
Tag: feestgedruis
Lief schroothoopje van me
Ze waren beiden heel erg oud, dat zag je er zo aan af. Hun niet samen te vatten leven had opnieuw en nog maar eens een heuglijke datum bereikt, waarvan men vond dat daar een feest bij hoorde. Ietwat verwezen zaten ze in vleesetende fauteuils, op toezichthoudende wijze terzijde gestaan door nakomelingen.
Er deinde een dienblad met champagnefluiten voorbij en dat had hij gezien. Met een niet bij zijn leeftijd horende trefzekerheid graaiden zijn handen en maakten twee glazen buit. Het ene hield hij voor zichzelf. Het andere gaf hij aan de vrouw die naast hem zat en met wie hij ongetwijfeld talloze gedenkwaardige momenten bij mekaar gesprokkeld had.
─”Me goan e kè tikk’n”, zei hij in goddelijk West-Vlaams. We gaan eens tikken.
En ze klonken. Terwijl het kristal een zilveren geluidje uitstootte, keek hij haar aan alsof hij haar uitgevonden had. Liefde op het zoveelste gezicht. Zij was het cadeau van zijn leven en hij nog steeds het zonnetje van haar kindertekeningen.
Uitslaande feestvreugde
Hunkerend naar een vergezicht en de stilte ben ik een jaar of vijf geleden de stadsgruwel ontvlucht. Mijn Arcadië was een slordig neergelegd hoopje huizen, dat beschutting zocht onder een zegevierende kerktoren. Een sluwe makelaar verzekerde me dat ik in een dommelig dorpje, dat nog net niet dood was, zou terechtkomen. Je kon er, althans bij wijze van spreken, zonder noemenswaardig risico een kogel door de straat schieten en bovendien keek het balkon van mijn optrekje uit op de zonsondergang die, dat is algemeen geweten, in de kuststreek vaak zeer bekijkenswaardig is. Ik, Jantje zonder erg, geloofde dat allemaal.
Toen ik daar mijn eerste nacht doorbracht, lag ik al om vier uur ’s morgens wakker. Ergens in de buurt hield een pauw hoofdkwartier. Dat is — ook dat weet vrijwel iedereen — een erg fiere vogel met een bijzonder fraaie staart, die helaas over een meer dan vérreikende stem beschikt en zich beperkt tot het roepen van Leo. Leo! Gotsammekrakkepitte! Iedereen wordt verondersteld te komen als je Leo roept, maar toch niet in het holst van de nacht. Waarom zette dat beest in vredesnaam voor dag en dauw een keel op alsof het in een mes hing? Niet dat het onwelluidende gezang geen bijval oogstte. Wel integendeel! Telkens als het door merg en been dringende Leo de stilte verbrijzelde, begonnen alle ganzen en eenden in de wijde omgeving eensgezind te snateren, te tateren, te kwekken en te kwaken. Het was niet om aan te horen.
Rond de klok van zeven verschenen er dan stoere mannen in de straat. Die haalden allemaal indrukwekkende werktuigen te voorschijn, zoals daar zijn hamers en beitels, maar dan wel van het pneumatische soort, waarmee ze het plaveisel openreten en van de weeromstuit een herrie als een oordeel maakten. Ondertussen deden ook de kerkklokken hun duit in het zakje, want de katholieken hadden kennelijk wat te vieren. Het dorp ontwaakte allengs en zou zich de hele dag luidruchtig roeren: blaffende honden, een mix van claxonnades, luidruchtig grazende maaiers, nijdige heggenscharen, vraatzuchtige hakselaars, auto’s met de muziekinstallaties van een discotheek, ambulante ijsventers die een eindeloos beiaardconcert ten beste gaven …
Een week later was het kermis in het dorp. Heremijntijd! De feestelijkheden begonnen op vrijdagavond rond een uur of zeven met een optocht van de plaatselijke fanfare. En van je hoempa, hoempa, hoempa, tetterè! Een lichte paniek maakte zich meester van de in mijn woning aanwezige huisdieren ─ zijnde enkele katten ─ want die waren allerminst in hun sas met het gebonk van de grote trom, die we in Vlaanderen al vele decennia tevergeefs een groskes noemen, want het woord heeft nog steeds geen vermelding in de Van Dale gekregen. Foei!
Vervolgens was de straat het toneel van een vrolijke stoet. Een stel uilskuikens lummelde voorbij en dat ging gepaard met een herrie als een oordeel: toeterende auto’s, loeiende sirenes en schreeuwende kelen. Mijn huisdieren zochten opnieuw hun heil in de vlucht.
’s Avonds, om kwart voor tien, klonk er een luide knal. Mijn huisdieren, die nog maar net schoorvoetend hun schuilplaatsen verlaten hadden, schrokken zich wezenloos en sjeesden weg als duivels die een veeg met een wijwaterkwast krijgen. Dertig minuten later volgde een tweede ontploffing. Voor de vierde keer naaiden mijn huisdieren er tussenuit, gegijzeld door jagende angst. Iets over halfelf stak men dan eindelijk het grandioos vuurwerk af: het nogal onbeheerste startschot van de jaarlijkse dorpskermis. Tja, wat heet grandioos? Er suisden wat gillende keukenmeiden door de lucht, achternagezeten door een tweetal superscreamers, geflankeerd door wat hot crashes en enkele thundering boucquets. Na tien minuten was het bedroevende spektakeltje afgelopen en het onheil gesticht. Ik plukte een poes uit de gordijnen. De tweede had zich op een hoge kast verschanst en is pas de daaropvolgende morgen aarzelend neergedaald.
Het hele weekend lang stond de kermis welgemoed te draaien op het ritme van snoeiharde scheldmuziek, die uit boxen met het formaat van doodkisten daverde. Trammelanten en puinbakken! Ondertussen grepen er nog meer lawaaimolest veroorzakende activiteiten plaats. Op zaterdagmiddag was dat de onvermijdelijke kermiskoers. Nu is wielrennen geenszins een oorverdovende sport en men kan de beoefenaars ervan derhalve niets verwijten, maar de entourage durft nogal eens tekeer te gaan. Men had een aan furor loquendi lijdende commentator ingehuurd en in alle straten luidsprekers opgehangen, waardoor elk en een iegelijk willens nillens zijn getater moest aanhoren. De man debiteerde de gebruikelijke lullaria met een stem als een bak grind die wordt opgeschud en was spoedig een drenkeling in zijn woordenstroom. De onzin vloog me in kingsize porties om de oren. “Mijn god, hou je nooit je kop?” riep ik vertwijfeld. “Kan dat gezeur even ophouden?” Enkele uren later gaf hij gevolg aan mijn verzoek, maar toen kwam er ras een hoempafanfare aanzeilen, in wiens kielzog een dweilorkestje dreef. In de dorpskroeg omgordde iemand een accordeon om herkenbare melodieën te spelen. Tot diep in de nacht werd er driest gezongen … en op zondagmorgen, op een onchristelijk uur, begonnen standwerkers hun klatjes op te trekken voor de rommelmarkt. Dat evenement duurde de godganselijke dag en al die tijd dwarrelde hemeltergende muzak over me neer …
Nu is het weer kermis in het dorp en dat zullen we geweten hebben, maar ik heb mijn voorzorgen genomen. Ik ben verhuisd. Nu woon ik in het hol van Pluto, verscholen in een bos op de putrand van de stilte. Bof ik even!
Vaderdag zonder vader
Het leven heeft al jaren het lef om zonder mijn vader door te gaan. Ik zou me wellicht nog nauwelijks zijn gezicht kunnen herinneren, als de gelaatstrekken die ik ’s morgens in de badkamerspiegel onder het scheerschuim vandaan schraap niet steeds meer op die van hem zouden lijken. Om hem vandaag te gedenken, pluk ik opnieuw een kleine anekdote uit de schat aan herinneringen die hij me heeft nagelaten.
Als ik hem mag geloven, en dat doe ik onvoorwaardelijk, speelde hij ooit de hoofdrol in een vreemd incident op zijn zeer strenge school, waar katholieke geestelijken de scepter zwaaiden. Bij het begin van een vrij kwartier spoedden alle leerlingen zich naar de speelplaats en de aldaar in slagorde opgestelde pisbakken, om er zich van overtollig en hoogst opdringerig vocht te ontdoen. Om te verhinderen dat men steelse blikken op het eigen geslachtsdeel of dat van een plassende buur zou werpen, liep er achter de jongensruggen een priester heen en weer. Die schudde heftig met een grote sleutelbos en riep: “Koppen omhoog! Koppen omhoog!”
Op een dag had mijn vader het bestaan om te vragen: “Welke koppen?”
Het leverde hem een reprimande, een provinciale preek en een schorsing van een week op.
Start!
Salto mortale
Inpakken en wegwezen
Hoewel ik goeie zin en onbedaarlijk veel plezier in ‘t leven heb, ben ik niet wat men een wilde stapper, een nachtbraker, een fuifbeest of zelfs een gezelligheidsdier noemt. Uitslaande feestvreugde: je moet er aardigheid in hebben en dat heb ik dus niet. Je zal me dan ook zelden op vieringen zien verschijnen, maar als ik het een zeldzame keer toch doe, tegen beter weten in, zorg ik meestal voor een leuk binnenkomertje, zij het onbedoeld.
Zulke bijeenkomsten gaan immers onvermijdelijk gepaard met het verstrekken van een cadeau aan de gefêteerde(n): een dwaas en bovendien duur gebruik, maar je ontkomt er niet aan. Dergelijk geschenk dient men bij voorkeur kunstig verpakt af te geven: omhuld met boelewaaipapier dat de vreugdetoer opgaat, voorzien van strikken, linten, rozetten en wat er nog meer aan decoratieven bestaat. Moet je mij daar zien binnentreden met een op achterlijke, want habbezakkerige wijze aangetodderd pakket en helemaal zonder opsierselen … want ik slaag er vooralsnog niet in om hetgeen ik weggeef een feestelijk uiterlijk te bezorgen. Ik knip en plooi en plak en vouw, maar het resultaat is niet om aan te zien: deerniswekkend. Stel je twee mannen voor: de ene in een aangemeten kostuum van een modepaus en de andere in een flabberende campingsmoking. Dat is ongeveer het verschil tussen de cadeaus van anderen en die van mij.
Ter illustratie: in een Zuid-Amerikaanse bananenrepubliek was ik eens per benenwagen op weg naar een partijtje, toen ik door brutale militairen aangehouden en gefouilleerd werd, gewoon omdat ze het geschenk dat ik in mijn handen hield verdacht vonden. Ik had een fles cognac dermate troosteloos omwikkeld, dat ze meenden dat ik een gecamoufleerde molotovcocktail meevoerde. Kun je nagaan …
In een speelgoedwinkel ontwaarde ik onlangs een aardig meisje, dat allerlei tuigen met benijdenswaardige behendigheid in een verrukkelijk kleedje stak. Ze deed dat fluks en met watervlugge handen, alsof het niets inhield. Ik zag mijn kans schoon en vroeg of ik de kunst mocht afkijken door haar gade te slaan, hetgeen ze met behoud van glimlach toestond.
Ik denk dat ik nu de kneep gevat heb. Gisteravond waagde ik me aan enkele probeersels en bracht die zowaar tot een aannemelijk einde. Toegegeven: het is nog niet helemaal secundum artem en de geroutineerde Schwung laat nog wat op zich wachten, maar men kan een paard niet lopende beslaan. Volgens mij is het gewoon een kwestie van aanpak.
Een vleugje moeder
Mijn moeder is weliswaar al heel lang dood, maar dat belet niet dat ik haar vandaag, op Moederdag, even in het zonnetje zet. Dat doe ik met een tekening van de Argentijnse schrijver, dramaturg en cartoonist, Copi, waarmee ze indertijd zo hard moest lachen dat ze reddeloos uit de plooi raakte. Ik heb die lach in mijn geheugen bewaard om er op dagen als vandaag naar te kijken.
De titel van de cartoon, die van authentieke, met veel stiltes gepaard gaande Argentijnse humor getuigt, is bovendien ‘Madre’ en dus een beetje toepasselijk.
Als we maar gezond zijn
Als het Moederdag is, heb ik geen moeder meer om te fêteren;
op Vaderdag ontbreekt mijn vader steevast op het appel;
de eigengereide klokken van Rome plegen me straal te negeren, net als de paashaas;
Sinterklaas laat me compleet links liggen;
ook de Kerstman weet me kennelijk niet wonen;
de overstap van oud naar nieuw gaat onopgemerkt aan me voorbij;
mijn verjaardag blijkt aan geen mens een gelukwens te ontlokken …
… en mijn Valentijn, de liefde van mijn leven, ma grande passion, meine Leidenschaft, is ook al jaren dood.
Ze mogen voor mijn part het moeras inzakken met al hun feestgedruis en gedenkdagen, maar ik laat me niet kennen: tevreden strompel ik voort, met onbeschadigd humeur. Het is niet dat ik onbedaarlijk plezier in ’t leven heb, maar ik heb er nog steeds goeie zin in.
Als men zichzelf niet kietelt, lacht men nooit.
