Rare kwibussen

1.
Ik zat op een bank in de Brugse stationshal, wachtend op Godot … eh … op een kennis van me, die me graag een bezoek wilde brengen, maar niet over een vervoermiddel beschikte dat hem tot bij mijn woning kon brengen. 

Terwijl ik mijn tijd vermorste, zwaaide plots een deur open en op de drempel daarvan verscheen een wezen, dat ingeduffeld was alsof er een nieuwe ijstijd naakte. Hij droeg een gebreide pomponmuts, een gewatteerde jas, een wollen sjaal van niet geringe omvang, een uitgelubberde drollenvanger en schaterrode kousen. Bovendien verplaatste hij zich op ski’s, waardoor hij zich met een nogal hanige en alleszins luid klabetterende tred voortbewoog, richting loketten. Daar merkte hij dat de latten onder zijn voeten hem verhinderden om bij de spreekopening te komen, dus draaide hij zich een kwartslag en benaderde zijdelings het ruitje. Het geroezemoes in de hal was volledig stilgevallen, omdat allen daar aanwezig hem in stomme verbazing aangaapten.

“Een retourtje Kitzbühel!” sprak hij met een declamatorische galm in zijn stem. Ik zag de bediende iets zeggen, maar kon hem niet horen. “Jij je zin!” schokschouderde de sportieveling. “Dan ga ik wel bij de concurrentie.” Hij schoof zich moeizaam naar het naastliggende loket en herhaalde zijn verzoek, maar ook daar ving hij bot. “Nou, dat schiet lekker op!” foeterde hij. “Wat zitten jullie hier eigenlijk te doen? Uit jullie neus te vreten?”

Hij schudde veelbetekenend het hoofd, draaide zich om, hoskloste naar de uitgang en verdween.

2.
Iedere zondagmorgen verschijnt op het marktplein van het dorp waar ik woon een reusachtige vrachtwagen, die zich na het openklappen van een der flanken ontpopt tot een kraam, waar men naast allerhande vlotte happen ook aan het spit gebraden kippen kan kopen, die trouwens erg lekker toebereid zijn, zoals ik al herhaaldelijk mocht ondervinden.

Terwijl ik mijn beurt afwachtte, verliet een ietwat versjofelde man een nabijgelegen drenkplaats. Hij was duidelijk behoorlijk aan de vracht, of toch zeker scheef geladen, want hij kwam met improviserende tred naar ons toe. Wankelend als een herhaaldelijk aangeslagen bokser stak hij een hand omhoog.
“Voor mij een goed doorbraden struisvogel!” bralde hij. Hij had zo’n stentorstem, waarmee je wellicht blij bent als je om hulp moet roepen. Hij vernam dat de struisvogels nog niet struis genoeg waren om ze aan een spit te rijgen. “Doe me dan maar een eenvoudig pintje”, matigde hij zich en men overhandigde hem zowaar een blikje bier. Hij kreeg het nog gratis ook!

Wacht maar! Volgende week … 

Daar wordt een mens ook niet vrolijk van

Het gebeurt zelden dat ik in herhaling val, maar als ik het vandaag toch doe, heb ik daar vanzelfsprekend een gegronde reden voor. Ik ben even in mijn archief gedoken, om daar onderstaand schrijfsel van bijna zeven jaar geleden op te vissen:

Een vonkje tederheid

Sommige mensen verblijden de wereld en hij is zo iemand.

Hij zal een jaar of elf zijn, schat ik, en hij heeft een sympathieke kop. Zijn haren zijn blond als koren in de zomer en met zijn fjordenblauwe ogen tergt hij de hemel. Ik zie hem bijna iedere morgen naar school lopen in het gezelschap van een meisje, dat vermoedelijk zijn jongere zus is, want ze lijken sprekend op elkaar. Haar hand woont ononderbroken in de zijne en hij beteugelt voortdurend zijn tred, zodat ze hem gemakkelijk kan bijhouden.

Vanmorgen liet hij plots haar hand los. Hij hurkte neer, trok een van haar schoenen uit en verwijderde met een bijna strelend gebaar het steentje dat haar voetzool irriteerde. Even later liepen ze verder. Ze zei iets. Hij antwoordde. Haar gezicht glansde als een lamp van duizend watt. Ze keek naar hem op met de grote ogen van de onschuld en ze had opeens lachende kuiltjes in de wangen. Hij was haar grote broer. Ze vertrouwde hem als geen ander en ze wist nu al dat hij haar nooit in de steek zou laten. En elke dag hing hij de zon voor haar op.

Gisteren vond de jongen in kwestie ─ ondertussen achttien jaar jong ─ dat zijn leven niet langer de moeite loonde en hij zette er een punt achter. Dat is toch te treurig voor woorden. Het heeft me van mijn à propos gebracht.

Vocabulaire 8

Mijn leven, en wellicht ook dat van anderen, is een aaneenrijging van indrukken, één lange overvloeier, gelardeerd met al dan niet pittige anekdotes en in mijn geval ook met woorden waarvan ik het bestaan niet kende en zelfs niet vermoedde. Hè hè, zoals jullie zien weet ik nog steeds goed de weg in samengestelde zinnen, maar dit terzijde, want nu laat ik jullie graag delen in mijn ‘vondsten’ van de voorbije week.

1) Barbeknoeien: het geklungel dat sommigen ─ vooral mannen ─ tentoonspreiden als ze een barbecue bedienen.

2) Een paardenkut of kortweg een PK: een mengeldrank van Apfelkorn (zoete appellikeur) en spa rood.

3) De eigenander: benaming bedacht door de psycholoog Dolph Kohnstamm voor de persoon die schijnbaar in ons huist, die onze gedachten helpt sturen en waarmee we als het ware constant in gesprek zijn.

4) Zonneharp: de in duidelijk afgescheiden bundels waargenomen zonnestralen, zoals men die vaak bij op- of ondergaande zon in bossen ziet.

5) Hersenscheet:
a) een tijdelijk geheugenverlies, vooral in stresssituaties;
b) een compleet onzinnige gedachte.

6) Kijksluiter: een bijsluiter in de vorm van een video.

7) Herterig: voorzien van grote ogen en een beetje schuw. Voorbeeld: een herterig meisje.

8) Sukkelseks: ik hoef er wellicht geen tekeningetje bij te maken, maar geef jullie wel een voorbeeldzin uit eigen ervaring: alcohol leidt eerder tot sukkelsseks dan tot topprestaties.

Waarvan akte!

Een d(onald)t(rump)-fout

Ik pleeg van mijn hart geen moordkuil te maken en ik ben ook niet bang om het achterste van mijn tong te laten zien, dus mag iedereen weten dat ik allerminst een bewonderaar ben van de nieuwbakken president van de Joenaaitud Steets, Donald Duck … herstel … Trump.

Men doet de waarheid geen geweld aan als men hem een ijdeltuit, een verwaande kwast of een narcist noemt. Hij heeft de charme van een bulldozer, staat ongehoord bot in het leven, lijkt onnatuurlijk veel van zichzelf te houden en denkt dat hij een godsgeschenk indien al niet de Zaligmaker is. Grote kak op een klein potje als je het mij vraagt, maar wie vraagt me wat? Ik vind hem alleszins een karpatenkop hebben, hetgeen Van Dale omschrijft als een gezicht waaruit aan onverzettelijkheid gepaard gaande domheid spreekt. Maar goed, mijn ouwelui hebben me meegegeven dat ik geen oordeel over iemand moet vellen, afgaand op een eerste indruk, dus geef ik hem vooralsnog het voordeel van de twijfel en houd ik me op de vlakte wat het beoordelen van zijn capaciteiten als president betreft. Ik zie het met andere woorden nog even aan en blijf voorlopig beleefd van hem balen.

dtWel kan ik nu al mijn afkeuring uitspreken over zijn gebrek aan stijl. Zo heeft hij kennelijk nooit te horen gekregen dat een man zijn jas hoort dicht te knopen als hij zich in verticale positie bevindt of voortbeweegt. Op de dag van zijn inauguratie liep hij de hele dag als een sloddervos te kijk en zelfs tijdens zijn eedaflegging vond hij het niet nodig om zijn pens te camoufleren. En dan die dassen waarmee hij zijn dikke nek omgordt. Die zijn veel te lang en als ik dan ook nog zie op welke knullige manier hij het smalle uiteinde van dat kledingstuk in toom probeert te houden … dan hoop ik dat dit geen voorafspiegeling is van de manier waarop hij zijn land in het gareel zal houden.    

Tenslotte nog dit: hoogmoed is niets anders dan een onhandige manier om frustraties te verdoezelen of te compenseren en als dominantie gepaard gaat met domheid is men nog niet jarig.

Met dat heerschap zijn ze in de Joenaaitud Steets nog niet klaar, vrees ik, en hopelijk delen wij niet al te zeer in de brokken.

dt2

Een sportieve zondag

Ik heb vanmorgen gedurende bijna vier uur naar de finale van de Australian Open gekeken. De Zwitser Roger Federer nam het op tegen de Spaanse Rafael Nadal. Ik supporterde vanzelfsprekend voor Nadal, want dat is sinds jaar en dag mijn favoriete tennisspeler.
Hij verloor.

Vervolgens keek ik naar het wereldkampioenschap veldrijden in Luxemburg. Ik supporterde vanzelfsprekend voor de Vlaamse Wout van Aert, want dat is sinds jaar en dag mijn favoriete veldrijder.
Hij won, zij het een beetje op een diefje, zoals we dat in Vlaanderen zeggen.

Ik prijs me gelukkig dat toch een van mijn favorieten met de overwinning ging lopen, want als ze beiden verloren hadden, zou dat genoeg geweest zijn om me naar een drankhol te drijven. Nu kan ik rustig thuisblijven en naar de fles grijpen. Dat is alvast goedkoper en aangezien ik een beetje op de penning ben, is dat mooi meegenomen.

Weggooiartikel

Enige tijd geleden kreeg ik ─ en velen met mij ─ een gratis zakje kant-en-klaarsoep van Royco in de bus. In mijn geval was dat pompoensoep en aangezien ik voor deze vruchten niet bepaald in laaiend enthousiasme ontsteek, bleef dat staaltje ongebruikt door mijn woning dwalen: lade in, lade uit, kast in, kast uit.

Gisteren lag het opeens op mijn schrijftafel, waar een bezoeker ─ een man die postbode in Brussel is en voor wie ik een brief aan het vertalen was ─ het in het vizier kreeg.
─”Onze chef heeft honderden van die dingen in de afvalcontainer gegooid”, verklapte hij.
─”Serieus?” verbaasde ik me. “Waarom dan wel?”
─”Hij vond dat wij ons niet moesten bezighouden met het bedelen van zulke ongezonde producten”, vernam ik.

Ik vraag me af hoe die fameuze, gul met pauzes strooiende Roy van Royco zou reageren als dergelijke praktijken hem ter ore kwamen.

Een wel zeer degelijk fietsslot

Het overkomt me slechts zelden dat ik in mijn proviandkasten op een lacune stuit, waar ik ongerief van ondervind, of waardoor ik in het uiterste geval enige keukenarbeid moet staken vanwege een ontbrekend ingrediënt. Vanmorgen was dat echter het geval. Ik had me voorgenomen om mezelf ’s middags op Tikka Masala te vergasten – een zeer door mij gewaardeerd kipgerecht uit de Indiase keuken – en was al met het klaarmaken ervan begonnen, toen bleek dat ik geen garam masala te mijner beschikking had, hetgeen een essentieel kruidenmengsel voor die bereiding is.

Edoch, daarom niet getreurd. Ik kon niet over een auto beschikken, dus hees ik me op mijn fiets en trapte me doorheen de vrieskou naar een supermarkt. Binnen de kortste keren had ik me bevoorraad, maar toen ik bij de fietsenstalling kwam, bleek iemand daar een hond neergepoot te hebben en dat beest ─ van een model waarop een zadel niet zou misstaan ─ had zich kennelijk voorgenomen om mijn rijwiel met hand en vooral met tand te verdedigen. Telkens als ik een poging ondernam om me mijn bezit toe te eigenen, zette dat mormel het op een vervaarlijk grommen en een vertoon van een blikkerend roofdiergebit. Daar stond ik dan met mijn goeie gedrag. Dan gebruik je eens een milieuvriendelijk vervoermiddel om boodschappen te doen.

Toen ik daar bijna vijf minuten stond, heb ik mijn goeie gedrag gelaten voor wat het was. Ik ging opnieuw de supermarkt binnen en liet er omroepen dat de eigenaar van die beveiligingsinstallatie dringend verzocht werd om zijn viervoeter tot andere gedachten te brengen, hetgeen niet veel later geschiedde.

Hij mag zich gelukkig prijzen dat ik een hondenliefhebber ben, want anders …

Nu ja, anders … Ik zou het niet weten.

Copyright Uilenvlucht 2016 Frontier Theme