Huppelkontje

Langs een nauw wegeltje
kwam ik getreden;
langs een nauw wegeltje
kwam ik gegaan.

Het liedje dat ik meer neuriede dan zong, was niet helemaal van toepassing op waar ik me bevond en wat ik uitvoerde. Zo nauw was het door mij gebruikte wegeltje niet en ik kwam er ook niet getreden of gegaan, want ik fietste.

Uit de uitbundig bestruikte berm dook opeens een heel klein konijntje op ─ e stief klièn keuntje in het West-Vlaams ─ en dat schatje huppelde zo’n twintig meter voor me uit. Ik minderde vaart, om het diertje niet te verontrusten en om van het vertederende tafereel te genieten. Toenemende weekhartigheid is een kwaaltje dat met de jaren komt.

Opeens echter klapwiekte de engel des doods boven mijn hoofd. Hoewel … engel? Een roofvogel scheerde rakelings over me heen, stortte zich op dat stief klièn keuntje en nam het mee de lucht in. Ik meende te horen hoe er een angstig piepgeluidje uit dat konijnenkeeltje ontsnapte en zelf slaakte ik een kreet van ontzetting, waarna ontroering me de keel dichtsnoerde. Zoiets is toch te treurig voor woorden! Ik werd er alleszins niet vrolijk van. Wel integendeel!

Ik denk dat de dader een koningsarend was, maar helemaal zeker ben ik dat niet. Mijn verbeelding durft nogal eens vleugelen aan te schieten en bovendien ben ik niet zo goed thuis in de leefwereld van onze gevederde vrienden. Nu ja, vrienden … De vriendschap is wat mij betreft toch even bekoeld.

Houd de dief!

Af en toe neem ik een kloek besluit en dan durf ik wat per internet te kopen. Tot nu toe ben ik nog maar één keer bedrogen uitgekomen, of zoals men in West-Vlaanderen zegt: bij het veertiende, of in de zak gezet. Wie zich graag aan leedvermaak wil bezondigen, leze in dit verband: Stom van me!

Onlangs kocht ik drie sportieve pantalons bij een internetwinkel. Die werden prompt geleverd en al even gezwind op mijn lengte ingekort door een mevrouw, die met dergelijke ingrepen voor brood op de plank zorgt.

Getooid met zo’n broek begaf ik me gisteren naar een winkel, waar ik een aantal artikelen uitkoos en betaalde … maar toen ik me naar buiten wilde begeven, weerklonk er opeens een door merg en been dringend alarmsignaal. Vrijwel onmiddellijk stevende er een soortement dragonder op me af.
─”Je hebt wat mee dat je niet betaald hebt”, snauwde ze, ten aanhoren en ten aanschouwen van allen daar aanwezig.
Ik stond voor schut en dat beviel me geenszins.
─”Ik heb alles betaald”, protesteerde ik en wist ik dat wel zeker.

Aan de hand van mijn kassabon vergewiste ze zich ervan of dat klopte. Ze vond geen enkele onregelmatigheid en verzocht me haar te volgen naar een kantoortje, waar ik mijn zakken diende leeg te maken. Toen ook dat geen gestolen waar opleverde, riep ze een mannelijke collega, die aanstalten maakte om tot handtastelijkheden over te gaan, maar eerst nog vroeg:
─”Draagt u soms een nieuw kledingstuk?”
─”Ja!” zei ik. “Mijn pantalon is nieuw.”

In die nieuwe pantalon bevond er zich dus een wit aanhangseltje, dat heel die heisa veroorzaakt had. De webwinkel had kennelijk nagelaten dat ding te verwijderen. De naaister eveneens. Wie zal het haar kwalijk nemen?

In de twee overige broeken trof ik ook zulke herrieschoppertjes aan. Ik heb die per schaar verwijderd, maar niet weggegooid, want ik ben van plan om die stiekem in de jaszak van een vriendin of vriend te stoppen. Dat wordt lachen!

alarmpje

Men eet er de pannen van het dak

Ik ben allerminst een bezoeker van sterrenrestaurants. Het geld dat men er verkwanselt, vind ik absoluut niet in verhouding staan tot hetgeen men in ruil daarvoor op zijn bord krijgt, maar dat is vanzelfsprekend mijn persoonlijke mening. Jullie hoeven het absoluut niet met me eens te zijn.

Ooit was me het geluk beschoren ─ nu ja, geluk? ─ om aan te schikken in de Brusselse La Villa Lorraine, toen dat etablissement nog gebukt ging onder drie Michelinsterren. Ik ben nog steeds blij dat ik daar op uitnodiging was en dus de rekening niet hoefde te betalen, want die liep aardig in de papieren.

Vandaag de dag woon ik op spuugafstand van een door de horeca geëxploiteerde en derhalve danig opgekalefaterde boerderij, waarin een van de twee resterende Belgische, met drie sterren getooide restaurants goede sier maakt. Ik passeer er bijna dagelijks maar voel me niet geroepen om er binnen te treden. Mijn portemonnee evenmin.

Er hoort een oude,vooralsnog niet gerestaureerde schuur bij dat hoevecomplex die tegen de straat aanleunt. Zoals jullie op de onderstaande foto’s kunnen zien, verkeert het bouwsel in zo’n deerniswekkende staat dat het een gevaar vormt voor al wie zich daar in de buurt ophoudt. Toen ik er gisteren met de fiets voorbijkwam, waren er zelfs enkele dakpannen neergedaald en aan gruzelementen gevallen op het fietspad. Voor hetzelfde geld had ik, of iemand anders, die op zijn kop gekregen, met alle gevolgen van dien.

Het is een regelrechte schande dat een driesterrenrestaurant met faam, waar men honderden euro’s voor een maaltijd moeten neertellen, zich niet eens de moeite getroost om voor de veiligheid van passanten te zorgen. Ze moesten zich de pannen van het dak schamen.

HertogJan1

HertogJan2

Eenmaal, andermaal, verkocht!

Ik was met een vriendin op stap, hoewel ‘op stap zijn’ me niet de juiste woordkeuze lijkt als men zich met een auto verplaatst. Edoch, dit is een buiten het onderwerp vallende uitweiding, dus ga ik er verder niet op in, althans niet vandaag.

Zij, de vriendin, is getooid met een vlotte babbel. Er is haar geen spinnenweb voor de mond gewassen en ze gooit graag met steentjes in iemands tuin, vooral in de mijne. We reden voorbij een verzameling gebouwen, die eertijds een kazerne waren geweest.
─”Toen ik hier gisteren passeerde, was er een rommelbeurs aan de gang”, zei ik. “Ik ben er niet binnen geweest.”
─”Als je dat wel had gedaan, zouden ze je waarschijnlijk verkocht hebben”, gniffelde ze.

Het duurde even voor de draagwijdte van wat ze zei tot me doordrong, maar toen dat gebeurde, kon ik er hartelijk om lachen. Alles wel beschouwd, had ik haar eigenlijk een inkoppertje bezorgd.

Ik vond het een genot, hoor!

Het restaurant waar ik regelmatig aanlegde om de inwendige mens te versterken ─ ik heb er hier nog geen jaar geleden het wierookvat voor bovengehaald ─ is ter ziele gegaan. Ik heb het volstrekt niet zien aankomen en ik betreur het ten zeerste. Ik dien dus noodgedwongen op zoek te gaan naar een nieuwe pleisterplaats.

Tot nu toe heeft mijn queeste twee etablissementen opgeleverd, waar het goed toeven en aanschikken is, en waar ik derhalve wellicht vaker mes en vork in stelling zal brengen.

In het rustige polderdorp Stalhille liet ik me verleiden door het praat- en eetcafé ’t Hoekske, dat zoals de naam al doet vermoeden gelegen is op de hoek van de hoofdstraat, de Cathilleweg, en de Spanjaardstraat, rechtover de kerk. Ik verorberde er onder meer de huisbereide rijstschotel met zalm in een ‘Stalhilnoisesausje’. Dat was ongegeneerd lekker en het sausje met de rare naam was zo melodieus dat ik er bijna lyrisch van werd. Ik kan jullie het gerecht dan ook van harte aanbevelen.

In Wijnendale, aan de rand van het fameuze wandel- en fietspad Groene 62, heeft in het voormalige stationsgebouw de Tearoom-Brasserie Wijnendale Station onlangs de deuren geopend. Ik ben er verleden week neergestreken en ik heb er onder meer de scampi van het huis verorberd: een bezigheid die zeer zeker voor herhaling vatbaar is en die ik dan ook graag een aanprijzing meegeef.

In beide gelegenheden zul je een kraakzindelijk en gezellig interieur aantreffen. Je betaalt er een schappelijke prijs voor uitstekend voedsel. Het personeel bezit er het geheim om precies het juiste midden te bewaren tussen professionele afstand en menselijke warmte.

Meer moet dat volgens mij niet zijn. Allen daarheen!

Beter een kleine plezante …

Ik passeerde een kraam waar men pizza’s verkocht en zie: hoewel ik hoegenaamd niet zwanger ben, kreeg ik opeens rare trek en wel in die mate dat het water me zowat in de mond liep.

Ik raadpleegde een wijle het prentenkabinet van hetgeen ze me konden aanbieden en toen ik aan de beurt was, bestelde ik:
─”Een pizza met chorizo en champignons om thuis te bakken.”
─”Een grote of een kleine?” vroeg men mij.
─”Een grote!” antwoordde ik stellig, want mijn ogen durven nogal eens groter te zijn dan mijn buik.

Kreeg ik me daar een pizza met de diameter van een Grieks eiland. Ik bracht die naar huis en kwam daar tot de ontdekking dat niet enkel mijn ogen groter dan mijn buik waren, maar dat ook de pizza groter was dan de oven waarin ik die wou bakken. Ik zag me genoodzaakt om die in de oven van een oud fornuis in de garage onder te brengen.

Een tiental minuten later zette ik het op een geweldig eten, maar ik ben er niet in geslaagd om die mastodont in één keer op te vreten, niettegenstaande mijn kerelshonger. Bovendien was het ding veel minder lekker dan ik verwacht, of toch zeker gehoopt had. Ik kreeg er gemarineerde oprispingen van.

Als ik nog eens rare trek heb, zal ik zelf wel wat samengooien, indachtig de wijsheid: beter een kleine plezante dan een grote ambetante.

reuzenpizza

Zoals d’ouden zongen …

Zij wandelde en er liep een indrukwekkende hond aan haar zijde.

Ik fietste en er bevond zich een fonkelend rijwiel tussen mijn benen en onder mijn billen.

Onze wegen kruisten elkaar letterlijk want het gebeurde op een kruispunt. Zij hield halt om me door te laten en verwachtte van haar hond dat hij van die halte gebruik maakte om te gaan zitten. Het dier vertikte dat echter en dat was niet naar haar zin.
─”Wat moet je doen?!” klonk het berispend uit haar mond.

Op dat moment dook mijn moeder op uit de nevelen van de tijd en ze fluisterde me iets in het oor.
─”Wat je moet doen!” riep ik. “Op je eieren zitten en broed’n, zoals alle klokhennen doen.”
Het was de dooddoener waarmee mijn moeder alle vragen die op ‘doen’ eindigden placht te beantwoorden.

Het meisje staarde me aan alsof ik haar een oneerbaar voorstel had gedaan.

De hond aan haar zijde ging zitten.

Mijn moeder fladderde met frivole vleugelslag terug naar de hemel.

Ik schoot in de lach, genoot van de verbazing die ik oogstte en vervolgde vrolijk mijn weg.

Ik kan zo het gesticht in.

De wetten van Pernikkel

Mijn vriend Reinhold is gedurende een week bij me te gast. Sinds jaar en dag noem ik hem Pernikkel, al kunnen we ons geen van beiden herinneren op welke manier hij die bijnaam verworven heeft. Het moet gebeurd zijn in onze dartele jaren, toen we jong en boosaardig waren en heil zochten bij onze onbetrouwbare vrienden: alcohol en marihuana. De vlag dekt trouwens de lading niet. Een pernikkel is in West-Vlaanderen een klein en onbeduidend mannetje en Reinhold is noch het een, noch het ander. Wel integendeel! Hij is groot, slank, knap, zowaar een beetje pienter en een uitermate bijdehante knaap. Zo baant hij zich bijvoorbeeld met aangeboren bravoure en achteloze zwier een weg door het woud van hovenierswerk. Dat is trouwens de reden waarom ik hem te logeren gevraagd heb, want mijn gestoethaspel tijdens het uitvoeren van tuinkarweien is vooralsnog door niemand overtroffen.

Verleden donderdag stond ik toe te kijken hoe hij zich aan de vormsnoei van enkele struiken wijdde, toen ik plots last kreeg van overweldigende dorst en voorstelde om die binnenshuis te lessen. De televisie stond aan en vertoonde beelden van het vragenuurtje in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, waar Kristof Calvo ─ de fractieleider van Ecolo-Groen ─ opnieuw en nog maar eens het hoge woord voerde en probeerde alle aandacht naar zich toe te trekken. Ik heb een bloedhekel aan die arrogante klootzak. Hij is er helemaal in zijn eentje verantwoordelijk voor dat ik nooit op Groen zal stemmen, zolang hij daar de dienst uitmaakt.
─”Wat is dat toch een gefrustreerd konijn!” riep ik toen ik hem bezig zag en hoorde.
─”Wie een klein pietje heeft, probeert zijn frustratie daaromtrent door arrogantie te verdoezelen”, formuleerde Pernikkel zijn eerste wet van die dag.

Diezelfde avond zagen we stiekem gefilmde, weerzinwekkende taferelen die zich in een slachthuis van het West-Vlaamse Tielt afspeelden: varkens werden er geschopt, geslagen, aan de oren voortgesleurd, bij volle bewustzijn aan slachthaken opgetakeld, onverdoofd gekeeld en nog meer van dat fraais. Door die wanpraktijken heeft de Vlaamse minister van Dierenwelzijn, Ben Weyts, met directe ingang de vergunning van dat bedrijf ingetrokken en de supermarktketen Delhaize heeft onmiddellijk de samenwerking met dat slachthuis opgezegd: maatregelen die ik ten zeerste toejuich. Reinhold en ik zaten verbijsterd naar dat ontluisterende schouwspel te kijken.
─”Dierenbeulen zijn mensen die thuis onder de pantoffel zitten”, formuleerde hij zijn tweede wet van de dag en ik was geneigd om het met hem eens te zijn.

Nee, Pernikkel is absoluut geen klein en onbeduidend mannetje.

Mijn auto, mijn vrijheid?

De meeste jaagpaden langs kanalen en andere waterlopen zijn luidens verkeersborden voorbehouden aan personen die zich per benenwagen of per rijwiel verplaatsen. Morgen brengen! Vanmorgen fietste ik ongeveer twaalf kilometer langs zo’n pad en diende ik minstens vijftig keer uit te wijken, of zelfs halt te houden, voor een auto. Vanwege dat grote aantal verwachtte ik dat ik binnen de kortste keren een agglomeratie ter grootte van New York op mijn weg zou aantreffen, maar dat was niet het geval. Ik passeerde nauwelijks een dozijn huizen.

Het valt derhalve niet te ontkennen dat steeds meer chauffeurs de verkeersborden aan hun laars lappen en de jaagpaden als sluipweg gebruiken. Dat is een bedenkelijke evolutie en ik ben er als kwetsbare weggebruiker hoegenaamd niet blij mee. Ik vraag me af hoe automobilisten zouden reageren als wij, fietsers, wandelaars en joggers, ons in jolig en ongeordend groepsverband op autowegen zouden vermeien.

Het zal ze leren!

Jullie weten ongetwijfeld waar Abraham de mosterd haalt, maar weten jullie ook waar ik die haal?
– “In de Colruyt!” hoor ik jullie roepen, want ik heb er hier nooit een geheim van gemaakt dat ik in een supermarkt met die naam levensmiddelen insla.
Mis poes! Mosterd vormt een uitzondering op mijn koopgedrag en daar heb ik vanzelfsprekend een gegronde reden voor.

wostynMijn favoriete mosterd is die van Wostyn en Colruyt verkoopt die niet. Hoe is het godsterwereld mogelijk dat ze zo’n fameus streekproduct niet in hun assortiment opnemen? Wostyn vervaardigt zijn uitermate pittig sausje immers in Torhout, de hoofdstad van het Houtland, en aangezien ik eveneens in die regio woon en ook mijn supermarkt er gevestigd is …

Ik dien ervoor uit te wijken naar de concurrentie, meer bepaald naar Delhaize. Ik zou het product rechtstreeks bij de fabrikant kunnen kopen, want die heeft niet alleen een mosterdfabriekje in Torhout, maar ook een winkeltje waar je als particulier terechtkunt. Dat doe ik expres niet, om Colruyt te straffen voor het eigengereid veronachtzamen van een lokale specialiteit. Als ik immers bij Delhaize mosterd haal, koop ik daar telkens ook voor honderden euro’s andere artikelen, die ik normaliter bij Colruyt pleeg aan te schaffen.

Mij komt de wraak toe en de vergelding.

Eigen mosterd eerst!

Copyright Uilenvlucht 2016 Frontier Theme