Tag: opvoeding

Verloedering

De meesten van jullie zullen onderhand weten dat ik een fervent en warm pleitbezorger ben van het Nederlands in het algemeen en van de West-Vlaamse streektaal in het bijzonder. Zo duld ik bijvoorbeeld geen woekeringen van het Engels in Nederlandse zinnen en ik probeer er alles aan te doen om mijn moedertaal, het West-Vlaams, voor aftakeling en ondergang te behoeden.

Ik erger me bijvoorbeeld mateloos aan de vlees noch vis zijnde tussentaal, waarvoor Geert van Istendael de term Verkavelingsvlaams bedacht, die men in de vervolgseries van Vlaamse televisiezenders hanteert en waarmee ouders vandaag de dag hun kinderen te woord staan. Het is een verloedering van zowel het dialect als van de standaardtaal en het is zo gekunsteld als de neten. Ik smeek jullie op mijn blote knieën: roer zo weinig mogelijk Engels door je Nederlands en bedien je, naargelang de omstandigheden, van je  dialect of van het algemeen Nederlands, maar laat je niet verleiden tot een overspannen brouwsel daartussenin.

Kijk, ik sprak West-Vlaams met mijn moeder, Castellano ─ de Zuid-Amerikaanse variant van het Spaans ─ met mijn vader, Esperanto met mijn buren … en met mij is dat toch ook goed gekomen, wel? Ik blijf vechten, ook al is dat dan misschien tegen de bierkaai.

Trut van Troje

─”Kun je ons volgende week maandag naar onze advocaat brengen?” vroeg de vrouwelijke helft van het echtpaar dat Belgenland om asiel verzocht had en waaraan ik lessen Nederlands verstrekte.
Ik trok mijn agenda, zag dat ik al een andere afspraak had en besloot om die naar een latere datum te verschuiven.
─”Dat moet lukken”, zei ik dus. “Hoe laat?”
─”Negen uur”, zei ze.

Vanmorgen om negen uur meldde ik me bij ze aan.
─”O, we zijn vrijdag al geweest”, zei ze. “Een kennis van mijn man moest daar in de buurt zijn.”
─”Heb je een vinger gebroken of zo?” vroeg ik.
─”Nee!” antwoordde ze. “Waarom?”
─”Omdat je me niet gebeld hebt om me daarvan te verwittigen”, sprak ik misnoegd.
Ze haalde de schouders op en sloot de deur.

Daar sta je dan met je goeie gedrag. Daar krijgt een mens toch een kunstkop van.

Ik ga je zoenen, kanjer!

Zij die al geruime tijd mijn blog lezen zullen weten dat ik niet echt een sociaal mens ben en dat ik zelfs een beetje naar het kluizenaarschap neig. Desalniettemin kan ik me niet altijd aan het bijwonen van al dan niet feestelijke bijeenkomsten onttrekken. Het overkomt me regelmatig – en steeds vaker heb ik de indruk – dat volslagen onbekenden, zowel vrouwen als mannen, me bij zulke gelegenheden ter begroeting stevig beetpakken, om me tijdens een nogal innige accolade af te lebberen, of toch een trio futloze zoenen toe te dienen. Die slobberkonten lijken dergelijke intimiteiten de normaalste zaak van de wereld te vinden, maar ik ben daar eigenlijk niet van gediend en ik voel er me ook ongemakkelijk bij. Mijn ouders hebben me echter keurig netjes opgevoed en ik laat dus niets van mijn ongenoegen blijken, zij het niet zonder moeite.

Ik zou graag zelf bepalen wie me aan gort mag knuffelen en met wie ik zoenen wil uitwisselen. Dat zijn in mijn geval een niet zo groot aantal mensen die ik langer ken en waar ik van hou. In de meeste gevallen volstaat een simpele handdruk als welkomstgroet en die lijkt me ook minder geforceerd dan die rondjes kuise zoenen.

Ben ik een zuurpruim?

Leedvermaak

Schadenfreude ist die schönste Freude, denn sie kommt von Herzen.*

Ik heb hem teruggezien: het asociale stuk chagrijn dat mijn jongensjaren versjteerde en dat ik vanuit mijn tenen haatte.

Ik ben allerminst een hoogvlieger op het gebied van wiskunde en aanverwante vakken, zoals bijvoorbeeld chemie. Ik kan weliswaar de hele periodieke tabel van Mendelejev uit het hoofd opdreunen ─ mijn reet articuleert niet zo lekker ─ maar als ik wat met die elementen moet aanvangen, gaat het steevast grondig fout. Toen ik tijdens mijn schoolopleiding de derde keer een scheikundelokaal betrad, veroorzaakte ik al een bedeesd ontploffinkje, waarna men me met aandrang verzocht om vooral niets meer aan te raken.

Wat wiskunde betreft, kan ik behoorlijk overweg met de vier hoofdbewerkingen. Bovendien beschik ik over een japannertje, dat gretig dergelijke klusjes voor me klaart, al is dat in mijn geval vermoedelijk een verenigdstatertje, want het ding heet Texas Instruments. Zodra er echter algebra of driehoeksmeting aan te pas komt, raak ik compleet het noorden kwijt. Hoe en waarom die tweetjes en drietjes van de hak op de tak springen, is me nu nog steeds een raadsel.

Als ik iets niet begrijp, kan het licht gebeuren dat mijn aandacht verslapt en als mijn aandacht verslapt, ligt verstrooidheid om de hoek. Het was tijdens zo’n verstrooide bui dat een leraar me ongemerkt — hij bevond zich namelijk achter mijn rug — besloop en me een formidabe draai om de oren gaf, die ik totaal onvoorbereid in ontvangst nam. Ik schrok me tureluurs en het zit me blijkbaar nog steeds hoog, want …

… ik heb die dinosaurusdrol teruggezien en constateerde vergenoegd dat hij buitengewoon lelijk oud geworden is.

*Leedvermaak is het mooiste vermaak, want het komt uit het hart.

Strontzaak

We zaten met ongeveer z’n vijftienen onder fleurige parasols op een terras, zij het niet echt in jolig groepsverband, want we kenden elkaar niet. Op de pleinachtige toestand die zich voor ons uitstrekte, verscheen een man die een hond aan de lijn had van een model waarop ik niet meteen een merk kon plakken. Hij merkte ons op, bombardeerde ons waarschijnlijk tot zijn publiek en liet de viervoeter wat kunstjes opvoeren: liggen, rollen, zitten, pootjes geven, blaffen … Tussendoor vergewiste hij er zich telkens van of we wel naar hem keken en of hij misschien een staande ovatie in de wacht zou slepen. Hij kreeg zelfs geen applausje. Hij kwam naar ons toe en probeerde ons te epateren met de mededeling dat hij al bijna drie jaar iedere week een hondenschool bezocht, teneinde het dier in gehoorzaamheid te trainen. We waren er geen van allen kapot van.

Tien minuten later ontmoette ik hem in het park, waar zijn metgezel bezig was een nieuw kunstje op te voeren: in hurkzit een knoeperd van een drol uit het poepgat persen, waarna de kynoloog doodgemoedereerd zijn weg vervolgde zonder de troep op te ruimen.
– “Bestaan er ook scholen waar ze hondenbezitters dresseren en ze leren om de uitwerpselen van hun dieren op te ruimen?” riep ik hem toe.
Hij keek buitengewoon agressief uit zijn kop. Het zal nog eens zo gaan dat ik de duivel in iemand wakker maak, zodat hij tot handgemeen overgaat of zelfs zijn hond op me aansart. Ik kan het gewoon niet laten. Het is sterker dan mezelf …

… want bestaat er een smeriger karweitje dan kokhalzend stront van schoenzolen schrapen?

Een schransfestijn

Wie net als ik geregeld in een supermarkt van Colruyt pleegt rond te scharrelen, zal weten dat er daar af en toe, om niet te zeggen meestal, wat te savoureren valt. Vanmorgen kreeg ik zelfs de indruk dat er een feestje met lopend buffet aan de gang was, want het proevertjesaanbod was overweldigend: koffie, koekjes, kip, wijn, charcuterie, chips …

Omdat ik mijn zinnen op kersen gezet had, begaf ik me naar de onderkoelde afdeling groenten en fruit. De prijs van het fel door mij begeerde fruit viel danig tegen: net geen elf euro voor een kilogram, terwijl dat amper een paar weken geleden nog zeven euro minder was. Ik laat weliswaar mijn geld niet beschimmelen, maar anderzijds gooi ik het ook niet over de balk, dus stond ik even in beraad. Twee ‘dames’, die kennelijk op strooptocht waren en samen vijf kinderen in hun kielzog hadden, maakten van mijn aarzeling gebruik om voor te dringen. Met z’n zevenen begonnen ze rode vruchtjes in hun voerklep te stouwen, hoewel men die niet ter degustatie aanbood. De pitten spuwden ze doodgemoedereerd terug waar ze vandaan kwamen, waardoor ik meteen mijn kersentand uittrok. Ik zou me daar een beetje in die bakken staan graaien. Bah, wat vies!

Iets later zou ik nog een keer het pad van die vraatzuchtige bende kruisen. In de diepvriesafdeling lagen twee grote, tot punten versneden pizza’s op gegadigden te wachten. De kloeken met hun kuikens ratsten binnen de kortste keren beide schotels leeg en begaven zich toen volgepropt naar de kassa, met in hun winkelwagen een zakje chips en een fles cola. Colruyt had veel geld aan ze verdiend.

Soppen

Ik ben keurig en netjes opgevoed ─ kijk me aan een doe er je voordeel mee! ─ gedraag me hoffelijk, geef altijd mijn ‘schoon’ handje, spreek met twee woorden en neem steevast de nochtans vaak oubollige etiquette in acht, behalve …

Ik heb een logeergast: een knul van net geen zestien jaar. Zijn ouders, met wie ik bevriend ben, zijn begonnen aan een verre tocht waarvoor vaccinaties verplicht zijn en hebben de vrucht van hun liefde tijdelijk te mijnent ondergebracht. Dat reist prettiger. Hij is een gave jongeling, welgemanierd in spreken en handelen, waarvoor ik geneigd ben enthousiaste superlatieven te gebruiken. Je hebt er bij wijze van spreken geen kind aan.

We zaten samen aan het ontbijt. Ik betrapte hem erop dat hij herhaaldelijk aanstalten maakte om het broodje dat hij verorberde in zijn kop met cacao te dompelen, maar dat telkens wist te voorkomen.
─”Je hebt zin om te soppen, hè?” veronderstelde ik.
─”Het is bijna sterker dan mezelf,” gaf hij toe, “maar mama heeft me op het hart gedrukt dat ik het hier niet mag doen.”
─”Jouw moeder weet waarschijnlijk niet dat ik zelf ook een fervent sopper ben”, meesmuilde ik samenzweerderig. “Zullen we?”

Gesopt dat we hebben! En gelachen.

Op 11 december 2010 heb ik hier ─ in Tafelmanieren ─ vermeld dat ik met soppen begonnen was en niet de intentie had om daar ooit mee op te houden. Wel, ik ben er dus niet mee opgehouden.

Straatschenderij

Ik stap of fiets vrijwel dagelijks voorbij een majestueuze treurwilg, die zwaarmoedig staat te druiloren in het midden van een zilverig groen grasveld.

Dat gedrild gazon oefent een grote aantrekkingskracht uit op dieren in het algemeen en honden in het bijzonder, in die mate zelfs dat de lokale overheid er een verbodsbord heeft laten neerpoten, dat aan iedereen, ja zelfs aan ongeletterden, duidelijk moet maken dat men het plantsoen vooral niet als een openbaar toilet voor viervoeters moet beschouwen.

We leven helaas in een tijd waarin het vandalisme hand over hand toeneemt. Het bord heeft er welgeteld twee dagen onaangeroerd gestaan. Het staat er nu nog steeds, maar baldadige handen hebben het naar de filistijnen geholpen door er platvloerse boodschappen op aan te brengen in onuitwisbare viltstiftletters. 

Honden mogen het gras niet bevuilen, maar sommige mensen schrikken er niet voor terug om andermans goed onherroepelijk te beschadigen. Zou je ze niet!

vandalisme

Opvoedkunde

Het begon zo geduldig te miezeren dat ik er nauwelijks wat van merkte en niet eens de moeite nam om mijn paraplu open te klappen. Ik liep langs een afsluiting, waarachter zich zo te horen huishoudelijke, of toch zeker familiale taferelen afspeelden.
– “Het regent een beetje”, hoorde ik een kinderstemmetje zeggen.
– “Regent het een beetje?” verwonderde de vermoedelijke vader zich. “Inderdaad! Het regent en de zon schijnt. Wat zeggen ze dan?” De man liet een vervaarlijk gebrom horen en riep met luider stem: “‘t Is kermesse in d’ helle!”
Het kind zette het op een krijsen, koos het hazenpad en zocht heil bij zijn moeder.
– “Papa is stout!” pruilde het.
– “Tegen wie zeg je het!?” mompelde de moeder, die kennelijk wist wat voor vlees ze in de kuip had.

Een hartverheffend tafereeltje

Vanmorgen zag ik een ‘pruttig’ meisje … Ha, wat is pruttig een heerlijk West-Vlaams woord. Je kan er ook niet meteen een Nederlandse vlag voor vinden die de hele lading dekt. Pruttig, dat is zowel hups, als bekoorlijk en lief … maar ik dwaal af, zij het opnieuw niet met tegenzin, want taal in het algemeen en het Nederlands met zijn aanverwanten in het bijzonder blijven me mateloos boeien.

truckersarmHet pruttige meisje van een jaar of tien was getooid met een geel fluorescerend hesje en een helm van dezelfde kleur. Ze hing in een vrij ongemakkelijke houding op haar fietsje aan de rand van een drukke weg, wachtend tot ze veilig kon oversteken. Dat bleef duren. Opeens kwam er echter een mastodont van een vrachtwagen aangereden, die met veel gepiep, geknars en gesis van allerhande onderdelen halt maakte. Het portierraam liet een stoere, met tatoeages getooide arm los, die wenkend duidelijk maakte dat ze haar gang kon gaan. Ze borstelde een alverslindende glimlach op haar gezicht en repte zich vervolgens op nogal stuntelige wijze de straat over. Hoewel ze zo te zien over nog maar weinig stuurvastheid beschikte, getroostte ze zich toch de moeite om even haar hand op te steken en ermee naar de chauffeur te zwaaien, die dat gebaar prompt beantwoordde.

Zo kan het dus ook, al vraag ik me af of de trucker in kwestie dezelfde hoffelijkheid aan de dag zou gelegd hebben als ik me aan de kant van de weg had bevonden? Ik denk het niet. Ik weet het eigenlijk vrij zeker. Vermoedelijk zou ik een aantal keren mijn verjaardag vieren, daar op de oever van de verkeersstroom. Hoewel … 

Copyright Uilenvlucht 2017 Frontier Theme