Categorie: Laagvlieger

Prutswerk

Mijn beroepsbezigheden behelzen vooral het vertalen en redigeren van wat anderen geschreven hebben, maar af en toe durf ik me ook te bezondigen aan hetgeen men in jargon copywrting noemt ─ we kunnen het Engels niet laten ─ maar in feite niet meer is dan tekstschrijven voor reclamedoeleinden.

Ik leg dan ook enige belangstelling aan den dag voor hetgeen anderen op dat gebied presteren en uit hun mouw schudden. Soms zitten daar waarlijk bloedmooie pareltjes tussen, die boven alle kritiek verheven zijn en me niet alleen met niet aflatende bewondering vervullen, maar me bijwijlen zelfs met afgunst opzadelen. Niets menselijks is me vreemd.

Anderzijds wordt ik zo nu en dan geconfronteerd met regelrechte vehikels: misbaksels die zo stuntelig in elkaar gehikt zijn dat ik er bijna van gaan kotsen. Bewaar me, zeg!

Zo erger ik me bijvoorbeeld blauw aan het gewrocht … eh … gedrocht waarmee SodaStream uitpakt, om aan de kijker een toestel te slijten, dat ordinair leidingwater in verfrissend bruisend water verandert. Ga d’r maar aan staan!

SodaStreamAls pleitbezorgster in dezen voeren ze een ongehoord onbeschofte en niet eens tot wasdom gekomen helleveeg op. Dat feeksje wijst haar met petflessen zeulende vader terecht en eist dat hij zich zo’n bruiswatermaker aanschaft, teneinde het milieu te ontlasten. Daar valt wat voor te zeggen, maar door de uitermate botte manier waarop ze dat doet, zet ik meteen mijn stekels op. Als ik nooit ofte nimmer zo’n SodaStream zal kopen, is dat de schuld van dat kapsonelijertje. Wat een secreet, zeg!

O, wat beklaag ik de man die ooit met dat serpent in de huwelijksboot zal stappen. Daar komt gegarandeerd een vechtscheiding van.

Een ander reclamefilmpje probeert het afwasmiddel van Dreft wierook toe te zwaaien, maar sorteert bij mij een averechts effect door me zure oprispingen te bezorgen.

DreftEen jongetje, wiens ouwelui dat middel aangekocht hebben, wil graag de fles ervan ombouwen tot een ruimteschip. Het product blijft echter meegaan ─ ik kan dat beamen, want ik gebruik het al jaren ─ en die knaap vindt dat niet leuk, dus begint hij te jeremiëren en te zeuren dat het niet mooi meer is. Ik krijg er wat van en voel me steeds meer geneigd om dat zageventje naar het leven te staan alsof hij een giftig reptiel is, maar gelukkig raakt die fles toch leeg en kan hij overgaan tot het bouwen van … een uitermate wanstaltig ruimteschip. Het lijkt nergens op. Mens toch!

Mijn gedacht!

Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat de Belgische aanpak van de hele Coronasoesa buitengewoon stuntelig in elkaar gehikt was en is: een amateuristische improvisatie van een stel dilettanten, met in een hoofdrol een soortement pseudospecialist ─ Van Ranst genaamd ─ die veel garen op zijn klos heeft en van zichzelf denkt dat hij de Zaligmaker is, of toch zeker een godsgeschenk.

In mijn ogen is hij niet meer dan een betweter in een academisch steunkorset: een opgeblazen kikker, die ons met zijn inzichten en analyses probeert te overtroeven, niet gehinderd door veelgelaagde onverstaanbaarheid, die je voor geleerdheid kunt houden als je snel onder de indruk bent van blaaskakerij. Hij heeft een buitensporig ego, verkoopt kool en zit er heel vaak naast.

Het zal jullie duidelijk zijn dat ik die ijdelzuchtige kwek niet lust. Als zijn pafferige smoel mijn televisiescherm teistert, hetgeen helaas niet zelden gebeurt, zap ik ijlings naar belendende percelen. Nee, ik lust die gozer niet. En van virussen heb ik ook mijn bekomst.

Geen groot licht

Hoewel ik een uitermate spaarzaam mens ben ─ volgens sommigen balanceer ik zelfs op de rand van regelrechte vrekkigheid ─ pleeg ik tijdens het boodschappen doen nooit gebruik te maken van reductiebonnen, die men te kust en te keur aanbiedt. Schijthuizen kun je ermee dekken. Er is geen aanhalen aan en ik heb echt geen zin om kostbare tijd te verkwanselen aan het uitknippen en verzamelen van die lucratieve drukwerkjes.

In een lokaal reclameblad ─ Tips, meen ik me te herinneren ─ viel mijn oog onlangs op een bonnetje, waarmee ik € 1 korting kon krijgen als ik me zes blikjes Coca Cola Zero aanschafte. Nu ben ik een grootverbruiker van deze frisdrank en € 1 vind ik niet bepaald een peulenschil, dus wapende ik me met een schaar en zette me aan het knippen: een bezigheid waarmee ik ─ als zoon van een kleermaker ─ gekipt en gebroed ben.

De oogopslag van de caissière in de supermarkt deed een minimum aan hersenactiviteit vermoeden. Ze had aan de bron der intelligentie vermoedelijk slechts de lippen bevochtigd. Ik wilde haar mijn bon overhandigen, maar ze maakte een afwerend gebaar en sprak op nogal barse toon:
“Ge moet hem zelf scannen. Ik mag er niet aankomen, vanwege de ‘Croma’.”
Die moeilijke woorden altijd! Waarom heet zo’n virus niet gewoon Sarlowietje, of Alfonsientje als het een vrouwtje is?

Dat wicht had me eigenlijk niets te bevelen en ik moest helemaal niets. Ik slikte evenwel mijn protest in en presenteerde mijn bon aan het leestoestel, dat weliswaar verwoed met zijn rode oogjes knipperde, maar niets registreerde. Mijn tegenspeelster loosde een putdiepe zucht, griste het papiertje met lange vingers uit mijn hand en voerde per toetsenbord de gegevens ervan in, waarna ze me het documentje teruggaf.
─”Gooi het buiten maar in de vuilnisbak!” zei ze.
─”En waarom zou ik dat doen?” verbaasde ik me. “Bij een volgende gelegenheid kan ik het nog een keer gebruiken.” Ze keek me aan als een bos uien, met een gezicht van man-waar-heb-je-‘t-over. “Trouwens,” vervolgde ik, “hoe zullen jullie die ene euro kunnen recupereren als je de leverancier geen bewijs van uitbetaling kunt voorleggen?”
Ze schudde even aan haar hersenstruik, beroofde me toen ten tweeden male van het ding en borg het op.

“Ze hebben net gebeld van het ziekenhuis”, mompelde ik in het onverstaanbaars toen ik de winkel verliet. “Je hersens zijn klaar.”

Thuis pleeg ik altijd mijn kassabon te controleren. Toen ik dat deed, kwam ik tot de ontdekking dat ze alle artikelen waarvan ik meerdere eenheden aangeschaft had slechts één keer aanrekende, waardoor ik zo maar even € 17,40 te weinig betaalde. Vraag me niet hoe ze dat klaarspeelde, want ik zou het echt niet weten en het interesseert me ook geen fluit.

Haar bazen zullen haar wellicht niet tot caissière van het jaar verkiezen, maar ik wel. Hadsikadee!

Mosterd na de maaltijd

Op 29 december laatstleden maakte ik hier ─ Laat nu jullie rug maar zien ─ mijn voornemen kenbaar om mijn abonnement op het weekblad Humo te beëindigen.

Bij Humo kan men dit enkel telefonisch bewerkstelligen, wat me vandaag de dag een nogal voorbijgestreefde manier van werken lijkt, al zullen ze daar ongetwijfeld hun redenen voor hebben. Ik vatte dus zowel de koe als de telefoon bij de hoorns, vormde het nummer en ─ wat hadden jullie gedacht!? ─ kreeg een uitgebreid keuzemenu voorgeschoteld, dat ik met grote tegenzin en veel geduld aanhoorde, want het stopzetten van een abonnement was natuurlijk de laatste mogelijkheid die men me aanbood.

Gedurende bijna een kwartier weerklonk er vervolgens een ‘muziekje’ of wat daarvoor moest doorgaan ─ moet je die pokkenherrie horen! ─ dat af en toe onderbroken werd door een vrouwenstem, die zich een zalvende toon aanmat om me mee te delen dat ik ‘dadelijk’ geholpen zou worden. Dadelijk lijkt bij Humo een zeer rekbaar begrip te zijn.

Opeens dook er dan toch een vrouw of een meisje op in mijn oor. Ze vroeg naar mijn abonneenummer en wilde toen weten waarom ik afhaakte, als ik dat al wilde openbaren. Dat wilde ik, dus maakte ik haar deelgenote van mijn misnoegdheden, zijnde hun allesbehalve accurate televisiegids, hun ondoordachte reclamestunts waar ik zelden van kon profiteren, hun voorliefde voor personen waar ik niet van hou en de afwezigheid van mijn favoriete stukjesschrijver in de rubriek Dwarskijker.

Ze aanhoorde me geduldig, bracht begrip op voor mijn beslissing, of veinsde dat althans, en kwam toen met een voorstel op de proppen: als ik op mijn voornemen terugkwam en dus abonnee bleef, kon ze mij ter compensatie van mijn ongenoegens een korting van dertig procent geven op de abonnementsprijs.

In Vlaanderen noemt men dat vijgen na Pasen en in Nederland mosterd na de maaltijd. Nu ben ik een mens van principes en ik laat me door niets of niemand omkopen, dus ben ik niet op dat aanbod ingegaan. Humo kan me voortaan aan de reet roesten.

Het moet gezegd dat de vrouw die of het meisje dat me te woord stond weliswaar veel te lang op zich liet wachten, maar dat werd ruimschoots gecompenseerd door haar vriendelijkheid. Er kwam geen enkele keer een onvertogen woord over haar lippen. Compliment!

En meer heb ik daar niet over te zeggen.

Laat nu jullie rug maar zien

Hoewel ik het liever vermijd, zie ik me nu toch genoodzaakt om in herhaling te vallen.

Ik heb hier al een paar keer mijn ongenoegen geuit over de ondoordachte, ja zelfs onnozele reclamestunts van het weekblad Humo. Ze bieden hun lezers een gratis drankje aan, maar als abonnee dien je dat traktaat wel zelf af te halen, hetgeen in mijn geval een verplaatsing van tientallen kilometers vereist. Ja, ik ben daar gekke Gerrit op een houtvlot! Lees in dit verband mijn schrijfsels Nu doen ze het weer en Als het niet goed is, zeg ik het ook.

Begin december trof ik bij Humo een afhaalbon voor een gratis flesje bier van Cornet aan. Om dat ‘cadeautje’ te verwerven, diende ik me te wenden tot een Press shop, waarvan de meest dichtbije winkel zich op vijftien kilometer van mijn hoofdkwartier bevond. Normaliter zou ik dus die Cornet aan me laten voorbijgaan, maar nu moest ik toch in de buurt van dat afhaalpunt zijn, dus meldde ik me er aan om te vernemen dat de voorraad flesjes uitgeput was en ik derhalve op mijn Vlaamse kin mocht kloppen.

Twee weken later omvatte Humo opnieuw een afhaalbon, dit keer voor een minuscuul flesje gin van Filliers Tribute, dat men als abonnee in een Standaard boekhandel kon bemachtigen. Nu zijn boekhandels plekken die ik zoveel mogelijk tracht te vermijden, omdat ik nooit aan de verleiding kan weerstaan en er altijd buitentreed met een stapel lectuur. Dit keer verliet ik het pand met drie boeken, maar zonder flesje gin, want naar verluidt waren die al uitgeput en dat nauwelijks één dag na het verschijnen van de Humo in kwestie. Ja zeg, maak het een beetje!

Humo, ik had jullie gewaarschuwd en nu voeg ik de daad bij die waarschuwing. Ik ben al enige tijd mistevreden over de inhoud van jullie ‘boekje’. De tv-gids is allesbehalve volledig en nog minder accuraat. Er gaat vrijwel geen dag voorbij zonder dat ik me blauw zit te ergeren aan de foutieve informatie die jullie me verstrekken. Ook mijn favoriete rubriek, Dwarskijker, is hoegenaamd niet meer wat die was toen een taalvirtuoos die verzorgde, met name Rudy Vandendaele, aan wie ik destijds het schrijfsel Afscheid van een virtuoos heb gewijd. Bovendien vind ik dat jullie veel te vaak regelrechte onbenullen opvoeren, zoals bijvoorbeeld de danig over het paard getilde huppelkutjes Anuna De Wever en Greta ─ How dare you?! ─ Thunberg, die denken dat ze de wijsheid in pacht hebben en iedereen op hun nummer mogen zetten. Ik heb echt geen boodschap aan wat die truttebollen verkondigen en ze ergeren me mateloos.

De druppel die de emmer doet overlopen zijn evenwel jullie knullige reclamestunts. Ik zeg derhalve mijn abonnement op. Dat is jaarlijks weer bijna € 200 bespaard. Het zal nog eens zo gaan dat ik rijk word.

Ajuus!

Da gaade gij ni bepale, hè!

“Da gaade gij ni bepale, hè!” snauwde Jan Jambon, de knisperverse Vlaamse minister-president tegen een lid van de oppositie, waarna hij die waarschuwing nog eens herhaalde, zwaaiend met een spinnige vinger: “Da gaade gij ni bepale!”
Het gebeurde tijdens een door televisiecamera’s begluurde zitting van het Vlaamse parlement en die woorden schoten mij gisteren plots te binnen.

Ik kreeg namelijk bezoek van een man, die een nogal vooraanstaande positie bekleedt en van wie men dus geredelijk zou mogen verwachten dat hij het klappen van de zweep kent, toch zeker op het gebied van omgangsvormen. Over de rest kunnen we beter zwijgen, want hij heeft weliswaar veel goeie raad te koop, maar vooralsnog zelf nooit iets verwezenlijkt.

─”Mag ik u wat aanbieden?” vroeg ik, want ik ben dus wel keurig netjes grootgebracht.
─”Alleen als je met me meedrinkt”, sprak hij en op dat moment doken de woorden van Jan Jambon mijn hersens binnen: Da gaade gij nie bepale, hè!

Wat verbeeldde dat heerschap zich wel? Hij zal me daar een beetje commanderen in mijn eigen huis! Ammenooitniet! Waarom dacht hij trouwens dat hij me mocht tutoyeren? Hadden we vroeger soms met elkaar geknikkerd? Niet zo familiair voor zo weinig kennis, dacht ik, maar ik slikte mijn ergernis in.

─”Dan niet,” haalde ik de schouders op, “want ik heb op dit moment geen dorst.”
Hij bleef zodoende op zijn honger … eh … dorst en daar had hij niet van terug. Ik evenmin, want ik had de avond voordien zwaar getafeld en verging zowat van de dorst, maar een kermis is een geseling waard.

Goedkoop, jawel, maar niet perfect

Sinds jaar en dag ben ik een geregelde en vrij tevreden klant bij Colruyt. Ik laat er iedere maand zo’n drie- à vierhonderd euro, al krijg ik daar natuurlijk leeftocht voor in de plaats.

Als ik hierboven mijn waardering als ‘vrij tevreden’ omschrijf, maak ik inderdaad enig voorbehoud. Dat komt door enkele minpunten, die enigszins mijn winkelvreugde temperen.

Het gebeurt namelijk steeds vaker dat favoriete producten van me onaangekondigd uit het aanbod verdwijnen, om nooit meer terug te keren. Zo kocht ik al ettelijke jaren en iedere maand miniworstjes van Cabanossi, maar die zijn al maanden nergens meer te bespeuren, net als de boter Les Prés uit de Camargue en de profiteroles met room van Boni … om van de rest nog te zwijgen.

Bovendien heeft Colruyt de toch wel ergerlijke neiging om de indeling van hun winkels te wijzigen en artikelen op een andere plaats onder te brengen, waardoor ik soms een heuse speurtocht moet ondernemen om te vinden wat ik wens. Daar heb ik, en veel anderen met mij, een gloeiende siroophekel aan en laten we wel wezen: ik heb wel wat nuttigers te doen.

Ook weigeren ze halsstarrig om soms gerenommeerde streekproducten in hun gamma op te nemen. Ik heb ze bijvoorbeeld al herhaaldelijk gevraagd om de weergaloze mosterd van Wostyn – die men op nauwelijks een paar kilometer van de supermarkt vervaardigt – aan te bieden, maar daar hebben ze blijkbaar geen oren naar. Ik zie me derhalve genoodzaakt om voor die mosterd een andere supermarkt op te zoeken, waar ik dan vanzelfsprekend ook honderden euro’s aan andere producten spendeer. Het zal ze leren!

Een paar maanden geleden viel hun tweewekelijkse folder opeens niet meer in mijn brievenbus. Ik liet ze dat per e-mail weten en kreeg per kerende antwoord van hun klantendienst, zij het in nogal krakkemikkig Nederlands:

… Bedankt voor u (sic) mail. Ik heb naar aanleiding hiervan u (sic) profiel bekeken in onze database. Het kan wel degelijk kloppen dat u de folders niet ontvangen hebt …
En tralala en reldeldel en we zullen dat in orde brengen.

Ze vermelden echter niet hoe en waarom ik plots uit die database gedonderd ben en dat is net wat ik graag wil weten.

Spannend!

Een wonderlijke groente

rabarber2Mijn mond lust graag rabarber. Er is een tijd geweest dat ik me deze zuurstokken probleemloos kon aanschaffen. Schijthuizen kon je ermee dekken. Vandaag de dag moet men zich echter ongans zoeken om die stengels te vinden. Ze zijn zowel letterlijk als figuurlijk dun gezaaid.

Verleden week kwam ik nogal onverhoeds op een boerenmarkt terecht. In een groentekraam aldaar ontwaarde ik zowaar twee ‘bussels’ van mijn favoriete vegetatie, dus vervoegde ik me bij de lange wachtrij. Het duurde toch bijna tien minuten voor ik aan de beurt was en wijzend met een verlekkerde vinger zei:
–”Ik wil graag die twee bussels rabarber.”
–”Die zijn gereserveerd”, deelde die boerin van de korte keten me nogal kortaangebonden mee.
–”Waarom stelt u die dan nog tentoon?” vroeg ik me af en ik deelde die vraag aan haar mee.
–”Ik stel hier tentoon wat ik wil”, verkondigde ze bazig, “en daar hoeft niemand zich mee te bemoeien.”

Ik kon haar geen ongelijk gegeven natuurlijk, maar die onbeschofte zurkelktrut mag van mij schaamluizen krijgen en korte armpjes, zodat ze zich niet kan krabben. Haar kraam mag van mij met een luide knal de lucht invliegen.

Ik zal alleszins nooit meer wat bij die pekelteef kopen. Zelfs geen rabarber.

België zendt zijn zonen uit

De communicant, Eliot, mocht met heel zijn gevolg en op kosten van de belastingbetaler naar Israël reizen, om daar op het Eurovisiesongfestival zijn stemmetje te verheffen en een lied te kwelen, in de hoop daarmee een prijs en eeuwige roem in de wacht te slepen.

Het is me een raadsel wanneer het verre van onbesproken Israël tot Europa is gaan behoren, want volgens mij ligt dat land nog steeds in Azië, meer bepaald in het Midden-Oosten en de Levant. Nu ja, dat andere Europese land, Australië, mag ook deelnemen en maakt naar verluidt zelfs kans om het festival te winnen.

Eliot verscheen op het toneel tijdens de eerste halve finale en hij bakte er niets van. Hij ging al zingend op zoek naar een toonsoort die hij maar niet kon vinden en klonk bijwijlen valser dan een gecastreerde kater. Men kan me folteren met hetgeen hij ten beste gaf. Nu ja, ten beste? Die jongen moet nodig naar de zangles.

Eliot mag dus niet aantreden in de finale en Belgenland heeft derhalve klauwen belastinggeld aan hem en zijn entourage verspild. Als Australië het festival wint – en dat is heel goed mogelijk – verhuist het hele circus volgend jaar naar dat verre Europese land. Wat zal dat weer niet kosten?! Ik houd mijn hart vast. En mijn portemonnee.