Categorie: Kroeglopen

Uitbundig kijkspel

Er kan geen twijfel over bestaan: de zomer is nakend. We hebben er mooi weer bij en vanwege de weldadige temperaturen duiken de mensen in kleren waarin ze zich comfortabel voelen. Bij vrouwen zijn dat vaak luchtige, tot de verbeelding sprekende niemendalletjes: tietse truitjes, of onstuimig gebloemde jurken, die we in Vlaanderen koppig bain de soleils blijven noemen, spreiden decolletés tentoon waarin men makkelijk kopje-onder kan gaan. Of zij ook oog hebben voor de sloddervossige boelewaaihemden en de op de groei gekochte shorts waarmee de herenafdeling zich tooit, indien al niet voor schandaal loopt, laat ik hier in het midden, maar ik heb er weinig fiducie in.

Die verregaande staat van ontkleding en het uitstallen van fijne vleeswaren geven natuurlijk aanleiding tot onderbuikgevoelens, die men vooral in cafés en kroegen onder woorden brengt. Ons kent ons, mannen onder elkaar en ouwe-jongens-krentenbrood! Ik heb gisteren wat van mijn tijd in zo’n drenkplaats verkwanseld.

Aan de kist zat een zeer verzopen kerel, die het drinken afwisselde met het observeren van de straat.
─”Stoot gesignaleerd!” riep hij als er daar een bezienswaardigheid opdook.
Dan draaiden alle koppen in de richting die hij uitkeek, waarna men commentaar leverde op de stoot in kwestie.

Het viel mij op dat het Engels danig in opmars is. Jongelui hebben het niet meer over barokke boezems, prachtige prammen of lekkere tieten, maar over een happy canyon, love pillows en sweet sisters. Mannen die al iets langer meegaan, hebben meer belangstelling voor de lagere regionen en hetgeen ze constateren, beschrijven ze niet bepaald op subtiele wijze. Een van de vrouwelijke passanten had immers ‘ferme stampers onder haar zeikbak’ en van een hoogbenige dame vonden ze dat “haar ekster heel hoog nestelde”.

Er bevond zich slechts één oudere man in het café. Die beklaagde er zich over dat de korte broek ─ nu ja, wat heet kort? ─ die hij droeg best wel tochtig was. Hij kreeg te horen dat je makkelijk een stijve nek of een stijve schouder kunt krijgen als je op de tocht zit. Misschien dat hij dankzij die tochtige broek …

Ja, kroegen … Net als de betreurde Simon Carmiggelt mag ik er bijzonder graag komen. Je hoort en je ziet er nog eens wat.

Praatje voor de vaak

Ik ben nogal geblutst uit een relatie gekomen. Hoewel ik me sindsdien zo min mogelijk met anderen bemoei en zelf ook liever mijn goddelijke driehoek ga, kan het toch gebeuren dat ik plots een aanspraakje nodig heb. Dat was ook gisteren het geval, dus spoedde ik me naar de lokale tempel des vertiers, op zoek naar het soort luchtige kroegpraat waaraan ik me in prettig gezelschap graag mag bezondigen. Weet ik veel wat me bezielde!

Aan de tapkast kwam ik in aanraking met een geeuwend vervelend gotsammelazarustype. Binnen de kortste keren vroeg ik me af waarom ik niet thuisgebleven was. Hij zat de hele tijd te krasborstelen over het klimmen der jaren en het daarmee gepaard gaande krimpen van de toekomst. Ik wilde dat niet onweersproken laten:
─”Ach, je houdbaarheidsdatum is nog lang niet verstreken”, lapzalfde ik. “Bovendien worden mensen interessanter met de jaren: er zijn meer lagen af te pellen”.
─”Je mag me overtuigen, maar niet vleien”, mompelde hij nogal onderkoeld. “Een kreeft in een kookpot heeft betere toekomstperspectieven.”
─”Hoe oud ben je eigenlijk?” vroeg ik, op het gevaar af dat hij me om een schatting zou vragen. Daar ben ik namelijk heel slecht in en meestal gooi ik er zo’n tien jaar bovenop.
─”Ik heb de Dode Zee nog gekend toen die nog leefde”, zei hij.

Ik liet een lach op mijn gezicht los, want een geslaagde oneliner valt er bij mij altijd lekker in. Helaas gebeurde er verder niets meer dat ik de moeite van het vermelden waard vind, zodat ik er hier maar een punt achter zet.

Meneer spreekt talen ─ 3

Mijn lezers zullen zich ongetwijfeld de jongeman herinneren, waarmee ik hier gisteren de draak stak, omdat hij indruk wilde maken op een meisje en te dien einde zijn uitgebreide talenkennis tentoonspreidde, maar zich hopeloos belachelijk maakte door een Engelse vleermuis een floddermouse te noemen.

In een zalig vroeger was ik op stap met Reinhold, een vriend van me, en we kwamen nogal onverhoeds in ons binnenlandse buitenland terecht ─ ik bedoel Wallonië ─ zodat we genoodzaakt waren om ons elegante Vlaams door het veel boersere Frans te vervangen … of is het omgekeerd? We knoopten een gesprek aan met een man die zijn tijd stond te verdoen in een tuin, waar talloze molshopen het gazon ontsierden.
─”Quelle invasion d’intrus!” merkte Michael op. Wat een invasie van ongenode gasten!
─”Vous voulez dire?” fronste de man. Wat bedoelt u?
─”Les moules”, verduidelijkte mijn vriend.
─”Moules zijn mosselen”, haastte ik me hem te verbeteren en ik schoot in de lach.
─”Betweter!” foeterde hij gegriefd. “Wat zijn mollen dan?”
Da’k het niet meteen wist!
─”Allez! ’t Ligt op het puntje van mijn tong …” probeerde ik mijn gezicht te redden.
─”Des taupes”, zei de inwoner van ons binnenlandse buitenland.
─”Juist!” riep ik.
─”Totentrekker!” gromde Michael.
─”C’est quoi ça, un totentrekker?” vroeg de man. Wat is een totentrekker?

En zo begon een gesprek waarvan het einde niet meteen in zicht was.

Meneer spreekt talen ─ 2

De gelagkamer van het restaurant behelsde slechts vier klanten, als ik mezelf en mijn vriend Reinhold even buiten beschouwing laat, of toch als ombres chinoises naar de achtergrond verdring.

Naast een venster hadden twee in het Engels converserende dames plaatsgenomen, die zich zo te zien danig aan maquillage vergrepen hadden en er daardoor nogal gemummificeerd uitzagen. Aan een tafeltje in mijn buurt hield zich een jong en door Amor bevleugeld stel op, dat gelijk sympathie bij me losweekte.

Het was duidelijk dat ze op elkaars lijstje van prettige dingen stonden, ook al hielden ze niet bepaald een kwieke stroom van opgeruimd gebabbel gaande. Zij vertoonde het wezenloze lachje en de ietwat schaapachtige gelaatsuitdrukking die verliefde mensen vaak tentoonspreiden. Hij, van zijn kant, bedacht haar af en toe met een olijke knipoog, zoals men doet tegen iemand waarmee men dartele herinneringen deelt.

Toen verscheen de kelnerin en die gaf meteen te verstaan dat ze het Nederlands zo’n minne taal vond, dat ze zich liever van het Frans bediende. De jongen, die niet gesierd was met een vlotte babbel, bestelde op bedremmelde toon een whisky voor zichzelf en een jus d’orange voor zijn meisje.
─”… et un jus d’orange”, noteerde de dienster de bestelling met een volslagen gebrek aan belangstelling.
─”Van appelsienen”, klampte hij nog even aan, teneinde misverstanden te vermijden en te verhinderen dat men de jus d’orange aan foute vruchten zou ontwringen.

Zijn meisje had besloten dat ze zich met een tomate-crevettes wilde vermeien. Hoewel de benaming van dat gerecht in sierlijke letters op de kaart prijkte, bezorgde de jongen zichzelf een allemachtige hoop ongemak.
─”Une tomate avec des garnales”, kwam het er wat knullig uit en hij keek de kelnerin aan alsof die een geweer op hem richtte, hetgeen ze wellicht ook gedaan zou hebben als ze over zo’n wapen had beschikt.
Ik zat meewarig te glimlachen, want iedereen die een beetje Frans spreekt, weet natuurlijk dat het une tomate avec des garnaux moet zijn.

Later zaten de Engelstalige lady’s naar een vleermuis te kijken, die herhaaldelijk door de straat scheerde.
─”It’s a floddermouse”, verduidelijkte de jongen behulpzaam.
De dames zetten zo’n verbaasde gezichten, dat hun make-up ervan craqueleerde.

“Wel wel!” gnuifde Reinhold, die volgens zijn zeggen talen spreekt. “Zou je geloven dat ik nog nooit een floddermouse gezien heb?”

Zwijmeldrank

reinholdIk was op stap met Reinhold die, het mag gezegd, een nogal gunstig uitgevallen voorkomen heeft. Hij beschikt over fraai gedraaide poten en oren, waardoor hij wellicht tot de met een schaartje geknipte kostgangers van de aardkloot behoort.

Het duurde niet lang of we kregen een pracht van een dorst. Op zoek naar lafenis kwamen we terecht in een opgesmukte kelder met donkere nissen en diffuus licht, dat lusteloos de duisternis bevocht. We bestegen krukken aan de bar en het knappe kind dat ons met een glimlach van een meter en duizend tanden in haar mond de kaart overhandigde, kreeg het gelijk in de kleine darmpjes toen ze Reinhold aankeek. Ik zag als het ware de verliefdheid in haar hartveroverende boezem opwellen.
-“Dat noem ik nu een stoot”, grijnsde Reinhold en met een knikje maakte ik duidelijk dat ik het met hem eens was.

We bestelden een woeste cocktail en het meisje ging fluks aan de slag. Ze schudde, klutste en mixte zich het hart uit het lijf, maalde ijsblokjes tot schilfers en goot vervolgens het ingewikkelde brouwsel in hoogbenige coupes. Die van mij maakte een vlekkeloze landing; het exemplaar van Reinhold eveneens, maar toen hij haar op dankbare wijze aankeek, kreeg ze dusdanig de riebels, dat ze zijn glas een ietwat onhandige aai gaf, waardoor het gemoedelijk kantelde. Voor het te pletter stortte, goot het evenwel zijn inhoud tussen de benen van mijn gezel. Ik had een pret. Ik benatte me bijna.

De scherven zouden haar noch hem geluk brengen, want wat er toen allemaal gebeurde, tart elke beschrijving. Het arme wicht verloor compleet haar tramontane. Alles mislukte. Ze moest opnieuw een cocktail voor haar hartenlapje verzorgen, maar de ijsblokjes sprongen uit haar schepje en huppelden over de vloer. De beker van de ijsmolen kreeg een dreun, kwakte op de grond en overleefde dat niet. De champagne was op en ze moest een nieuwe fles aanbreken, maar de soupire érotique waarmee dat dient gepaard te gaan, ontspoorde in een knal van je welste en het bordeelschuim spoot opgewekt in haar nogal roekeloze decolleté. Zelfs een simpel citroenschijfje veroorzaakte overlast, want de vrucht ontsnapte, ricocheerde van het kastje naar de muur en rolde toen doodleuk naar een bijna onbereikbaar hoekje. Eindelijk was ze klaar.

─”Kijk vooral niet in mijn ogen!” lachte Reinhold, begeleid door bezwerende gebaren.
Omzichtig plaatste ze het glas op de placemat die zich voor mijn vriend uitstrekte. Ik zag het gebeuren, maar ik liet het gebeuren. Een schakeltje van haar armband hechtte zich vast aan een lusje van die sponzige onderlegger en toen ze haar hand terugtrok … Touché! Het glas wiebelde nauwelijks. Het kwakte pardoes neerwaarts. Het was een voltreffer!

Ik raakte buiten adem. Ik lachte me paars. Ik zakte van mijn kruk … en terwijl ik dat deed … stootte ik mijn glas om.

Eet je bord leeg!

De kelner van het restaurant wapperde nogal om zijn ruggengraat en liep er klapwiekend mee te koop dat hij de Griekse beginselen toegedaan was. Dat hij zich ook nog op heel erg vriendelijke wijze en uiterst bekwaam van zijn taken kweet, had natuurlijk weinig of niets met zijn geaardheid te maken.

Aan een tafel niet zover bij me vandaan zat wat ik als een echtpaar met een volwassen zoon beschouwde. Ik vermoedde bovendien dat die zoon de speciale vriend van de kelner was. Ze knipoogden alleszins olijk naar elkaar, zoals men dat doet tegen iemand met wie men dartele herinneringen deelt.

De zoon at mosselen. Toen de kelner na afloop hun tafel afruimde, wees hij naar de pot met de overblijfselen van die weekdieren en zei tegen zijn vriend:
“Je moet wel je schelpen nog opeten.”

Ik proestte het uit. Ik vond dat namelijk bijzonder grappig. Ik ben met weinig tevreden.
Ik had eveneens mosselen gegeten, maar niemand verzocht me om de schelpen op te eten. Ik voel me tekortgedaan.

Een Griekse tragedie

Rolverdeling

Nick: een knappe en goedlachse kerel van een jaar of zesentwintig. Hij is de trotse eigenaar van het vooralsnog sterloze restaurant De Toverlantaarn. Men zei van hem dat hij de Griekse beginselen aankleefde, maar toen hij in het huwelijksbootje stapte met de ietwat hautaine Tine, werden de geruchten omtrent zijn gelijkslachtige geaardheid gelijk de kop ingedrukt. Hoewel …

Oscar: de bijdehante, doch helaas slechtziende en nogal opvliegende vader van Tine en tegenwoordig dus tevens schoonvader van Nick, die zijn enige dochter als zijn oogappel beschouwt en bereid is om haar eer met hand en tand te verdedigen.

Kevin: een vlotte knul van net geen twintig, die het tunen van zijn auto als stokpaardje berijdt en soms wat bijklust als kelner, teneinde die hobby te bekostigen.

De pan: een gietijzeren crépière van Le Creuset.

Figuranten: plusminus zes jongelui en twee agenten.

Decor

de gelagkamer van een restaurant in een Vlaamse provinciestad.

Voorspel

Donderdagavond. Tine, Nicks echtgenote, is wat vroeger naar huis vertrokken, omdat ze zich wat dun voelde. Als hij rond een uur of elf de laatste klanten uitlaat en de deur sluit, blijft hij alleen achter met Kevin: zijn nieuwe kelner. Ze hebben geen van beiden haast dus dooft Nick de verlichting en samen begeven ze zich naar de vertrekken boven het restaurant, teneinde er van een ongestoord zakkertje op de valreep te genieten.

Eerste bedrijf

Enkele kilometers verderop zoekt Oscar, de schoonvader van Nick, tevergeefs naar zijn leesbril, tot hij zich ineens herinnert dat hij die middag wat in De Toverlantaarn geklust heeft. Mogelijkerwijs slingeren zijn jampotglazen daar ergens rond. Slordig is hij zeker niet; met zijn verstrooidheid gaat het echter van kwaad tot erger. Gelukkig bezit hij een sleutel!

Tweede bedrijf

Spoedig verschaft Oscar zich toegang tot het pand. Hij klimt kwiek naar de eerste verdieping … maar halverwege de trap hoort hij stemmen. Inbrekers, sakkerju! De man is allesbehalve een haasvreter. Hij keert op zijn stappen terug en sluipt de keuken in, waar hij zich bij gebrek aan beter van een struise, gietijzeren pan voorziet. Aldus bewapend, trekt hij met onoverwinnelijke tred ten strijde en etagewaarts.

Derde bedrijf

Boven wacht hem een bloedstollend tafereel: het naakte lichaam van zijn geliefde schoonzoon wordt er brutaal bedolven onder het al even blote lijf van een bronzen bink, die de echtgenoot van zijn oogappel hardvochtig, om niet te zeggen ongenadig verkracht. Djikke djakke kerrekoltjes klits klets! Hij gaat tekeer als een wildeman en Nick klawiert als een rodeohengst. Schoonpapa schiet me daar in een Franse colère. Onder het uitstoten van een redelijk oorlogszuchtige kreet valt hij aan als een getergde tijger … en struikelt ocharme over een weerbarstige rimpel in het vloerkleed, die hij in zijn blinde woede en bij gebrek aan bril niet opgemerkt heeft. Terwijl hij een weinig sierlijke landing maakt, laat hij de pan glippen, bonkt hij met zijn dooier tegen een kastje dat daar in de weg staat, ziet en passant zijn optische hulpmiddel van dat meubeltje tuimelen en hoort hoe hij het delicate instrument tijdens het neerkomen met zijn knie verbrijzelt. De seksdelinquent profiteert van het geharrewar om via een belendende kamer de trap te bereiken en de straat op te vluchten. Onze wraakengel verrijst evenwel, herovert ziedend zijn vlammende zwaard, in dit geval zijn pan, zet schuimbekkend de achtervolging in … en bemerkt tot zijn niet geringe verbazing hoe niet één, maar twee figuren in hun niksje voor hem uit draven. Potztausend! Dat lijkt hem stug. Als hij in het licht van een straatlantaarn een van de ontsnappende bipsensembles meent te herkennen, sijpelt meteen ook de wrede waarheid zijn hersens binnen. Het brengt hem danig van zijn stuk. Zijn teerbeminde familielid van de koude kant werd hoegenaamd niet verkracht! Charmante Nick, de gedoodverfde ideale schoonzoon, heeft zijn lichaam vrijwillig aangeboden! Hoe is het gods ter wereld mogelijk, sacre-nom-de-Dieu!? Haat spat uit zijn ogen en het gezwaai van de pan krijgt iets moorddadigs.

Finale

Met zijn allen galopperen ze lustig verder. Als gepluimde kippen, vluchtend voor een amok makende kok, fladderen ze door de straat, fervent aangemoedigd door een zestal enthousiaste supporters die net een café verlaten. Vlakbij het marktplein worden ze halt toegeroepen door een toevallig passerende politiepatrouille, die de braadpan in beslag neemt en het koddige trio afvoert …

Doek

Gelijkenissen met bestaande personen en/of gebeurtenissen zijn allerminst toevallig, want schrijver dezes was ooggetuige van dit voorval. De namen zijn verzonnen.

Meneer spreekt talen

De gelagkamer van het restaurant behelsde slechts vier klanten, als ik mezelf even buiten beschouwing laat, of toch als een ombre chinoise naar de achtergrond verdring. Naast een venster hadden twee in het Engels converserende dames plaatsgenomen, die zich zo te zien danig aan maquillage vergrepen hadden en er daardoor nogal gemummificeerd uitzagen. Aan een tafeltje in mijn buurt hield zich een jong en door Amor bevleugeld stel op, dat gelijk sympathie bij me losweekte.

Het was duidelijk dat ze op elkaars lijstje van prettige dingen stonden, ook al hielden ze niet bepaald een kwieke stroom van opgeruimd gebabbel gaande. Zij vertoonde het wezenloze lachje en de ietwat schaapachtige gelaatsuitdrukking die verliefde mensen vaak tentoonspreiden. Hij, van zijn kant, bedacht haar af en toe met een olijke knipoog, zoals men doet tegen iemand waarmee men dartele herinneringen deelt.

Toen verscheen de kelnerin en die gaf meteen te verstaan dat ze het Nederlands zo’n minne taal vond, dat ze zich liever van het Frans bediende. De jongen, die niet gesierd was met een vlotte babbel, bestelde op bedremmelde toon een whisky voor zichzelf en een jus d’orange voor zijn meisje.
─”… et un jus d’orange”, noteerde de dienster de bestelling met een volslagen gebrek aan belangstelling.
─”Van appelsienen”, klampte hij nog even aan, teneinde misverstanden te vermijden en te verhinderen dat men de jus d’orange aan foute vruchten zou ontwringen.

Het meisje had besloten dat ze zich met een tomate-crevettes wilde vermeien. Hoewel de benaming van dat gerecht in sierlijke letters op de kaart prijkte, bezorgde de jongen zichzelf een allemachtige hoop ongemak.
─”Une tomate avec des garnales”, kwam het er wat knullig uit en hij keek de kelnerin aan alsof die een geweer op hem richtte, hetgeen ze wellicht ook gedaan zou hebben als ze over zo’n wapen had beschikt.
Ik zat meewarig te glimlachen, want iedereen die een beetje Frans spreekt, weet natuurlijk dat het une tomate avec des garnaux moet zijn.

Later zaten de Engelstalige lady’s naar een vleermuis te kijken, die herhaaldelijk door de straat scheerde.
─”It’s a floddermouse”, verduidelijkte de jongen.
De dames zetten zo’n verbaasde gezichten, dat hun make-up craqueleerde. 

Onderbroekenlol

Ik schrok toen ik het café betrad, want ik werd meteen geconfronteerd met een beveiligingsinstallatie van het type dobermann. Mijn knieën huiverden terwijl ik me naar de tapkast begaf, maar het dier bleek geen kwaad te brouwen en zelfs ongebruikelijk veel om me te geven. Toen ik de gelagkamer verliet om even naar het vlees te kijken, ging hij met me mee om me de weg te tonen.

Ik gaf mijn jongeheer een handje, zette het op een klaterend pissen, stelde orde op zaken … en toen liep mijn rits onherroepelijk uit de rails. Nu ben ik een voorzienig mens en ik heb dus altijd een veiligheidsspeld op zak … alleen kon ik die op dat moment nergens vinden. Er zat niets anders op: ik moest in haveloze toestand terug naar het buffet.

Daar waren inmiddels een vijftal nogal luidruchtige stratenmakers neergestreken, die ik iets verderop met helse tuigen in de grond had zien wroeten en kennelijk van hun middagpauze gebruik maakten om hun grote dorst te lessen. Ze keken me aan en ze zagen het, want zoiets valt natuurlijk op als je zoals ik wit ondergoed draagt en bovendien een machtig bestaan hebt.
─”Je gulp staat open”, zei een van hen.
─”Ik weet het”, piepte ik deemoedig. “Mijn rits is kapot.”
─”Het kan me eigenlijk niet schelen dat je met je lul loopt te leuren,” grijnsde de man, “maar ’t is vooral de stank die me stoort.”

Er volgde een lachsalvo dat men ongetwijfeld op de schaal van Richter kon waarnemen. Ik lachte dapper mee, zij het niet van harte, maar eerder als een boer die kiespijn heeft. Ik ben daar niet lang meer gebleven.

De bezige bij

We hingen op hoge krukken aan de tapkast en hielden een kwieke stroom van opgeruimde komkommerpraatjes gaande.
─”Wat ik vragen wou …” zei hij opeens. “Ben je toevallig een liefhebber van honing?”
─”Da’s een ding dat zeker is”, antwoordde ik zonder de waarheid geweld aan te doen.

Als ik op zondagmorgen een genereuze sliert van dat spul in de geopende zijde van een knisperende croissant laat vloeien, zit ik daar meestal met een jarig gezicht en spinnend van verwachting naar te kijken.

─”In dat geval heb ik een faveurtje voor je dat je niet kunt laten lopen”, verkondigde hij met kleverige handelsreizigersvlotheid. “Ik kan je loepzuivere Pyrenese honing bezorgen voor slechts twee euro het kilogram. Tel uit je winst!”
─”Prijs de hemelen!” riep ik, want ik was al lang lekker. “Da’s een weggevertje.”
─”Zo is ’t maar net”, knikte hij. “Zal ik een kilootje voor je reserveren?”
─”Doen!” hapte ik toe en ik kwam al dusdanig in een luxueuze stemming, dat ik even met de gedachte speelde om meteen maar twee kilo te bestellen, maar ik ben en bleef een beetje op de penning. “Je zit me toch niet in de zeik te nemen, wel?”
─”Ik zou niet durven”, monkelde hij. “Je zult wel wat geduld moeten oefenen, want de imker in kwestie beschikt voorlopig nog maar over één bijtje.” 

Christene zielen! Ik ben nog makkelijker te pakken dan een slak. Soms vraag ik me af wat er mijn oren gescheiden houdt.