Categorie: Laagvlieger

Primaat

Sommige mensen staan ongehoord bot in het leven.

Hoewel ik een afspraak bij de tandarts had, diende ik toch mijn beurt af te wachten in een daartoe bestemd lokaaltje. Nu beschik ik niet over het geduld van een oester en wachten is, wat mij betreft, iets voor de zielen in het vagevuur, maar soms moet een mens van de nood een deugd maken. Ik installeerde me derhalve op een ongemakkelijk stoeltje en bladerde door een beduimeld tijdschrift dat daar voor het grijpen lag.

Toen kreeg ik onverhoeds het gezelschap van een wel heel frisse jongen: het soort gast dat je beter niet snijdt op de autoweg. De zeven paarden die hem uit de klei getrokken hadden, stonden daarvan nog na te hijgen. Hij had kauwgom in zijn bek en zijn geknabbel veroorzaakte smakkende geluiden en gemurmel van speeksel. Christene zielen! Wat is dat toch een afschuwelijke gewoonte. Plots begon die klotenbibber ook nog fluimen op te halen, hetgeen vanzelfsprekend met veel gerochel gepaard ging. Ik zat al bokkig te kijken, want ik voelde me daar in hoge mate onbehaaglijk bij, maar ik was nog niet aan het einde van mijn beproeving. Dat wrattenzwijn verhief immers de ene kant van zijn kont en gaf ongegeneerd de vrijheid aan een knallende scheet.
─“Hèhè!” grijnsde hij. “D’r worden hier harde noten gekraakt.”

Mensen kinderen! Daar zou je toch een kunstkop van krijgen! Ik kon er waarachtig niet mee lachen, zelfs niet als een boer met kiespijn. De dinosaurusdrol wist echter niet van ophouden. Even later haakte hij een kunstgebit uit zijn bakkes, want de kauwgom was blijkbaar vast komen te zitten tussen zijn echte en zijn valse verhemelte. De hele kokenage begon me danig te beknellen. Bewaar me, zeg!

Net toen ik op het punt stond hem te vragen of hij misschien nog in grotten leefde, opende de tandarts de deur en mocht ik naar de pijnbank.

Ze moesten zulke mensen met een kotszakje leveren. Ik bedoel die onbehouwen horken. Niet de tandartsen. Hoewel …

Als de vliegende reetscheet

Vanmorgen om 08.03 uur bij de warme bakker:
Ik: Een Waldkornbrood alstublieft.
De bakkersvrouw: Die zijn er nog niet. Om 9 uur pas.

Vanmorgen om 09.01 uur bij dezelfde warme bakker:
Ik: Een Waldkornbrood alstublieft.
De bakkersvrouw: Die zijn al uitverkocht, meneer.

Ik heb alvast een mailtje gestuurd naar het Guinness Book, want het kan haast niet anders of dit moet een wereldrecord zijn. ‘Verkopen als warme broodjes’ luidt de zegswijze in Van Dale. Van mij mogen ze die warme broodjes in de volgende editie door Waldkorn vervangen.

Haast en spoed …

Omdat ik mijn televisietoestel iets te vroeg op een door mij als bezienswaardig beschouwd programma afstemde, belandde ik onverhoeds in een kerkgebouw, een synagoge, een moskee of een tempel, waar zich een eredienst ontvouwde. Deze heuglijke gebeurtenis werd opgeluisterd door een koor ─ of wat daarvoor moest doorgaan ─ dat zich aan het kwelen van een ongetwijfeld stichtelijk lied bezondigde, daarbij begeleid ─ nu ja, begeleid ─ door een manspersoon die vol overgave op een soortement harmonium jengelde.

God van de hoge hemel, christene zielen en heremijntijd! Wat veroorzaakte die samengang een kakafonie van je welste.

Ik heb trouwens nog maar zelden, of eigenlijk nooit, een samenscholing van lelijkere, oude wijven aanschouwd …

… en zingen konden ze ook al niet.

Bot vangen

Zeer tegen mijn zin ─ ik ben namelijk nogal op de penning ─ heb ik de ramen van mijn optrekje met nieuwe rolluiken laten toerusten en ik kreeg zo maar eventjes tien jaar garantie op die dingen. Tien jaar! Ga d’r maar aan staan!

Helaas vertonen twee van die West-Vlaamse ‘lattestoors’ al na anderhalf jaar dusdanige gebreken, dat ik niet meer in staat ben om die neer te laten of op te halen. Ik zag me derhalve genoodzaakt om de klantendienst van het bedrijf in kwestie op te bellen, teneinde een beroep te doen op mijn waarborg.
Ik toetste het nummer in en kreeg binnen de kortste keren een mannelijke stem in mijn oor.
─ “Met het antwoordapparaat van Rudy”, zei die. “U hoeft niets in te spreken, want ik luister toch niet.”

Tja, daar sta je dan met je goeie gedrag en je tien jaar waarborg.

Is driemaal scheepsrecht?

Jaren geleden maakte mijn toenmalige huisarts aan een koord bungelend een einde aan zijn leven.

Onlangs haalde mijn huidige lijfarts het in zijn hoofd, om vooralsnog om onnaspeurbare redenen onder een trein te springen, om zodoende schielijk het tijdelijke met het eeuwige te verwisselen en al zijn patiënten aan hun lot over te laten.

Men beweert dat driemaal scheepsrecht is.

Het zal toch niet aan mij liggen zeker?

Ik weet het niet hoor, maar kun je er als arts op geen minder spectaculaire, confronterende wijze de brui aan geven? Ik denk aan een spuitje of zo.

Windbuil met kapsones

Toen ik uit mijn auto klom, gleed naast me een jet met nummerborden in het parkeervak. De chauffeur — een buitengaatse kerel die eruitzag alsof hij net overgegeven had en van plan was om dat binnenkort weer te gaan doen — maakte zich snel uit de voeten. “Waar bemoei ik me eigenlijk mee?” dacht ik nog, maar niettemin riep ik hem beleefd terug:
─“Meneer!” Hij draaide zich om en keek me ongeduldig aan, dus vervolgde ik snel: “U vergeet het misschien, maar u kunt toch maar beter een kaartje uit de automaat trekken. Ze zijn hier namelijk bijzonder gul met parkeerboetes.”
Hij keerde op zijn stappen terug, rukte het portier van zijn patserkar open, scharrelde wat in het handschoenenkastje en gooide vervolgens iets op het dashboard.
─“Ik heb een permanente vergunning”, zei hij nog en hij vertrok.
Ik had die niet, maar ook geen haast, dus nam ik rustig de tijd om het sublieme, nerveus gesneden rij-ijzer te bewonderen. Terwijl ik dat deed, kreeg ik opeens zijn permanente vergunning in de gaten. Tegen de voorruit lag een kaartje van felgeel fluokarton, waarop in rode oorlogsletters geschreven stond: KUST ZE!
Volgens mij moet die man heel lange armen hebben, want ik kan echt niet geloven dat alle parkeerwachters te paaien zijn met een vooruitzicht op een betaling in natura.