Tag: protest

De langste dag … eh … vloek

Jullie zullen het ongetwijfeld al gemerkt hebben: ik durf nogal eens in de bres te springen voor het Nederlands, het Vlaams en zeer zeker ook voor het weergaloze West-Vlaams.

Het leven kust soms de fraaiste zinnen in me wakker en ik bedien me graag van lenig proza om die te openbaren. Ik schuw geen wollig taalgebruik en meng vaak een haast Chinese bloemigheid in mijn woordkeus, maar ik aarzel ook niet om mijn pen over de slijpsteen te halen, of in vitriool te dopen, om potige volzinnen en machetescherpe teksten op papier te gooien.

Ik schrik er trouwens niet voor terug om iets nieuws te verzinnen als het Nederlands woorden tekortschiet, al hebben mijn nochtans briljante vondsten ─ wie lacht daar?! ─ tot op heden nooit het woordenboek gehaald. Ben ik te min? Wat heeft weerman Frank Deboosere meer te bieden dan ik? Zijn ‘ochtendgrijs’ is toch ook niet echt een woord waar men steil van achterovervalt.

Ik blijk vooral goed te zijn in het bedenken van vloeken, krachttermen en scheldwoorden. Hoe zou dat komen? Mijn laatste hersenspinsel is een joekel van een platitude, waarmee ik lucht geef aan verbaasde ergernis. Hou jullie vast, want hier komt ie!

Godverhemelstepeirdepreuten!

Je zult het in boterletters krijgen!

Ik ben er me van bewust dat het enigszins vulgair klinkt, maar daar heb ik maling aan, want het bekt zo lekker weg.

Jullie mogen van mij gerust de dikste hebben, maar voor de langste zullen we meten. Wie doet beter?

woede

‘t Was niet oké in de Okay

Ter gelegenheid van mijn verjaardag ─ hiep, hiep, hoera! ─ kreeg ik van vrienden een cadeaubon, waarmee ik in alle supermarkten van Okay goederen kon verwerven ten bedrage van zo maar eventjes honderd euro.

O, wat was ik blij!

Tijdens een van mijn omzwervingen kreeg ik zo’n etablissement van Okay in het vizier, dus begaf ik me daar naar binnen en vulde mijn karretje met allemaal dingen die ik eigenlijk nauwelijks en soms zelfs volstrekt niet nodig had, maar als het gratis is …

Gewapend met mijn bon meldde ik me bij de kassa aan.
─”Oei!” schrok de dame die daar de dienst uitmaakte. “Dat zal vandaag niet lukken. Het systeem werkt niet.”
Daar stond ik dan. Mijn andere betaalmiddelen bevonden zich immers in mijn auto op de parkeerplaats.

O, wat was ik boos.

Ik kan me dusdanig opwinden over systemen die niet werken, dat ik buiten iedere verhouding in woede ontsteek en compleet onredelijk reageer. Ik zei evenwel geen woord, haalde enkel de schouders op, schudde het hoofd, liet mijn winkelkar achter en peesde met opgestreken kuif naar buiten. Mijn systeem werkte ook niet, of toch niet naar behoren, want ik vertikte het om me te voorzien van bankbiljetten, bank- of kredietkaarten en terug te keren. In plaats daarvan begaf ik me met bekwame spoed naar een andere supermarkt.

Mijn reactie was ongetwijfeld overdreven … maar anders leren ze ‘t nooit.

Openbare schennis van de eerbaarheid

ezelsorenIn Argentinië werd de Belgische wielrenner Iljo Keisse uit de Ronde van San Juan gezet, wegens een ‘misplaatst’ gebaar op een foto. Van de rechter kreeg hij bovendien een boete van € 70.

Hoe dat zo kwam? Een vrouw wilde absoluut op de foto met enkele renners. Iljo Keisse, die achter haar stond, maakte in een schalkse opwelling boven haar hoofd het alom bekende V-teken, dat we hier bij ons, in Vlaanderen, meestal als een plagerijtje beschouwen: de persoon in kwestie krijgt als het ware ezelsoren opgezet. Hè hè, dat is lachen! Wij, Vlamingen, zijn met weinig tevreden.

De foto verscheen in een plaatselijke krant met wel honderd abonnees en toen gingen de poppen aan het dansen. De kakmadam was daar absoluut niet mee opgezet en vond het nodig om van een mug een olifant te maken. Ze diende klacht in bij de politie. Iljo Keisse kreeg de bovenvermelde straffen. Hij had immers de reputatie van de organisatie van de Ronde, van het UCI – de Union Cycliste Internationale of de Internationale Wielerunie – en van het wielrennen in het algemeen besmeurd.

Ja zeg, maak het een beetje! Die reputatie van het UCI is wel door andere zaken besmeurd en die zijn vooralsnog onbestraft gebleven.

Er bestaan weliswaar slechts weinig foto’s van me, maar ik heb er toch zeker een stuk of vijf waarop de persoon die achter me staat mijn kop van dergelijke ezelsoren voorziet. Ik voel me daardoor allerminst beledigd en kan er zelfs hartelijk om lachen.

Het weze me toegestaan om dat vrouwmens een beetje een kleinzerige trut te vinden. Ze schrikt er niet voor terug om te poseren met stoere wielrenners in loeistrakke broeken, die tot de nok gevuld zijn met uitdagend puilende geslachtsorganen, maar die twee opgestoken vingers vindt ze een aanslag op haar eerbaarheid. Van een achterlijke troel gesproken!

Nu is Argentinië nogal – ik wik mijn woorden – puriteins wat zedelijke beginselen betreft. Dat weet ik uit ervaring. Ooit doorkruiste ik samen met een vriend de uitermate onherbergzame Gran Chaco in het noorden: een aaneenrijging van vertes, honderden kilometers zandpiste, waarop de Dakar rally zich ongetwijfeld thuis zou voelen, wegens talloze kuilen, bulten en andere geografische ongemakken. Het was gillend heet en vanwege het opstuivende zand waren we voortdurend in het bezit van een pracht van een dorst, zodat we binnen de kortste keren onze drankvoorraad opgebruikt hadden. We raakten even in paniek, maar gelukkig troffen we toen een drenkplaats op onze weg aan, of althans een verloederde stulp waar het alomtegenwoordige reclamebord van Coca Cola verklapte dat men er blikjes pauze verkocht.

Mijn metgezel vertrok op foerage, terwijl ik in de auto achterbleef om mijn logboek bij te werken. Het duurde niet lang of mijn vriend keerde bij me terug, ietwat ontdaan en zonder slobberspul.
“Ik ben daar met klikken en klakken buitengegooid”, zei hij.

Bleek dat zijn uitmonstering niet aan de fatsoensnormen van de uitbaters van dat ‘poepchique’ etablissement voldeed. Hij droeg immers niet meer dan een hemdje en zwemshorts. Dat vonden ze daarbinnen – in dat hol van Pluto – allesbehalve decent, dus hadden ze hem wandelen gestuurd.

Gelukkig was ik toen en ben ik nu nog steeds een buitengewoon fatsoenlijk mens en droeg ik dus op dat moment wel een pantalon, zodat ik zonder verdere haarkloverij voor lafenis kon zorgen.

Gelachen dat we hebben!

‘t Is ook nooit goed

Enkele weken geleden …

Op een voor voetgangers en fietsers gereserveerd pad dien ik een wandelaar in te halen. De man zwalkt heen en weer als een aangeslagen bokser, zodat ik me genoodzaakt zie hem even te waarschuwen dat ik eraan kom.
“Mag ik er even langs?” roep ik dus.
Hij keert zich met een ruk naar me toe, kijkt me aan alsof hij van plan is om tot een handgemeen over te gaan en snauwt:
“Heb je een vinger gebroken of zo? Of ben je te lui om even te bellen?”

Enkele dagen geleden …

Ik befiets hetzelfde pad en krijg opnieuw een nogal wispelturige wandelaar in het vizier. De woorden van zijn voorganger indachtig gebruik ik mijn bel, die enkel een bescheiden geluidje produceert: ping!
De man draait zich om, kijkt me aan met duistere kwaadaardigheid, werpt me een aantal mesblikken toe, vloekt wat duivels uit de hel en schiet uit zijn slof:
“Hang voortaan een koeienbel rond je nek!”

Ja zeg, zal ik me van kant maken? Zullen we de manier waarop je een voetganger moet inhalen dan maar in het verkeersreglement opnemen? Of zal ik voortaan gewoon thuisblijven en met mijn tenen spelen tot vermaak van mijn hielen?

Met alle Chinezen!

 

KlaasenPietTijdens het zappen belandde ik in Antwerpen, waar er – je houdt het niet voor mogelijk – weer een stoomboot uit Spanje aankwam. Hij bracht ons Sinterklaas en zijn metgezellen, hetgeen voor een bedroevend spektakel zorgde.

De Zwarte Pieten die, de naam zegt het al, zwart horen te zijn, waren gedegenereerd tot wat men roetveegpieten noemt. Het leek nergens op. Ook Sinterklaas zag er niet meer uit als de christelijke bisschop die hij ooit was, want het kruis was van zijn mijter verwijderd. Nog even en hij draagt een hoofddoek.

De Antwerpenaren, die nochtans een hoge dunk van zichzelf hebben en veelal toegerust zijn met een wijde muil, deinzen blijkbaar terug voor een kleine groep zelfverklaarde wereldverbeteraars.

Ik heb het hier al eerder gezegd, maar ik wil het graag nog een keer herhalen: mijn Sinterklaas had, heeft en zal altijd een kruis op zijn mijter hebben; hij was, is en zal altijd vergezeld zijn van een roetzwarte Zwarte Piet; hij bereed, berijdt en zal altijd een witte schimmel berijden, of die nu naar de onnozele naam Slecht-Weer-Vandaag of het exotischere Amerigo luistert.

Van onze tradities en folklore blijf je af! Punt!

Is ‘t nu gedaan, ja?!

BaardmanAan alle wielertoeristen en consorten die zo nodig naar me moeten roepen als onze wegen elkaar kruisen:
Ik ben Jezus niet!
Ik ben Sinterklaas niet!
Ik ben de Kerstman niet!
Ik ben Vader Abraham niet!
Ik ben Santa niet!
Ik ben de apostel Petrus niet!

Als jullie denken dat jullie buitengewoon origineel uit de hoek komen door me deze namen naar het hoofd te slingeren als we elkaar ontmoeten, dan denken jullie verkeerd, want tientallen anderen zijn jullie voorgegaan.

Ik zou overigens ook talloze namen voor jullie kunnen verzinnen.
Hangbuikzwijn bijvoorbeeld;
of speknek;
of gratenpakhuis;
of spillepoot;
of krijtezel;
of pruilbakkes.

Als ik dat niet doe, dan is dat omdat ik keurig, netjes opgevoed ben.

Hou dus maar op met die onnozelheden.

Er zijn meer huizen dan kerken

Schwalbe

Ik fiets jaarlijks ongeveer twaalfduizend kilometer en ik placht dat te doen op zogeheten lekbestendige banden, meer bepaald op het type Marathon Plus van Schwalbe. Het moet gezegd dat ik nooit lek reed toen ik me op dat rubber verplaatste.

Het zal jullie niet ontgaan zijn dat ik hierboven de verleden tijd gebruik. Er is namelijk een kink opgedoken in de kabel die mij met Schwalbe verbond en daarom heb ik die kabel doorgeknipt.

Een jaar geleden verving ik de versleten achterband van mijn fiets door een nieuw exemplaar. Al na enkele maanden vertoonde die echter abnormale slijtage, te weten een kale plek over een afstand van zowat dertig centimeter. Dat leek me stug, dus stuurde ik een e-mail naar de Belgische verdeler van Schwalbe, waarin ik mijn bevindingen mededeelde en opperde dat het vermoedelijk om een fabricatiefout ging.

Op hun verzoek bezorgde ik ze een foto van het mankement. Het antwoord liet enige tijd op zich wachten, maar na enig aandringen vernam ik dat het absoluut geen fabricatiefout betrof, maar dat het euvel wellicht het gevolg was van het verkeerd monteren op de fietsendrager van een auto, waardoor het wiel aan slepen onderhevig was.

Ik antwoordde dat ik geen eigenaar was van een fietsendrager en dat mijn fiets nooit ofte nimmer van een ander vervoermiddel gebruik gemaakt had. Er waren opnieuw enkele duwtjes in de rug nodig voor men reageerde. Kon ik de band aan de Belgische invoerder van Schwalbe bezorgen? Die zou het ding op zijn beurt aan de fabrikant in Duitsland overmaken, waar het labo zich ermee zou bemoeien en uitsluitsel geven.

Ik wachtte ettelijke weken op dat uitsluitsel, dat pas kwam nadat ik een paar e-mails verstuurd had. Het was geen fabricatiefout! Men liet me in het ongewisse over wat het dan wel was en ze beschouwden de zaak kennelijk als afgedaan.

Ikzelf ben ervan overtuigd dat het wel degelijk een fabricatiefout betreft. De band van Schwalbe die ik sindsdien gebruik en waarmee ik al bijna vijfduizend kilometer aflegde, vertoont niet de minste abnormale slijtage.

De defectueuze band heeft me vijfendertig euro gekost. De werkelijke kostprijs ervan zal beduidend minder bedragen: ik schat ongeveer vijftien euro. Dat een bedrijf als Schwalbe zich in leugenachtige bochten wringt, teneinde de handen in onschuld te wassen en me niet te moeten vergoeden, vind ik beneden alle peil.

Het is daarom dat ik aan Jan en alleman kond doe van dit feit en ook de miljoenen, indien al niet miljarden, lezers van mijn blog zullen het geweten hebben.

Ik zal me nooit meer een band of enig artikel van Schwalbe aanschaffen. Nooit meer! Voortaan verplaats ik me op lekbestendige banden van Vredestein Perfect Xtreme.

Schwalbe kan me aan de reet roesten!
Vredestein, tevreden zijn!

Zegt het voort!

Het kind van de rekening

Terwijl ik door het Houtland fietste, namen terroristen mijn maag over en ze eisten voedsel. Ik hield derhalve noodgedwongen halt bij een café dat ook wel te eten schafte en zich daarom het predicaat eet- en praatcafé toe-eigende, al vermoed ik dat ook de niet tot praten in staat zijnde medemens er aan zijn trekken zou komen, al weet je dat natuurlijk nooit met rurale haptenten.

Ik raadpleegde de kaart en vernam dat men er tijdens de week een dagschotel aanbood voor amper € 13. Op zaterdag en zondag was er een weekendmenu beschikbaar voor € 25. Aangezien het zondag was, wenkte ik de juffrouw die daar rondliep en beroepsbezigheden verrichtte. Ik informeerde wat dat weekendmenu precies inhield. Dat bleek een gerookte zalmkroket te zijn ─ ze bedoelde wellicht een kroket van gerookte zalm ─ gevolgd door een ribstuk met been ─ in onze contreien gewoonlijk côte à l’os genoemd ─ met een sausje naar keuze, frietjes en koude groentjes. Ik blijf me mateloos ergeren aan die knullige verkleinwoorden waarmee men voedsel appetijtelijk tracht voor te stellen. Tot besluit was er koffie met friandises voorzien, hetgeen een ijdeltuitig woord voor versnaperingen is. Alles samen leek het me wel wat en voor die prijs kon ik het niet laten lopen, dus bestelde ik het weekendmenu en bracht mes en vork in stelling.

Het voorafje, de zalmkroket, was niet vervelend. Vervolgens kreeg ik de hoofdschotel voorgezet en dat gerecht zag eruit als een vreselijk ongeluk in de dierenwereld. Geen mens had me gevraagd in welke bakgradatie ik mijn vlees verwachtte, dus lag de lap vlees op mijn bord te bloeden als een rund. Het verorberen ervan vereiste de tanden van een hyena, want het ding, geflankeerd door een blubbersaus en wat konijnenvoer, bleek zo taai als een lederen portefeuille.

Ik was in een goed humeur en betaalde zonder morren, maar toen ik de rekening controleerde – dat pleeg ik altijd te doen – ontdekte ik dat men me voor dat fameuze weekendmenu niet de op de kaart vermelde € 25 aangerekend had, maar € 30. Ik wenkte de persoon die vermoedelijk de baas van de tent was, of daar toch zeker wat in de melk te brokken had, en vroeg hem om tekst en uitleg.

Ik vernam dat men de prijs van het weekendmenu bij uitzondering tot € 30 € opgetrokken had, vanwege hetgeen men aanbood. Een côte à l’os was niet bepaald een goedkope flard vlees en met € 25 kwam je geeneens uit de kosten.
─”Staat dat ergens vermeld?” vroeg ik nogal kortaangebonden.
─”Je hoeft niet zo’n toon aan te slaan”, mekkerde die gozer. “Als ik me hoffelijk gedraag, verwacht ik van jou hetzelfde.”
─”En als ik iets bestel dat volgens de kaart € 25 kost, verwacht ik dat u me daar € 25 voor aanrekent”, diende ik hem nog barser dan eerst van weerwoord. “Staat die meerprijs ergens vermeld? De menukaart maakt er alleszins geen gewag van.”
─”Het heeft op het stoepbord bij de deur gestaan,” vernam ik, “maar mijn vriendin heeft het per ongeluk gewist.”
─”Daar ben ik dan mooi klaar mee”, foeterde ik. “Men had me op zijn minst die meerprijs moeten mededelen toen ik mijn bestelling plaatste. Nu ruikt het verdacht naar afzetterij.”
─”Er zijn al wel twintig klanten die het weekendmenu gekozen hebben”, overdreef hij. “Jij bent de eerste die erover klaagt.”
─”Vermoedelijk hebben die twintig anderen besteld voor je vriendin aan het wissen geslagen is”, meesmuilde ik. “Soit. Mij heb je hier in alle geval voor het laatst gezien.”

De slogan op de website van het etablissement in kwestie, Drie Koningen, luidt: Waar de klant nog echt koning is. Daar heb ik weinig van gemerkt. Mij zien ze daar niet meer. Er zijn genoeg restaurants waar ik niet bij de bok gezet word.

Nu doen ze ‘t weer!

Anderhalve maand geleden verscheen hier het schrijfsel: Als het niet goed is, zeg ik het ook. Daarin uitte ik mijn ongenoegen over een nogal onnozele, want in mijn geval contraproductieve reclamestunt van het weekblad Humo.

Verleden week viel er een verse Humo bij me in de bus en nu doen ze het weer. Ik mag een krulstaart krijgen als het niet waar is. Ze geven hun lezers een blikje energiedrank cadeau, maar je moet het ding wel zelf afhalen. In mijn geval zou ik me dus opnieuw vijftien kilometer moeten verplaatsen om het in mijn bezit te krijgen. Ja, ik ben daar gekke Gerrit op een houtvlot!

Als Humo probeert de duivel in me wakker te maken, zijn ze goed bezig. Ik zeg gegarandeerd mijn abonnement op als ze me nog een keer zoiets lappen. En aan dat energiedrankje zal ik dus nooit een bek zetten. Ik heb me laten vertellen dat het een beetje naar smaakt, en dat het in je maag blijft staan, en dat je er gemarineerde oprispingen van krijgt …

nalu

Als het niet goed is, zeg ik het ook

Wie verleden week Humo kocht, of zoals ik wegens abonnement zijn exemplaar in de brievenbus ontving, kreeg daar gratis en voor niks een flesje bier bij.

Nu ja, krijgen is niet het correcte woord, want je moet het presentje zelf afhalen. In mijn geval zou ik me kilometers moeten verplaatsen om het onnozele flesje bier in mijn bezit te krijgen. Ammenooitniet! Ik zal me daar een beetje op kosten laten jagen en er liters benzine voor verstoken. Ik ben me daar een haartje betoeterd! Voor hetzelfde geld kan ik wellicht een krat met vierentwintig flesjes bier kopen.

Dergelijke reclamestunts irriteren me behoorlijk en hebben op mij een averechts effect. Het zal nog eens zo gaan dat ik uit pure ergernis mijn abonnement bij Humo opzeg en heil zoek bij een ander weekblad. Ook dat bier, waarvan ik uit ongenoegen hardnekkig weiger het merk te vermelden, komt bij mij het huis niet in. Nooit ofte nimmer!

Dat zal ze leren!