Hommeles

Ik loop eens even het bos in, dacht ik bij mezelf en ik voegde meteen de daad bij de gedachte. Nu ja, veel moeite hoefde ik daarvoor niet te doen. In dichte drommen omsingelen bomen mijn woning en als ik pakweg vijftig stappen buiten de deur zet, bevind ik me tussen stugge stammen onder pathetische gewelven van loverkapsels. Sommigen noemen me de bospoeper. Vraag me niet waarom.

Ik ontweek behoedzaam een aantal communes van verlekkerd kijkende brandnetels en kwam toen op een plek waar enkele gestorven bomen lagen te vermolmen. Het duurde niet lang of … tja, jullie weten het of jullie weten het niet, maar er zijn drie dingen die een onweerstaanbare aantrekkingskracht op mannen uitoefenen. Het stoken van vuurtjes komt op de allereerste plaats, gevolgd door het verspreiden van water via allerhande toestellen, zoals sproeilansen, hogedrukreinigers … en wat dies meer zij. Het is niet zonder reden dat ik me in mijn allereerste schoolopstel ─ hoelang is dat wel niet geleden? ─ vergreep aan een memorabele en ietwat dubieuze zin: “De brandweermannen kwamen aangelopen met spuitende slangen.” Ik dwaal echter af, zij het wederom niet met tegenzin. De derde handeling waar mannen een uitgesproken zwak voor hebben is poken en porren …

Het duurde dan ook niet lang of ik voorzag me van een indrukwekkende stok, waarmee ik lustig in het houtafval begon te poken … en binnen de kortste keren paniek veroorzaakte in het hommelnest dat zich onder die pulp bevond. Christene zielen! Er stegen gelijk honderden, indien al niet duizenden van die brompotten op. Ik heb ze niet geteld, want dat is mijn fort niet en bovendien had ik er geen tijd voor, want ijlings vluchten was de boodschap. Ik speerde weg, alsof uitslaande brand me aan de broek lekte.

Ik mag me gelukkig prijzen dat het hommels betrof. Die zijn niet agressief en ze vonden het niet eens nodig om me aan te vallen of zelfs maar te achtervolgen. Als het wespen geweest waren zou ik dit stukje waarschijnlijk niet geschreven hebben, of toch alleszins vandaag niet.

Ik ga je zoenen, kanjer!

Zij die al geruime tijd mijn blog lezen zullen weten dat ik niet echt een sociaal mens ben en dat ik zelfs een beetje naar het kluizenaarschap neig. Desalniettemin kan ik me niet altijd aan het bijwonen van al dan niet feestelijke bijeenkomsten onttrekken. Het overkomt me regelmatig – en steeds vaker heb ik de indruk – dat volslagen onbekenden, zowel vrouwen als mannen, me bij zulke gelegenheden ter begroeting stevig beetpakken, om me tijdens een nogal innige accolade af te lebberen, of toch een trio futloze zoenen toe te dienen. Die slobberkonten lijken dergelijke intimiteiten de normaalste zaak van de wereld te vinden, maar ik ben daar eigenlijk niet van gediend en ik voel er me ook ongemakkelijk bij. Mijn ouders hebben me echter keurig netjes opgevoed en ik laat dus niets van mijn ongenoegen blijken, zij het niet zonder moeite.

Ik zou graag zelf bepalen wie me aan gort mag knuffelen en met wie ik zoenen wil uitwisselen. Dat zijn in mijn geval een niet zo groot aantal mensen die ik langer ken en waar ik van hou. In de meeste gevallen volstaat een simpele handdruk als welkomstgroet en die lijkt me ook minder geforceerd dan die rondjes kuise zoenen.

Ben ik een zuurpruim?

De vermoorde onschuld

Mijn telefoon signaleerde dat iemand me wilde bereiken. Toen ik daar gehoor aan gaf, kreeg ik verbinding met een vermeende Nederlander. Hij bediende zich in alle geval van het vervaarlijke accent dat men boven de Moerdijk in de mond pleegt te nemen. Spoedig bleek ik niet de persoon te zijn met wie hij een gesprek wilde voeren.
–”Sorry!” zei hij. “Ik ben verkeerd verbonden.”
Dat wilde ik nu eens niet onweersproken laten, want zo nu en dan mag ik graag wat puntjes op i’tjes zetten, bijvoorbeeld als ik zin heb om tegendraads te zijn, of ook nog als iemand zich onterecht van iets probeert vrij te pleiten. Men moet staan voor wat men gedaan heeft.
–”U bent helemaal niet verkeerd verbonden”, riposteerde ik. “U bent volkomen correct verbonden met het nummer dat u verkeerdelijk gevormd hebt.”

Daar had hij niet van terug. Hij bazelde nog wat in het onverstaanbaars en verbrak toen de verbinding.

Temirreld van de stikk’n

Je kunt het vermoedelijk niet aan me zien, maar ik ben van nature een beetje een avonturier, om niet te zeggen een ontdekkingsreiziger. Zowel te voet als per fiets durf ik me nogal eens op vrijwel onbetreden paden te wagen, al kan er in sommige gevallen nauwelijks sprake zijn van paden. Het gebeurt dan ook regelmatig dat ik in het Engelse middle of nowhere terechtkom, of in het Nederlandse hol van Pluto, of temirreld van de stikk’n (te midden van de velden) zoals we dat in West-Vlaanderen zeggen.

Het was in zo’n ongerept gebied dat ik gisteren van heel dichtbij getuige was van de achtervolging van een haas door een kat, waarbij de kat tot haar eigen verbazing het onderspit dolf. Even later kwam ik bij een uitgestrekt terrein met duizenden en nog eens duizenden in slagorde opgestelde bloempotjes, waarin zich plantjes bevonden die nog maar net kwamen kijken en waartussen zich, enigszins verdoken, een groot aantal sproeiers ophielden, die uitgerekend op het moment dat ik daar kwam aangefietst met bruisend enthousiasme in werking traden.

Wel godverdomme hier en gunter! Ik kreeg me daar een koude douche van je welste en was binnen de kortste keren natter dan een dweil. Men moet mij niet komen vertellen dat die sproeiers automatisch ontwaakt zijn. Volgens mij hield zich daar ergens een ondeugende boer verscholen, die gnuivend de kraan openzette als hij iemand in het vizier kreeg. Hij zal zich verkneukeld hebben. Ik ietsje minder. Ik had het te druk met het uitwringen van mijn gewaden. 

Klaaien

Op de dijk tussen Middelkerke en Oostende zat ik op een bank naar het grote water te turen. Men kijkt immers niet naar de zee; men tuurt ernaar, al behoort staren ook tot de mogelijkheden. Ik tuurde evenwel.

Zeilboten kliefden tegen de wind op door de schuimbekkende golven. Ik lig er weliswaar niet echt wakker van, maar toch vraag ik me al heel mijn leven af hoe ze dat voor mekaar krijgen. Het lijkt zo onlogisch als wat. De theorie is me niet onbekend: ze doen dat door te laveren, hetgeen betekent dat ze voortdurend overstag gaan, of anders gezegd dat ze beurtelings over de ene en de andere boeg zeilen. Dat zal ongetwijfeld zo wezen, maar ik heb er geen idee van hoe dat in de praktijk geschiedt, dus wapende ik me met een verrekijker … een verretuurder in mijn geval, om het kunstje af te kijken. Minuten later begreep ik er van ganser harte nog steeds geen reet van en bovendien zadelde de hele bedoening me nog met een andere onverklaarbare vaststelling op. Die boten hangen soms dusdanig scheef dat het een wonder mag heten dat ze niet omslaan. Kapseizen heet dat in het jargon. In het West-Vlaams is dat klaaien.
“Past ip dajje nie klaait!” riep ik, want ik mag mensen graag waarschuwen voor een dreigend gevaar en als ik alleen ben, uit ik me graag in het dialect.
Ze hoorden me niet, maar klaaien deden ze al evenmin en dat mag een wonder heten, want ik heb zelden iets zo vervaarlijk zien overhellen.

Toen doemde er opeens een catamaran op: een racezeilboot die zijn naam alle eer aandeed en kennelijk van een haas gepoept was. Met splijtende vaart sneed hij door de baren van de Noordzee en hij maakte bijwijlen dusdanig slagzij dat ik niet alleen het ergste vreesde, maar het ook zag gebeuren. Hij klaaide toch wel zeker! Christene zielen, wat was dat spannend. En zo werd het toch nog een leuke middag, want het had weliswaar heel wat voeten in de aarde ─ nu ja, in het water eigenlijk ─ maar het liep allemaal goed af.    

Eten in zwart-wit

“Zullen we daar wat gaan eten?” vroeg ik.
“Doen!” antwoordde ik, want niemand vergezelde me en ik had de vraag dus aan mezelf gesteld.

Ik betrad het restaurant, nam plaats aan een tafeltje en trakteerde mezelf op een Campari-soda, het suggestiegerecht, zijnde scampi diabolique, een half litertje witte wijn, een punt warm appelgebak met slagroom en een koffie. Ik sloeg dat alles doodgemoedereerd in mijn slabbaris, zat nog wat uit te buiken, vroeg toen de rekening en kreeg dit:

rekening

Geen elegante kassabon en geen btw-briefje, maar een ordinair flardje papier met een nogal onbeholpen samenvatting van wat ik verorberd had. Of is dit de afrekeningsnota van zo’n geregistreerde of witte kassa, waarmee men het zwartwerk in de horeca wil uitroeien?

Emancipatie

In de supermarkt waren zes kassa’s bemand. Letterlijk dan, want ze werden allemaal door mannen bediend. Waar zijn de caissières van weleer?

Het caféterras behelsde veertien personen: acht vrouwen en zes mannen. Geen van de mannen rookte. Alle vrouwen deden dat wel. Zonder uitzondering!

Aan het station van Brugge nam ik de bus om me naar de andere kant van de stad te begeven.
“Alle vrouwen die niet geëmancipeerd zijn mogen voorgaan”, zei ik lachend tot de wachtenden achter me.
Ze gingen allemaal voor.

Uilenvlucht © 2014 Frontier Theme