gezelschap hielden, hing er bij ons thuis een belletje op het terras. Sommigen noemden het een windgong, anderen dan weer een eolusharp, maar eigenlijk was het noch het een noch het ander.
Een windgong bestaat uit een aantal buizen van metaal, glas of bamboe, die een twinkelend geluid produceren als de wind ze beroert en ze tegen elkaar aanleunen. Bij eolusharpen zijn het de snaren die zachtjes zingen als de god wiens naam ze dragen — Aiolos is de god der winden — ze met onzichtbare vingers betokkelt.
Het speeltuigje op ons terras kwam uit het land van de rijzende zon, waar ik het zelf aangeschaft had, en heette daar furin, hetgeen men alhier gemakshalve als Japans tuinbelletje vertaalt. Als men zou zeggen ‘er hangt een furin op mijn terras’ loopt men immers een geredelijke kans dat de mensen zich daar heel wat anders bij voorstellen.
Onze furin had een stemmetje dat me aan een gedicht van Guido Gezelle deed denken — o krinklende winklende waterding — of ook nog aan het etherische stemgeluid waarmee de zangeres Enya op onnavolgbare wijze Marble Halls ten gehore brengt: I dreamt I dwelt in marble halls … Hemels!
─“Telkens als dat belletje gaat, heeft een engel zijn vleugels gekregen”, beweerde mijn moeder en ik, romantische ziel, geloofde dat onvoorwaardelijk.
─“Dat belletje dient om de stilte te accentueren”, zei mijn vader die een no-nonsenseman was en niet in engelen geloofde.
Nadat de dood zich eigengereid met mijn leven had bemoeid door me mijn dierbaren te ontnemen, raakte de furin op een dwaalspoor. Verleden week, tijdens het opruimen, kreeg ik echter plots dat belletje in handen en gisteren heb ik het opgehangen.
Zonet hebben mijn ma, mijn pa, mijn zusje en nu ook Reinhold hun vleugels gekregen. Ik heb het zelf gehoord. In gedachte zie ik ze ietwat onwennig en ondeugend door het hemelse paradijs fladderen, tikkertje spelen … en als de wind van hun vleugels over het terras strijkt, klatert hun lach en die van het rinkeltinkeltje …
… en dan glimlach ik ook.
Er zwaait wat
Kennissen van me, met wie ik overigens niet echt een geslaagde relatie onderhoud, vertrokken een jaar of wat geleden naar Japan. Ze keerden helaas ook terug en ze brachten zowaar een cadeautje voor me mee: een Maneki Neko. Kus nu mijn klooster!
Maneki Neko betekent Wenkende Kat en het is eigenlijk niet meer dan een zittende kattenfiguur, voorzien van een wuivende poot, die men in het Verre Oosten algemeenlijk als een talisman beschouwt. Zo’n beeldje kreeg ik dus en men drukte me op het hart dat ik er nauwlettend op moest toezien dat het pootje in beweging bleef, want als het zwaaien ophield, kon dat weleens heel kwalijke gevolgen voor me hebben.
Het geval heeft eerst een tijd op mijn schrijftafel gestaan, maar dat rusteloze armpje werkte af en toe behoorlijk op mijn systeem. Bovendien beschouwden mijn echte poezen het wuiven als een soort uitnodiging om te stoeien. Aanvankelijk beperkten ze zich tot het uitdelen van wat speelse tikken, maar ze werden met de dag driester en toen mijn fetisj op een keer een optater van je welste kreeg, kon ik die maar net van een regelrechte doodsmak redden.
Sindsdien staat het ding op een veiliger plek. Weliswaar moet ik er om de twee weken een vers batterijtje in onderbrengen, want het is een bijzonder gulzig energievretertje, maar dat weegt natuurlijk niet op tegen het geluk dat hier op onstuitbare wijze langs deuren en ramen blijft binnenstromen. Ik kan het werkelijk niet op en helaas kan je voorspoed niet oppotten, om het te gebruiken als het eens wat minder gaat, zoals bijvoorbeeld gisteravond …
Het zal rond een uur of negen geweest zijn dat het zwaaiende pootje plots stilviel. Ik repte me naar de lade waarin ik batterijen bewaar, om daar te ontdekken dat ik door mijn voorraad heen was. Ik haalde de schouders op en schoof nogal nukkig de lade dicht, waardoor ik de hele kast een schok bezorgde en het labiele evenwicht van een kaars in een kandelaar dermate verstoorde, dat die aanstalten maakte om te gronde te storten. Ik probeerde dat te verhinderen, maar haperde onderweg aan een ander ornament, zijnde een loodzware en uilvormige boekensteun van marmer. Die vogel daalde gezwind neerwaarts en streek neer op mijn grote teen, die bloot was en derhalve onbeschermd.
Ik stond wat te dansen en toen ik uitgedanst was, ben ik naar de nachtwinkel in het dorp gewandeld. Daar heb ik batterijen gekocht en veel te duur betaald, maar mijn Maneki Neko wuift weer met zijn pootje en de fortuin lacht me toe.
En maar zwaaien en maar blij kijken …

Omtrent
Hoewel de titel van mijn blog iets anders laat vermoeden, behoor ik allerminst tot de gilde van de nachtbrakers, de fuifbeesten, of de wilde stappers. Wel integendeel! Ik ben een stille in den lande en leid een eerder onopvallend bestaan in een West-Vlaams dorp dat nog net niet dood is. Mijn dagen breng ik veelal thuis door, terwijl ik me freelancend met scheppende arbeid onledig houd. Niets is beter dan betaald te worden voor iets waarvan je geniet.
Mijn sanctum sanctorum is een vrolijk ontregeld vertrek, waar ik mijn beroepsbezigheden verricht aan een omvangrijke schrijftafel, omgroeid door uitpuilende boekenkasten, die onderdak verschaffen aan falanxen literatuur en een overzichtstentoonstelling van snuisterijen en dingsigheden.
Voor andere kijkjes in mijn leven verwijs ik naar mijn blog, waar alle aspecten van mijn persoontje ─ zelfs de minder fraaie ─ aan bod zullen komen, zij het mondjesmaat.
