Tag: lachertjes

Het had erger gekund

Reinhold, mijn vriend, mijn spitsbroeder en alles wel beschouwd de enige mens die ik langere tijd om me heen kan velen, maar die helaas in een nogal ver buitenland hoofdkwartier houdt, heeft besloten om gedurende enkele weken te mijnent te verblijven en mij gezelschap te houden.

We hadden het plan opgevat om ons vandaag aan een uitstap per fiets te wagen, maar men kondigde aan dat het gillend heet zou worden, zodat we besloten thuis te blijven, met alles erop en eraan.

We keken naar het middagjournaal en aanschouwden dramatische beelden van bosbranden in het zuiden van Europa. Mensen sloegen op de vlucht, terwijl hun hele hebben en houden aan vlammen ten prooi viel.
“Nog een geluk dat ze er mooi weer bij hebben”, stelde Reinhold flegmatiek vast.

Niettegenstaande de omstandigheden beleefde ik monumentaal veel plezier aan zijn ongepaste opmerking. Het scheelde zelfs niet veel of men moest me reanimeren.

Daar kun je mee lachen

Ik heb een vriendin, Ingrid, die met een buitengewoon vlotte babbel gesierd is. Bovendien heeft ze altijd wel een grapje klaarzitten. Als je in haar gezelschap vertoeft, vliegen de kwinkslagen je klitsklats om de oren en deelt ze woordspelingen uit als waren het strooibiljetten.

We waren samen in Colruyt. De kassabediende die ons aan de kassa bediende ─ hoe verzin ik het? ─ leek me een nogal afgesloten type. Er kwam immers geen woord over zijn lippen, laat staan dat hij een glimlachje in stelling bracht.
“Die heeft vannacht niet gemogen”, fluisterde Ingrid me toe.
Iets later vertrok ze met de winkelwaar naar de auto op de parkeerplaats, terwijl ik achterbleef om die te betalen. De kassier leek plots te ontdooien. Opeens had hij wel een aardige manier van doen. Dat vertelde ik aan mijn vriendin toen ik me bij haar voegde.
“’t Zal een homo zijn”, luidde haar commentaar.

Kort daarna bevonden we ons in een apotheek, waar Ingrid onder meer een tube triAnal bestelde: een zalf die personen met aanleg voor aambeien graag in de groeve tussen hun kadetjes aanbrengen.
─”Er bestaan aangenamere producten”, zei het vrouwmens dat daar op dat moment de dienst uitmaakte.
Aangezien dat gebeurde ten aanhoren van allen daar aanwezig vond ik dat een hogelijk ongepaste opmerking.
─”Ik vind de smaak ervan nochtans heel lekker”, repliceerde Ingrid laconiek.
Ik lag in een deuk. Het scheelde niet veel of men moest me reanimeren. Je had dat vrouwmens moeten zien kijken. Alsof ze snot zag branden.

Terwijl ze toch bezig was, diste Ingrid me vervolgens nog een vermakelijke anekdote op. Toen ze op een keer zeer tegen haar zin in een ziekenhuisbed vertoefde, had haar kamergenote een zetpil aangereikt gekregen. Pas toen zij er zich over beklaagde dat het ding wel heel vies smaakte en bovendien hardnekkig aan haar verhemelte bleef kleven, bleek dat ze het tuigje in de verkeerde lichaamsopening ondergebracht had.

Ingrid was toen bijna uit haar bed gerold van het lachen.

Olijke stukken vlees

fietsenToen ik door het dorp fietste, ontmoette ik een meisje en een jongetje. Ze waren een jaar of acht, schat ik, en ze liepen keurig op het voetpad. Hand in hand. Ik reed ze voorbij en hoorde dat een van hen me iets nariep, maar omdat er net een luidruchtig voertuig aankwam, kon ik dat niet verstaan. Ik kneep de remmen dicht en wachtte. Aarzelend keutelden ze naderbij.

─“Riep je wat?” vroeg ik.
─“Ik niet”, prevelde het meisje.
Ze had verschrikte ogen opgezet en schudde heftig van nee.
─“Ik heb geroepen”, bekende de jongen ruiterlijk en met een branieachtige snoet, die geen spoor van angst vertoonde.
─“Wat dan?” wilde ik weten.
Hij gnuifde, keek even naar het meisje en zei toen:
─“Je wielen draaien!”

Ik proestte het uit, vervolgde lachend mijn weg en zit nu eigenlijk nog steeds met die snaak te lachen. Mijn wielen draaien als ik fiets. Wie had dat ooit kunnen denken?

Nog niet zo lang geleden spurtte ik voorbij een in een deurgat vertoevend oud mannetje en weten jullie wat die me nariep?
─“Doe maar rustig! Ze hebben hem al!”

Kijk mama, zonder handen!

Wat kunnen sommige mensen toch schromelijk overdrijven! Toen Ingrid die morgen voorbij de dorpskroeg fietste, bleef haar passage niet onopgemerkt. Wel integendeel! De lolbroeken die zich in de buurt van de tapkast ophielden, poogden elkaar met treffende beschrijvingen van haar figuur de loef af te steken. De homerische vergelijkingen waren niet van de lucht:
─”Da’s nog eens een fors koebeest van een vrouw”, zei de ene. “Die zal je ook niet in een plooi van het laken verliezen.”
─”Ze zou een prima inbreekster zijn,” meende een andere, “want haar kont zou haar voetsporen uitwissen.”
─”Er zit een toekomst als kermisattractie in”, vond een derde.

Bessie Turf, vette spekreet, kamerolifant, machol … Wisten zij veel dat Ingrid in haar jeugd iedere morgen mistroostig op de weegschaal gestaan had, om telkens weer vast te stellen dat ze tot een struise boerenmeid uitballonde. Tegenwoordig was ze zo vet dat ze klodderde, maar nog gaf ze de moed niet op. Teneinde haar wobbelende lichaam enigszins in conditie te houden en vooral ook omdat ze niet over een automobiel beschikte, klom ze regelmatig op haar fiets, die gelukkig in lang vervlogen tijden gebouwd was, toen men nog echt staal en andere robuuste materialen gebruikte, en derhalve tegen een stootje kon.

Ze peddelde het dorp uit en kwam zodoende op het platteland terecht, waar de om zich heen woekerende natuur het voor het zeggen had. De zon zette haar beste straaltje voor, bomen en struiken toonden trots hun pril gebladerte, vogels repeteerden eindeloos en in een grazige weide stonden niet enkel vier stomgeslagen koeien, maar tevens een aantal lachende, met losse hand uitgestrooide veldbloemen.
─”Tiens,” dacht Ingrid en ze gooide de remmen dicht, waardoor ze ongeveer dertig meter verderop tot stilstand kwam, “wat zouden die mijn nederige stulpje kunnen opfleuren.”
Ja, ze bezat een nogal poëtische inborst en tijdens het lezen van de bloemen — plukken vond ze geen fraai woord — reciteerde ze zelfs een ulevellenrijmpje:

Ik was verbaasd, verliefd, verrukt;
ik heb je als een bloem geplukt;
eeuwig zul je bloeien, want
ik heb je in mijn hart geplant.

Of toch iets van die strekking. Ze hield het tere boeket in haar ene hand en met de andere mende ze het stalen ros huistoe. Ongetwijfeld zou ze daar zonder ongelukken aangekomen zijn als het dorp waar ze woonde zich niet op een heuveltop had bevonden. Nu ja, heuveltop … Het was eigenlijk niet meer dan een flink uit de kluiten gewassen muggenbeet, pakweg een molshoop, maar dat belette niet dat de weg wat opliep. Volgens de mannen in de kroeg bevonden er zich echter een paar ‘ferme stampers onder haar zeikbak’ en die kon ze tijdens het klimmen terdege gebruiken. Wie ooit per fiets tegen een helling opklauterde, zal weten dat dit bijwijlen met enig geruk aan het stuur gepaard gaat. Dat deed Ingrid dus ook, tot plots het handvat losliet en ze, vanwege de ruiker die ze zorgzaam in haar andere hand meevoerde, willens nillens het beroemde adagium ‘kijk mama, zonder handen!’ uitbeeldde.

Honderd meter landinwaarts viel er een hoeve te bespeuren. Daar zat een oude boerin door het venster te turen. Veel zag ze niet, omdat ze wegens een vergevorderde blindheid enkel wat contouren vermocht te onderscheiden en dan nog vaag.
─”Maurice!” krijste het ze plots. En daarna nog eens: “Maurice!”
De drager van die naam dacht dat zijn moeder in doodsnood verkeerde en ontsteeg ijlings het ledikant. Hij schoot wat kleren aan en zei tot zijn bedgenoot:
─ “Blijf nog even hier. Ik geef je wel een seintje als de kust veilig is.”

De avond voordien had hij buiten medeweten van de vrouw des huizes een jongen van fraai postuur en lichte zeden in zijn slaapvertrek ondergebracht, om tijdens de nacht herhaaldelijk seksuele betrekkingen met hem aan te knopen. Aangezien zijn moeder naast haar oogkwaal ook nog aan multiple sclerose leed en geen trappen meer kon lopen, vond hij het vooralsnog niet nodig om haar omtrent zijn gelijkslachtige geaardheid in te lichten. Ach, het mens verkeerde allicht in het ongewisse omtrent het feit dat piemeldragers het soms met elkaar deden, laat staan dat ongeveer vijf percent zich nimmer met een vrouw inliet. Jaren geleden, toen haar ogen nog niet uitgedoofd waren en ze op een avond Jurassic Park aanschouwde, sloeg ze opeens een kruis en mompelde:
─ ‘In mijn tijd bestond dat nog niet hoor, zulke monsters!’

Van iemand die aan de bron der intelligentie slechts de lippen bevochtigd had en bovendien wat last kreeg van herfst in het hoofd, kon men bezwaarlijk verwachten dat ze gekipt en gebroed was met de frivoliteiten van de lagere hartstochten en de finesses van de Griekse beginselen. Maar goed … ze riep haar met zijn seksualiteit experimenterende zoon en toen die verscheen, sprak ze:
─ “Loop eens snel naar de straat! Er is daar een auto in de sloot gereden.”
Maurice wierp een blik naar buiten, zag daar kennelijk niets ongewoons en antwoordde:
─ “Ik zie daar niets ongewoons.”
─ “Er is een auto in de sloot gereden!” herhaalde de moeder op een toon die geen verdere tegenspraak zou dulden.

Maurice haalde de schouders op en keutelde even later via de met bomen afgelijnde dreef richting openbare weg. Wat zich daar voor zijn ogen ontvouwde, overtrof zijn stoutste verwachtingen. Op het moment dat het handvat losliet en Ingrid een deadstick landing maakte, suisde ze als een een Jan van Gent in duikvlucht slootwaarts. Was die greppel te bekrompen of haar lichaam te volumineus? Wie zou het zeggen? Zeker was dat ze geen kant meer opkon. Ze zat, of beter gezegd ze stond muurvast op haar hoofd geplugd en vermocht enkel nog wat met de benen te spartelen. Top down heet dat tegenwoordig in het Nederlands. In het West-Vlaams is dat top over kloten, of pere(n)boom staan.

Maurice besteedde weinig tijd aan het bewonderen van de niet te onderschatten dijen en het fondantrose, zeer tot de verbeelding sprekende dessousartikel dat als het ware met bolle zeilen haar indrukwekkende wereldkaart omspande. Nee, hij schoot onverwijld in actie. Het lostornen van dat imposante lijf bleek geen sinecure. Hoe hij ook trok, wrikte of sleurde, er kwam geen beweging in de mastodont. Hij speelde dan ook met de gedachte om drastische middelen aan te wenden en haar met behulp van de tractor op te vijzelen, ergo uit haar benarde positie te bevrijden. Gelukkig daagde er toen een hoffelijke weggebruiker op en samen klaarden ze de klus, want veel handen maken licht werk.

Maurice hing het verslag van Ingrids farcicale bollenmakertje met smakelijk enthousiasme aan de klokkenreep en ontkurkte talloze keren de anekdote. De dorpsbewoners omhelsden vanzelfsprekend gretig het akkefietje en beleefden er monumentaal veel plezier aan. Het verhaal werd aangedikt — alsof dat nog nodig was — opgeleukt en aangesponnen met komische à-côtés. Daar kon je mee lachen. Ambiance! Nee, ze gingen niet bepaald zorgvuldig met Ingrid om, maar over een ding was men het roerend eens: ze hadden eigenlijk nog geboft, want voor hetzelfde geld had er water in die sloot gestaan en waren ze met zijn allen door een tsunami verzwolgen.

Het stond in de krant

Bankfiliaalhouder verdwijnt met twintig miljoen van zijn klanten.
Waar zitten die?

Nadat een student zich van het leven benam door uit een schoolraam te springen, kwam slachtofferhulp ter plaatse. Zij vingen de studenten op.
Leringen wekken, maar voorbeelden strekken.

Zondagavond iets voor middernacht constateerde een politiepatrouille dat er in de Industrielaan 524 inbrekers aan het werk waren. Toen die de agenten opmerkten, sloegen ze op de vlucht.
Veel handen maken licht werk.

Een veertigjarige man is woensdagnacht dood aangetroffen in zijn uitgebrande woning. De man joeg eerst een kogel door zijn hoofd en stak toen zijn huis in brand.
Wie doet het hem na?

De inwoners van H., die na hun laatste ademstoot willen begraven worden in hun dorp, kunnen opgelucht ademhalen. Het kerkhof dat nu bijna volzet is, wordt met een beetje geluk volgend jaar al uitgebreid.
Een geluk bij een ongeluk.

Personen die schade opliepen ten gevolge van de watersnood van april laatstleden kunnen nog tot eind september een schadeclaim indienen bij het Rampenfonds. Meer informatie in het gemeentehuis, Dienst Feestelijkheden.
’t Moet vooral leuk blijven.

Bij een razzia in de rosse buurt werden veertien illegale prostituees opgepakt. De arrestanten werden ter beschikking gesteld van het parket.
Een extraatje in natura?

Misverstand

Joaquín is zestien jaar jong en was tot voor kort een ingezetene … eh … een opgezetene van een zeer tot de verbeelding sprekend eiland in de Caraïbische Zee, dat op alle gebied aan het toeristische verwachtingspatroon voldoet. Wij, koukleumen, willen ongeveer met zijn allen naar die paradijselijke oorden toe, maar hij zakte een paar maanden geleden noodgedwongen van ginder naar ons tochtgat bij de Noordzee af. Een dorpsgenoot van me was tijdens een vakantie door de bekoorlijkheden van Joaquíns moeder gekluisterd geraakt en zij was op haar beurt in allesverzengende hartstocht ontstoken. Ze besloten om met elkaar in zee te gaan en om dat te doen kozen ze tot eenieders verbazing de nukkige Noordzee in plaats van het aanhankelijke blauw der Caraïbische wateren, waar de golven sterven op versgestreken stranden en palmbomen zich attent over je heen buigen, om voor wat frisse schaduw te zorgen … maar ik dwaal af, zij het niet met tegenzin.

Joaquín praat ondertussen al een aardig mondje Nederlands, hetgeen natuurlijk niet verwonderlijk is, want ik ben zijn toegewijde leermeester. Het schrijven van onze aartsmoeilijke taal gaat mijn pupil helaas wat minder vlot af. Hij stuurde me gisteravond een e-mail, waarin hij er zich onder meer over beklaagde dat zijn computer het voortdurend liet afweten.
“Dat is zeer aan m’n tand”, schreef hij.
Ik stond voor een raadsel. Hoe kon een eigengereide pc tandpijn veroorzaken? Vooralsnog kan ik jullie daaromtrent dus geen uitsluitsel geven en …

… dat is zeer ambetant.

In welke hoek wil je liggen?

De televisie dobberde in het kielzog van een lokale persmuskiet naar de woning van een man, die zich hobbygewijs aan de zeer door mij verafschuwde bokssport wijdde. De vechtersbaas in kwestie was zichtbaar in zijn nopjes met het bezoek. Hij tooide zich inderhaast met indrukwekkende handschoenen en stelde zich op naast een nogal verfomfaaide bokszak, waar hij een pugilistische pose aannam en onverschrokken, om niet te zeggen manhaftig in de cameralens keek, alsof hij daar geen vogeltje, maar een krokodil met een gemeen kakement verwachtte.

─”Ze noemen mij de slager van Flémalle”, verkondigde hij trots.
─”Hoe kom je aan die bijnaam?” vroeg de reporter bloeddorstig.
─”Wel,” sprak de man, “ik ben slager van beroep en ik woon in Flémalle.”

Mensen kinderen, dan kan je me wegdragen hè!

Best te pruimen

Het is paasvakantie en ik heb het twijfelachtige genoegen kost en inwoning te verstrekken aan een logeergast: een kwikzilverige en sympathieke knaap van een jaar of zestien. Met dat ’twijfelachtige genoegen’ doe ik hem eigenlijk onrecht aan, want hij valt best wel mee in de kook. Hij deugt heel erg en hij zal volgens mij het kwaad niet in de wereld brengen.

Toen hij vanmorgen uit de badkamer kwam en zich in de keuken bij me voegde, vroeg hij op schalkse toon:
─”Zal ik jou eens wat goeie raad geven?”
─”Men begint oud te worden zodra men goede raad geeft in plaats van het slechte voorbeeld”, zei ik.
─”Dan ben jij inmiddels een fossiel”, ginnegapte hij.
─”In welke hoek wil je liggen?” dreigde ik. “Kom op met je goeie raad.”
─”Eet nooit pruimen als je honger hebt”, monkelde hij. “Ik ben vannacht behoorlijk aan de racerij geweest.”
─”Ik had je nochtans gewaarschuwd, maar jij moest nodig heel die kom leegratsen.”

Tijdens het ontbijt begon hij vervolgens plots De Pruimeboom van Hieronymus van Alphen te declameren. Nu kunnen de meesten van ons wel de beginregels ervan voordragen ─ Jantje zag eens pruimen hangen, O! als eieren zo groot ─ maar tot mijn niet geringe verbazing reciteerde mijn huisgenoot meteen het hele gedicht.
─”En zomaar uit je hoofd”, sprak ik vol bewondering.
─”Mijn reet articuleert niet zo lekker,” gnuifde hij, “al leek dat vannacht wel even anders.”

Kijk, als iemand met zo’n vlotte babbel gesierd is, kan ik zeer zeker met haar of hem lezen en schrijven.

Jantje zag eens pruimen hangen,
O! als eijeren zo groot.
’t Scheen, dat Jantje wou gaan plukken,
Schoon zijn vader ’t hem verbood.
Hier is, zei hij, noch mijn vader,
Noch de tuinman, die het ziet:
Aan een boom, zo vol geladen,
mist men vijf zes pruimen niet.
Maar ik wil gehoorzaam wezen,
En niet plukken: ik loop heen.
Zou ik, om een hand vol pruimen,
Ongehoorzaam wezen? Neen.
Voord ging Jantje: maar zijn vader,
Die hem stil beluisterd had,
Kwam hem in het loopen tegen,
Voor aan op het middelpad.
Kom mijn Jantje! zei de vader,
Kom mijn kleine hartedief!
Nu zal ik u pruimen plukken;
Nu heeft vader Jantje lief.
Daarop ging Papa aan ’t schudden
Jantje raapte schielijk op;
Jantje kreeg zijn hoed vol pruimen,
En liep heen op een galop.

Meneer spreekt talen

De gelagkamer van het restaurant behelsde slechts vier klanten, als ik mezelf even buiten beschouwing laat, of toch als een ombre chinoise naar de achtergrond verdring. Naast een venster hadden twee in het Engels converserende dames plaatsgenomen, die zich zo te zien danig aan maquillage vergrepen hadden en er daardoor nogal gemummificeerd uitzagen. Aan een tafeltje in mijn buurt hield zich een jong en door Amor bevleugeld stel op, dat gelijk sympathie bij me losweekte.

Het was duidelijk dat ze op elkaars lijstje van prettige dingen stonden, ook al hielden ze niet bepaald een kwieke stroom van opgeruimd gebabbel gaande. Zij vertoonde het wezenloze lachje en de ietwat schaapachtige gelaatsuitdrukking die verliefde mensen vaak tentoonspreiden. Hij, van zijn kant, bedacht haar af en toe met een olijke knipoog, zoals men doet tegen iemand waarmee men dartele herinneringen deelt.

Toen verscheen de kelnerin en die gaf meteen te verstaan dat ze het Nederlands zo’n minne taal vond, dat ze zich liever van het Frans bediende. De jongen, die niet gesierd was met een vlotte babbel, bestelde op bedremmelde toon een whisky voor zichzelf en een jus d’orange voor zijn meisje.
─”… et un jus d’orange”, noteerde de dienster de bestelling met een volslagen gebrek aan belangstelling.
─”Van appelsienen”, klampte hij nog even aan, teneinde misverstanden te vermijden en te verhinderen dat men de jus d’orange aan foute vruchten zou ontwringen.

Het meisje had besloten dat ze zich met een tomate-crevettes wilde vermeien. Hoewel de benaming van dat gerecht in sierlijke letters op de kaart prijkte, bezorgde de jongen zichzelf een allemachtige hoop ongemak.
─”Une tomate avec des garnales”, kwam het er wat knullig uit en hij keek de kelnerin aan alsof die een geweer op hem richtte, hetgeen ze wellicht ook gedaan zou hebben als ze over zo’n wapen had beschikt.
Ik zat meewarig te glimlachen, want iedereen die een beetje Frans spreekt, weet natuurlijk dat het une tomate avec des garnaux moet zijn.

Later zaten de Engelstalige lady’s naar een vleermuis te kijken, die herhaaldelijk door de straat scheerde.
─”It’s a floddermouse”, verduidelijkte de jongen.
De dames zetten zo’n verbaasde gezichten, dat hun make-up craqueleerde.