Tag: balen

Ik zit weer te walmen

Walmen … Aan dat werkwoord heeft mijn spitsvondige ik een aparte betekenis toegekend, die jullie niet in verklarende woordenboeken zullen aantreffen, hoe dik die ook mogen zijn. Als ik me knorrig in mezelf terugtrek en nauwelijks aanspreekbaar ben, dan zit ik te walmen. Nu heeft een fijne teen ─ die gekipt en gebroed is met de psychologie en derhalve de streepjescode van mensen kan lezen ─ me recht voor m’n raap gezegd dat oppotten niet goed voor me is. Ik zou een uitlaatklep nodig hebben om mijn ergernissen te spuien, om de dingen die me ellenlang de strot uithangen of waar ik een kunstkop van krijg te lauwen. Ik hoop derhalve dat jullie me zullen vergeven dat ik mijn blog even als uitlaatklep gebruik om mijn gal uit te spuwen.

Ik krijg langzamerhand goed balen van het lamlendige weer dat nu al een niet gering aantal dagen mijn plannen dwarsboomt. De februarimaand mag gerust met wat grauwe, gure dagen op de proppen komen, maar trop is te veel en te veel is trop, zoals wijlen een Belgische premier, Paul Vanden Boeynants, placht te zeggen. Dat is één!

Er zijn wat problemen met de hosting van mijn weblog, waardoor Uilenvlucht af en toe onbereikbaar is. Nu ja, af en toe … Zondagmorgen, tussen 7 uur en 13 uur, waren er bijvoorbeeld maar eventjes 27 onderbrekingen, die alles samen twee uur en vijfentwintig minuten duurden. Ik heb dat gisteren aan mijn provider gemeld, maar die treft natuurlijk geen enkele schuld, of wat hadden jullie gedacht? Meer zelfs, men laat doorschemeren dat men aan mijn bewering twijfelt, al durft men het niet met zoveel woorden tegen me te zeggen. Tja, ik had zondagmorgen natuurlijk eerst een dozijn pretsigaretten opgestookt, mezelf vervolgens gemarineerd in allerhande verdovende substanties en tot slot ook nog een groot aantal slokken te veel opgenomen. Ik was zo high als een tros bananen, zo stoned als een garnaal, zo dronken als een kanon en ik hallucineerde er lustig op los. Vandaar allicht dat ik me die 27 onderbrekingen ingebeeld heb. Ik vind het alleszins geen manier van doen en mijn snaren zijn dan ook danig ontstemd. Dat is twee!

Verleden week heb ik bezoek gekregen van een snipverkouden persoon en die heeft me natuurlijk aangestoken, zodat ik nu zelf in de lappenmand lig en heel veel last ondervind van een hardnekkige neuscatarre. Mag ik een teiltje? Ik moet kotsen! Dat is drie!

Aangezien niet alleen goede, maar blijkbaar ook slechte dingen uit drie bestaan, zet ik er hier en nu een punt achter.

Punt!

Tante Pos

Het valt haast niet te beschrijven welke vreugde er ten huize Uilenvlucht heerste, toen ik een paar maanden geleden van de fiscus de heuglijke tijding kreeg dat ik te veel belastingen betaald had en derhalve eerlang wat restitutie mocht verwachten, te weten de kapitale som van net geen dertien euro. Ja kijk, zulke interessante geldbedragen mag men me in onbeperkte mate blijven aandragen.

Ik was aanzienlijk minder verheugd toen die peulenschil niet op mijn bankrekening terechtkwam, maar door een administratief bokkensprongetje vermomd als postassignatie bij me in de bus viel. Zo’n ding kan je uitsluitend in contanten laten uitbetalen aan het loket van een postkantoor. Aangezien men mijn woonplaats van zijn postkantoor beroofd heeft, diende ik me zes kilometer te verplaatsen om aan mijn gerief te komen.

Het meisje dat daar de dienst uitmaakte, had tijdens haar opleiding vermoedelijk een commerciële hersenspoeling ondergaan, want ze zei met de plichtmatige lach van een stofzuigerventer:
“Als u bij ons een rekening opent, kunnen de belastingen voortaan uw tegoeden daarop storten en hoeft u zich niet te verplaatsen voor zo’n futiliteit.”
Ik deelde haar mee dat ik al de trotse eigenaar van een paar bankrekeningen was, maar dat de fiscus dat kennelijk even veronachtzaamd had.
“Hebt u soms postzegels nodig?” vroeg ze. “Of misschien een postogram?”
Ze had kennelijk niet veel zin om die futiliteit aan me uit te betalen.
“Nee,” schuddekopte ik, “maar u kunt me wel plezieren met een pakje gezouten boter en een kwart kilo belegen kaas.”

Ze keek me aan alsof ze van plan was om tot een handgemeen over te gaan. Luttele seconden later was ik in het bezit van mijn schamele dertien euro. Of toch bijna.
“Daag!” zei ik vriendelijk.
Er kwam niets terug. Tijdens haar opleiding had men haar niet bijgebracht dat ze in alle omstandigheden beleefd moest blijven.

Achterklap

Ik ben over het algemeen een duldend mens en eerder inschikkelijk van aard, al zijn er wel een paar dingen waar ik me mateloos aan erger. Zo heb ik er bijvoorbeeld een bloedhekel aan dat sommigen het aandurven om in mijn bijzijn, ja zelfs als ze in mijn woning te gast zijn, over te gaan tot het vrijlaten van onbeheerste winden en knallende veesten. Bewaar me, zeg! Ik kan dat absoluut niet billijken. Mag ik?

Gisteren kreeg ik een karbouw over de vloer. De zeven paarden die hem uit de klei getrokken hadden, stonden daarvan nog na te hijgen. Terwijl ik een brief voor hem vertaalde, vergastte hij me op een wel zeer luidruchtige broekhoest. Hij lanceerde de ene flatus na de andere en dat bracht me compleet van mijn à propos.
─”Man, doe toch eens normaal!” foeterde ik.
─”Effe lekker knallen schijnt gezond te zijn”, grinnikte hij en hij voegde de daad bij het woord.
Ik verzamelde zijn papieren, overhandigde hem die en zei dat hij mocht aftaaien. Daar had hij niet van terug, maar toen ik de deur voor hem opende, trakteerde hij me toch nog een keer uitdagend op een allerminst delicate ruft.

Akkoord, scheten laten is des mensen, maar ik wil het niet weten, niet horen en nog veel minder ruiken. In de vierde eeuw voor het begin van onze jaartelling noteerde Hippocrates van Kos ─ die men als de grondlegger van de medische wetenschap beschouwt ─ het volgende in verband met het zich ontdoen van darmgas: “Winden dienen het lichaam bij voorkeur zonder geluid te verlaten, maar het is beter dat er wél geluid aan te pas komt, dan dat ze worden tegengehouden en zich inwendig opstapelen.”

Het zal jullie duidelijk zijn dat ik het niet met hem eens ben. Men zegge het voort!

In zo’n waanzin leven wij

Zijn de dames en heren van het consumentenmagazine Test-Aankoop nu werkelijk op hun kop gevallen en blijven stuiteren? Geloven zij nu echt dat zij zich alles mogen veroorloven?

Ze sturen me wat reclamefolders, teneinde me tot het nemen van een abonnement te bewegen, en ze verpakken die papierhandel in een grote envelop, die getooid is met een vermanende boodschap – LAATSTE HERINNERING – in witte koeienletters op een agressief rode achtergrond.

De postbode is er niet in geslaagd om die envelop helemaal in mijn brievenbus onder te brengen: de bovenkant ervan steekt nog uit de gleuf en die vermaledijde terechtwijzing is derhalve voor iedereen zichtbaar. Ik ben de hele dag afwezig geweest. Alle passanten, tientallen fietsers en wandelaars, hebben ongetwijfeld die in het oog springende mededeling opgemerkt en zullen nu veronderstellen dat ik een wanbetaler ben, wat natuurlijk niet het geval is. Of wat hadden jullie gedacht?

Ik ben daar hoegenaamd niet blij mee en Test-Aankoop mag dus een e-mail van me verwachten.

testaankoop

De doos van Pandora

Zoals het opduikberichtje hierboven vermeldt, heb ik, in arren moede, de commentaarbox van mijn blog dichtgeklapt. Het aantal spamberichten liep werkelijk de spuigaten uit. Ik heb het hier niet over enkele tientallen, maar over een kleine duizend per dag. Spamjager Akismet verhinderde weliswaar vrij nauwgezet dat die op mijn blog verschenen, maar ik diende ze toch te verwijderen, nadat ik ze eerst op authentieke exemplaren gevlooid had.

Hoewel mijn blog volgens de statistieken op heel wat belangstelling kan bogen, reflecteerde zich dat niet in de commentaren. Ik mocht al blij zijn als ik er vier per dag ontving en dat sop is de kool niet waard.

Wie iets aan me kwijt wil, zal het contactformulier moeten gebruiken. Het is jammer maar helaas.

Hoe Brugge in het water viel

Ik was gisteren van plan om met mijn tijdelijke huisgenoot een bezoek aan Brugge brengen, dus bevond ik me rond halftien in de badkamer, teneinde er de laatste hand aan mijn opsmuk te leggen. Terwijl ik krachtdadig in de weer was met flessen, potten en tubes vol heerlijke balsems, crèmes, gels, lotions, poeders en parfums doofde plots de lamp boven mijn hoofd.
“Krijg nu tieten!” foeterde ik. “Die ledlampen zouden toch een levensduur van twintigduizend branduren hebben? Die van mij is nog geen maand oud.”
Ik was nog bezig me te ergeren toen de deur een bedeesd geklop te verwerken kreeg.
“¡Adelante!” riep ik manhaftig, want de Vlaamse of Nederlandse varianten – Kom moa bin! of Kom binnen! – zouden Chinees geweest zijn voor mijn Spaanstalige logé.
“Je computer heeft opeens rare kuren”, vernam ik uit zijn mond. “Hij flikkert en hij piept …”

Er bleek in mijn woning wel meer te flikkeren en te piepen, want het overgrote deel van de stopcontacten en lichtschakelaars hapte naar adem, of beter gezegd naar stroom, terwijl een paar daar kennelijk geen last van hadden. Er was duidelijk een kink in de kabel ─ ik schreef bijna stront aan de knikker, maar ik wil het proper en welvoeglijk houden ─ dus telefoneerde ik naar de klantendienst van mijn distributeur, doorliep het onvermijdelijke keuzemenu en kon er, na het al even onvermijdelijke wachten met muziek, mijn verhaal kwijt aan het bereidwillig oor van een kostgangster der aardkloot.
“Ik kan een technicus naar u toesturen,” zei ze, “maar als het defect te wijten is aan de binneninstallatie, zal hij u doorverwijzen naar uw elektricien en zult u van ons wel een rekening van € 97,09 gepresenteerd krijgen voor de nutteloze verplaatsing.”
“Nu nog mooier!” protesteerde ik. “Hoe kan ik, in mijn hoedanigheid van leek die zelfs een beetje bang is van elektriciteit, in vredesnaam achterhalen waar de boel spaak loopt?”

Dat kon ze me vertellen. Ik diende achtereenvolgens de hoofdschakelaar, de verliesstroomschakelaar en alle zekeringen op het verdeelbord uit te zetten en vervolgens in dezelfde volgorde weer aan te zetten. Als ik dan nog geen stroom had, mocht ik haar terugbellen, want dan was er waarschijnlijk een fase uitgevallen en dat diende mijn distributeur te verhelpen.
Vijf minuten later hing ik weer aan de telefoon en ze beloofde om meteen een technicus te waarschuwen, die gegarandeerd binnen de twee uur te mijnent zou neerstrijken.

Ik begon meteen met verlengsnoeren en verdeeldozen te goochelen om de belangrijkste toestellen ─ koelkast, diepvries, Senseo, computer, telefoon, verwarming ─ in mijn woning van stroom te voorzien. Met onverholen bewondering sloeg mijn huisgenoot mijn bezigheden gade. Of was het verbazing en ongeloof? Als twee spinnen zaten we daarna in ons dradenweb op onze prooi te wachten. Er verstreek een uur. Er verstreken twee uren. Er verstreken drie uren. Er smeulde al enige tijd dreiging in mijn ogen en mijn mond begon op een sabelhouw te lijken. Er verstreken vier uren. Ik vloog op als buskruit, greep de telefoon, toetste met nijdige vingers het nummer in …

“Er is blijkbaar iets fout gelopen”, zei ze laconiek. “Ik informeer even bij dispatching.”
Dispatching! Dispatching?! Hebben ze daar geen Nederlands woord voor?! Opnieuw probeerden ze me met die vervloekte pokkenmuziek te paaien. Men kan me martelen met dat soort deunen.
“Over tien minuten zal onze technicus bij u zijn”, verzekerde ze me toen haar stem bij me terugkeerde.
“Ik hoop voor u dat het waar is”, sprak ik dreigende taal.

Het was waar. De technicus kwam. Eerst probeerde hij ons te imponeren met het manipuleren van wat meettoestellen en daarna verkondigde hij dat hij bij een verderop gelegen verdeelkast het euvel diende te herstellen. Dat kon wel een uurtje duren.

Om drie uur waren alle plooien eindelijk gladgestreken en konden we weer naar hartenlust over stroom beschikken. We hebben Brugge niet meer gezien …

… maar nu zijn we weg!

Trut van Troje

─”Kun je ons volgende week maandag naar onze advocaat brengen?” vroeg de vrouwelijke helft van het echtpaar dat Belgenland om asiel verzocht had en waaraan ik lessen Nederlands verstrekte.
Ik trok mijn agenda, zag dat ik al een andere afspraak had en besloot om die naar een latere datum te verschuiven.
─”Dat moet lukken”, zei ik dus. “Hoe laat?”
─”Negen uur”, zei ze.

Vanmorgen om negen uur meldde ik me bij ze aan.
─”O, we zijn vrijdag al geweest”, zei ze. “Een kennis van mijn man moest daar in de buurt zijn.”
─”Heb je een vinger gebroken of zo?” vroeg ik.
─”Nee!” antwoordde ze. “Waarom?”
─”Omdat je me niet gebeld hebt om me daarvan te verwittigen”, sprak ik misnoegd.
Ze haalde de schouders op en sloot de deur.

Daar sta je dan met je goeie gedrag. Daar krijgt een mens toch een kunstkop van.

De Snaaskerkse plassen

Snaaskerke

Hierboven zien jullie een bank.
Die staat in Snaaskerke, bij Oostende.
Vanmorgen zat ik op die bank, in het genadeloze licht van de ochtendzon,
genietend van het weldadig ontbreken van mensen.
Opeens daagde er een auto op: een BMW.
Die reed me aan hoge snelheid voorbij.
Ik slaakte een gil en sprong overeind, alsof er onder me een krachtige veer in werking trad.
De auto reed namelijk dwars door de plas die jullie op de foto zien.
Ik kreeg een niet geringe hoeveelheid van het opspattende water over me heen.
Ik was zo nat als een vaatdoek en zo smerig als een dweil.
Ik ben er vrijwel zeker van dat de chauffeur zich met opzet doorheen die plas stuurde.
Ik denk zelfs dat ik hem hoorde lachen.
Sindsdien ben ik in een humeur dat me naar een drankhol kan drijven.
Misschien doe ik dat wel.

Tafelmanieren

Als ik soep eet, wat ik vrij zelden doe, pleeg ik de lepel altijd in de lengterichting en dus met de punt voorwaarts naar mijn mond te brengen. Het valt mij echter op dat de tafelgasten in films en feuilletons, die zich in chique huishoudens afspelen, de lepel dwars voor de lippen brengen. Ik heb dus even een uit 1940 daterend boekje met etiquetteregels geraadpleegd – Hoe hoort het eigenlijk? van Amy Groskamp–Ten Have – en lees daar op bladzijde 251:

Men eet van den zijkant van den lepel en niet van de punt, daar de eerstgenoemde houding iemand in staat stelt de ellebogen zooveel mogelijk aan het lichaam gesloten te houden, hetgeen bij een goede tafelhouding behoort.

Andere bronnen die ik via internet ontdekte, verkondigden eveneens die stelling.

Toen ik gisteren aan een feesttafel diende aan te schikken, wilde ik natuurlijk laten blijken dat ik wist hoe het hoorde. Wel, ik kan jullie verzekeren dat tomatensoep buitengewoon hardnekkige vlekken maakt.

Die etiquetteregels kunnen me gestolen worden!

Nul, ik houd een bokje

Sinds jaar en dag hangt er een plafondventilator boven mijn schrijftafel. Mijn trouwe lezers zullen zich herinneren dat ik het ding wentelteefje heb gedoopt, waarschijnlijk in een vlaag van zinsverbijstering, of anders tijdens een poëtische opwelling. Tja, je bent normaal of je bent het niet. Bij het hittegolfje van enkele dagen geleden bood dit toestel evenwel weinig soelaas. Het teefje wentelde te traag om effect te sorteren en als ik de snelheid ervan verhoogde, fladderden al mijn paperassen in de rondte als waren het van een haas gepoepte vlinders.

Ik zou mijn woning van klimaatregeling kunnen voorzien – airconditioning in keurig Nederlands – maar dat kan mijn Bruintje niet trekken en als ik al over de nodige middelen beschikte, ben ik eigenlijk veel te gierig om die aan airco te spenderen. Nu ben ik weliswaar geen verlicht genie en zelfs geen wonder van intelligentie, maar evenmin een achterlijk ezelsveulen. Ik heb me dus even aan het denken gezet. Toen ik daarmee klaar was, voorzag ik de diepvries van een aantal petflessen met water. Toen die bevroren waren, haalde ik een vloerventilator uit de kast, zette die op een strategische plek in mijn bureau en plaatste een paar van die ijsflessen in de luchtstroming. Het wonder geschiedde. Het duurde niet lang of de temperatuur in het vertrek daalde met zo maar eventjes drie graden Celsius.

Het spreekt vanzelf dat ik buitengewoon fier was op mijn uitvinding, maar toen ik die aan internet wilde toevertrouwen, kwam ik tot de ontdekking dat tientallen anderen me voor geweest waren. Rijk zal ik er dus niet van worden. Beroemd evenmin. We blijven proberen.

Copyright Uilenvlucht 2018 Frontier Theme