Hou het een beetje stil, wil je?

Een vrouw kan zonder twijfel een geheim bewaren, als haar maar niet verteld wordt dat het een geheim is.
Sidonie Gabrielle Colette

Twee roddeltantes … eh … vrouwen zaten op een bank in het park en hielden een kwieke stroom van opgeruimd gebabbel gaande. Ze waren er zich niet van bewust dat ik meeluisterde. Hun gesprek veranderde opeens van coupe, omdat een van de dames overging tot het doen van een vertrouwelijke mededeling en te dien einde haar stemvolume wat verminderde, maar niet in die mate dat ik het gesprek niet meer kon volgen. Ze had uit betrouwbare en dus goede bron vernomen dat er bij een notabele ingezetene van het dorp ─ ze noemde de man bij naam, maar dat doe ik hier dus niet ─ pancreaskanker vastgesteld was, waardoor de toekomst er voor hem allesbehalve rooskleurig uitzag.
─”Oed het vo joen, hè!” bezwoer ze haar gesprekspartner, hetgeen West-Vlaams is en zoveel betekent als ‘hou het een beetje stil’.
─”Vaneigens!” stelde die haar gerust.
 
Ze gingen beiden huns weegs en ik dobberde in het kielzog van de nieuwe draagster van het geheim, die luttele minuten later een vriendin ontmoette, haar hartelijk begroette en meteen daarna zei: “Zeg, heb je ‘t al gehoord van …” Ze noemde de naam van de notabele, hetgeen ik dus niet doe, want de arme man is op sterven na dood.

Averullen

meikeverschudden

We schrijven mei en als ik onderweg ben, durf ik nogal eens over te gaan tot het schudden aan beukengroeisels, zoals daar zijn hagen en boomtakken, in de hoop dat ik er eindelijk nog eens een meikever zal aan ontfutselen, want dat is, geloof ik, honderdduizend jaar geleden. Ik ben er nog steeds niet in geslaagd. Zijn die beestjes uitgestorven misschien?

De averulle van mijn titel is trouwens een dialectwoord voor meikever, dat slechts in een heel klein gebied tussen Kortrijk en Roeselare gangbaar is. Het is een samenvoeging van het West-Vlaamse aven (avond) en rullen (ronken). Aangezien meikevers enkel ‘s avonds vliegen en daarbij een brommend geluid produceren is averulle (avondronker) best wel een aardig bedenksel. Blijkbaar vond Guido Gezelle dat ook, want hij wijdde een zeer door mij gesmaakt gedicht aan de kever, niettegenstaande de lullige, ietwat betuttelende zedenles van het slot.

De Averulle en de Blomme

Daer zat ‘nen keer een Averulle
En lekte met ‘nen zom,
Zom, zom,
Den dauw van op de blaren,
Die klaer bedreupeld waren
Lyk met ‘nen dreupel Rhom,
Rom rom.

Wanneer zy fraei gedronken had,
Zoo vloog ze schreef en krom,
Rom, rom,
Al neuzlen en half dronken,
Tot waer de kleêrkes blonken
Van eene schoone blom,
Lom, lom.

De blomme die ze kommen zag
En viel niet al te dom,
Dom, dom,
Maer riep zoo, loos van zinnen,
Hei! Kobbe, kom my spinnen
Een kobbenet rondom,
Om, om.

En Kobbe, die was seffens g’reed,
En steld’ heur pootjes krom,
Rom, rom;
Zy spon heur looze netten
Om haer daer in te zetten,
En zat daer stille en stom,
Tom, tom.

En als de Rulle kwam naby
Geflodderd krom en slom,
Lom, lom,
Zoo is ze in ‘t net gevlogen,
En deerlyk uitgezogen,
Of schoon zy jankte: zom
Zom zom!

De looze blomme loech er meê
Die looze booze blom,
Lom, lom,
Eilaes! zoo menig jonkher
Wordt – uitgezogen pronker,
Om eene schoone blom:
Dom! dom!

Guido Gezelle

Beestjes

Het was niet bijzonder warm, maar de zon zette haar beste straaltje voor en er stond slechts een matige wind, zodat ik besloot om een fietstocht te ondernemen. Ik peddelde van Torhout naar Oostende langs de Groene 62. Het pad is er voor iedereen natuurlijk, maar onderweg ergerde ik me in toenemende mate aan de loslopende honden. Sommige eigenaars veronachtzamen het niet alleen om de stronten van hun viervoeters op te ruimen, maar er zijn er ook steeds meer die de waarschuwingsborden straal negeren en het niet meer nodig vinden om hun dier aan te lijnen. Dat houdt altijd een risico in, ook al zijn ze er nog zo van overtuigd dat hun hond van het brave soort is. De in het rond draaiende voeten van een fietser kunnen onverwachte effecten sorteren. Ik spreek uit ondervinding. (lees in dit verband: Een klein opneukertje)

Uit alle poelen, sloten, kreken, vijvers, meertjes en wat er nog meer aan waterverzamelingen bestaat die ik passeerde ─ en langs dat pad geven die in groten getale acte de présence ─ ontsproten niet bepaald welluidende gezangen: kikkers gaven luidkeels het Minnedriftconcerto in D-majeur van Albrecht DePUYDT ten beste en padden waagden zich in ongeordende samenzang aan de Paringscantates van Richard PADDENbrook. Men kan me folteren met dit soort deunen.

Toen was er opeens een dame die me in gestrekte draf inhaalde, omdat ze zich met een elektrisch aangedreven fiets verplaatste. Honderd meter verderop hoorde ik haar een ijselijke kreet slaken en zag ik hoe ze een noodstop maakte. Luttele seconden later wist ik waarom ze dat deed, want ik kwam eveneens in een enorme insectenwolk terecht. Je had me moeten zien. Ik was van top tot teen bedekt met honderden, duizenden, miljoenen, ja zelfs miljarden ─ ik overdrijf misschien een beetje, zij het niet met tegenzin ─ groene insectjes, alsof de op kevers beluste kunstenaar Jan Fabre zich met me had beziggehouden. Ik prees me gelukkig dat ik meestal met gesloten mond fiets, wat bij de voornoemde dame kennelijk niet het geval was.

Ik vond dat zo’n onaangename ervaring dat ik zowaar zit te kippenvellen terwijl ik dit neerschrijf.

Kinderopvang

Ik bewandelde een sponzig pad in het bos en stond plots oog in oog met … een onvergezelde, blootvoetse, van snottebellen voorziene dreumes van een jaar of twee. Daar viel me toch even de bek van open. Toen ik die weer dichtgeklapt had, vroeg ik aan het jongetje (of was het een meisje?):
─”Waar zijn je mama en je papa?”
─”Dada”, zei hij en hij brabbelde nog wat in het onverstaanbaars, terwijl hij uitbundig zwaaide met het vlaggetje dat hij/zij in zijn/haar knuistje gekneld hield.
Ik keek om me heen, maar in geen velden of wegen viel er iemand te bespeuren en al evenmin in het geboomte dat ons omringde.
─”Hallo!” riep ik. “Is hier iemand in de buurt?”
Ik kreeg geen gehoor.

Ik stond een wijle besluiteloos. Toen nam ik een kloek besluit en trok mijn mobieltje. Die dingen zijn meestal een vloek, maar een zeldzame keer ook een zegen. Ik belde de politie en deed mijn verhaal. Ik kon me niet van de indruk ontdoen dat de persoon die me aanhoorde me niet geloofde, maar hij beloofde toch om iemand te sturen.

Luttele minuten later hoorde ik het paniekerige gekrijs van een vrouw, die meteen daarna molenwiekend op het pad verscheen en met opgestreken zeil op me afstevende.
─”Ha, hier is hij!” krijste ze en ze keek me giftig aan, alsof ik de hummel meegelokt of zelfs ontvoerd had.
Ze nam haar nakomeling op de arm en maakte aanstalten om zich uit de voeten maken. Ik vroeg haar om nog even te blijven, om de op komst zijnde politie tekst en uitleg te verstrekken, maar dat weigerde ze botweg. Of ze me dan misschien haar naam en adres wilde geven? Ook dat vond ze niet nodig. Ze ging er doodgemoedereerd vandoor.

Ik stond op het punt om mijn vraag om hulp te annuleren, toen er twee agenten op het pad verschenen. Ik deed mijn verhaal en ze waren daar niet echt blij mee, leek het me. Ik vermoed zelfs dat ze in hun logboek genoteerd hebben dat er een steekje aan me los is en dat ik zo het gesticht in kan.

Ga heen en zondig niet meer!

Mag ik misschien even een oude koe uit de sloot halen?

Een week of wat geleden heb ik in Daar zal je op zitten wachten mijn ongenoegen geuit over de krakkemikkige, of zelfs onbestaande dienstverlening van de VAB-pechverhelpingsdienst voor fietsers. Men liet me immers met een gebroken zadel in de kou staan en in mijn eigen sop gaarkoken. Daar was ik allerminst opgetogen over. Nu heb ik in dit verband onderstaande e-mail van VAB ontvangen:

Geachte heer

Het is voor ons van groot belang dat onze klanten zeer tevreden zijn over onze dienstverlening. Daarom hebben we, naar aanleiding van uw telefonisch contact, een onderzoek ingesteld met betrekking tot hetgeen u aankaart.

Uit ons onderzoek is gebleken dat onze medewerker uw bijstandsaanvraag jammer genoeg allesbehalve professioneel afhandelde. Wij kunnen onze verontschuldigingen hiervoor dan ook niet genoeg benadrukken. Er werd u immers geen kans gegeven om uit te wijden (sic!) over de precieze omstandigheden van de pech. Mocht dit, zoals het hoort, wel gebeurd zijn, dan hadden wij uiteraard meteen bijstand voorzien. Een van onze wegenwachters zou er vervolgens voor gezorgd hebben dat zowel uzelf als uw fiets op de gewenste locatie geraakte. Uw dossier werd ondertussen met al onze medewerkers besproken, waarbij het belang van een goede en duidelijke situatieschets nogmaals werd onderstreept. Op die manier hopen wij gelijkaardige situaties in de toekomst te allen tijde te vermijden.

Wij zijn helaas niet meer in de mogelijkheid om dit voorval recht te zetten, maar wensen onze verontschuldigingen toch graag nog symbolisch te bevestigen door uw contract VAB-fietsbijstand kosteloos met een jaar te verlengen. U kan dit nagaan in het bijgevoegde polisoverzicht.

Graag bedanken we u voor het doorgeven van deze informatie. Dit stelt ons in staat onze dienstverlening voortdurend te verbeteren. Wij hopen dan ook om u in de toekomst te kunnen blijven overtuigen van ons engagement en staan uiteraard ook steeds tot uw dienst voor eventuele vragen of reacties.

Hoogachtend

Ondertekend door de manager Alarmcentrale en de manager Klantenservice

Ik ben daar vanzelfsprekend blij mee, in die mate zelfs dat ik de taalfout ─ uitwijden in plaats van uitweiden ─ door de vingers wil zien.

En nu sodemieter ik die oude koe definitief de sloot in.

Slagveld

Ik voel me geroepen om nog even terug te komen op het onderwerp dat ik hier eergisteren bij de kop had, namelijk het droevige lot van de eekhoorn die ik op smartelijke wijze liet overlijden. Naar verluidt grijpen er op de Belgische wegen iedere dag apocalyptische slachtpartijen plaats. Zo zouden er in 2014 naar schatting tussen de 8 en 27 miljoen dieren aangereden zijn: 8 miljoen als de telling door fietsers gebeurt; 27 miljoen als voetgangers voor het cijfer instaan.

Ik heb de proef op de som genomen. Vanmorgen, tijdens mijn ochtendwandeling van 4,8 kilometer, heb ik … geen enkel slachtoffer aangetroffen. Dat komt waarschijnlijk omdat ik uitsluitend gebruik maakte van wegen zonder autoverkeer. Als wandelaar en fietser zul je niet zo licht de dood van een dier veroorzaken, tenminste als je de beestjes die onder het rubber van je voetzool of je fietsband verpletterd raken gemakshalve buiten beschouwing laat. Aangezien ik me nog altijd niet tot het jaïnisme bekeerd heb ─ de aanhangers van deze oude Indiase religie hebben zoveel respect voor alle levende wezens, dat ze het pad waarop ze lopen van tevoren met een bezem schoonvegen om de kans dat ze een dier vertrappen te minimaliseren ─ kunnen de insecten vooralsnog niet op enige omzichtigheid van mijn kant rekenen. Eigenlijk is dat allesbehalve rechtvaardig van me. Als ik de pretentie heb om mezelf een dierenvriend te noemen, zou het leven van een kevertje net zo belangrijk moeten zijn als dat van een eekhoorn. Zal ik me dan toch maar tot het jaïnisme bekeren?

Waar is mijn bezem?

Ouwe lullen

Twee mannen, die eigenlijk al veel te oud waren voor een midlifecrisis, maar zich toch tot elke prijs tegen de ouderdom wilden verzetten, hadden plaatsgenomen in een open sportauto. Met een rotvaart scheurden ze ermee over een smalle asfaltweg, die hoofdzakelijk door fietsers en wandelaars gebruikt werd en waar een maximumsnelheid van vijftig kilometer gold. Allen daar aanwezig, schrijver dezes incluis, dienden ijlings hun heil in de berm te zoeken toen die heren er aangejakkerd kwamen in hun belachelijke proletenbak. Ze raasden me voorbij, schonken geen aandacht aan de wijsvinger die ik verwijtend tegen mijn voorhoofd tikte … en meteen daarna hadden ze prijs. Ze raakten iets, dat vloog de lucht in, beschreef daar een keizerlijke boog en stortte vervolgens neer.

Ik hield halt bij het zieltogende, stuiptrekkende eekhoorntje en heb het toen met een voorzichtige voet de berm ingeschoven, waar het de ogen opensperde en stierf.

Zou je ze niet!

Uilenvlucht © 2014 Frontier Theme