Tag: nonsens

Zweefkees

Ik heb hier al eerder mijn spitsbroeder Reinhold opgevoerd, meen ik me te herinneren. Toen hij me gisteravond een bezoek bracht, was hij opnieuw en nog maar eens in het gezelschap van onze malafide vrienden: Al Cohol en Marie Huana. Het duurde dan ook niet lang of we verkeerden in een milde staat van euforie, waardoor ik ras een drenkeling in mijn woordenstroom was:

─“Er was eens een eenzame traan,” mijmerde ik, “die uit een bedroefd oog vloeide en langs een doorgroefde wang naar beneden biggelde, maar opeens kwam de vinger die hem wegpinkte en hem aldus verpletterde, en toen huilde die traan een eenzame traan.”
─“Wat is dat nu weer voor nonsens bijsterbaarlicus?” vroeg Reinhold, naar me opkijkend.
─“Nonsens bijsterbaarlicus!? Het is een sprookje: het zeer wrede en enigszins lugubere sprookje van de traan. Wellicht rolt er vannacht pathos uit de duisternis van het bos dat ons omsingelt, waardoor ik van dichtvuur blaak.
─“Ik begin nu toch werkelijk het ergste te vrezen,” schuddekopte hij.
─“Merel Merlijn had gedoucht onder de gazonsproeier en schoof het geheime luikje open in de bodem van zijn nest. Uit de bergruimte daaronder diepte hij een harpje op, waarop hij verheugd begon te tokkelen en werkelijk, hij bestond het om bijzonder fraaie tonen aan dat piefje te ontfutselen. Zesentwintig bomen verder hoorde Rebecca, de eekhoorn, die welluidende melodie opklinken en terwijl haar gemoed volschoot, zette ze haar speldenwerkkussentje met de talrijke klosjes en het ingewikkelde patroontje van haar wat stramme dijen. Uit een laatje in de boomtak toverde ze een glinsterend triangeltje en een blinkend staafje te voorschijn. Ze luisterde even nauwgezet en tikte toen, precies in de maat, met de harp mee …”
─“Een speldenwerkkussentje?!” Vertwijfeling maakte zich meester van mijn huisgenoot. “Ik lig hier naar het grillige prentenboek van mijn fantasie te kijken en ondertussen kieskauw jij over een eekhoorn die Rebecca heet. Een triangeltje in godsnaam!”
─“En dan was er nog Sulejman, de veldmuis, die in een afgedankte molsgang zijn cimbaaltjes weggemoffeld had. Sulejman hoorde het harpje en daarna ook het triangeltje, en haastig verliet hij het akkertje, waar hij net zijn radijsjes besproeid had …”
─“Zo maf als een kruk!”
─“Zulma, de bidsprinkhaan …”
─“Zo dement als een deur! Wil je weleens ophouden met die onzin!”
─“Theofiel, het kalandertje …”
─“En de hele reutemeteut! Heb ik van mijn leven! Ben jij nu zat of zot?”
─“Dan vertel ik over de eenzame traan, die door een boosaardige vinger weggepinkt en verpletterd was, en een stille traan baarde in pijn van weeën. Die nieuwe, stille traan dreef op brede golven van tomeloos verdriet naar …”
─“Is ‘t nu gedaan, ja?! Jij vertelt niks meer!”
─“Ze had nochtans mooie blauwe ogen …”
─“Wie?”
─“Het meisje in Palermo, dat helemaal alleen op de kade stond toen ik op een milde zomeravond per schip naar Napels vertrok. De boot verliet zachtjes de schilderachtige baai met de vele lichtjes en hij toeterde trots — pwoooooot! — als een echte stoomboot, maar dat was hij niet. Nee. Hij was een hele moderne boot, met …”
─“Het zijn waarschijnlijk mijn zaken niet, maar wanneer ben jij eigenlijk zo ongelukkig op je achterhoofd terechtgekomen?” smoezelde hij.
─“Och … ik ben al van bij mijn geboorte total loss. Compleet kierewiet, gek in folio en in hoge mate ontoerekeningsvatbaar. Ze hebben me met de tang gehaald, moet je weten. De obstetricus, da’s de verlosser, die dat niet bepaald ingenieuze grijpijzer — een forceps heet zoiets, geloof ik — moest bedienen, was zwaar aan de drank. Hij zoop als een tempelier, met alle gevolgen van dien, want uitgerekend de morgen van mijn vreugdevolle aanschouwing van het levenslicht had hij nog geen spatje kunnen verschalken, omdat men hem van hogerhand met een stagiair opgescheept had: zo’n leergierige gozer met een ziekenfondsbrilletje, die hem volgde als een schoothondje en zijn doen en laten met haviksogen gadesloeg. Zijn lichaam smeekte bevend om een dosis alcohol en met moeilijk te besturen hand bracht hij die tang bij mijn moeder binnen, om daar mijn hoofdje te omvatten. Laat hem op dat moment een enorme tremor krijgen en met dat instrument rammelen als met een kloterspaan. Mijn jonge hersentjes klotsten heen en weer in mijn schedel en bleven in allemaal van die idiote kronkels liggen. Da’s nooit meer goed gekomen.”

Reinhold keek me aan alsof ik hem een oneerbaar voorstel had gedaan en ik genoot van de verbazing die ik oogstte.
─”Hoe haal je ’t in vredesnaam in je bolle kop?” prevelde hij en hij schudde meewarig het hoofd, maar desalniettemin bleef hij me gaarne zien.

Pretsigaret

Ik had een vriend van me op bezoek, Reinhold, met wie ik enkele biertjes likte en aan een paar stevige joints lurkte. Hoewel ik in hevige mate aan hoogtevrees lijd, ben ik hoegenaamd niet bang om high te worden. Zoals sommigen van jullie ongetwijfeld weten, kan een dergelijke toestand de geest bijzonder dartel maken. Toen dat bij mij het geval was, besloot ik een grap te vertellen … over een butler … En Reinhold luisterde ingetogen naar wat ik te vertellen had.

─“Lord Spacecake woonde sinds jaar en dag in het Lake District,” stak ik van wal, “helemaal in het noorden van Engeland en meer bepaald in het stadje Cockermouth. Hij had een butler.”
─“James!” gniffelde mijn gezel.
─“Nee!” steigerde ik. “Hij heette Rogaciano.”
─“Christus!” siste Reinhold.
─“Bijlange niet!” speelde ik ergernis. “Gilipollas! Rogaciano Gilipollas.”
─“Ook goed”, sputterde hij. “Roga… dinges … Vanzwiereltruis.”
─“Het is inderdaad geen eenvoudige en nog minder een courante naam,” vervolgde ik welgemoed, “maar je moet weten dat die butler, Rogaciano Gilipollas dus, een soortement gastarbeider was. Hij kwam uit een ver buitenland, helemaal uit Mexico, waar hij gedurende vele jaren deel had uitgemaakt van een mariachi-orkest, in de hoedanigheid van meesterlijk snarenplukker van een guitarrón … dat is zo’n flink uit de kluiten gewassen stuk jammerhout … een reuzengitaar en otras palabras. Enfin … Op zekere dag had hij last gekregen van een hernia umbilicalis, wat het Latijnse equivalent is …”
─“Meneer spreekt talen!” proestte Reinhold en vanwege de milde staat van euforie waarin wij verkeerden, gaf die onnozele opmerking aanleiding tot een minutenlange lachkramp.
─“… wat het Latijnse equivalent is voor hetgeen wij in de wandeling een navelbreukje noemen”, nam ik de draad weer op. Reinhold richtte zich met een ruk op en staarde me ongelovig aan. Ik glimlachte sereen. “Dat euvel speelde hem al sinds zijn geboorte parten,” was er me geen spinnenweb voor de mond gewassen, “maar werd nooit goed verzorgd, omdat zijn ouwelui arme keuterboertjes waren, die in de Bolsón van Mapimi — dat is een hete en onvruchtbare dalkom in de Mexicaanse staat Chihuahua, waar ook dat beroemde preutenlikkertje … eh … dat op vagina’s beluste hondje vandaan komt — in die godverwaten streek dus bezaten zij, Rogaciano’s ouders, een klein hoevetje, un ranchito met andere woorden, waar zij voor eigen gebruik wat schrale akkergewassen verbouwden en een magere koe … eh … koesterden …”
─“Ben jij nu helemaal van god los?!” riep Reinhold. “Wat zit jij opeens uit je nek te kletsen en over keuterboeren en een magere koe? Dat maakt toch allemaal geen zak uit!”
─“Toch wel,” protesteerde ik, “want die keuterboeren waren Rogaciano’s mama en papa, en hun koe had aan Sinterklaas een Tiroolse bel gevraagd, om rond haar nek te hangen en klingelend …”
─“De rapen zijn gaar!” schuddekopte hij.
─“Rapen kreeg ze nooit, die koe”, treiterde ik. “Rapen gedijden niet in het meedogenloze klimaat dat daar heerste. Meestal at ze …”
─“Cowabunga!” sudderde hij.
─“Da’s ook een mooie naam voor een koe,” gaf ik toe, “maar ze heette Mercedes.”
─“Al heette ze Toyota of La Vache Qui Rit!” ging hij bijna door het behang. “Wat salamandert dat?”
─“Op hun erf krioelde het van salamanders”, draafde ik door. “Ze glisten overal rond, maar de mooiste exemplaren, die gevlekte, hielden zich schuil onder de golfplaten waarmee …”
─“Kop toe of ik maal je tot pulp!” dreigde hij.
─“Gemalen pulp kreeg Mercedes dan weer wel en dat at ze graag …”
─“Basta!”
─“Wil je ‘t vervolg niet horen?” fleemde ik.
─“Je mag samen met die moeraskinkel van een butler …”
─“Elke avond hangen er feux follets boven het moeras”, wist ik niet meer van ophouden. “Dat zijn dwaallichtjes … en vaak ook van die giftige dampen. Dat noemen ze miasma …”

Hij sprong van de sofa alsof er onder hem een krachtige veer in werking trad, gooide de armen in de lucht en vluchtte joelend van me weg.
─“Ik ga rammen!” hoorde ik hem roepen. “Ik geef hem zo’n ram dat zijn kleren uit de mode zijn als hij bijkomt, maar eerst ruk ik hem de ogen uit de kop, zodat hij kan zien hoe ik hem in mekaar ram!”

Ik nodig jullie uit om het hier eerder gepubliceerde schrijfsel Krambamboeli, te lezen, waarin dezelfde hoofdrolspelers ─ Reinhold en ikzelf ─ Oostenrijk onveilig maken, door ons schromelijk te misdragen.

Door zijn haar groeien

Een simpele ziel, die van het leven niet meegekregen had waar hij recht op had, was op de dool geraakt en de televisie wijdde een opsporingsbericht aan zijn verdwijning. Zijn foto verscheen op het ruitje en de stem van een omroepster gaf een persoonsbeschrijving.

─”Hij vertoont voorhoofdskaalheid”, zei ze.

Voorhoofdskaalheid? Volgens mij, maar ook volgens hetgeen hooggeleerde lieden in veelal dikke boeken openbaren, is een voorhoofd het voorste gedeelte van de schedel, meer bepaald het deel van het gelaat tussen de wenkbrauwen en de haargrens. Nu bestaan er natuurlijk achterneven van King Kong, wiens voorhoofd achter borstelige, ja bijna woeste wenkbrauwen schuilgaat, waardoor men in de waan kan verkeren dat die krankzinnige begroeiing aan het voorhoofd ontspruit, maar daar is natuurlijk geen kwestie van.

Nee, het menselijk voorhoofd is door de bank genomen kaal en voorhoofdskaalheid is derhalve je reinste nonsens. Desgewenst kan men van iemand zeggen dat hij een terugwijkende haargrens vertoont, of zich spottenderwijs laten ontvallen dat die persoon eigenaar is van een heel hoog voorhoofd.

Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat ik binnen afzienbare tijd een hoog voorhoofd zal tentoonspreiden, maar kaal … dat in geen geval!

Met een uitgestreken gezicht

Een cosmetisch bedrijf heeft een balsem op de markt gebracht, waarmee men het oprukken van rimpels kan tegengaan.

Dat vernam ik tijdens een reclamefilmpje. De mededeling kwam uit de nagesynchroniseerde mond van een dame, die niettegenstaande haar rijpere leeftijd nog over een pas geplukt perzikgezicht beschikte. Dat dacht ze althans.

Nu staan er weliswaar geen generaties wereldleed in mijn gelaat geëtst en het zal dus nog even duren voor ik de kreukels van een Egyptische mummie vertoon, maar omdat de badkamerspiegel me ’s morgens op een nogal bedenkelijke groef in mijn voorhoofd wijst, bleef ik aandacht aan dat filmpje besteden. Ik wilde namelijk weten of er inderdaad een zalfje bestond dat me opnieuw een fris en jeugdig uiterlijk zou bezorgen.

Het cosmetische bedrijf had tijdens ongetwijfeld langdurige en ingewikkelde laboratoriumproeven vastgesteld dat rimpels veroorzaakt worden door een verslapping van de huid. Vervolgens hadden de hooggeleerde laboranten ontdekt dat die huidverslapping te wijten is … aan het verlies van stevigheid van de huid. Is de paus katholiek?

De oren vielen van mijn hoofd. Ik raapte ze op, bevestigde ze weer op hun plaats en zat me toen af te vragen wat eigenlijk het verschil zou kunnen zijn tussen huidverslapping en verlies van stevigheid van de huid. Ik ben er nog steeds niet uit en van al dat gepeins heb ik zelfs een tweede groef in mijn voorhoofd gekregen: een denkrimpel wellicht.