Persmuskiet

Toen ik in Oudenburg langs de Zeeweg fietste, dook er plots een bebaarde man op, die mij met molenwiekende armen verzocht halt te houden en me aansprak toen ik dat deed:
─”Meukekiè utwa vroah’n? Ziej van de stroate?”
Ik vertaal het even voor mijn lezers die het West-Vlaams niet beheersen: “Mag ik eens wat vragen? Ben je van de straat?”

Ik schoot in de lach en zei dat ik dat een nogal onbescheiden vraag vond. ‘Van de straat zijn’ betekent in West-Vlaanderen ─ en allicht ook in andere Vlaamse contreien ─ dat men verloofd of getrouwd is. Hij haastte zich om te beweren dat hij het niet zo bedoelde, maar gewoon wilde weten of ik in de straat gehuisvest was, hetgeen ik vanzelfsprekend al begrepen had, maar zo’n woordspeling kon ik onmogelijk laten liggen.
─”Wel dan,” grijnsde ik, “ik ben niet van de straat en ik ben ook niet van de straat.”
─”Dan zul je me vermoedelijk niet kunnen helpen”, veronderstelde hij. “Gisteren zou men in deze straat een illegale slachterij van schapen ontdekt hebben en ik ben hier in mijn hoedanigheid van journalist. Je weet er wellicht niet meer over, wel?”
─”Het is het eerste wat ik hoor”, schokschouderde ik, waarna ik zijn dankwoord in ontvangst nam en mijn weg vervolgde.

Ik heb later op de dag via Google vernomen dat er in die straat werkelijk op ontoelaatbare wijze schapen geslacht werden. Het artikel was verlucht met een foto van de schuur in kwestie en ik herkende die. Ik ben er tientallen keren voorbijgereden en ik meen me zelfs te herinneren dat ik daar in doodsnood verkerende schapen luidkeels heb horen blaten. Of beeld ik me dat in?

Mijn moeder heeft altijd gezegd dat mijn inlevingsvermogen te groot is.

Leid me niet in bekoring

Ik begaf me naar de Tourmalet. Voor een goed begrip: ik reisde niet naar het diepste zuiden van Frankrijk, om daar de Pyrenee met die naam te beklimmen, maar ik wendde de steven naar een restaurant dat eigenlijk O’Tourmalet heet, maar in deze contreien door vrijwel iedereen Den Tourmalet genoemd wordt, want dat bekt lekkerder.

Dat horecabedrijf was eertijds de thuishaven van wielrenner Sylveer Maes, die in de jaren dertig van de vorige eeuw twee keer de Tour de France won. Vandaag de dag voeren Magda en Marcel er de scepter en ik heb het hier al eerder vermeld: je kunt er verdraaid lekker eten voor een schappelijke prijs. Ik koos de suggestie van de week: een scampibrochette met saffraansaus en frieten. Terwijl ik zat te smikkelen en te smullen kwam de vrouw des huizes naar me toe.
“Kan het je bekoren?” informeerde ze vriendelijk.

Kijk, dat vind ik nu eens een veel originelere manier om naar iemands bevindingen omtrent voedsel te vragen, dan de gebruikelijke en dus clichématige formules: Is het lekker? Smaakt het? Of zelfs: Is alles naar wens?

Het gerecht kon me zeer zeker bekoren. Ik was er zelfs dusdanig enthousiast over dat ik het zoutvat op mijn tafel een optater van je welste gaf, zodat het op de vloer smakte en openbarstte in wel duizend gruzelementen.

Blikskaters! Wat ben ik toch een frulleman! Nu ja, Magda en Marcel kennen hun pappenheimers en ze zullen ondertussen al weten dat niemand ooit mijn geknoei zal overtreffen. Of mijn gestoethaspel iemand kan bekoren, durf ik toch te betwijfelen.

Hoor mij nu!

Omdat mijn bezoeker met de trein in Brugge zou aankomen zat ik ruim op tijd in het station op hem te wachten. Veel te ruim op tijd! Sommigen kun je prikken met een speld, maar voor anderen volstaat zelfs een hooivork niet. Ik bedoel dat er mensen bestaan die steevast te laat op een afspraak verschijnen en daar kan ik me omstandig over opwinden. Zelf ben ik altijd veel te vroeg op een rendez-vous en daar kan ik me eveneens over opwinden, want ik heb een hekel aan tijd verkwanselen aan wachten.

Plots verscheen er een jongeman die met een witte taststok toegerust was en waarvan men dus geredelijk mocht aannemen dat hij blind of minstens slechtziend was. Hij stumperde naar een soortement assistentiepaal … Nee, nu doe ik hem onrecht aan, want zijn tred was allesbehalve improviserend. Hij gebruikte zijn stok als voelspriet, stapte met geroutineerde schwung naar de paal, drukte daar op een knop en voerde een kort gesprek, waarna hij zich in mijn richting verplaatste.
─”Kan ik hier neerdalen zonder op iemands schoot terecht te komen?” vroeg hij toen zijn stok in aanraking kwam met de bank waarop ik zat.
─”Ga gerust je gang”, zei ik. “Er is ruimte zat.”

Je hoort me niet beweren dat we een kwieke stroom van opgeruimd gebabbel gaande hielden, maar in een vlaag van koetjes en kalfjes uitte ik toch mijn bewondering over de trefzekere manier waarop hij de assistentiepaal had weten te vinden.
─”Je zult hier wel vaker komen”, veronderstelde ik.
─”Dat ook,” gaf hij toe, “maar er is ook een geleidelijn van reliëftegels uitgezet. Ik kan die voelen zowel met mijn voeten als met mijn stok. Zie je die ribbels?”
Ik zag ze en had even moeite met het besef dat hij die zelf niet kon zien.

Korte tijd later verscheen de assistent die hem naar zijn trein zou brengen. Waar hij aankwam, zo had ik van hem vernomen, zou een andere begeleider op hem wachten.
─”Bedankt voor de babbel”, groette hij me.
─”Ja, tot ziens!” zei ik.

God van de hoge hemel! Soms heb ik toch echt een kalf in mijn hoofd. Wie zegt er nu tot ziens tegen een blinde? Dit achterlijk ezelsveulen doet dat dus.

Vocabulaire 7

Kennen jullie het werkwoord verburgertrutten? Het staat (nog) niet in Van Dale, maar ik heb het onlangs in een tekst aangetroffen en vind dat het best wel een overlevingskans verdient. De betekenis ervan is: verworden tot een burgertrut (dat Van Dale wel vermeldt), of als vrouw ontaarden in aanstellerij en een benepen, bekrompen mentaliteit. Ik probeer er een mannelijke variant voor te verzinnen.

Een ander nieuw woord is enektie, wat staat voor een stijve nek, naar analogie van … inderdaad! Ik hoef er waarschijnlijk geen tekeningetje bij te maken en daar ben ik blij om, want ik kan niet tekenen.

Weten jullie wat een porte-manteauwoord is? Men noemt het ook een vlechtwoord, een hypogram of een kofferwoord en het is een woord dat ontstaat door een samensmelting van twee andere, zoals bijvoorbeeld brunch (breakfast en lunch), smog (smoke en fog), formidastisch (formidabel en fantastisch), blog (web en logboek) en motel (motor en hotel). Nieuw in dit rijtje is straatsen: schaatsen op een straat die met een natuurlijke ijslaag bedekt is. Wat ze allemaal niet verzinnen! Het toetsen aan de praktijk laat ik aan me voorbijgaan, want ik kan niet schaatsen. Als ik het zo bekijk, kan ik eigenlijk niet veel.

Mijn tot nader order laatste nieuwkomer is tolteller: het toestel dat men tegenwoordig aan boord van vrachtwagens aantreft en dat het tolbedrag berekent op basis van de afgelegde weg, het gewicht en de uitstoot van het voertuig in kwestie.

Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Leve Zwarte Piet!

Het Vlaams-Nederlands Huis deBuren presenteert volgens zijn eigen zeggen schoonheid en wijsheid van de Lage Landen. Het biedt een platform voor debat over cultuur, wetenschap, politiek en samenleving in Vlaanderen, Nederland en Europa. Kunstenaars, journalisten, wetenschappers, politici krijgen er het woord.

Nu hebben de dames en heren die daar de dienst uitmaken het bestaan om een Pietenpact voor te stellen en ter ondertekening aan te bieden. Het uitgangspunt ervan is dat we Sinterklaas vieren zonder raciale stereotyperingen. Voor de rest is de invulling van het feest vrij: de Sint kiest lekker zelf of hij zonder of met pieten – roetveegpieten, regenboogpieten, ongeschminkte pieten – jong en oud komt verblijden. Met andere woorden: Zwarte Piet moet ophouden zwart te zijn.

Wat een gezeik van een stelletje muggenzifters! Wie dat ondertekent  ─ dus ook Bart Peeters ─ beschouw ik als een azijnpisser die denkt moreel superieur te zijn. Mijn Zwarte Piet is en blijft alleszins zwart. Mijn speelgoed en snoep koop ik enkel in winkels die hem niet verloochenen, dus onder meer Dreamland mag het vergeten.

ZwartePiet

Blindvaren

De ranke boot sneed zich een weg door het water. Aan boord bevonden zich acht moderne galeislaven en een stuurmannetje, dat bij nader toezien een stuurvrouwtje bleek te zijn. Vanaf het jaagpad op de oever werden ze op toezichthoudende wijze bijgestaan door een man op een fiets, die zich van een megafoon bediende om op dictatoriale wijze bevelen en richtlijnen over te brengen. Die roeptoeter bezeerde in niet geringe mate de stilte waarin het kanaal zich placht te hullen en was eigenlijk volstrekt overbodig, omdat de roeiers zich ruim binnen de gehoorsafstand van een onversterkt stemgeluid bevonden.   
“Als ik ja zeg,” riep het heerschap, “doen jullie tien slagen met de ogen dicht en dan kijken jullie of jullie in mekaars ritme gebleven zijn. Ik zal nu ja zeggen. Ja!”

Zijn geroeptoeterde ja was nog niet helemaal koud of er ontstond een groot geharrewar van roeispanen en armen aan boord van het vaartuigje, dat van de weeromstuit vervaarlijk begon te wiebelen. Het was zelfs voor een leek als ik overduidelijk dat de inzittenden niet de kunst verstonden om in mekaars ritme te blijven als ze de ogen sloten.

Gelachen dat ik heb! Ik vraag me trouwens nog steeds af welk nut dat blindvaren zou kunnen hebben. En die roeptoeters mogen ze van mij met onmiddellijke ingang verbieden.

Copyright Uilenvlucht 2016 Frontier Theme