Categorie: Laagvlieger

Leedvermaak?

Hoewel ik sociale media als de latrine van de publieke opinie beschouw, verkwist ik af en toe wat tijd aan Twitter. Wat me daarbij opvalt, is dat veel van die twitteraars lang niet alles scherp te krijgen wat de Nederlandse taal betreft. Nauwelijks gehinderd door enige kennis van zaken schrijven ze als een keukenmeid en bezondigen ze zich ongegeneerd aan taal- en stijlfouten, waarbij vooral de dt-regels het moeten ontgelden.

Nu ik toch Twitter bij de kop heb, wil ik daar nog wat meer over kwijt. Sommigen gebruiken dat medium immers om de wereld kond te doen van treurige, of zelfs tragische gebeurtenissen, zoals bijvoorbeeld het verscheiden van een geliefd wezen ─ mens of dier ─ of het toeslaan van onheil, zoals daar zijn lichamelijke of materiële rampspoed. Het leven is nu eenmaal een potpourri van tegenslagen. Hun lezers kunnen omtrent deze berichten hun deelneming betuigen, wat bij Twitter evenwel enkel mogelijk is via de knop ‘ik vind dat leuk’. Bewaar me, zeg!

─ “Er is bij mij borstkanker vastgesteld.”
─ “Mijn hond is onder een auto terechtgekomen en heeft dat niet overleefd.”
─ “Mijn vader heeft het tijdelijke met het eeuwige verwisseld.”
Het zijn allemaal berichten die anderen ‘leuk vinden’.

Ik vind dat eigenlijk niet zo’n succes, laat staan leuk.

Ludivine Dedonder: een trut van Troje

O, wat erger ik me aan de in zeer hoge mate door mij misprezen Belgische minister van Defensie: de zurkeltrut Ludivine Dedonder. Als jullie willen weten waarom ik zo’n godsgruwelijke schurfthekel aan dat mens heb, moeten jullie vooral doorgaan met lezen.

Naar aanleiding van de onverkwikkelijke gebeurtenissen in Afghanistan en de daarmee gepaard gaande tussenkomsten van het Belgisch leger verscheen deze danig over het paard getilde kakmadam op mijn televisiescherm, terwijl ze geïnterviewd werd door een journalist van de VRT, zijnde de Vlaamse televisie. Desalniettemin kwam er geen enkel Nederlands woord over de lippen van dat wijf. Ze overtrad alle regels van het fatsoen door de taal van de hoofdmoot der Belgen doodgemoedereerd te negeren, waarschijnlijk omdat ze te dom of te lui is om die aan te leren. Of zou ze het Nederlands beneden haar Waalse en socialistische waardigheid vinden?

Het in meer of desnoods mindere mate beheersen van beide landstalen zou een conditio sine qua non moeten zijn voor de leden van de Belgische regering. En dus ook voor het onbeschofte schepsel en de in hoge mate door mij misprezen kakmadam: Ludivine Dedonder.

Ze komt daar niet mee weg, althans niet wat mij betreft. Als het aan mij ligt, zal ze roemloos tenondergaan.

Den goedgunstigen lezer, heil!

Als verwoed lezer geef ik nog altijd de voorkeur aan echte boeken, de papieren druksels, zelfs nadat ik zo’n acht jaar geleden een e-reader van Sony in de schoot geworpen kreeg, omdat ik vrij nauwkeurig het aantal deelnemers aan een prijsvraag ingeschat had.

Na een bezoek aan de röntgenafdeling van een ziekenhuis liet dat het toestelletje het evenwel afweten, wellicht omdat het door de stralingen helemaal in de war raakte en alles door mekaar hutselde, zoals vermeld in mijn schrijfsel Vreugde met een dompertje dat ik op 21 september 2013 aan deze gebeurtenis wijdde.

Omdat ik tegenwoordig vaak uithuizig ben en meer dan me lief is wachttijden moet trotseren, leek het me handig om toch maar weer zo’n draagbare bibliotheek bij de hand te hebben, teneinde me geen hernia te zeulen aan gewichtige boeken. Ik koos een lezer van Kobo.

Jullie zullen me niet horen beweren dat ik opgetogen ben over mijn aanwinst. Mijn ongenoegen geldt niet zozeer het apparaat zelf, maar wel de weergave van de boeken die ik bij Kobo aangekocht heb. Die vertonen namelijk een potpourri aan tekortkomingen, zoals daar zijn ontbrekende bladzijden, foutieve splitsingen, mankerende spaties, krakkemikkige interpunctie …

Door dat alles lezen die boeken niet lekker en in mijn hoedanigheid van perfectionist omtrent teksten, zit ik me daar zo omstandig, ja zelfs buitensporig aan te ergeren dat het niet mooi meer is.

Wat mij betreft, is Kobo allerminst een aanbeveling. Ach, was ik maar in de moederschoot gebleven.

Humo staat weer scherp

Elf jaar geleden, op 7 mei 2010, verscheen hier het schrijfsel Pikant, waarin ik me beklaagde over de slordige en ietwat gevaarlijke manier waarop het weekblad Humo zijn product van nietjes voorzag, zodat die dingetjes geniepige uitsteeksels vormden.

Ondertussen zijn er een paar dingen veranderd. Voor het tijdschrift dat toentertijd € 2,40 kostte, moet ik tegenwoordig € 3,90 neertellen. Ik betrek mijn exemplaar ook niet meer bij de krantenboer, want ik heb nu een abonnement en krijg mijn boekje op dinsdag door de postbode thuisbezorgd.

Helaas blijkt de nietjesmachine van Humo elf jaar later nog steeds niet naar behoren te werken. Verleden week kreeg ik opnieuw een onsamenhangend druksel in de bus, dat toegerust was met een danig misvormd en derhalve venijnig haakje.

Ik weet niet of de postbode, of iemand anders, er zich aan bezeerd heeft, maar ik heb er in alle geval de nagel van mijn linkerpink mee in de vernieling geholpen.

Humo, bij wie moet ik zijn om schadevergoeding te eisen?!

nietje

Wel heb je van je leven!

In de groenteafdeling van Colruyt dobberde ik in het kielzog van een vrouwmens met een oosters uiterlijk, die nogal sloddervossig aangetodderd was met een uitgelubberde joggingbroek, een boelewaaibloes die onstuimig bedrukt was met het soort woeste bloemen dat in de jungle naar argeloze vogeltjes hapt en deerniswekkende teenslippers. Ze parkeerde haar winkelkar naast de bakken met citrusvruchten, versperde zodoende de doorgang en dwong me tot wachten.

Ze begon de limoenen een voor een te betasten, om ze vervolgens terug te gooien, en ze bleef dat doen tot ik mijn geduld verloor.
─”Bent u van plan om ze allemaal te bepotelen?” vroeg ik ietwat geërgerd.
─”Huh?!” mompelde ze en ze staarde me aan alsof ik haar een oneerbaar voorstel had gedaan.
─”We leven in coronatijden”, verduidelijkte ik. “Maak uw keuze en blijf erbij.” Ze kogelde me neer met haar blik en toen … spuwde ze toch wel twee keer in de bak met limoenen zeker! Je wil er toch niet bij zijn! “Bent u nu helemaal van de ratten besnuffeld!?” foeterde ik, maar ze negeerde me straal en vervolgde doodgemoedereerd haar weg, zonder limoenen.

Ik heb wijselijk citroenen gekocht in plaats van limoenen en bracht een winkelbediende op de hoogte van hetgeen ik gezien had.

Het zal nog eens zo gaan dat ik racist word.

Asociale stukken chagrijn

Terwijl ik me op VIER in De Slimste Mens zat te verkneukelen, probeerde dat televisiezendertje me per lokfilmpje te verleiden om vanaf volgende week hun nieuwe docureeks ─ Ja, chef! ─ met mijn aandacht te vereren. Het programma zal naar verluidt de keukens van vijf ambitieuze chef-koks induiken en registreren wat zich daar allemaal afspeelt.

Een van die vijf is ene Patjim Bajrami, van Kosovaarse afkomst en een plomp en onbehouwen heerschap. Hij is de mening toegedaan dat men met een brutale bek al een heel eind komt en hij banjert derhalve ongehoord bot door het leven en door zijn keuken. De zeven paarden die hem uit de klei getrokken hebben, staan daarvan nog na te hijgen. De manier waarop die hemeltergende bullebak met zijn personeel omspringt, is wraakroepend. Een bulldozer heeft meer charme.

Volgens zijn eigen ‘bescheiden’ zeggen wil die hork de beste chef van België worden en drie Michelinsterren veroveren. Van mij kan hij alvast drie West-Vlaamse schoppen onder zijn Kosovaarse kloten krijgen, want ik maak mijn handen niet vuil aan een fluim. Misschien dat hij dan weliswaar geen drie sterren verovert, maar hij zal ze toch zeker zien en zelfs meer dan drie.

Ik crepeer nog liever van de honger dan dat ik me naar het etablissement van zo’n primaat ─ De Stadt van Luijk in Sint-Truiden ─ zou begeven.

Een vergiftigd geschenk

Welke onnozele halzen zijn er in vredesnaam op het onzalige idee gekomen, om ons in deze door corona geteisterde tijden met een dozijn gratis treinritten op te zadelen? Dat kunnen volgens mij enkel geitenwollensokken geweest zijn: de achterlijke troel Almaci, die aan de bron der intelligentie slechts de lippen bevochtigd heeft, of anders de zielenpoot Calvo, wiens oogopslag slechts een minimum aan hersenactiviteit doet vermoeden.

Kennissen van me spoorden gisteren gratis van Brugge naar Hasselt. Dat is ze uitermate slecht bekomen. Ze zaten bijna drie uur in een tot de nok gevulde en derhalve risicovolle trein, beiden uitgerust met de verplichte, maar in niet geringe mate hinderlijke mondmaskers. Toen ze na deze martelgang op hun bestemming arriveerden, bleken ze nergens terecht kunnen om wat te blikken of de keel te smeren. Alles zat potdicht. Dan gaat een mens toch echt wel even balen. Dat deden ze uitgebreid en dan moesten ze nog dat hele eind terug naar huis.

Hier volgt derhalve een goede raad voor zij die, niettegenstaande de benarde omstandigheden, toch van die gratis ritten gebruik willen maken. Wie die niet ter harte neemt, doet dat op eigen risico:
Neem een stapel aangeklede boterhammen en een volle thermosfles mee!

Mij krijgen ze daar alleszins niet voor. Ik doe er niet aan mee en kus nog liever een kakkerlak. Ik heb niet voor het zootje ongeregeld van de Vivaldicoalitie gekozen ─ ga daarmee naar den oorlog! ─ en ik heb slechts weinig, om niet te zeggen geen vertrouwen in wat ze allemaal bekokstoven. Het is allemaal lauwe limonade met een rietje, geserveerd door een stelletje nulliteiten. Ze kunnen de pot op met hun ‘cadeautjes’ waar wij, belastingbetalers, toch voor zullen opdraaien.

Prutswerk

Mijn beroepsbezigheden behelzen vooral het vertalen en redigeren van wat anderen geschreven hebben, maar af en toe durf ik me ook te bezondigen aan hetgeen men in jargon copywrting noemt ─ we kunnen het Engels niet laten ─ maar in feite niet meer is dan tekstschrijven voor reclamedoeleinden.

Ik leg dan ook enige belangstelling aan den dag voor hetgeen anderen op dat gebied presteren en uit hun mouw schudden. Soms zitten daar waarlijk bloedmooie pareltjes tussen, die boven alle kritiek verheven zijn en me niet alleen met niet aflatende bewondering vervullen, maar me bijwijlen zelfs met afgunst opzadelen. Niets menselijks is me vreemd.

Anderzijds wordt ik zo nu en dan geconfronteerd met regelrechte vehikels: misbaksels die zo stuntelig in elkaar gehikt zijn dat ik er bijna van gaan kotsen. Bewaar me, zeg!

Zo erger ik me bijvoorbeeld blauw aan het gewrocht … eh … gedrocht waarmee SodaStream uitpakt, om aan de kijker een toestel te slijten, dat ordinair leidingwater in verfrissend bruisend water verandert. Ga d’r maar aan staan!

SodaStreamAls pleitbezorgster in dezen voeren ze een ongehoord onbeschofte en niet eens tot wasdom gekomen helleveeg op. Dat feeksje wijst haar met petflessen zeulende vader terecht en eist dat hij zich zo’n bruiswatermaker aanschaft, teneinde het milieu te ontlasten. Daar valt wat voor te zeggen, maar door de uitermate botte manier waarop ze dat doet, zet ik meteen mijn stekels op. Als ik nooit ofte nimmer zo’n SodaStream zal kopen, is dat de schuld van dat kapsonelijertje. Wat een secreet, zeg!

O, wat beklaag ik de man die ooit met dat serpent in de huwelijksboot zal stappen. Daar komt gegarandeerd een vechtscheiding van.

Een ander reclamefilmpje probeert het afwasmiddel van Dreft wierook toe te zwaaien, maar sorteert bij mij een averechts effect door me zure oprispingen te bezorgen.

DreftEen jongetje, wiens ouwelui dat middel aangekocht hebben, wil graag de fles ervan ombouwen tot een ruimteschip. Het product blijft echter meegaan ─ ik kan dat beamen, want ik gebruik het al jaren ─ en die knaap vindt dat niet leuk, dus begint hij te jeremiëren en te zeuren dat het niet mooi meer is. Ik krijg er wat van en voel me steeds meer geneigd om dat zageventje naar het leven te staan alsof hij een giftig reptiel is, maar gelukkig raakt die fles toch leeg en kan hij overgaan tot het bouwen van … een uitermate wanstaltig ruimteschip. Het lijkt nergens op. Mens toch!

Mijn gedacht!

Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat de Belgische aanpak van de hele Coronasoesa buitengewoon stuntelig in elkaar gehikt was en is: een amateuristische improvisatie van een stel dilettanten, met in een hoofdrol een soortement pseudospecialist ─ Van Ranst genaamd ─ die veel garen op zijn klos heeft en van zichzelf denkt dat hij de Zaligmaker is, of toch zeker een godsgeschenk.

In mijn ogen is hij niet meer dan een betweter in een academisch steunkorset: een opgeblazen kikker, die ons met zijn inzichten en analyses probeert te overtroeven, niet gehinderd door veelgelaagde onverstaanbaarheid, die je voor geleerdheid kunt houden als je snel onder de indruk bent van blaaskakerij. Hij heeft een buitensporig ego, verkoopt kool en zit er heel vaak naast.

Het zal jullie duidelijk zijn dat ik die ijdelzuchtige kwek niet lust. Als zijn pafferige smoel mijn televisiescherm teistert, hetgeen helaas niet zelden gebeurt, zap ik ijlings naar belendende percelen. Nee, ik lust die gozer niet. En van virussen heb ik ook mijn bekomst.

Geen groot licht

Hoewel ik een uitermate spaarzaam mens ben ─ volgens sommigen balanceer ik zelfs op de rand van regelrechte vrekkigheid ─ pleeg ik tijdens het boodschappen doen nooit gebruik te maken van reductiebonnen, die men te kust en te keur aanbiedt. Schijthuizen kun je ermee dekken. Er is geen aanhalen aan en ik heb echt geen zin om kostbare tijd te verkwanselen aan het uitknippen en verzamelen van die lucratieve drukwerkjes.

In een lokaal reclameblad ─ Tips, meen ik me te herinneren ─ viel mijn oog onlangs op een bonnetje, waarmee ik € 1 korting kon krijgen als ik me zes blikjes Coca Cola Zero aanschafte. Nu ben ik een grootverbruiker van deze frisdrank en € 1 vind ik niet bepaald een peulenschil, dus wapende ik me met een schaar en zette me aan het knippen: een bezigheid waarmee ik ─ als zoon van een kleermaker ─ gekipt en gebroed ben.

De oogopslag van de caissière in de supermarkt deed een minimum aan hersenactiviteit vermoeden. Ze had aan de bron der intelligentie vermoedelijk slechts de lippen bevochtigd. Ik wilde haar mijn bon overhandigen, maar ze maakte een afwerend gebaar en sprak op nogal barse toon:
“Ge moet hem zelf scannen. Ik mag er niet aankomen, vanwege de ‘Croma’.”
Die moeilijke woorden altijd! Waarom heet zo’n virus niet gewoon Sarlowietje, of Alfonsientje als het een vrouwtje is?

Dat wicht had me eigenlijk niets te bevelen en ik moest helemaal niets. Ik slikte evenwel mijn protest in en presenteerde mijn bon aan het leestoestel, dat weliswaar verwoed met zijn rode oogjes knipperde, maar niets registreerde. Mijn tegenspeelster loosde een putdiepe zucht, griste het papiertje met lange vingers uit mijn hand en voerde per toetsenbord de gegevens ervan in, waarna ze me het documentje teruggaf.
─”Gooi het buiten maar in de vuilnisbak!” zei ze.
─”En waarom zou ik dat doen?” verbaasde ik me. “Bij een volgende gelegenheid kan ik het nog een keer gebruiken.” Ze keek me aan als een bos uien, met een gezicht van man-waar-heb-je-‘t-over. “Trouwens,” vervolgde ik, “hoe zullen jullie die ene euro kunnen recupereren als je de leverancier geen bewijs van uitbetaling kunt voorleggen?”
Ze schudde even aan haar hersenstruik, beroofde me toen ten tweeden male van het ding en borg het op.

“Ze hebben net gebeld van het ziekenhuis”, mompelde ik in het onverstaanbaars toen ik de winkel verliet. “Je hersens zijn klaar.”

Thuis pleeg ik altijd mijn kassabon te controleren. Toen ik dat deed, kwam ik tot de ontdekking dat ze alle artikelen waarvan ik meerdere eenheden aangeschaft had slechts één keer aanrekende, waardoor ik zo maar even € 17,40 te weinig betaalde. Vraag me niet hoe ze dat klaarspeelde, want ik zou het echt niet weten en het interesseert me ook geen fluit.

Haar bazen zullen haar wellicht niet tot caissière van het jaar verkiezen, maar ik wel. Hadsikadee!