Tag: vertier

Zwemmen op het droge

Ik belandde onverhoeds op een luidruchtig feest. Vandaag de dag heet dat een fuif, meen ik te weten. Knoerdharde muziek ─ rampestampen en puinbakken ─ schudde aan de lichamen van een bende halfgaren, die ongebonden zelfexpressie tentoonspreidden en zelfs tot het uiterste dreven. Drie meisjes stonden met delicate voetbewegingen denkbeeldige torretjes te vermorzelen, terwijl de jongens in hun buurt schijnbaar piepers tot puree trappelden. Enkele huppelkutjes moesten blijkbaar nodig, maar alle wc’s waren bezet. Een kwikzilverige snaak zeilde heen en weer alsof hij voortdurend koeienflatsen moest ontwijken en een andere snuiter maakte sprongen alsof de vloerverwarming op honderd graden stond.

Ik ontsprong evenwel de dans en beperkte me tot toekijken, want ik wilde me niet belachelijk maken. Vroeger heb ik me nochtans aan zulke moderne bewegingsvormen overgegeven. Daar ben ik echter finaal mee gestopt nadat men me confronteerde met een filmpje dat men daarvan gemaakt had. Mijn tenen krullen nog als ik eraan denk. Tegenwoordig beperk ik me tot de klassiekers. Zo heb ik bijvoorbeeld een nogal spectaculaire, want authentieke Argentijnse tango in de benen, al kan ik dat hier te lande slechts zelden, of bijna nooit demonstreren. Nochtans moeten jullie dat vooral niet onderschatten, want het is heus geen sinecure. Het duurt jaren voor je het onder de knie hebt.

Op het feest waar ik onverhoeds belandde, weerklonk er evenwel geen enkele keer tangomuziek. Nu ja, waarschijnlijk was er toch geen partner aanwezig die de dans samen met mij kon bolwerken, want die zijn dun gezaaid. Ik denk dat ik binnenkort maar eens de oversteek naar Argentinië zal maken, om daar aan mijn trekken te komen en de bewondering te oogsten die ik verdien.

Uitslaande feestvreugde

Hunkerend naar een vergezicht en de stilte ben ik een jaar of vijf geleden de stadsgruwel ontvlucht. Mijn Arcadië was een slordig neergelegd hoopje huizen, dat beschutting zocht onder een zegevierende kerktoren. Een sluwe makelaar verzekerde me dat ik in een dommelig dorpje, dat nog net niet dood was, zou terechtkomen. Je kon er, althans bij wijze van spreken, zonder noemenswaardig risico een kogel door de straat schieten en bovendien keek het balkon van mijn optrekje uit op de zonsondergang die, dat is algemeen geweten, in de kuststreek vaak zeer bekijkenswaardig is. Ik, Jantje zonder erg, geloofde dat allemaal.

Toen ik daar mijn eerste nacht doorbracht, lag ik al om vier uur ’s morgens wakker. Ergens in de buurt hield een pauw hoofdkwartier. Dat is — ook dat weet vrijwel iedereen — een erg fiere vogel met een bijzonder fraaie staart, die helaas over een meer dan vérreikende stem beschikt en zich beperkt tot het roepen van Leo. Leo! Gotsammekrakkepitte! Iedereen wordt verondersteld te komen als je Leo roept, maar toch niet in het holst van de nacht. Waarom zette dat beest in vredesnaam voor dag en dauw een keel op alsof het in een mes hing? Niet dat het onwelluidende gezang geen bijval oogstte. Wel integendeel! Telkens als het door merg en been dringende Leo de stilte verbrijzelde, begonnen alle ganzen en eenden in de wijde omgeving eensgezind te snateren, te tateren, te kwekken en te kwaken. Het was niet om aan te horen.

Rond de klok van zeven verschenen er dan stoere mannen in de straat. Die haalden allemaal indrukwekkende werktuigen te voorschijn, zoals daar zijn hamers en beitels, maar dan wel van het pneumatische soort, waarmee ze het plaveisel openreten en van de weeromstuit een herrie als een oordeel maakten. Ondertussen deden ook de kerkklokken hun duit in het zakje, want de katholieken hadden kennelijk wat te vieren. Het dorp ontwaakte allengs en zou zich de hele dag luidruchtig roeren: blaffende honden, een mix van claxonnades, luidruchtig grazende maaiers, nijdige heggenscharen, vraatzuchtige hakselaars, auto’s met de muziekinstallaties van een discotheek, ambulante ijsventers die een eindeloos beiaardconcert ten beste gaven …

Een week later was het kermis in het dorp. Heremijntijd! De feestelijkheden begonnen op vrijdagavond rond een uur of zeven met een optocht van de plaatselijke fanfare. En van je hoempa, hoempa, hoempa, tetterè! Een lichte paniek maakte zich meester van de in mijn woning aanwezige huisdieren ─ zijnde enkele katten ─ want die waren allerminst in hun sas met het gebonk van de grote trom, die we in Vlaanderen al vele decennia tevergeefs een groskes noemen, want het woord heeft nog steeds geen vermelding in de Van Dale gekregen. Foei!

Vervolgens was de straat het toneel van een vrolijke stoet. Een stel uilskuikens lummelde voorbij en dat ging gepaard met een herrie als een oordeel: toeterende auto’s, loeiende sirenes en schreeuwende kelen. Mijn huisdieren zochten opnieuw hun heil in de vlucht.

’s Avonds, om kwart voor tien, klonk er een luide knal. Mijn huisdieren, die nog maar net schoorvoetend hun schuilplaatsen verlaten hadden, schrokken zich wezenloos en sjeesden weg als duivels die een veeg met een wijwaterkwast krijgen. Dertig minuten later volgde een tweede ontploffing. Voor de vierde keer naaiden mijn huisdieren er tussenuit, gegijzeld door jagende angst. Iets over halfelf stak men dan eindelijk het grandioos vuurwerk af: het nogal onbeheerste startschot van de jaarlijkse dorpskermis. Tja, wat heet grandioos? Er suisden wat gillende keukenmeiden door de lucht, achternagezeten door een tweetal superscreamers, geflankeerd door wat hot crashes en enkele thundering boucquets. Na tien minuten was het bedroevende spektakeltje afgelopen en het onheil gesticht. Ik plukte een poes uit de gordijnen. De tweede had zich op een hoge kast verschanst en is pas de daaropvolgende morgen aarzelend neergedaald.

Het hele weekend lang stond de kermis welgemoed te draaien op het ritme van snoeiharde scheldmuziek, die uit boxen met het formaat van doodkisten daverde. Trammelanten en puinbakken! Ondertussen grepen er nog meer lawaaimolest veroorzakende activiteiten plaats. Op zaterdagmiddag was dat de onvermijdelijke kermiskoers. Nu is wielrennen geenszins een oorverdovende sport en men kan de beoefenaars ervan derhalve niets verwijten, maar de entourage durft nogal eens tekeer te gaan. Men had een aan furor loquendi lijdende commentator ingehuurd en in alle straten luidsprekers opgehangen, waardoor elk en een iegelijk willens nillens zijn getater moest aanhoren. De man debiteerde de gebruikelijke lullaria met een stem als een bak grind die wordt opgeschud en was spoedig een drenkeling in zijn woordenstroom. De onzin vloog me in kingsize porties om de oren. “Mijn god, hou je nooit je kop?” riep ik vertwijfeld. “Kan dat gezeur even ophouden?” Enkele uren later gaf hij gevolg aan mijn verzoek, maar toen kwam er ras een hoempafanfare aanzeilen, in wiens kielzog een dweilorkestje dreef. In de dorpskroeg omgordde iemand een accordeon om herkenbare melodieën te spelen. Tot diep in de nacht werd er driest gezongen … en op zondagmorgen, op een onchristelijk uur, begonnen standwerkers hun klatjes op te trekken voor de rommelmarkt. Dat evenement duurde de godganselijke dag en al die tijd dwarrelde hemeltergende muzak over me neer …

Nu is het weer kermis in het dorp en dat zullen we geweten hebben, maar ik heb mijn voorzorgen genomen. Ik ben verhuisd. Nu woon ik in het hol van Pluto, verscholen in een bos op de putrand van de stilte. Bof ik even!

Zwijmeldrank

reinholdIk was op stap met Reinhold die, het mag gezegd, een nogal gunstig uitgevallen voorkomen heeft. Hij beschikt over fraai gedraaide poten en oren, waardoor hij wellicht tot de met een schaartje geknipte kostgangers van de aardkloot behoort.

Het duurde niet lang of we kregen een pracht van een dorst. Op zoek naar lafenis kwamen we terecht in een opgesmukte kelder met donkere nissen en diffuus licht, dat lusteloos de duisternis bevocht. We bestegen krukken aan de bar en het knappe kind dat ons met een glimlach van een meter en duizend tanden in haar mond de kaart overhandigde, kreeg het gelijk in de kleine darmpjes toen ze Reinhold aankeek. Ik zag als het ware de verliefdheid in haar hartveroverende boezem opwellen.
-“Dat noem ik nu een stoot”, grijnsde Reinhold en met een knikje maakte ik duidelijk dat ik het met hem eens was.

We bestelden een woeste cocktail en het meisje ging fluks aan de slag. Ze schudde, klutste en mixte zich het hart uit het lijf, maalde ijsblokjes tot schilfers en goot vervolgens het ingewikkelde brouwsel in hoogbenige coupes. Die van mij maakte een vlekkeloze landing; het exemplaar van Reinhold eveneens, maar toen hij haar op dankbare wijze aankeek, kreeg ze dusdanig de riebels, dat ze zijn glas een ietwat onhandige aai gaf, waardoor het gemoedelijk kantelde. Voor het te pletter stortte, goot het evenwel zijn inhoud tussen de benen van mijn gezel. Ik had een pret. Ik benatte me bijna.

De scherven zouden haar noch hem geluk brengen, want wat er toen allemaal gebeurde, tart elke beschrijving. Het arme wicht verloor compleet haar tramontane. Alles mislukte. Ze moest opnieuw een cocktail voor haar hartenlapje verzorgen, maar de ijsblokjes sprongen uit haar schepje en huppelden over de vloer. De beker van de ijsmolen kreeg een dreun, kwakte op de grond en overleefde dat niet. De champagne was op en ze moest een nieuwe fles aanbreken, maar de soupire érotique waarmee dat dient gepaard te gaan, ontspoorde in een knal van je welste en het bordeelschuim spoot opgewekt in haar nogal roekeloze decolleté. Zelfs een simpel citroenschijfje veroorzaakte overlast, want de vrucht ontsnapte, ricocheerde van het kastje naar de muur en rolde toen doodleuk naar een bijna onbereikbaar hoekje. Eindelijk was ze klaar.

─”Kijk vooral niet in mijn ogen!” lachte Reinhold, begeleid door bezwerende gebaren.
Omzichtig plaatste ze het glas op de placemat die zich voor mijn vriend uitstrekte. Ik zag het gebeuren, maar ik liet het gebeuren. Een schakeltje van haar armband hechtte zich vast aan een lusje van die sponzige onderlegger en toen ze haar hand terugtrok … Touché! Het glas wiebelde nauwelijks. Het kwakte pardoes neerwaarts. Het was een voltreffer!

Ik raakte buiten adem. Ik lachte me paars. Ik zakte van mijn kruk … en terwijl ik dat deed … stootte ik mijn glas om.

Ons lenige Nederlands

Ik sta regelmatig voor de klas en probeer mensen die zich vooralsnog met tarzannederlands behelpen wat speelruimte in onze taal te geven. Het zal een week of wat geleden zijn dat ik ze als huistaak de opdracht gaf om een kort opstel over een leuk uitje te schrijven. Nauwelijks had ik die woorden uitgesproken of ik hoorde hoe iemand zich mopperend afvroeg wat er in vredesnaam leuk kon zijn aan een ui. Ik probeerde uit te leggen dat een uitje ook iets anders dan een bolgewas kon zijn, maar omdat er een Babylonische spraakverwarring dreigde te ontstaan heb ik toen maar de titel veranderd en gevraagd om wat over een leuk uitstapje te schrijven.

In een vrij recent verleden stond ik voor dezelfde klas. Regens schreiden op de stad en de wind smeet het water zo doeltreffend tegen de ramen dat het kletterde. Iedereen beklaagde zich over het kladderige weer van dit tochtgat bij de Noordzee en ik probeerde de gemoederen te sussen.
─”Straks breekt de zon door”, zei ik.
─”Lieve deugd!” kreunde iemand. “Wordt het dan nog erger?