Tag: vulkanen

Sodom, Gomorra en Pompeji

Samen met een Argentijnse vriend en reisgezel heb ik ooit met ware doodsverachting de Vesuvius beklommen … eh … bedwongen. Men bedwingt een berg. Als dat dan ook nog een vuurspuwende berg is, moet een mens niet alleen de berg, maar ook zijn angst bedwingen, want dat zijn lang geen ongevaarlijke toestanden waarin men zich begeeft. In ons geval liep het waagstuk goed af: we daalden zonder kleerscheuren of brandwonden en in heelhuidse gesteldheid van dat ventiel van Moeder Aarde neer. We hadden de begane grond nog niet helemaal bereikt of er lag reeds een andere bezienswaardigheid op ons te wachten: de overblijfselen van het eens zo florissante en o zo decadente Pompeji.

In het begin van onze jaartelling was dit stadje de zomerverblijfplaats en het lustoord van de rijke Romeinen … een Italiaans Knokke-Zoute met andere woorden. Er heerste daar een zeer ongedwongen, ja zelfs ronduit losbandig sfeertje. Onkuisheid en ontucht dat er daar bedreven werd! Hohoho! Daar hebben jullie werkelijk geen idee van en ik evenmin, maar we proberen het ons toch een beetje voor te stellen, nietwaar?

Op 24 augustus 0079, om elf uur in de morgen, weerklonk er opeens een buitengewoon luide knal. De top van de Vesuvius vloog gezwind de lucht in en de aarde spuwde haar ingewanden uit. Gedurende twee dagen regende het stenen en allerhande troep op Pompeji, dat allengs bedolven raakte, en wie probeerde te vluchten werd door giftige dampen ingehaald en geveld. Van de naar schatting vijfentwintigduizend inwoners heeft wellicht niemand de woede-uitbarsting van de vulkaan overleefd en de stad verdween van de aardbodem, want plots zat die eronder. Pompeji voegde zich bij de Bijbelse steden Sodom en Gomorra, die vanwege hun verdorvenheid met zwavel en vuur verwoest werden.

Zestienhonderd jaar later kwam er tijdens grondwerken plots een beeld aan de oppervlakte. Opgravingen begonnen en als men dat doet, legt men meestal iets bloot. Soms leg ik iets bloot wat ik helemaal niet opgegraven heb, waarschijnlijk omdat ik kan toveren, maar dat doet hier verder niets ter zake. Aldus verrees Pompeji als het ware uit zijn graf en vandaag de dag gaan we er in groten getale naar kijken.

Nu zal ik nooit in laaiend enthousiasme ontsteken bij het aanschouwen van ietwat mistroostige ruïnes en dat deed ik in Pompeji dus ook niet. Ik ben meer een natuurmens. Met een fraai landschapje of een bekijkenswaardig fenomeen kun je me altijd plezieren. Samen met mijn vriend dwaalde ik derhalve nogal apathisch door de straatjes van Pompeji, bezocht ik Romeinse villa’s of wat er van overbleef en verlustigde ik me enigszins aan de soms schunnige muurschilderingen en mozaïeken, die verrieden welke perversiteiten daar allemaal moeten plaatsgevonden hebben naast de gewonere dadelijkheden van de seksuele bedrijvigheid.

PompejiToen kwam er opeens een bewaker of iets dergelijks naar ons toe. Hij droeg in alle geval een kepie en een indrukwekkende sleutelbos. In ruil voor een fooi kon hij ons het ‘verboden Pompeji’ laten zien, deelde hij ons in moeizaam Engels mee, maar wij begrepen het en grote nieuwsgierigheid maakte zich van ons meester. We hadden en we hebben beiden een zwak voor iets dat verboden is. Enkele bankbiljetten wisselden van eigenaar en hij bracht ons tot bij een gifgroene deur, die hij met een kanjer van een sleutel ontsloot.

Het was alsof wij een seksboetiek betraden. We werden omringd door tientallen beelden van vrouwen in wel zeer uitdagende poses, afbeeldingen van ongeveer alle copulatiestandjes die het menselijk brein, inclusief de Kamasoetra, ooit verzon en mannen die toegerust waren met enorme falussen. Mensen kinderen, het was me het museumpje wel. Gelachen dat we hebben … al was dat best wel een beetje zuur, want we voelden ons door de natuur danig misDEELd en TEKORTgedaan.

Ja, als ik tweeduizend jaar geleden geleefd had, zou ik wat graag in Pompeji gewoond hebben. Natuurlijk zou ik net op reis geweest zijn toen de Vesuvius ontplofte.


Pompeji2

Soep met ballen

Een aantal jaren geleden diende ik me naar een Canarisch eiland te begeven, met name naar het met opwindende landschappen getooide en met lachende bloemen pronkende Tenerife, waar velen van ons graag toeven en goede sier maken als het vakantie is. Het prentkaartfähige oord behoort evenwel niet tot mijn favoriete reisdoelen. Er groeit daar namelijk een kanjer van een vulkaan, de Teide, en als het enigszins kan, houd ik me liever ver uit de buurt van vuurspuwende bergen. Je hoort me niet beweren dat ik er echt bang van ben, maar ik heb weinig vertrouwen in zulke hogelijk onvoorspelbare natuurfenomenen. Het spreekwoord zegt dat men geen slapende honden wakker moet maken en hetzelfde geldt allicht voor slapende vulkanen. Als ik ergens kom waar een hond ligt te slapen, schrikt dat beest meestal direct wakker, dus vermoed ik dat ik bij vulkanen wel hetzelfde effect zal sorteren … en dan ben ik nog niet jarig! Desalniettemin ging ik voor anker in het zachtklotsende haventje Puerto de la Cruz en nam er mijn intrek in een praalziek hotel met een vrachtje sterren, dat aan de rand van de schuimende zee hurkte en uitzicht bood op dat huiveringwekkende ventiel van Moeder Aarde.

Die eerste avond zat ik in het restaurant en lepelde met zelden vertoonde vlijt soep naar binnen. Ik was daar zo intens mee bezig dat ik niet eens opmerkte dat een kelner zich achter me opstelde. Toen die vooroverboog om me vriendelijk te vragen of ik nog wat soep wenste, schrok ik dermate van het onverwachte stemgeluid bij mijn oor, dat ik met een ruk rechtop veerde. Normaliter heeft zoiets geen nare gevolgen, want elke tafeldienaar is op zijn hoede voor dergelijke reacties. Die van mij dus niet. Ik stootte met mijn schedel tegen het dienblad dat op zijn hand balanceerde. Ook niet erg natuurlijk. Op dat blad prijkte evenwel een fraaigevormde, doch nogal labiele terrine van authentiek Beiers porselein, die onverwijld kapseisde en een vrij sierlijke, maar nogal hete soepval veroorzaakte, die zich met veel panache in mijn nek stortte. Wat doet men in zo’n geval? Vanzelfsprekend! Ik schoot omhoog als een raket en gaf zodoende het dienblad een tweede kopstoot, van het soort dat Zinedine Zidane me ten zeerste zou benijden. Het ding was er echt niet goed van… maar je had die kom moeten zien! Die suisde omhoog, beschreef een elegante bocht in het luchtruim en kwam toen met een rotgang op mijn tafel terecht, krek tussen het onthutste serviesgoed. De ravage! Mensen lieve deugd, daar brak zo het een en ander … en een kabaal … je leven zo niet! Consternatie alom, alsof er een vliegende schotel geland was. Het hele restaurant stond in rep en roer. Via rug en borst verliet de soep mijn tweedjasje en lekte gemoedelijk op mijn pantalon. Mijn nek gloeide pijnlijk en was dus verbrand, maar toch was ik begaan met de jongen die samen met mij dat sensationele onheil gesticht had. Hij stond daar als een wassen beeld en staarde wezenloos naar de vernieling op de plek waar de bolbliksem ingeslagen was. Zijn mond beefde wat en viel toen open. Ik pakte een servet en begon ostentatief mijn nek te dweilen. Daardoor afgeleid kwam de jongen weer bij zijn positieven.
─“Pido perdón, señor”, prevelde hij en het huilen stond hem nader dan het lachen.
─“No tanto como eso”, zei ik goedig, want ik spreek Spaans en ik voelde me even schuldig als die knaap.

Zoiets schept een band. We raakten met elkaar bevriend en dat zijn we nog steeds. Vicente, zo heet hij, is onlangs getrouwd en vanmiddag strijkt hij, door mij uitgenodigd zijnde, met zijn echtgenote in Belgenland neer, waarna ik ze vreugdevol in mijn stulpje zal onderbrengen. Ik broed immers al enige tijd op een plannetje. Ik zal ze meenemen naar een restaurant waar ik kind aan huis ben en daar zal hij de inhoud van een soepterrine ─ water vanzelfsprekend ─ in zijn nek en over hem heen krijgen. Dat wordt lachen.

Ik houd jullie op de hoogte.