Om je dood te schrikken

Achter me, in de rij aan de kassa van de supermarkt, hoorde ik een stem waarvan het timbre me bekend in de oren klonk. Ik keek achterom en daar stond mijn vader, of toch iemand die als twee druppels water op hem leek, want mijn vader is al heel lang dood en ik geloof niet in verrijzenissen of wedergeboortes.

Er voor een schok van herkenning door me heen en ik wist even niet goed waar ik het had. Met verbijstering staarde ik de man aan, want de gelijkenis was buitengewoon treffend. De dubbelganger vond mijn belangstelling voor zijn persoon maar niks.
“Heb ik wat van je aan?” vroeg hij bars. “Of heb ik soms een tweede kop gekregen?”

Nee, mijn vader was niet uit de doden opgestaan, want hij was een veel vriendelijker mens.

Ik heb nooit veel geloof gehecht aan de bewering dat er van ons allemaal een of meerdere dubbelgangers over de aardkloot hossen, maar een mens zou toch beginnen twijfelen. Als jullie me dus ooit zouden ontmoeten, dan ben ik het waarschijnlijk niet.

Jommoa, azo nie hé!

Wat hoor, lees en verneem ik?

Mijn zo gekoesterde dialect, het West-Vlaams, zou op sterven na dood zijn, of toch zeker met uitsterven bedreigd. Dat beweert althans de Unesco: de organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs, wetenschap en cultuur.

Het spreekt vanzelf dat ik dit niet zal laten gebeuren, of wat hadden jullie gedacht? Ot a mie liht, hoat da hi woa zien zulle! Teneinde mijn sappige moedertaal te rugsteunen zal ik hier zo nu en dan een West-Vlaams stukje uit mijn mouw en mijn mond schudden, want ik ben van plan om het schrijfsel telkens van een geluidsfragment met de gesproken versie te voorzien.

Dat wordt lachen!

Wat geef je?!

SluiterkensdagDeze morgen verklapte mijn scheurkalender, De Druivelaar, dat het vandaag ‘sluiterkensdag voor moeders’ is. De meesten van jullie kunnen zich daar vermoedelijk weinig of niets bij voorstellen, maar ik keerde terug naar een verleden waarin ik nog klein en boosaardig was en iedereen die er voor mij toe deed nog leefde.

De sluiterkensdagen ─ een Vlaamse folkloristische traditie die helaas bijna verdwenen is ─ zijn de vier dagen voor het begin van de katholieke veertigdaagse vasten op Aswoensdag. De zaterdag is voor de moeders, op zondag zijn de vaders aan de beurt, op maandag de meisjes en de jongens op dinsdag. Op hun respectievelijke sluiterkensdag mag men de moeders, de vaders, de jongens of de meisjes buiten- of opsluiten. De slachtoffers dienen vervolgens hun toegang of vrijheid af te kopen door de belofte om iets te doen, of door de daders te trakteren.

Mijn ouders en ikzelf hebben altijd enthousiast aan dat gebruik deelgenomen en ik bewaar goede herinneringen aan de vaak spitsvondige manier waarop wij de slachtoffers in spe probeerden te bewegen om zich naar buiten te begeven. Mais où sont les neiges d’antan

Bij gebrek aan beter heb ik net een vriendin, die tevens moeder is, buitengesloten.
“Wat geef je?!” riep ik toen ze aan de deur rammelde.
Ze wist niet waar ze het had en dacht dat ik zo het gesticht in kon.

Ik droomde dat ik sliep

Ik werd wakker en kwam vrijwel meteen tot de akelige ontdekking dat er zich iets of iemand, mens of dier, in de duisternis van mijn slaapvertrek ophield.

Ik verlamde letterlijk van schrik. Ik slaagde er maar niet in om een vin te verroeren, wat ik ook probeerde. Ik was weerloos en compleet overgeleverd aan de grillen van de indringer. Paniek maakte zich van me meester. Boven me hoorde ik de ademhaling van mijn belager en met een laatste krachtsinspanning …

Toen ontwaakte ik in het echt. Ik lag naast mijn bed op de vloer, waarop ik met een onzachte bons terechtgekomen was. Had ik me nog flink bezeerd ook. Ik mag me gelukkig prijzen dat ik me ’s nachts in een vrij laag ledikant terugtrek en niet op zo’n moderne boxspring vertoef, want die zijn aanzienlijk hoger en als je daar onverhoeds van neerdaalt, is het risico op lichamelijk letsel veel groter.

Vriendendienst

Het gebeurde enkele jaren geleden …

Ik was neergestreken in een restaurant en bevond me in het verkwikkende gezelschap van een goede vriend, die onbedaarlijk veel plezier aan zijn tocht door het bestaan beleefde en altijd wel een aardigheid klaarzitten had. Toen ik aanstalten maakte om me naar het toilet te begeven zei hij: “Als je mijn naam noemt, zul je een mooie plaats krijgen.” Ik zou me een natte luier gelachen hebben als ik op dat moment zo’n ding gedragen had, maar dat was niet het geval.

Het gebeurde gisteren …
De deurbel kondigde een bezoeker aan en even later stond ik oog in oog met een nogal nerveuze jongeman, die niet echt met een vlotte babbel gesierd was.
─”Ik ben gestuurd door mompel mompel”, begon hij.
─”Door wie?” fronste ik, want ik had de naam niet begrepen.
─”Door Cédric M…”, herhaalde hij. “Da’s een vriend van je, hè?”
Ik moest even de registers van mijn geheugen openslaan voor ik de Cédric M… in kwestie kon plaatsen. Ik vond hem alleszins niet terug in mijn uiterst beknopte vriendenrubriek ─ als je meer dan vijf vrienden hebt, heb je er eigenlijk geen ─ maar wel tussen de vage ‘cafékennissen’.
─”Laten we zeggen dat ik hem ken”, nuanceerde ik dus.
─”Ik heb dringend de vertaling van een Duits artikel nodig”, kwam hij ter zake en hij wees naar de map die hij in zijn hand hield. “Cédric zei dat je ’t wel voor een zacht prijsje zou doen als ik zijn naam noemde.”
─”Cédric heeft makkelijk praten”, snoof ik. “Mag ik dat artikel even zien?”

Ik schatte dat ik toch zeker twee dagen aan die vertaling zou werken en toen mijn bezoeker vernam dat ik het niet gratis wou doen, stak hij zijn ongenoegen niet onder stoelen of banken. Hij vertrok met ontstemde snaren en met het onvertaalde artikel.

Wat moet ik in vredesnaam doen om te verhinderen dat sommigen mijn leven willen beredderen?  

Geen stijl

Omdat de Belgische politiek me niet helemaal onverschillig laat, zat ik gisterenmiddag met een half oog naar het programma Villa Politica te kijken. De presentatrice, Linda De Win, voerde een gesprekje met Kristof Calvo: volksvertegenwoordiger en fractieleider van Groen in het federale parlement.

Ik pleeg van mijn hart geen moordkuil te maken en geef het grif toe: ik moet die kerel niet. Sommigen noemen hem ambitieus en temperamentvol, maar ik vind hem een in hoge mate arrogante zak, eigenzinnig en ongezeglijk van nature, die koppigheid met sterkte verwart, zichzelf geweldig vindt en denkt dat men zijn weerga niet heeft. Naar verluidt zouden zijn hyperactief gedrag en zijn soms hysterische woede-uitbarstingen te wijten zijn aan de eetstoornis, anorexia nervosa, waar hij mee worstelt. Tja, het zal wel zeker. Les excuses sont faites pour s’en servir et les cons pour les croire.

Dan heb ik nog met geen woord gerept over de sloddervossige nonchalance waarmee hij zich aan Linda De Win en de kijkers presenteerde. Nee, ik heb het niet over zijn baard van een paar dagen, die tegenwoordig een modeverschijnsel is, waardoor een smoelwerk er morsig, om niet te zeggen onappetijtelijk uitziet. Ik heb het evenmin over het feit dat hij zijn hals niet met een een stropdas omgord had, wat dat beschouwt men vandaag de dag als een ouderwets accessoire, hoewel ik het daar hoegenaamd niet mee eens ben. Calvo heeft echter blijkbaar nooit geleerd dat een man zijn jas hoort dicht te knopen als hij rechtop staat en dat hij vooral nooit ofte nimmer zijn handen in zijn broekzakken mag stoppen.

Hij stond daar zoals een boer op zijn akker de vruchten der aarde aanschouwt en maakte op mij alleszins geen voordelige indruk. Ik zou nooit op hem stemmen.

calvo

Met de Franse slag

Zoals eerder gemeld laboreer ik aan een verkoudheid die bijzonder slepend blijkt te zijn. Ik raak die maar niet kwijt. Vanwege de ermee gepaard gaande lichamelijke ongemakken heb ik me tijdens de voorbije weken nauwelijks buitenshuis gewaagd, maar vanmorgen diende ik me voor een dringende aangelegenheid naar de bewoonde wereld te begeven. Ik maakte daarvan gebruik om wat proviand in te slaan en aangezien het middaguur naakte, besloot ik aan te schikken in de nieuwste aanwinst van het dorp: een op Amerikaanse leest geschoeide diner (daajner), zeg maar een vette haptent. De glazen deuren van het etablissement schrokken zo van mijn verschijning dat ze vanzelf opengingen.

De gooi- en smijtschotel die ik voor mijn melik kreeg, zag eruit als geboetseerd slachtafval, of eigenlijk nog meer als een vreselijk ongeluk in de dierenwereld en ik zat met lange tanden te fletcheren, toen opeens mijn oren dichtslibden. De meeste mensen hebben daar enkel last van als ze in het hooggebergte evolueren, maar bij mij treedt dat verschijnsel ook op als ik verkouden ben en ik vind het verre van aangenaam. Die sluier op mijn trommelvlies blijkt immers ook mijn papillen te beïnvloeden, waardoor er kraak noch smaak zit aan hetgeen ik verorber. Ik schoof misnoegd mijn bord opzij en tuurde meewarig door het raam.

Ik volgde de werkzaamheden van de witte vuilniswagen die de straat verontrustte, of beter gezegd die van het oranje mannetje dat blauwe pmd-zakken en stapels papier en karton in de voerkleppen van het gevaarte stouwde. Hij wist niet van ophouden. De muilen raakten overvol.
“Dit kan nooit goed gaan”, mompelde ik toen hij veel te laat het persmechanisme aanzette.
Ik kreeg nog gelijk ook. Er weerklonken een paar knallen van ontploffende zakken en een dertigtal plastic flessen en drankblikjes ontsnapten. Ze kwamen samen met flarden van kranten op het asfalt terecht. Het oranje mannetje getroostte zich niet eens de moeite om die op te rapen, liet alles liggen waar het lag en vervolgde doodgemoedereerd zijn weg.

“Bedankt, u hebt weer fantastisch gesorteerd”, prijkte er in precieuze schoonschriftletters op de flank van de vuilniswagen. Jazeker, wij sorteren fantastisch en we betalen ons blauw aan allerhande milieutaksen, terwijl de vuilnisophalers het laten sloffen, er de kantjes aflopen en eigenhandig zwerfvuil rondstrooien.

In de kattenbak

Als jullie hier vaker komen, zal het jullie wellicht niet ontgaan zijn dat ik niet echt sociabel ben, maar eerder een kluizenaarsbestaan leid. De mensen op wie ik me verliet, hebben me te vaak teleurgesteld. Het gebeurde me iedere keer weer. Ik laat weliswaar vrij lang over me lopen, maar op een dag is het uit en ik heb al geruime tijd geleden het vertrouwen in de wereld opgezegd. Ze zijn nog met weinigen die het twijfelachtige voorrecht genieten om mijn hermitage te betreden en zo wil ik het houden, want zo heb ik het graag.

Een van de voordelen van dat gebrek aan sociaal contact is dat ik nog maar heel zelden verkouden ben. Dat kan een vreemde gevolgtrekking lijken, maar ze is wel correct. In tegenstelling tot wat velen denken vat je immers geen kou door blootstelling aan koude of tocht. Verkoudheid is uitsluitend het gevolg van een besmetting met een virus en heeft niks met temperatuur of weersomstandigheden te maken. Dat virus krijg je direct of indirect van een ander toebedeeld. De directe manier is door middel van bijvoorbeeld een kus. Maar de meeste keren krijg je het virus indirect. Als iemand in je omgeving hoest of niest, kan die het virus verspreiden en jou ermee besmetten.

Ook kluizenaars zijn onderhevig aan het ouder worden en ik kan derhalve niet beletten dat er me af en toe een verjaardag te beurt valt. Dat gebeurde verleden week en ’s avonds kreeg ik bezoek van David: een jongen uit de Dominicaanse Republiek, aan wie ik twaalf jaar geleden Nederlandse lessen verstrekte, die ik sindsdien een beetje als mijn zoon beschouw en die bij mij kind aan huis is. Hij is ondertussen vierentwintig en woont niet zo ver bij me vandaan, samen met zijn vriendin en hun dochtertje van vier maanden.

David was die avond snipverkouden en hij bracht niet alleen een cadeautje voor me mee, maar hij heeft me ook met zijn virus opgezadeld, waardoor ik nu al bijna een week in de lappenmand lig en uit de roulatie ben. Ik ben niet echt ziek, want ik maak geen koorts of zo, maar ik heb last van een hartverscheurende hoest, een de marathon lopende neus en ik voel me alsof ik door een kanon afgeschoten ben. Ik heb nergens zin in en daarom hebben jullie hier al bijna een week niets van me vernomen, maar …

… vanmorgen is er enige beterschap ingetreden. Duimen maar!

Copyright Uilenvlucht 2016 Frontier Theme